Belchite: een ruïne met alleen maar verliezers

In het Noordoosten van Spanje vormt het ruïnestadje Belchite een grimmig aandenken aan de Spaanse burgeroorlog. Het bloedige verleden vormt in het land nog altijd een open wond. Belchite staat symbool voor de waanzin van oorlog.

Het is voorjaar 1936. In het stadje Belchite, in het zuiden van de streek Aragon, hangt -net als overal in Spanje- een gespannen sfeer. In februari heeft de linkse coalitie Frente Popular de landelijke verkiezingen gewonnen. In Belchite is de socialistische PSOE, onderdeel van het Frente, de grootste partij geworden. Maar in het agrarische gebied rondom het 7.500 inwoners tellende stadje, heeft de nationalistische tegenpartij gewonnen: de conservatieve katholieken, monarchisten, rechts-radicalen en grootgrondbezitters.

De Martinuskerk in Belchite, eigen foto

In juli 1936 probeert een aantal Spaanse generaals, waaronder Francisco Franco, de macht te grijpen en het resultaat van de verkiezingen ongedaan te maken. De militaire putsch lukt maar ten dele. Het Spaanse opstandelingenleger slaagt er niet in om de republikeinse regering af te zetten en het land volledig te veroveren. In sommige delen van Spanje blijft het leger loyaal aan de republiek. Grote steden als Madrid, Barcelona en Valencia blijven in handen van de regering. Linkse organisaties vormen gewapende milities om de democratische verworvenheden van de republiek te verdedigen.

De Spaanse burgeroorlog, die uiteindelijk drie jaar zal duren en meer dan een half miljoen doden kosten, is begonnen.

Negentig jaar later rij ik plankgas, op een met subsidie van de Europese Unie vers geasfalteerde kaarsrechte weg, door de eindeloze Steppe van Belchite. Alleen met een door een gids geleide wandeling, is het mogelijk de ruïnes te bezoeken, en ik wil onze afspraak niet missen.

In dit unieke landschap, ten zuiden van de rivier de Ebro, zijn nauwelijks huizen en mensen te bekennen. Het is hier een krimpregio en het lege land oog deels dor en geel, maar er zijn ook vruchtbare, groene stukken, als gevolg van grootscheepse irrigatie. Zo nu en dan moet ik afremmen voor reuzentractoren of brede landbouwmachines die de weg versperren.

Dictator Franco besloot dat Belchite, waar hevig gevochten werd tijdens de Spaanse burgeroorlog, niet heropgebouwd mocht worden. Het in puin geschoten stadje zou als monument fungeren voor ‘de barbarij van de rode terreur’ en als waarschuwing om niet in verzet te komen tegen Franco’s gezag. Negentig jaar later staat Belchite symbool voor de waanzin van oorlog in het algemeen en is het een moment voor de vrede.

Lopend door Belchite waan je je in Gaza of in de buurten langs de Groene Lijn in Beiroet, tijdens de Libanese burgeroorlog. Ook moet ik denken aan foto’s van Marioepol en andere kapotgeschoten steden in Ukraine.

Hoewel er andere in puin geschoten bouwwerken in West-Europa zijn die verwijzen naar twintigste-eeuwse oorlogsvoering, bijvoorbeeld de Frauenkirche in Dresden of de Kaiser Wilhelms Kirche in Berlijn, is Belchite verreweg het grootste in zijn soort. In Frankrijk is het dorp Oradour-sur-Glane nooit herbouwd, nadat de Waffen SS er in juni 1944 een vergeldingsactie uitvoerde en 643 mensen afslachtte. Maar Belchite is een volledige stad, met twee grote kerken, drie kloosters, een school, gemeentehuis en politiebureau, cafés, restaurants, winkelstraten en woonblokken. In puin weliswaar, maar herkenbaar, bevroren in de tijd.

Het groepje van zo’n vijftien bezoekers verzamelt zich aan de rand van de ‘oude stad’ zoals de ruïnes enigszins eufemistisch worden genoemd. Onze gids probeert zo feitelijk mogelijk te vertellen wat er precies gebeurd is, negentig jaar geleden. Er moet eerst iets opgehelderd worden over de terminologie. Ze heeft het over de sublevados, de opstandelingen geleid door Franco en co, om er meteen glimlachend aan toe te voegen dat deze lieden ook nacionales mogen worden genoemd; de nationalisten van rebellerende militairen en uiterst-rechts. Het verhaal van de burgeroorlog is nog steeds niet eenduidig en ligt ook nu nog uiterst gevoelig in Spanje.

In andere delen van de wereld is bij oorlogsmonumenten het onderscheid tussen goed en kwaad meestal zonneklaar.  Haast alle bezoekers van Oradour-sur-Glane of het kamp Westerbork zullen sympathie hebben voor de slachtoffers, niet voor de nazi’s. In Spanje ligt dat waziger. Waren de uiteindelijke verliezers van de burgeroorlog de ‘goeden’? Waren er onder de overwinnaars geen slachtoffers?

De in 2007 aangenomen wet van de Memoria Histórica verleent weliswaar rechtsherstel aan de (pro-) republikeinse slachtoffers en hun nakomelingen. Omgekomen republikeinse militairen of vermoorde linkse activisten, die in anonieme graven gedumpt waren, worden opgegraven en geïdentificeerd. Ook symbolen van de Franco-dictatuur in de openbare ruimte zijn inmiddels verboden. Maar een echt proces van verzoening en nationale waarheidsvinding laat in Spanje nog steeds op zich wachten. De conservatieve Partido Popular en het uiterst-rechtse Vox moeten weinig of niets van de Memoria Histórica hebben. In de autonome regio’s waar deze partijen aan de macht zijn, werden de subsidies voor herinneringsprogramma’s verminderd of ingetrokken.

Aan het begin van de rondleiding luisteren de bezoekers, haast allemaal wat oudere Spanjaarden, zwijgend naar de gids. Ze vertelt dat na de poging tot staatsgreep in juli 1937 de Guardia Civil (Nationale Gendarmerie) en uiterst-rechtse milities van de Falange-partij de jacht openden op iedereen in Belchite die ze als ‘rood’ beschouwden: socialisten, communisten, anarchisten, vakbondsactivisten en vrijmetselaars. Er vonden massaal arrestaties en executies plaats. Zo’n 300 stadsgenoten werden vermoord. Velen van hen werden doodgeschoten tegen de muur van de plaatselijke begraafplaats, zodat de lijken direct in een grafkuil konden worden gegooid.

In september 1937 wordt Belchite aangevallen door de republikeinen in een offensief richting de regionale hoofdstad Zaragoza. Belchite is een waar militair bastion, waar zo’n 2.000 aanhangers van de nationalisten zich hebben verschanst. Er vinden een week lang bloedige straatgevechten plaats, vaak van man tot man. Aan beide kanten worden enorme verliezen geleden. 

Bij de republikeinen vechten ook leden van de Internationale Brigades mee: buitenlanders die naar Spanje zijn getrokken om het opkomende fascisme een halt toe te roepen. De Amerikaanse internationale brigadist Bill Bailey beschrijft in zijn autobiografie hoe de gevechten verliepen. ‘We sloegen met een pikhouweel een gat in een muur. Dan gooiden we er een paar handgranaten in om het gat groter te maken en klommen daar doorheen. Daarna veegden we met geweervuur het huis schoon, van de zolder tot de kelder.’

Wandelend door de verlaten ruïnestad is amper voor te stellen hoe gewelddadig de felle gevechten verliepen. De ontelbare kogelgaten in afgebrokkelde muren getuigen van onophoudelijk mitrailleurvuur. Er werden ook handwapens gebruikt, bajonetten en messen. Boven Belchite waren Polikarpov 1-15s gevechtsvliegtuigen actief, door de Sovjet-Unie aan de Spaanse republiek geleverd. Uiteindelijk dolven in de slag om Belchite de nationales het onderspit. Niemand weet precies hoeveel doden er vielen maar de schattingen lopen uiteen van vijf- tot zesduizend.

Bailey schrijft dat er ook veel burgerdoden waren; vrouwen en kinderen die Belchite niet tijdig hadden kunnen ontvluchten. ‘De lijken werden langs de kant van de weg opgestapeld en in brand gestoken. Ze bleven de menselijke overblijfselen besproeien met benzine, totdat er niets van over was dan een smeulend hoopje. Daarna kwamen ze met vrachtwagens om de as erin te scheppen. De hele stad stonk naar brandend vlees.’

Tijdens de rondleiding zijn we inmiddels aangekomen in de indrukwekkende restanten van de Sint Martinus van Tours kerk. Als je in het gotische schip van de kerk staat kijk je recht naar de bewolkte hemel. Het dak van de kerk is in de oorlog verdwenen. Er drijven vandaag dreigende, donkere luchten boven ons. Ik voel van tijd tot tijd een spatje regen.

De gids haalt haar mobiele telefoon tevoorschijn om een opname te laten horen van een overlevende van de slag om Belchite. Het is een inwoonster die een jaar eerder op hoge leeftijd was overleden. Met krakende stem vertelt ze dat ze tijdens de gevechten gewond was geraakt. Ondanks dat ze goed katholiek was en uit een nationalistische familie stamde werd ze liefdevol verpleegd in een republikeinse ziekenboeg. Ze heeft er goede herinneringen aan. Het bleek, tot haar verrassing, dat de ‘roden’ niet allemaal duivels met hoorntjes waren.

Negentig jaar later hoor ik de getuigenis met gemengde gevoelens aan. De primitieve vooroordelen over de tegenstanders van destijds zijn wellicht verdwenen, maar de polarisatie, angst en wederzijdse haat die ook latere burgeroorlogen aanwakkerde -zoals in Libanon en Bosnië- blijven schrikbarend herkenbaar.

Na de republikeinse inname van Belchite in september 1937 werden zo’n honderd pro-Franco officieren en falangisten geëxecuteerd door linkse milities. Dat was nog niet het einde van het bloedbad. In maart 1938 voerde Franco een grootscheeps offensief uit in Aragon. Belchite werd zwaar gebombardeerd door zo’n 200 vliegtuigen van het door Hitler naar Spanje gestuurde Condor Legioen. De stad viel binnen anderhalve dag. Een groot aantal republikeinse strijders, onder wie buitenlandse vrijwilligers van de Internationale Brigades, werden gedood als ze er niet in slaagden om te vluchten. Veel van de vernielingen die we vandaag zien zijn veroorzaakt door die Duitse luchtbombardementen.

De Spaanse burgeroorlog fungeerde als generale repetitie en proeftuin voor de Tweede Wereldoorlog. Veel wapens en oorlogstactieken werden er voor het eerst uitgeprobeerd. Eigenlijk is de term burgeroorlog misleidend. Geen enkele burgeroorlog wordt enkel door de burgers van een land gewonnen of verloren. Geen enkele burgeroorlog speelt zich af in een internationaal vacuüm. De Sovjet-Unie van Stalin, het Italië van Mussolini en Hitlers Duitsland waren actief betrokken bij de oorlog. Andere landen, zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, speelden een beslissende rol door zich juist politiek passief op te stellen.

Onze rondgang door het kapotgeschoten Belchite loopt ten einde. We maken nog snel een paar foto’s van een loopgraaf en de monumentale, eeuwenoude Torre del Reloj (Torenklok) in islamitische mudejar stijl gebouwd. Ze zijn de prachtige toren gelukkig aan het restaureren. De regendruppels komen nu met bakken uit de hemel. Harde donderslagen en bliksemschichten maken de crime scene die Belchite toch al is, nog onheilspellender. Ik moet aan A hard rain is gonna fall denken, het profetische protestlied van Bob Dylan tegen oorlogsleed en racisme.

De bezoekersgroep holt naar de uitgang van de ruïnestad waar we kunnen schuilen voor de striemende regen en het onweer. Er komt nu voorzichtig een gesprek op gang tussen de Spaanse bezoekers die, gedwongen door de regen, een klein uurtje bij elkaar moeten zitten om te schuilen. Ze praten over grootouders die nooit iets over de oorlog wilden zeggen en over verloren familieleden. Voorzichtig komt een pijnlijk gesprek op gang over een oorlog van negentig jaar geleden, met uiteindelijk alleen maar verliezers.

Dit artikel werd gepubliceerd in VredesMagazine, september 2026 https://www.vredesmagazine.nl/index.php

monument voor de gevallen aanhangers van Francisco Franco (eigen foto)

Journalisten: ga niet op de tenen van Marokko staan

Kunnen buitenlandse media een land beledigen? Marokko vindt van wel. Het Noord-Afrikaanse koninkrijk spande in 2021 rechtszaken aan tegen het gerenommeerde weekblad Die Zeit en het eveneens zeer serieuze dagblad Süddeutsche Zeitung.

De autoriteiten in Rabat waren woest over de onthullingen over het gebruik van Pegasus-spyware door de Marokkaanse inlichtingendienst. Volgens het journalistieke onderzoek, uitgevoerd in samenwerking met Forbidden Stories, werden journalisten, mensenrechtenactivisten, advocaten en politici afgeluisterd door de geheime dienst.   

Marokko probeerde een gerechtelijk bevel te krijgen om de berichtgeving als ‘lasterlijk’ te laten verbieden. Gelukkig werkt dat zo niet in Duitsland. Lagere rechtbanken wezen het Marokkaanse verzoek af als ongegrond. Marokko ging verschillende keren in beroep, maar eind februari heeft de hoogste juridische instantie in Duitsland, het Bundesgerichtshof in Karlsruhe, geoordeeld dat ‘een buitenlands land geen recht heeft op juridische stappen tegen binnenlandse media’.

Adjunct-hoofdredacteur van Die Zeit, Holger Stark, reageerde verheugd op het vonnis. ‘Deze beslissing geeft een belangrijk signaal af voor de persvrijheid en de onderzoeksjournalistiek, met name voor onderzoeken met een internationale relevantie. De zaak draaide om de fundamentele juridische vraag of een buitenlandse staat een beroep kan doen op de Duitse mediawetgeving om een klacht wegens laster in te dienen.’

Marokko heeft een getroebleerde verhouding met de journalistiek. Dat geldt zowel voor de binnenlandse onafhankelijke journalistiek, die nauwelijks wordt getolereerd, als voor de berichtgeving over Marokko in de buitenlandse media. Met name journalisten in het noordelijke buurland Spanje, voelen de druk van de Marokkaanse overheid om zich te houden aan de officieel goedgekeurde lezing van het nieuws.

Journaliste Sonia Moreno werkte van 2010 tot 2020 als correspondent in Marokko voor verschillende Spaanse media. Uiteindelijk werd haar persaccreditatie ingetrokken en moest ze noodgedwongen Marokko verlaten. Eind vorig jaar kwam haar boek Marruecos, el vecino incomodo uit, Marokko, de ongemakkelijke buur. Het boek behandelt de regeerperiode van de huidige koning Mohammed VI: de politiek en binnenlandse protesten, de economie, de bezetting van de Westelijke Sahara en de verhouding met Europa en het buurland Spanje.

Moreno geeft een ontluisterend beeld hoe het is om als correspondent in Marokko te werken. Ze was geaccrediteerd journalist en woonde in Marokko, maar als ze een bezoek bracht aan Spanje, was ze altijd bang dat ze niet meer terug zou kunnen keren. “Tien jaar lang met die druk leven is heel zwaar,” zegt ze in een interview. “De zelfcensuur is verschrikkelijk, je verzint bepaalde woorden.”

In het boek beschrijft ze verschillende vormen van druk die ze ondervond: bedreigingen, laster in de door de Marokkaanse overheid gecontroleerde media en telefoontjes naar haar bazen in Spanje en naar bronnen. Ze werd afgeluisterd met spy- en tracking software die illegaal op haar telefoon was geïnstalleerd. De inlichtingendienst verzamelde allerlei gegevens over haar locatie, verplaatsingen, contacten en de foto’s die ze maakte.

Moreno maakt gewag van het aanbod van exorbitante geldbedragen om “goede reportages” over Marokko te schrijven. Ze onthult een anekdote uit 2010. Pas aangekomen in Marokko als correspondent stuurde haar opdrachtgever, de krant Público, haar naar het Gdeim Izik-kamp aan de rand van El Aaiún. Duizenden inwoners van de Westelijke Sahara protesteerden daar tegen de bezetting en schending van de mensenrechten. Om problemen te voorkomen en niet te worden weggestuurd uit Marokko, schreef ze haar reportage niet onder haar eigen naam, maar maakte ze gebruik van een pseudoniem.

Het lukte Moreno niet de mediablokkade rond de Westelijke Sahara te doorbreken.  Ondanks dat ze officieel geaccrediteerd was in Rabat, kon ze in het gebied niet vrijelijk werken. Moreno bezocht wel enkele keren de Saharaanse stad Dakhla, een toeristische trekpleister aan de Atlantische kust.  Maar ze werd daar voortdurend in de gaten gehouden door regeringsfunctionarissen. “Ik mocht geen straat oversteken om met activisten te praten of uit de auto te stappen om foto’s te maken. Om contact met de werkelijkheid te vermijden, werden we ondergebracht in tenten midden in de woestijn en in luxe resorts die ontoegankelijk zijn voor de lokale bevolking.”

Journalist Ignacio Cembrero is een andere gebeten hond voor de Marokkaanse overheid. Cembrero werkte jarenlang voor de Spaanse krant El País, onder andere als correspondent in Beiroet en Rabat. Sinds enkele jaren is hij de Noord-Afrika specialist van de nieuwswebsite El Confidencial.  De Marokkaanse overheid probeerde de afgelopen jaren vier keer met rechtszaken in Spanje Cembrero het zwijgen op te leggen, onder andere met de beschuldiging dat hij terrorisme zou verdedigen. Vier keer werd de Marokkaanse overheid door rechtbanken in het ongelijk gesteld.

Cembrero voorgesteld als ‘letterknecht’ van het Algerijnse leger, op een cartoon in het Marokkaanse blad L’Afrique Adulte

Behalve rechtszaken en brieven aan de hoofdredactie van El Confidential, probeert Marokko de kritische journalist Cembrero in diskrediet te brengen met campagnes op sociale media en in de semi-officiële bladen. Doel is zijn geloofwaardigheid aan te tasten. Zo publiceerde L’afrique Adulte eind februari een uitgebreid artikel waarin Cembrero er onder andere van wordt beschuldigd journalistiek te bedrijven in dienst van het Algerijnse regime. Met AI gegenereerde filmpjes en spotprenten moeten die boodschap kracht bij zetten.

Het is een absurde beschuldiging als je het werk van Cembrero kent, die zeker ook kritisch bericht doet over Algerije. Maar de cartoons en mediacampagnes werken, hoe dan ook, intimiderend. Het is fascinerend en tegelijkertijd ontluisterend hoe een overheid, zoals de Marokkaanse, in journalisten als Sonia Moreno, Ignacio Cembrero en andere collega’s, gevaarlijke staatsvijanden ziet.  

Met het WK Voetbal in 2030 in het verschiet, dat behalve in Spanje en Portugal in Marokko wordt gespeeld, zal het Noord-Afrikaanse land zeker onder het journalistieke vergrootglas komen te liggen. Alle bezoekende verslaggevers zijn gewaarschuwd: als je de eer van je Marokkaanse gastheren te veel aantast, zwaait er wat.

Dit artikel werd ook gepubliceerd op VillaMedia, op 18 maart 2026: https://www.villamedia.nl/artikel/opinie-journalisten-ga-niet-op-de-tenen-van-marokko-staan

De schaduw van de andere oorlog achter de huidige

“De afgelopen jaren zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht. Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena (Spaanse burgeroorlog red.) schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kiev en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw”.

Oud-correspondent voor de Volkskrant Jan Keulen neemt ons in zijn boek De Oorlog van gisteren mee naar de tijd van de Libanese burgeroorlog maar ook naar de oorlogen tussen Israël en Palestina en de voortdurende onrust in het Midden-Oosten. Hij zat dicht op de huid van de (wereld) geschiedenis en deed daarvan dagelijks verslag. Journalisten schrijven vaak ‘de eerste versie van de geschiedenis’ en Keulen is een enorme kenner/ insider over deze regio. 

Keulen beschrijft zijn intense journalistieke periodes vanuit een persoonlijke invalshoek. We leren een knappe Libanese vriendin kennen, handelaren in leed, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd, en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Keulen, die als journalist ook de loopgravenoorlog tussen Iran en Irak versloeg, laat ook zien dat de oorlog van toen de oorlogen van nu zijn.

Voor vrede is geen plek in zijn boek. Keulen ontleent de titel van zijn geschrift aan de schrijver Stefan Zweig die bekend raakte met zijn boek De Wereld van gisteren. “De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag”.

Nederland kent in toenemende mate een traditie van journalistieke memoires. Verschillende verslaggevers schreven over hun standplaatsen (Olaf Koens, Lucas Waagmeester, Betsy Udink) of bijvoorbeeld Minka Nijhuis met haar boek Gekkenwerk: de zorgvuldig bewaarde geheimen van een oorlogsjournalist. En ook Jan Keulen schaart zich nu in dit rijtje van oud-correspondenten die hun licht en visie laten schijnen over hun beroep. Hun verhaal moet verteld worden.

In De oorlog van gisteren laat Jan Keulen zich zien als een betrokken en zeer goed geïnformeerde journalist. Hij kijkt in zijn boek terug op zijn persoonlijke en professionele rol als verslaggever en hoe om te gaan met geweld in oorlogen en conflicten.  Schrijf je in spannende situaties over jouw eigen angsten en onzekerheden. Mag je eigen leed uitventen? Zeker, dat mag om het grotere verhaal te vertellen van oorlog, ellende en totale waanzin. Het boek van Keulen is een aanrader om meer te weten over de diepere oorzaken van conflicten in het Midden-Oosten.

Boekbespreking door Lejo Siepe, in Vredesmagazine, jaargang 17, nr. 2, maart 2024

De oorlog van gisteren

Uitgeverij Jurgen Maas

Prijs € 26.95

De oorlog van gisteren

In De oorlog van gisteren neemt Jan Keulen ons mee naar de tijd dat hij correspondent was in Beiroet, tijdens de Libanese burgeroorlog. We leren een ongelovige priester kennen, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Na vijf jaar Beiroet vertrekt Keulen naar ­Caïro. In de jaren negentig verslaat hij vanuit Amman onder andere het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Al die tijd blijven de demonen van de Libanese burgeroorlog hem achtervolgen.

Jaren later krijgt Keulen in Qatar als directeur van het Doha Centre for ­Media Freedom te maken met een wankelmoedige lakei, een slimme sjeik en een dichter die gevangen wordt gezet. Na bijna drie jaar wordt hem een andere baan aangeboden; veel Qatari vinden het centrum en zijn ­directeur een pain in the ass. ‘Ik val stil, ben perplex en ik stamel dat ik geen ander werk in Qatar ambieer. Het enige wat mij interesseert is de journalistiek en persvrijheid in de Arabische wereld.’

Voor journalistiek die ertoe doet moet altijd een prijs worden betaald. Jan Keulen ervoer dat aan den lijve, vanaf het moment dat hij als beginnend journalist in 1979 door Spanje tot persona non grata werd ­verklaard. Collega-journalisten werden ontvoerd, ontslagen, gevangen­gezet, gemarteld en zelfs gedood. Zelf kampte Keulen met trauma’s en een burn-out, en hij werd beschuldigd van antisemitisme.

Jan Keulen (1950) woonde langdurig in de Arabische wereld. Hij was correspondent in Beiroet en werkte later als journalist in Caïro en Amman voor de Volkskrant, De Standaard en nieuwsrubrieken van de vara-radio, kro en nos. De afgelopen twintig jaar was Keulen vaak in het Midden-Oosten als docent journalistiek en werkzaam voor persvrijheidsorganisaties. Van 2011 tot en met 2014 woonde en werkte hij in Qatar.

‘Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kyiv en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw. Beelden komen terug van huilende kinderen in de grote kelder, met boven onze hoofden een straat die bezaaid lag met gruis, glas en brokstukken van kapotgeschoten huizen.

De afgelopen veertig jaar zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht.’

ISBN 9789083210889 | 379 pag.| € 26,95 | Uitgeverij Jurgen Maas

Een paar reacties op X, voorheen twitter

Spaanse rapper naar gevangenis wegens “misdadig” beledigen

Duizenden mensen gingen deze week de straat op in Spanje na de arrestatie van rapper Pablo Hasél. Ze protesteerden tegen de straf van negen maanden gevangenis die Hasél kreeg voor zijn rapteksten en tweets. Een rapper hoort niet in de gevangenis, aldus de demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting: libertad, libertad, werd er geroepen, vrijheid voor Pablo.

Het ging er bij de demonstraties, die niet waren toegestaan, hard aan toe. De oproerpolitie hanteerde de wapenstok, schoot met rubberkogels en verrichtte tientallen arrestaties. Sommige demonstranten richtten vernielingen aan en vielen politiemannen aan. Er velen gewonden, zowel bij de demonstranten als bij de politie en journalisten die verslag deden van de rellen. 

De woordvoerder in het parlement van Unidas Podemos, de kleinere en linksere regeringspartner in de coalitie met de sociaaldemocratische PSOE, liet op sociale media er geen twijfel over bestaan dat zijn sympathie lag bij ‘de jonge antifascisten die demonstreren voor rechtvaardigheid en vrijheid van meningsuiting’. Hij hekelde het harde, niet-proportionele optreden van de oproerpolitie. De politie moest volgens hem verantwoording afleggen voor het schieten met rubberkogels waarbij een van de demonstranten een oog had verloren. 

De Spaanse twitter en facebook ontploften. Vooral de rechterflank roerde zich flink. Politiebonden spraken schande van de kritiek van de linkse parlementariër. Hoe was het mogelijk dat een vertegenwoordiger van een regeringspartij, die dus indirect ook het gezag vertegenwoordigde, de vrijlating van rapper Pablo Hasél eiste? En kritiek op de politie durfde te leveren? Die zogenaamde antifascisten waren niet meer dan relschoppers, jeugdige delinquenten die vernielingen aanrichtten. Hoezo vrijheid van meningsuiting?

De arrestatie van de rapper, het geweld op straat en het verbale geweld in de (sociale) media liet deze week zien hoe diep verdeeld Spanje nog steeds is. Voor de aanhangers van de rechtse Partido Popular en vooral van de sterk opkomende partij Vox, een soort Spaanse versie van de PVV, zijn de rapper Hasél en de jongeren die voor hem demonstreren, echt terroristen of criminelen. 

Ik had een overweldigend gevoel van déjà vu bij de beelden van libertad libertad scanderende jongeren en erop los meppende dienders. In de jaren zeventig werkte ik enkele jaren in Madrid als beginnend journalist en maakte de transición mee van Franco-dictatuur naar een moderne, Europese democratie. Het was geen pijnloze bevalling maar de culminatie van jarenlange politieke en sociale strijd voor meer democratie. En de ellende was dat het nieuwgeboren Spanje weliswaar vrijer was dan het fascistische Spanje van Franco, maar perfect was het lang niet. De nieuwe grondwet herstelde bijvoorbeeld de monarchie en de door Franco voor het ambt van staatshoofd klaargestoomde Juan Carlos de Borbón werd koning.   

Dat de Spaanse democratie nog niet perfect was merkte ik zelf aan den lijve in 1979 toen ik formeel het land werd uitgezet. Ik had een artikel geschreven in De Volkskrant over betrokkenheid van een aantal rechtse officieren bij een terroristische aanslag in Madrid. De top van het Spaanse leger was not amused over het artikel en als reden van mijn uitzetting werd opgegeven dat ik me schuldig had gemaakt aan “belediging van de Spaanse strijdkrachten”. En dat was een strafbaar feit. 

Die herinnering kwam terug toen ik las waarvan de rapper Pablo Hasél werd beschuldigd. In zijn tweets zou hij de kroon -in Spanje geschreven als Corona met een hoofdletter- en de Spaanse staatsinstellingen, waaronder de strijdkrachten, hebben beledigd. Injuria of belediging van deze instellingen is, volgens het Spaanse wetboek van strafrecht, een misdrijf waar gevangenisstraf op staat. 

Pablo Hasél rapt in een van zijn nummers dat de vroegere koning Juan Carlos een maffiabaas en hoerenloper is. Niet zulke fijnzinnige beschuldigingen natuurlijk, maar de ironie is dat er een grote kern van waarheid in schuilt. De vroegere vorst en vader van de huidige koning Felipe wordt daadwerkelijk beschuldigd van corruptie en schimmige deals, onder andere met Saoedi-Arabië. De totaal van zijn voetstuk gevallen Juan Carlos verblijft sinds vorig jaar in ballingschap in Abu Dhabi.  

Maar dat betekent nog niet dat je in Spanje de kroon als instelling zomaar kunt bekritiseren of bespotten. Of de eenheid van het land in twijfel kunt trekken. Of kritisch kunt zijn over de kerkelijke hiërarchie of katholieke symbolen. Volgens de politieke analist Germán Gorraiz López speelt de erfenis van generaal Franco wel degelijk een rol bij de repressieve wetten en “het uitsterven van de vrijheid van meningsuiting in Spanje”. De repressie, aangescherpt door een wet ingevoerd in 2015 onder de vroegere premier Rajoy, heeft als doel “weerspannige personen, groepen en entiteiten die ingaan tegen de belangen van het Spaanse establishment te criminaliseren”. 

De zaak van rapper Hasél staat niet op zichzelf. Volgens Amnesty International werden in 2018-’19 zeventig personen veroordeeld op basis van de Rajoy-wet. Een andere rapper vluchtte naar België nadat hij tot drie-en-een-half jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Ook hij zou de monarchie hebben beledigd en terroristische groepen hebben geprezen.  

Spanje scoort binnen Europa slecht op het gebied van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Volgens de RSF-persvrijheidsindex van 2020 staat Spanje op de 29e plaats, ver achter Nederland (5e) maar ver achter ook Portugal (10e).

Om de situatie in Spanje te vergelijken met die in Turkije of Marokko, zoals sommige Spaanse persvrijheidsactivisten doen, gaat wat ver, maar er is nog wel erg veel werk aan de winkel. De huidige linkse regering wil af van de strenge Rajoy-wetten en van gevangenisstraffen voor ‘opiniemisdrijven’. Oproepen tot haat en geweld zouden wel strafbaar moeten blijven, conform de wetgeving in andere landen van de Europese Unie. De regering van premier Sanchez is echter nog niet met een concreet wetsvoorstel gekomen. 

De enorme polarisatie die de zaak-Hasél in Spanje teweeg heeft gebracht toont aan dat er nog iets anders aan de hand is. Oude demonen steken hun kop weer op. Spanje blijft een verdeeld land, waar een tot voor kort vrij onbekende rapper voor de één een strijder voor het vrije woord is en voor de ander een crimineel die in de gevangenis thuishoort.

Ook gepubliceerd op Joop 19 februari 2021: https://joop.bnnvara.nl/opinies/oude-demonen-steken-de-kop-op-bij-arrestatie-spaanse-rapper