Is ooit eerder een zusterstad van Groningen met de grond gelijk gemaakt?
De stedenband tussen Groningen en Jabalya in de Gazastrook is weliswaar nooit officieel bekrachtigd, maar de gemeente Groningen bouwde er een prachtig jeugdcentrum. Er was jarenlang contact tussen Groningse en Palestijnse ambtenaren, onder andere over het jongerenbeleid in Jabalya. Daarnaast onderhielden, zo goed en kwaad als dat ging, bestuursleden van de Stichting Groningen-Jabalya contacten met Palestijnse vrienden en kennissen en bezochten ze Jabalya verschillende malen.
De band met Jabalya voelt nu treuriger aan dan ooit. Jabalya ligt namelijk in puin.
Er waren twee dodelijke rondes.
Enkele weken na de Hamas-aanval in het zuiden van Israël op 7 oktober, waarbij 846 Israëlische burgers en meer dan 300 militairen werden gedood, viel het Israëlische leger Gaza binnen. Eerder al was de Israëlische luchtmacht begonnen het noorden van Gaza, inclusief Jabalya, op grote schaal te bombarderen. Wekenlang vonden in Jabalya zware gevechten plaats en pas eind december verklaarde het Israëlische leger Jabalya volledig onder controle te hebben. Israël zei dat Hamas in noord-Gaza verslagen was en dat er duizenden “terroristen” waren gedood.
Vier maanden later werd er echter opnieuw strijd geleverd in het noorden van Gaza. Op 12 mei kondigde het Israëlische leger aan terug te gaan naar Jabalya “om te voorkomen dat Palestijnse strijdgroepen zich er zouden hergroeperen”. Wekenlang werd er hevig gevochten en werd Jabalya genadeloos bestookt met artillerie en luchtbombardementen. De BBC citeerde een Israëlische officier die zei dat de gevechten in Jabalya “de heftigste” waren in zeven maanden Gaza-oorlog. Pas begin juni verklaarden de Israëli’s Jabalya en aanpalende dorpen in het noorden van Gaza weer onder controle te hebben. Waarschijnlijk zo lang als het duurt.
Intussen is Jabalya een rampgebied. Hele buurten zijn veranderd in puinhopen en onherkenbaar geworden, huizenblokken zijn veranderd in ruïnes, van flatgebouwen zijn alleen skeletten over. Het enige ziekenhuis van Jabalya, het al-Awda, is door de Israëli’s ontmanteld, net als alle andere medische faciliteiten in Noord-Gaza. Navi Pillay van de VN-onderzoekscommissie omschreef de ‘enormiteit’ van alle incidenten die als oorlogsmisdaden zouden kunnen worden omschreven als ‘niet eerder gezien in mijn leven’.
Beeld van de vernielingen in het Jabalya vluchtelingenkamp (WAFA)
Ja, er waren hevige gevechtsrondes tussen het Israëlische leger en Palestijnse strijders, maar Israël heeft daarbij willens en wetens voortdurend het internationaal humanitair recht overschreden. In het in juni verschenen explosieve rapport van de VN-onderzoekscommissie worden vier principes genoemd die het Israëlische leger met voeten heeft getreden:
Het principe van onderscheid tussen burgers en militairen/strijders en het onderscheid tussen militaire en niet-militaire objecten. Alles moet worden gedaan om vast te stellen of een persoon of een gebouw als een militair object kan worden beschouwd. In geval van twijfel mag het niet als een militair object worden beschouwd.
Het verbod van willekeurige aanvallen, dat zijn aanvallen die niet gericht zijn op een specifiek militair doel. Ook mogen er geen strijdmethodes of munitie worden gebruikt die niet gericht of geschikt zijn voor een specifiek militair doel.
Het principe van proportionaliteit. Aanvallen van de strijdende partijen moeten proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de schade aan burgers en hun eigendommen gerechtvaardigd kan worden met het militaire voordeel dat met de aanval wordt behaald.
Het principe van voorzorgsmaatregelen. Strijdende partijen moeten er bij het uitkiezen van wapens, tactieken, timing en doelen rekening houden met mogelijke doden of gewonden onder burgers. Het risico op burgerslachtoffers moet in ieder geval zo beperkt mogelijk worden gehouden.
Het ‘meest morele leger ter wereld’, zoals premier Netanyahu de Israëlische strijdkrachten omschrijft, heeft zich in Gaza geen barst aangetrokken van bovenstaande principes. De VN-onderzoekscommissie, die de toegang tot Gaza door Israël overigens werd geweigerd, verzamelde meer dan 7.000 incidenten in de eerste maanden van de oorlog waarbij het internationaal recht werd geschonden. De dossiers worden overgedragen aan het Internationaal Strafhof (ICC).
Het Israëlische leger lijkt zich in veel gevallen niet alleen niets aan te trekken van het oorlogsrecht, maar zich te laten leiden door wraak- en vernielzucht. Honger en dorst worden ingezet als oorlogswapens. De dehumanisering van Palestijnse burgers en maatschappij nam bij tijden hysterische trekken aan. De oorlog veranderde van een strijd tegen Hamas in een oorlog tegen kinderen met minstens 15.000 dode en 21.000 vermiste kinderen. Het werd een oorlog tegen Palestijnse onderwijsinstellingen, gezondheidszorg en tegen journalisten en intellectuelen. Het werd een oorlog tegen de burgerbevolking als geheel, die met miljoenen in een nachtmerrie werd gestort van ontheemding, ontbering en onveiligheid.
Het VN-onderzoeksrapport noemt een aantal voorvallen in Jabalya waarbij duidelijk sprake was van oorlogsmisdaden. Op 9 oktober, in het prille begin van de oorlog, vonden zware explosies plaats in Al Trance Straat in het Jabalya vluchtelingenkamp. De straat wordt gebruikt als markt en was op dat moment vol mensen die inkopen kwamen doen. Door het onaangekondigde luchtbombardement kwamen tenminste 42 mensen om het leven, waaronder veel vrouwen en kinderen. Latere berichten spraken van 60 doden. Twee hoge flatgebouwen werden met de grond gelijk gemaakt.
Op 31 oktober werd een woonwijk in het vluchtelingenkamp aangevallen waarbij een terrein van tenminste 2,500 vierkante meter totaal platgebombardeerd werd. Israël beweerde later een Hamas-commandant te hebben gedood, maar de tol aan burgerdoden -99 voornamelijk vrouwen en kinderen- en schade aan gebouwen was buitenproportioneel.
Het zijn maar twee gedocumenteerde gevallen van niets en niemand ontziend geweld in een eindeloze reeks.
Wat voor zin heeft het platgooien van Jabalya?
Het ontvolken?
Een groot deel van de bevolking is inderdaad gevlucht en bivakkeert nu in tenten in onveilige “veilige zones” in centraal Gaza. Maar hebben ze veel andere keus dan terugkeren naar hun kapotte huizen als de oorlog is afgelopen? Er bleven trouwens ook nog, tussen de ruïnes, tienduizenden mensen in Jabalya achter, die niet konden of wilden vluchten.
Uiterst-rechts in Israël droomt van een nieuwe nakba waarbij de Palestijnse vluchtelingen als sneeuw voor de zon verdwijnen. In Noord-Gaza zouden dan joodse nederzettingen moeten komen met villadorpen en vakantieresorts.
De tijd zal leren of de schuldigen van oorlogsmisdaden te zijner tijd verantwoording zullen afleggen en op welke manier. Met het platgooien van Jabalya is de nachtmerrie nog lang niet voorbij, zoveel is wel zeker.
Dit artikel werd geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya (juli 2023) en in verkorte vorm gepubliceerd door het Dagblad van het Noorden op 7 juli 2024.
De familie is afgelopen weekend voor de zevende (!) keer gevlucht. Oorspronkelijk woonden ze in Gaza Stad waar Mohammed een winkeltje in schoolbenodigdheden en speelgoed had. Hun woning en winkel ligt, als gevolg van het oorlogsgeweld, al sinds maanden in puin en het gezin -vader, moeder en drie dochtertjes- zijn van hot naar her gevlucht. Telkens naar een ‘veilige plek’ die niet veilig bleek te zijn. Er zijn immers geen veilige plekken in Gaza. Tot voor kort bivakkeerde de familie in het oosten van Rafah maar sinds het Israëlische leger daar vorige week een militaire operatie begon zijn ze op de vlucht.
Mohammed stuurde me een paar foto’s van hun zevende ‘evacuatie’
Weer alles inpakken, weer verkassen…
Meenemen wat je nodig denkt te hebben…
De schamele bezittingen…
De familie heeft geen tent meer on te slapen. Ze slapen nu bij familie verderop in de Gazastrook: de vrouwen en kinderen bij elkaar en de mannen bij elkaar.
Er vindt een slachtpartij plaats onder de journalisten in Gaza.
Volgens Reporters Without Borders (RSF) staat de macabere teller sinds het begin van de oorlog in oktober inmiddels op 105. In overgrote meerderheid zijn de slachtoffers Palestijnse journalisten, die van binnenuit verslag deden van de luchtbombardementen, beschietingen en grootscheepse verwoestingen.
Ter vergelijking: in Ukraine kwamen sinds 2014 nog geen 20 journalisten om het leven. Conflicten in het Midden-Oosten zijn altijd al levensgevaarlijk geweest voor journalisten. Westerse correspondenten werden ontvoerd en vermoord, Arabische journalisten gevangengezet en erger, maar ‘Gaza’ is exceptioneel. Er is alleen directe berichtgeving van binnenuit. De Palestijnse verslaggevers, de ‘ogen en de oren’ van de wereld, zijn tevens potentiele doelwitten en slachtoffers van het geweld.
Eind maart wijdde NRC een indrukwekkend dossier van meer dan drie pagina’s aan de dood van journalisten in Gaza. Ook organisaties als de International Federation of Journalists, RSF en het Committee for the Protection of Journalistshebben het grote aantal journalistieke slachtoffers uitvoerig gedocumenteerd.
De feiten zijn bekend maar de internationale gemeenschap is angstvallig stil.
Hoe anders was dat toen op 1 april zeven internationale hulpverleners werden gedood bij drie opeenvolgende Israëlische droneaanvallen. Drie Britten, een Australische, een Pool, een Amerikaan en een Palestijn verloren hun leven. De internationale verontwaardiging was groot. Van verschillende kanten werd een onafhankelijk onderzoek geëist. Het Israëlische legeroptreden van eerst schieten en daarna pas vragen stellen werd -terecht- door vriend en vijand scherp bekritiseerd.
Hoe zou de internationale gemeenschap hebben gereageerd als drie Britse, een Australische, Amerikaanse en Poolse journalist op één dag zouden zijn doodgeschoten door het Israëlische leger?
Maar er bevinden zich geen buitenlandse journalisten in Gaza. Israël laat geen media toe tot het gebied, behalve in een paar uitzonderlijke situaties, embedded met het Israëlische leger. Praktisch alle beelden, alle verhalen van de oorlog komen tot ons via Palestijnse journalisten.
In de periode 2011-’14 leerde ik, als directeur van het Doha Center for Media Freedom met een geaffilieerd trainingscentrum in Gaza, veel van hen kennen. Met een arbeidsmarkt die de vaak goed opgeleide jongeren weinig kansen biedt, maar met een overvloed aan nieuws, was journalistiek in Gaza een populair beroep. Ondanks de Israëlisch-Egyptische blokkade konden journalistieke producten -video, foto’s en geschreven tekst- gemakkelijk online geëxporteerd worden naar de Arabische en internationale media. Gaza werd de afgelopen decennia, ondanks en dankzij alle ellende, een onwaarschijnlijke journalistieke hub.
Dat Israël dit ook al voor 7 oktober met lede ogen toezag blijkt onder andere uit de totale verwoesting in mei 2021 van het twaalf verdiepingen tellende Al-Jalaa gebouw in Gaza Stad. In deze torenflat bevonden zich de kantoren van Al Jazeera, het Amerikaanse persbureau AP, de trainingsfaciliteiten van het Doha Center en andere mediaorganisaties. Israëls rechtvaardiging om het gebouw met de grond gelijk te maken was dat de inlichtingendienst van Hamas er zou huizen, maar dit is nooit door onafhankelijke bronnen bevestigd.
Verslag doen uit het oorlogsgebied van Gaza is niet alleen levensgevaarlijk voor de journalisten en hun familieleden, er heerst ook een gevoel van plicht om de wereld te informeren over de verschrikkingen van de oorlog en het vaak slecht begrepen lot van de Palestijnse bevolking in Gaza. “We voelden dat het onze taak was de hele wereld van informatie te voorzien,” zegt Ola Zaanoun, werkzaam voor RSF en een van de weinige journalisten die uit het gebied geëvacueerd kon worden naar Doha.
De offers die voor dat meer dan alleen professionele plichtsgevoel moeten worden gebracht zijn enorm. Ola’s man Adel Zaanoun, correspondent voor AFP en mijn vroegere collega bij het Doha Center, is nog steeds dagelijks aan het werk in Gaza. “Op een dag was er een luchtaanval, heel dichtbij,” vertelde hij. “Verschillende collega’s kwamen daarbij om het leven. Stel je voor dat je je collega’s, je vrienden voor je ogen ziet doodgaan. Stel je voor dat je gewekt wordt door een enorm bombardement, dat je lichaamsdelen alle kanten op ziet vliegen, de tent boven je hoofd instort in en je bedolven wordt door zand en stof..”
Het Israëlische leger heeft mediaorganisaties als AFP geïnformeerd dat de veiligheid van haar journalisten niet kan worden gegarandeerd. Dat is dan nog een vriendelijke versie van de communicatie tussen de Palestijnse journalisten ter plekke en het leger. In november kreeg Al Jazeera journalist Anas Sherif verschillende telefoontjes van Israëlische officieren met de aanzegging dat hij direct moest ophouden met zijn verslaggeving uit het noorden van Gaza. Sherif meldde de dreigementen aan zijn werkgevers aldus het Committee for the Protection of Journalists. Het kon niet voorkomen dat het ouderlijk huis van Sherif in Jabalia enkele weken later getroffen werd door een luchtbombardement, waarbij zijn vader om het leven kwam.
In sommige gevallen wordt de vrees familieleden te verliezen en de dagelijkse druk van de oorlog sommige journalisten te veel. Een persfotograaf die dringend Gaza uit wilde om op adem te komen en in december een beroep deed op het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken om hem te helpen Gaza te verlaten, kreeg nul op rekest. Dit ondanks het feit dat hij directe familieleden in Nederland heeft en de NVJ het ministerie over zijn zaak uitvoerig informeerde.
Zolang bondgenoten van Israël, zoals Nederland, niet kunnen bewerkstelligen dat Israël zich aan zijn internationale plicht houdt om journalisten te beschermen, zouden in ieder geval collega’s die geëvacueerd willen worden, geholpen moeten worden. Nederland speelt een actieve rol in de Global Media Freedom Coalition, een groep van 50 lidstaten die zeggen op te komen voor persvrijheid, wereldwijd. Na meer dan een half jaar verlies en pijn van de journalisten in Gaza is het tijd dat de goedbetaalde diplomaten en politici wakker worden.
Bayan Abusultan
De statistieken zijn schokkend: elke twee dagen gemiddeld minstens één gedode journalist. Terwijl ik dit stukje tik zie ik opnieuw een alarmerend bericht. Journalist Bayan Abusultan, met meer dan 221.000 volgers op Instagram, is spoorloos verdwenen. Meer dan een week is ze niet meer gesignaleerd. Het laatst was ze gezien op 19 maart, gearresteerd door de Israëlische troepen tijdens de belegering van het Al-Shifa ziekenhuis. RSF krijgt geen antwoord op de vraag aan de Israëli’s om licht te werpen op Bayan’s verblijfplaats.
Toen ik dit bericht las was ik eerlijk gezegd bang dat Bayan’s naam toegevoegd zou worden aan de lange lijst van gedode journalisten. Tot 29 maart. Bayan laat van haar horen met een tweet bestaande uit twee woorden: I survived. Ik haal opgelucht adem. Maar de volgende dag lees ik weer een bericht van haar op sociale media. Ze was erbij toen haar ouders haar broer en ‘hun enige zoon in hun armen sloten en toekeken toen hij overleed’.
Goed nieuws uit Gaza laat voorlopig nog wel even op zich wachten, ook voor degenen die het overleven.
“De afgelopen jaren zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht. Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena (Spaanse burgeroorlog red.) schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kiev en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw”.
Oud-correspondent voor de Volkskrant Jan Keulen neemt ons in zijn boek De Oorlog van gisteren mee naar de tijd van de Libanese burgeroorlog maar ook naar de oorlogen tussen Israël en Palestina en de voortdurende onrust in het Midden-Oosten. Hij zat dicht op de huid van de (wereld) geschiedenis en deed daarvan dagelijks verslag. Journalisten schrijven vaak ‘de eerste versie van de geschiedenis’ en Keulen is een enorme kenner/ insider over deze regio.
Keulen beschrijft zijn intense journalistieke periodes vanuit een persoonlijke invalshoek. We leren een knappe Libanese vriendin kennen, handelaren in leed, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd, en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Keulen, die als journalist ook de loopgravenoorlog tussen Iran en Irak versloeg, laat ook zien dat de oorlog van toen de oorlogen van nu zijn.
Voor vrede is geen plek in zijn boek. Keulen ontleent de titel van zijn geschrift aan de schrijver Stefan Zweig die bekend raakte met zijn boek De Wereld van gisteren. “De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag”.
Nederland kent in toenemende mate een traditie van journalistieke memoires. Verschillende verslaggevers schreven over hun standplaatsen (Olaf Koens, Lucas Waagmeester, Betsy Udink) of bijvoorbeeld Minka Nijhuis met haar boek Gekkenwerk: de zorgvuldig bewaarde geheimen van een oorlogsjournalist. En ook Jan Keulen schaart zich nu in dit rijtje van oud-correspondenten die hun licht en visie laten schijnen over hun beroep. Hun verhaal moet verteld worden.
In De oorlog van gisteren laat Jan Keulen zich zien als een betrokken en zeer goed geïnformeerde journalist. Hij kijkt in zijn boek terug op zijn persoonlijke en professionele rol als verslaggever en hoe om te gaan met geweld in oorlogen en conflicten. Schrijf je in spannende situaties over jouw eigen angsten en onzekerheden. Mag je eigen leed uitventen? Zeker, dat mag om het grotere verhaal te vertellen van oorlog, ellende en totale waanzin. Het boek van Keulen is een aanrader om meer te weten over de diepere oorzaken van conflicten in het Midden-Oosten.
Boekbespreking door Lejo Siepe, in Vredesmagazine, jaargang 17, nr. 2, maart 2024
Mijn eerste persoonlijke ontmoeting met Dries van Agt dateert van haast twintig jaar geleden. Na een boekpresentatie in Amsterdam door Midden-Oosten journalist Robert Fisk kwam van Agt naar mij toe. Hij pakte mijn hand die hij niet losliet en zei iets in de trant van: ‘Nederland heeft journalisten zoals jij hard nodig. Er zouden er meer moeten zijn die eerlijk over de realiteit in Palestina en Libanon durven schrijven. Ga vooral zo door, mijn vriend.’
Ik heb een vage herinneringen dat hij me daarna een omhelsing gaf. Er hing die avond veel emotie in de lucht, ook al door het vlammende betoog van Robert Fisk.
Mijn vriend, had van Agt gezegd. Maar waren we wel vrienden?
Die vraag kwam elf jaar later op mijn weg toen ik op het punt stond directeur van The Rights Forum te worden. Wilde ik eigenlijk wel bij ‘de club van Van Agt’ horen, zoals de organisatie vaak werd genoemd? Die twijfel had niets te maken met de uitgangspunten van The Rights Forum, die ik van harte ondersteunde. Opkomen voor het internationaal recht en voor de mensenrechten in het Midden-Oosten was de story of my life.
Maar er was iets anders.
Ik ben opgegroeid in Assen. Als kind ben ik vaak in Schattenberg geweest, wat op fietsafstand ligt van Assen. Schattenberg was in de oorlog het sinistere doorgangskamp Westerbork. In 1951 werden gedemobiliseerde Molukse KNIL-militairen en hun families min of meer gedumpt in de barakken van Westerbork, waar enkele jaren eerder meer dan honderdduizend Joden uit heel Nederland hadden gebivakkeerd, voordat ze getransporteerd werden naar concentratie- of vernietigingskampen.
In de eerste klas van de HBS had ik een Ambonese kameraad, Alex Patty. Ik herinner me de geuren van -voor mij exotisch- gekruid eten, de moeders gekleed in sarong, het vrolijke schreeuwen van de kinderen in Schattenberg, het crossen op de fiets door het nabijgelegen bos..
Jaren later, inmiddels student in Groningen, was ik nauw betrokken bij een werkgroep Zuid-Molukken, met veel Molukse leden uit Assen en Boven-Smilde. We waren tegen de dictatuur van Soeharto en voor het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking van Oost-Timor en van de Molukken. Met een aantal Molukkers raakte ik bevriend. Het was een periode van gewelddadige acties, met als dramatische climax de gijzelingsactie in 1977 bij De Punt die beeindigd werd door een commando mariniers. Daarbij kwamen twee gegijzelden en zes Molukse kapers, de jongste was 17 jaar, om het leven.
De gewelddadige afloop van De Punt, waar Van Agt destijds als minister mede-verantwoordelijkheid voor droeg, deed mij twijfelen.
Uiteindelijk ben ik toch gaan werken voor The Rights Forum en ik heb aan die kleine drie jaar dat ik directeur was, een groot aantal heel goede herinneringen aan Dries overgehouden. Het zijn er te veel om hier te memoreren. Ik wil toch één noemen, namelijk het bezoek dat Dries bracht aan de redactie van het NOS-journaal, nu zo’n zes jaar geleden. Zoals gezegd: Dries vond eerlijke en objectieve informatie cruciaal.
We werden met alle egards ontvangen door de hoofdredactie van het NOS-Journaal. Reden van ons bezoek was dat we de NOS-berichtgeving over Gaza eenzijdig en vaak zelfs foutief vonden. Dries vond de afsluiting van Gaza en het opsluiten van miljoenen Palestijnen daar door Israël, een schande. Hij vond de manier van berichtgeving geen recht doen aan de schrijnende realiteit, die ook nog eens in flagrante strijd was met het internationaal recht..
Dries van Agt op de bezette Westelijke Jordaanoever
In de loop van de jaren dat ik bij the Rights Forum werkte is mijn achting voor Dries alleen maar gestegen. Hij was als geen ander geinformeerd en oprecht betrokken. Bij alle schuivende panelen in de politiek, de verrechtsing en verruwing, bleef hij trouw aan zichzelf.
En niet alles was politiek, trouwens. Hij had een scherp oog voor je bij ziekte of als je persoonlijke problemen had. Ik spreek uit ervaring. Het heeft mij vaak verbaasd hoe persoonlijk Dries kon zijn. Waar kwam die intuïtie vandaan? Hij leek door je heen te kijken. Hij wist het. Dries van Agt was een man van woorden, goed uitgekozen woorden, hij was zelfs een woordkunstenaar, maar in dat soort situaties was hij juist karig met woorden.
In die zin is het misschien niet vreemd dat Dries me na afloop van een Rights Forum bijeenkomst in februari 2021 aansprak over de kwestie van de Zuid-Molukken. Hoe hij het wist, weet ik niet, maar hij wist dat die kwestie belangrijk voor mij was. ‘Ik heb een brief aan de koning geschreven,’ vertelde hij. ‘Ik heb er bij de koning op aangedrongen het leed van de Molukkers te erkennen. Het is toch wel heel wrang dat de Molukkers nooit een woord van medeleven hebben gekregen, of een ruimhartige compensatie, terwijl zij juist zo trouw waren aan ons land en aan het koningshuis. Het is een schande. Ze zijn erg onrechtvaardig behandeld.’
Van Molukse vrienden in Assen hoorde ik later dat Van Agt toenadering had gezocht tot hun gemeenschap. Er vonden gesprekken plaats, onder andere met de schrijfster Dinah Marijanan. Dinah gaf Dries haar boek Barak 85 kamer 10, over haar jeugd in Schattenberg. Dries zou het niet alleen in één adem uitlezen, maar ook opsturen aan Willem-Alexander. ‘Dit moet je lezen koning’, raadde hij hem aan, hoewel misschien in iets andere bewoordingen. Dries was, ook in een van zijn laatste grote interviews met de NRC, een pleitbezorger geworden van excuses aan de Molukse gemeenschap.
Dries durfde van mening te veranderen, als hij vond dat de feiten dat geboden. Hij was niet bang zijn nek uit te steken met goed onderbouwde opvattingen, ook als die niet pasten in het benepen straatje van de Hollandse politieke correctheid.
Als het heilige land in doodsnood verkeerde, moest Nederland dat weten. Als het internationaal recht geschonden werd, liet hij een schreeuw om recht horen. Het zijn dan ook de titels van zijn laatste twee boeken: ‘’Schreeuw om recht” en “Palestina in doodsnood”.
Dries zat niet op twitter en dat was maar goed ook. Ik ben altijd blij geweest dat hij de sociale media-accounts van The Rights Forum nooit onder ogen kreeg: bij gebrek aan argumenten waren de haat, de verwensingen en valse beschuldigingen niet van de lucht.
Zelfs na zijn herseninfarct kreeg hij de nodige hate mail. Dries refereert er zelf aan in zijn NRC-interview. Volgens een briefschrijver was het een straf van Jahweh “omdat u Israel zo hard afvalt”. “Walgelijk natuurlijk. Ik doe namelijk óók aan Jahweh,” reageerde Dries. “Maar de mijne zit echt niet zo kleingeestig in elkaar.”
Als ik Dries zou moeten omschrijven zou ik zeggen: hij was in ieder geval groot-geestig, in alle opzichten van dit misschien wel niet bestaande woord. Maar u weet wat ik bedoel.
Dank voor alles Dries, vriend en inspirator in, zoals jij dat noemde, de goede strijd..
Tekst uitgesproken tijdens de herdenkingsbijeenkomst voor Dries van Agt op 5 maart 2024, georganiseerd door The Rights Forum, in De Vereeniging in Nijmegen.
Zo ongeveer moet de hel eruitzien. Kapotgeschoten flatgebouwen, uitgebrande autowrakken, een oude man in een rolstoel die wordt vooruitgeduwd door een jongen van een jaar of acht. Ze ploeteren door water dat tot de knieën van de jongen staat en halverwege de wielen van de rolstoel.
Zo ongeveer moet de hel ruiken. Het regenwater stinkt. De riolering is overgestroomd omdat, bij gebrek aan elektriciteit, de gemeentelijke pompen niet meer werken. Het meurt niet alleen overweldigend naar stront en pis maar ook naar verrotte lijken. De doden die langs de kant van de weg lagen zijn inmiddels opgehaald. Maar onder de brokstukken van kapotgebombardeerde gebouwen liggen nog steeds lijken, of delen daarvan, die niet konden worden geborgen.
Groningen heeft iets met die hel, onze stad heeft een gedeelde geschiedenis met Jabalya. In 1999 bezocht de toenmalige burgemeester Jacques Wallage de Palestijnse Gebieden. Hij deed ook Gaza aan en bezocht het vluchtelingenkamp en de aangrenzende stad Jabalya. Het gemeentebestuur van het kinderrijke Jabalya vroeg Groningen hulp bij het opzetten van een jeugdbeleid. De gemeente Groningen reageerde positief op de hulpvraag. Er werden missies naar Jabalya gestuurd en uiteindelijk werd besloten dat Groningen zou meewerken aan de bouw van een jeugdcentrum in Jabalya. Daarnaast zou Groningen Jabalya helpen, onder andere door middel van kennisuitwisseling, om een lokaal jeugdbeleid op te gaan zetten. Jarenlang was het een komen en gaan tussen Groningen en Jabalya van ambtenaren, experts en leden van de Stichting Groningen-Jabalya die zich inzetten voor een goede verstandhouding tussen de Groningse en Gazaanse bevolking.
Het gebouw in Jabalya, ontworpen door het Groningse architectenbureau AAS en gedeeltelijk gefinancierd door de gemeente Groningen, werd in 2005 opgeleverd. Het zou echter amper een paar maanden als jeugdcentrum functioneren. In januari 2006 won Hamas de Palestijnse verkiezingen. De onverwachte overwinning leidde tot spanningen met Fatah, de dominante partij binnen de Palestijnse Autoriteit. In 2007 vond een gewapend treffen plaats tussen Hamas en Fatah. De Palestijnse Autoriteit van Fatah-leider Mahmoud Abbas werd Gaza uitgezet. Gaza kwam onder de exclusieve controle te staan van Hamas dat geen onafhankelijk jeugdcentrum in Jabalya tolereerde, zoals de initiatiefnemers voor ogen had gestaan. Daarbij kwam dat buitenlandse donoren, die nodig waren om het jeugdcentrum verder in te richten en te laten draaien, het na de Hamas-machtsovername lieten afweten.
De teleurstelling over de teloorgang van het jeugdcentruminitiatief was groot, maar dat betekende niet dat we met onze rug naar Gaza gingen staan. De behoefte aan contact was, zeker aan de kant van onze vrienden in het geïsoleerde Jabalya, erg groot. De gemeente Jabalya besloot het “Groningse” gebouw te verhuren aan het Na’ama College. Dat honderden jongeren uit Jabalya een opleiding volgden aan deze MBO-achtige school, was in zekere zin een troost. Leden van de Stichting Groningen-Jabalya bezochten het Na’ama College de afgelopen jaren verschillende keren. We bleven ook contact houden met verschillende NGO’s, onder andere op het gebied van mensenrechten en jeugdtheater, in het noorden van Gaza.
Op dinsdagmiddag 31 oktober bombardeerden Israëlische gevechtsvliegtuigen Blok 6 in het Jabalya vluchtelingenkamp. Volgens Al Jazeera vielen er zes bommen. Ze veroorzaakten een enorme krater en een aantal flatgebouwen stortte als kaartenhuizen in elkaar. Ongeveer honderd mensen werden in deze bomaanval gedood, vierhonderd gewond. Meer dan de helft van de slachtoffers waren kinderen.
De beelden uit het Indonesische Ziekenhuis, dat vlakbij Jabalya ligt en inmiddels is gesloten, waren verschrikkelijk. Kinderen met brandwonden die op de grond behandeld moesten worden. Een schokkend gebrek aan medicijnen. Amputaties die zonder verdoving werden uitgevoerd.
De Israëlische media berichtten niet over de Palestijnse burgerslachtoffers maar meldden dat Hamas-commandant in centraal-Jabalya, Ibrahim Biari, bij de aanval was “geëlimineerd”. Hoeveel onschuldige doden en hoeveel verwoesting waren voor het Israëlische leger gerechtvaardigd om één Hamascommandant uit te schakelen?
Vast staat dat Jabalya sinds begin oktober een van zwaarst getroffen delen van Gaza is. Een aantal wijken van Jabalya is totaal onherkenbaar, of het zou moeten zijn dat we er het kapotgebombardeerde Grozny of Aleppo in herkennen, of Leipzig 1943.
Er waren verschillende reprises van de slachtpartij van 31 oktober. Midden december kwamen de Israëlische bommenwerpers opnieuw in actie boven Jabalya en vielen er minstens 110 doden, wederom voor een groot deel kinderen.
Inmiddels hebben de Israëlische grondtroepen zich teruggetrokken uit het vluchtelingenkamp. Ze zijn nog wel vlakbij: in de aangrenzende Jabalya-stad, onder andere in het gehavende “Groningse gebouw” dat nu als Israëlische militaire basis fungeert. De school is uiteraard, net als alle andere scholen in Gaza, gesloten. Meer dan 350 scholen zijn geheel of gedeeltelijk verwoest, het educatieve systeem in Gaza is totaal ontwricht.
Ondanks dat Israël de bewoners van Noord-Gaza sommeerde naar het zuiden te vluchten, wat de meerderheid deed hoewel het ook zuidwaarts niet veilig bleek, bleven er nog steeds tienduizenden bewoners achter. Sommigen waren te oud of te ziek om te vertrekken. Anderen wilden eenvoudigweg niet weg of geloofden niet in de veiligheidsgaranties van het Israëlische leger.
Jamal (65), de vader van journalist Anas al Sharif, was te ziek om te vertrekken. Op maandag 11 december werd het huis van de familie in Jabalya getroffen door een Israëlisch projectiel. Jamal was op slag dood en werd nog dezelfde dag begraven op de binnenplaats van een VN-school in Jabalya.
Waarschijnlijk was het projectiel bedoeld voor Anas die door collega-journalisten onze ‘oren en ogen’ in Jabalya werd genoemd. Anas was, naar eigen zeggen, verschillende keren door Israëlische officieren gebeld. Ze drongen er bij hem op aan ook naar het zuiden te vertrekken en op te houden met zijn verslaggeving. Ondanks de intimiderende telefoontjes bleef Anas als een van de weinige verslaggevers, onder andere voor Al Jazeera, toch actief in Jabalya. Een van zijn laatste reportages ging over de begrafenis van zijn eigen vader.
Journalist Anas al Sharif in Jabalya. Zijn ouderlijk huis werd gebombardeerd waarbij zijn vader om het leven kwam.
De Palestine Medical Relief Society (PMRS). De PMRS blijft ondanks de dramatische oorlogssituatie en moeilijke omstandigheden medische hulp verlenen in Gaza
Giften onder vermelding van ‘noodhulp’ kunnen worden overgemaakt op NL92 INGB 0006 6876 78 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya
Is Hamas een soort golem, dat legendarisch schepsel uit de joodse folklore, gemaakt van modder of klei? De golem wordt in de fabel heel slim en sterk en ontsnapt uiteindelijk aan zijn meester. Zo zou het ook met Hamas zijn gegaan: in het leven geroepen door de Israëlische veiligheidsdienst in Gaza, maar verworden tot een gevaarlijk monster.
Zeker is dat Israël vanaf het begin van de bezetting in 1967 meer op had met de vanouds in het gebied actieve, conservatieve Moslimbroederschap dan met de Palestijnen van Al Fatah of het linkse Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP). De Broederschap was a-politiek en weigerde zich aan te sluiten bij de alliantie van nationalistische en linkse partijen die zich gewapenderhand verzette tegen de Israëlische bezetting.
Generaal Ariel Sharon sloeg in de periode 1967-’73 het Palestijnse verzet in Gaza met harde hand neer. Honderden mensen werden gedeporteerd naar Jordanië, meer dan 3,700 Palestijnen gearresteerd en duizenden werden dakloos. Israëlische legerbulldozers legden brede wegen door de vluchtelingenkampen aan, zodat Sharons’ militaire voertuigen er gemakkelijk doorheen konden.
Maar de Moslimbroeders werden niet geraakt door de repressie. Zij maakten zich drukker om hun verdorven communistische landgenoten, die whisky dronken en Che Guevara aanbaden, dan om de Israëlische bezetting. Voor de Moslimbroeders waren de Israëli’s in eerste instantie zo slecht nog niet vergeleken met het repressieve Egyptische regime van Gamal Abdel Nasser, dat vóór 1967 de dienst in Gaza had uitgemaakt.
Een populaire sjeik genaamd Ahmad Yassin, lid van de Moslimbroederschap, was ondertussen actief met het opbouwen van een sociaal netwerk, genaamd Al-Mujamma’ al-Islami (Islamitische Unie). De Mujamma bouwde klinieken, zorgde onder andere voor wezen en organiseerde liefdadigheidsactiviteiten. Er werden sportwedstrijden georganiseerd en collectieve trouwpartijen, die de kosten voor de jonge stelletjes drukten.
Sjeik Yassin, geboren in 1936 in de buurt van Asjkelon in het huidige Israël, was in de nakba van 1948 met zijn ouders naar Gaza gevlucht. Hij woonde in het vluchtelingenkamp Shatti. De sjeik viel op. Sinds zijn jeugd was hij gekluisterd aan een rolstoel. Hij had een ernstige rugblessure opgelopen bij het voetballen. Sjeik Yassin was charismatisch maar geen groot theoloog of prediker. Zijn kracht lag meer in het organiseren en met praktische acties opkomen voor de arme bevolking. Veel mensen stelden vertrouwden in hem.
In juni 1984 vond het Israëlische leger tientallen pistolen en machinegeweren in sjeik Yassins’ moskee. De wapens waren bedoeld om seculiere Palestijnen te intimideren, niet om verzet te plegen tegen de Israëli’s. Toch werd de sjeik door een Israëlische rechtbank veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens verboden wapenbezit. Hij zat uiteindelijk minder dan een jaar vast, want hij werd vrijgelaten bij een gevangenenuitruil tussen Israël en een pro-Syrische Palestijnse organisatie.
Die gevangenisstraf was goed voor Yassins’ anti-Israëlische reputatie. In Gaza en de Westelijke Jordaanoever brak in 1987 een opstand uit tegen de bezetting; de eerste Intifada. Veel Moslimbroeders waren terughoudend mee te doen met de opstand en daarmee hun relatief geprivilegieerde positie op te geven. Maar sjeik Yassin, die een goede neus had voor wat er leefde onder de bevolking, besloot zich aan te sluiten bij de breed gedragen rebellie en richtte Hamas op, wat staat voor Harakat al-Muqawama al Islamiya, Islamitische Verzetsbeweging. Het Arabische woord Hamas klonk daarnaast niet alleen energiek en strijdvaardig maar ook spiritueel; het betekent zoiets als geestdrift, geestvervoering, ijver.
Sjeik Yassins’ keuze om de jihad aan te binden met Israël appelleerde aan de gevoelens van veel mensen in Gaza. Hij combineerde de door de islam gesanctioneerde strijd voor Palestina met wat werd gezien als morele puurheid, met doeltreffende sociale actie en de belofte van een hemelse beloning. In tegenstelling tot bij de PLO ging het niet alleen om de bevrijding van Palestina, door Hamas gezien als een moslimplicht; het ging niet alleen om politieke maar ook om persoonlijke bevrijding.
Wat wilde Hamas? In juni 1988 werd het handvest gepubliceerd waarin werd opgeroepen tot de vernietiging van Israël. Hamas propageerde de vestiging van een islamitische maatschappij in Palestina. Het handvest was, integenstelling tot de programma’s van andere Palestijnse organisaties, niet antizionistisch maar anti joods, volgens veel Israeli’s zelfs antisemitisch.
Een paar maanden eerder had een Hamas een voorstel aan de Israëlische minister van Defensie Yitzhak Rabin gedaan. Als Israël vrede wilde moest het zich terugtrekken uit de bezette gebieden en Palestijnse rechten herstellen, inclusief het recht van terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen naar het land dat ze in 1948 hadden moeten verlaten. Rabin verwaardigde zelfs niet te antwoorden. Met name de eis van terugkeer van Palestijnse vluchtelingen was een Israëlische no go.
Vanaf dat moment begint een proces van radicalisering, wraak en tegenwraak dat culmineert in de eerste zelfmoordacties van Hamas in 1993. In hetzelfde jaar sluiten Israël en de PLO de Oslo-akkoorden, die voorzien in Palestijns zelfbestuur in een deel van de bezette gebieden. Hamas keert zich tegen ‘Oslo’. Onderhandelingen met Israël zijn, volgens Hamas, niet legitiem en met een gewelddadige bommencampagne probeert de organisatie het vredesproces te ondermijnen.
Ironisch genoeg spelen de zelfmoordacties en andere gewelddaden van Hamas Israëlische hardliners in de kaart. Ook zij zijn fel tegen ‘Oslo’, wederzijdse erkenning en de graduele vestiging van een Palestijnse staat op de Jordaanoever en in Gaza. Er is Sharon en Netanyahu alles aan gelegen dat het proces van kolonisering van Oost-Jeruzalem en de Westoever, ongestoord door een lastig vredesproces, door kan gaan. Palestijnse en Israëlische maximalisten versterken, gewild of ongewild, elkaars positie.
Hamasleider Yahia Sinwar
In 2006 maakt Hamas een politieke draai. De organisatie besluit mee te doen aan de Palestijnse parlementsverkiezingen. Tot verbijstering van velen wint Hamas en moet, volgens de regels van het democratische spel, regeringsverantwoordelijkheid dragen. Hamasvoorman Ismail Haniyeh laat in een schriftelijke verklaring aan de wereld weten dat zijn organisatie “voor vrede is en een einde te wil maken aan het bloedvergieten”. “Van onze kant hebben we ons meer dan een jaar gehouden aan een unilateraal staakt-het-vuren (…). Onze boodschap aan de wereld is: praat niet meer met ons over Israëls’ bestaansrecht of dat wij moeten ophouden met gewapend verzet, totdat je van de Israëli’s de belofte krijgt dat ze zich terugtrekken uit ons land en onze rechten erkennen”. Haniyeh beloofde dat Hamas zich vreedzaam zal opstellen als de wereld “ons en de Israëli’s als gelijken behandelt”.
Dat gebeurde niet en de wereld, dat wil zeggen de Verenigde Staten en de westerse landen, steunen de afsluiting die Israël Gaza oplegt om te verhinderen dat Hamas zijn militaire macht kan uitbouwen. Ook het aanbod van Hamasleider Khaled Meshal in 2008 om een tienjarig bestand te sluiten in ruil voor een soevereine Palestijnse staat, wordt ogenblikkelijk van de hand gewezen. Hamas wordt gezien als een terroristische organisatie waar niet mee gepraat kan en mag worden.
Dit verandert niet nadat Hamas zijn oorspronkelijke handvest in 2017 vervangt door een nieuw politiek programma, waarbij niet langer wordt gesproken over de bevrijding van heel Palestina. Hamas streeft nu expliciet naar een Palestijnse staat in de in 1967 bezette gebieden. Nog voor de officiële publicatie van het nieuwe handvest verwijst Netanyahu het met een ‘wie denk je dat je voor de gek houdt’ naar de prullenmand.
Voor Israëlisch rechts was de danse macabre van de afgelopen jaren, waarbij Gaza afgesloten werd gehouden van de buitenwereld met zo nu en dan een gewapend treffen waarbij het ‘gras werd gemaaid’ met beschietingen en luchtbombardementen, een cynisch godsgeschenk. Immers deze situatie prolongeerde de interne Palestijnse verdeeldheid, met een geïsoleerd Hamas in Gaza en de officiële maar krachteloze Palestijnse Autoriteit van Machmoud Abbas in Ramallah. De daaruit voortvloeiende politieke stagnatie was essentieel om ongestoord en ongestraft verder te kunnen bouwen aan de nederzettingen in de bezette Westoever en Oost-Jeruzalem. De Palestijnse kwestie leek vergeten.
Het gaat te ver om Hamas als een golem te zien: Israël dat zijn eigen vijand creëert. Maar er was wel degelijk sprake van een opportunistische politiek van ‘favoriete vijand’. Met als dramatisch boemerangeffect het drama van 7 oktober en de daaropvolgende oorlog.
Ook verschenen in het VredesMagazine, jaargang 17, nummer 1, december 2023
In De oorlog van gisteren neemt Jan Keulen ons mee naar de tijd dat hij correspondent was in Beiroet, tijdens de Libanese burgeroorlog. We leren een ongelovige priester kennen, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Na vijf jaar Beiroet vertrekt Keulen naar Caïro. In de jaren negentig verslaat hij vanuit Amman onder andere het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Al die tijd blijven de demonen van de Libanese burgeroorlog hem achtervolgen.
Jaren later krijgt Keulen in Qatar als directeur van het Doha Centre for Media Freedom te maken met een wankelmoedige lakei, een slimme sjeik en een dichter die gevangen wordt gezet. Na bijna drie jaar wordt hem een andere baan aangeboden; veel Qatari vinden het centrum en zijn directeur een pain in the ass. ‘Ik val stil, ben perplex en ik stamel dat ik geen ander werk in Qatar ambieer. Het enige wat mij interesseert is de journalistiek en persvrijheid in de Arabische wereld.’
Voor journalistiek die ertoe doet moet altijd een prijs worden betaald. Jan Keulen ervoer dat aan den lijve, vanaf het moment dat hij als beginnend journalist in 1979 door Spanje tot persona non grata werd verklaard. Collega-journalisten werden ontvoerd, ontslagen, gevangengezet, gemarteld en zelfs gedood. Zelf kampte Keulen met trauma’s en een burn-out, en hij werd beschuldigd van antisemitisme.
Jan Keulen (1950) woonde langdurig in de Arabische wereld. Hij was correspondent in Beiroet en werkte later als journalist in Caïro en Amman voor de Volkskrant, De Standaard en nieuwsrubrieken van de vara-radio, kro en nos. De afgelopen twintig jaar was Keulen vaak in het Midden-Oosten als docent journalistiek en werkzaam voor persvrijheidsorganisaties. Van 2011 tot en met 2014 woonde en werkte hij in Qatar.
‘Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kyiv en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw. Beelden komen terug van huilende kinderen in de grote kelder, met boven onze hoofden een straat die bezaaid lag met gruis, glas en brokstukken van kapotgeschoten huizen.
De afgelopen veertig jaar zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht.’
De vraag dient zich aan wat het einddoel is van het Israëlische offensief. Hoe ziet Gaza eruit op de dag dat Israël claimt de oorlog gewonnen te hebben? Hoe gaat het verder met de meer dan twee miljoen Palestijnen die in de enclave wonen, wie zal het gebied besturen? Is een vreedzame oplossing van de Palestijnse kwestie nog mogelijk?
Het gaat in het huidige conflict om meer dan wraak voor de terreurdaden van Hamas op 7 oktober. Premier Netanyahu had het over „onze tweede onafhankelijkheidsoorlog”. In de Arabische wereld vat het idee post dat we getuige zijn van een Israëlische aanval op het Palestijnse volk, misschien wel een genocidale aanval. De duizenden Palestijnse doden en het wegvagen van buurten en straten kunnen allang niet meer worden beschouwd als collateral damage.
Palestinians search for casualties at the site of Israeli strikes on houses in Jabalia refugee camp in the northern Gaza Strip, October 31, 2023. REUTERS/Fadi Whadi
Zowel Israëliërs als Palestijnen refereren deze dagen voortdurend aan de oorlog van 1948 en dat is niet toevallig. In die ‘onafhankelijkheidsoorlog’ werd Israël geboren. Ook de Gazastrook ontstond tijdens diezelfde oorlog. Voor de Palestijnen was hun nederlaag van 1948 een catastrofe, de Nakba: ze verloren niet alleen het grootste deel van hun land maar ook hun politieke rechten.
Veel inwoners van wat tijdens de Britse tijd het district Gaza was, vluchtten naar de kustenclave, die in handen was gevallen van het Egyptische leger. Het ging om zo’n 250.000 Palestijnen, een derde van het totaal aantal verdrevenen uit wat nu Israël is. De afbakening van de Gazastrook werd in februari 1949 vastgelegd toen Egypte en Israël een wapenstilstandsovereenkomst tekenden. Het grootste deel van de bevolking kwam terecht in een van de tien grote vluchtelingenkampen in de minuscule kuststrook.
Duistere keerzijde
Gaza werd in 1956 een aantal maanden bezet door Israël en vanaf de Arabisch-Israëlische oorlog van juni 1967 werd de bezetting permanent. In eerste instantie had Israël de bedoeling het gebied te annexeren en honderdduizenden Palestijnen uit Gaza te herhuisvesten in de Sinaï-woestijn en de Westelijke Jordaanoever. Deze plannen waren politiek niet haalbaar, al werden wel 40.000 Palestijnse vluchtelingen uit Gaza gedeporteerd naar Jordanië. Om de vluchtelingen van de autochtone Gazanen te scheiden bood Israël deze laatste groep het staatsburgerschap aan, maar praktisch iedereen weigerde.
Vanaf het begin was de grote vluchtelingenpopulatie in Gaza een steen des aanstoots voor Israël: een permanente herinnering aan de oorlog van 1948. Het was een voortdurend geconfronteerd worden met de duistere keerzijde van het ontstaan van de staat, namelijk de aanwezigheid van een grote massa Arabische ontheemden die ernaar verlangde terug naar huis te gaan, een ‘thuis’ dat hemelsbreed vaak maar enkele kilometers verwijderd lag, aan de onbereikbare andere kant van de bestandslijn.
Decennia vóór het ontstaan van Hamas laat de geschiedenis van Gaza zich lezen als een aaneenschakeling van protesten, verzet, repressie, deportatie van activisten en collectieve afstraffing van de bevolking. In de jaren zeventig hield generaal Ariel Sharon woest huis in Gaza. Duizenden Palestijnen werden dakloos. Hun huizen werden met bulldozers vernield om plaats te maken voor brede wegen zodat Sharons militaire voertuigen toegang kregen tot de vluchtelingenkampen.
Om te benadrukken dat Gaza deel van Israël moest worden werden Joodse nederzettingen tussen de vluchtelingenkampen gebouwd, die 31 procent van de kuststrook in beslag namen. Dat deze Israëlische politiek op verzet stuitte en dat bezettingsleger en nederzettingen vaak het doelwit werden van aanslagen laat zich raden.
Wijlen premier Yitzhak Rabin verzuchtte in 1992 dat hij graag op een dag wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza door de zee zou zijn verzwolgen.
Blokkade
Fast forward naar 2005. Premier Sharon laat de Joodse nederzettingen ontruimen. Hij is tot de conclusie gekomen dat deze onhoudbaar zijn en dat alle kaarten op de kolonisering van de Westelijke Jordaanoever moeten worden gezet. Gaza mag in zijn eigen sop gaarkoken.
Het jaar erop wint Hamas de Palestijnse parlementsverkiezingen, de spanningen tussen Hamas en de Palestijnse Autoriteit nemen toe en in juni 2007 neemt Hamas gewapenderhand de macht over in Gaza.
Israël reageert op de machtsovername met een blokkade. Alles wat Gaza in- en uitgaat wordt gecontroleerd door Israël. De Egyptische autoriteiten werken mee en Gaza wordt praktisch van de buitenwereld afgesloten. Het gros van de jonge mensen in Gaza is nooit buiten de enclave geweest. Israël controleert elektriciteit, waterleiding en riolering. Het luchtruim en de kust worden militair bewaakt.
Ratio van de blokkade, die zulke dramatische gevolgen had voor de burgerbevolking, was het voorkomen dat Hamas een terroristische infrastructuur kon opbouwen. Dat die politiek faalde werd op 7 oktober meer dan duidelijk, maar het was al jaren eerder bekend dat Hamas en andere strijdgroepen – ondanks de blokkade – beschikten over grote hoeveelheden wapentuig.
Militair gezien was de blokkade dus ineffectief, maar politiek kwam het Israël wel goed uit. De grip van het Hamas-bestuur op Gaza, gefaciliteerd door fondsen uit Qatar, werd in de loop van de jaren steeds sterker. Dit bemoeilijkte verzoening met de Palestijnse Autoriteit van president Mahmoud Abbas. Voor Hamas was er geen stok achter de deur om zijn machtspositie in Gaza op te geven. Integendeel.
Herbezetting van Gaza
Deze intern-Palestijnse verdeeldheid en zwakte kwam Israël uitstekend van pas. Een verenigd Palestijns leiderschap zou kunnen leiden tot hervatting van het vredesproces. Israël had juist belang bij politieke stagnatie om zijn territoriale ambities op de Westelijke Jordaanoever te realiseren.
Deze status quo is met de huidige oorlog doorbroken. De vraag is wie in de toekomst het kapotte Gaza gaat besturen. Het is onwaarschijnlijk dat de toch al in diskrediet gebrachte Palestijnse Autoriteit zich zal aandienen. Waarschijnlijker is een Israëlische herbezetting van Gaza. Maar dan ligt een reprise van verzet en repressie voor de hand, zoals we die sinds 1967 hebben gezien. Misschien met een Hamas 2.0. Of wordt het toch Netanyahu’s ‘tweede onafhankelijkheidsoorlog’, een nieuwe Nakba, met vluchtelingenkampen in de Sinaï?
Hoe kijkt u naar deze eruptie van geweld in Israël en de Gazastrook?
,,Het is een enorme verrassing. Zoiets heb ik nog nooit gezien in Israël in al die jaren dat ik het Midden-Oostenconflict volg, zeg maar vanaf 1973. Op 6 oktober in dat jaar brak de Oktober- of de Jom Kipoer-oorlog uit, afgelopen weekend precies vijftig jaar geleden. Ook dat was een verrassingsoorlog. Israël werd aangevallen door Syrië en Egypte in een poging om hun in 1967 door Israël bezette gebieden te heroveren. Maar Egypte heeft die oorlog verloren. Er kwam een vredesproces op gang, dat in 1978 leidde tot de Camp Davidakkoorden.’’
Die hebben niet voor rust gezorgd in het Midden-Oosten.
,,Nee, er zijn veel schermutselingen en intifada’s (Palestijnse opstanden) geweest. Tot 2014, toen Obama president was, waren er ook diverse onderhandelingen. John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, heeft zich toen nog vreselijk ingespannen om een vredesakkoord tussen de Israëli’s en de Palestijnen tot stand te brengen. Daarna is dat niet meer gebeurd, dus ze spreken al tien jaar niet met elkaar.’’
Wat hebben die diplomatieke inspanningen uiteindelijk opgeleverd?
,,Eigenlijk alleen maar meer onrecht en repressie voor de Palestijnen. Zo’n 700.000 Israëli’s zijn in Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever gaan wonen. In feite hebben de Palestijnen daar alleen maar terrein verloren. Maar de grootste verliezers zijn de 2 miljoen Palestijnen in de Gazastrook. Die zitten daar al sinds 2006 opgesloten. Ze kunnen geen kant op. Door al die jaren van onderdrukking en vernedering krijgt Israël nu de rekening gepresenteerd voor het niet vinden van een oplossing van dit probleem.’’
Het ongeëvenaarde geweld van Hamas in Israël valt toch op geen enkele manier goed te praten?
,,Ook ik vind het vreselijk wat er gebeurt. Er zijn al meer dan zevenhonderd Israeli’s om het leven gekomen en dat getal wordt steeds hoger. Daaronder bevinden zich veel burgerslachtoffers. Dat is puur terrorisme. Aan de Palestijnse kant vallen natuurlijk ook veel burgerslachtoffers bij de bombardementen die Israël bij wijze van represaille uitvoert.’’
Dit slaat zo’n diepe wond bij beide partijen dat de vraag opdoemt of die ooit nog gaat genezen?
,,Bij eerdere geweldsuitbarstingen was het dodental altijd in het nadeel van de Palestijnen. Voor het eerst is dat nu niet zo. Onder Israëlische burgers zijn ontzettend veel doden gevallen. Dat is schokkend. Ik moest denken aan 1929 toen er in Hebron een slachtpartij is geweest onder Joden door Arabieren. Daar zijn 69 mensen bij omgekomen. Dat is haast honderd jaar geleden. Daar wordt nog steeds aan gerefereerd. Het zal heel lang duren voordat de wond die nu is geslagen, zal weggaan, vrees ik.’’
De strijd is nog niet voorbij. Bent u bang dat ook een partij als Hezbollah vanuit Libanon Israël gaat aanvallen?
,,Ik verwacht niet dat Hezbollah zich er op grote schaal mee gaat bemoeien. Hezbollah is tot over z’n oren betrokken bij de oorlog in Syrië. Bovendien is de situatie in Libanon zeer complex. Hezbollah is behalve een militaire groepering ook politiek een belangrijke speler in het land. Tegen die achtergrond lijkt het me uitermate onwaarschijnlijk dat ze zich in de strijd tegen Israël zullen storten.’’
Het kan niet anders of Hamas moet vanuit het buitenland steun hebben ontvangen voor deze grootscheepse aanvallen.
,,Ze zijn op 22 plaatsen de grens overgestoken, ook over zee en met paragliders. Tot nu toe werd dat voor onmogelijk gehouden. Deze operatie moet lang zijn voorbereid. Het is heel goed mogelijk dat Hamas assistentie heeft gehad van Hezbollah of misschien zelfs van Iran. Die duizenden raketten moeten ergens vandaan komen.’’
Kan het van Israëlische kant escaleren?
,,Er zijn in Israël havikken die ook al voor deze aanslagen het liefst Iran zouden aanvallen. Maar vergeet niet dat dit een enorme militaire slag is voor Israël. De eerste prioriteit van Israël is nu, en dat is ook al gezegd door Nethanyahu, het koud maken van Hamas. Dat zal moeilijk genoeg zijn. Ze zullen nu niet ook nog een ander land gaan aanvallen. Als ze dat wel zouden doen, dan heb je pas echt de poppen aan het dansen.’’
Waar moet dit heen? Er wordt nog volop gevochten, terwijl een vredesakkoord onmogelijk lijkt.
,,De vraag is hoe Israël Hamas denkt te bestrijden. Gaan militairen de Gazastrook in? Ik ben er vaak geweest. Het is een ontzettend dichtbevolkt gebied. Er zijn veel kleine straatjes. Straatgevechten van huis tot huis worden heel moeilijk voor Israëlische militairen. Vroeg of laten zullen ze moeten onderhandelen. Alle oorlogen eindigen. De gijzelaars die Hamas in handen heeft kunnen ze uitspelen als troefkaart. Zo kunnen ze Israël dwingen om aan tafel te gaan. Een ding moet voorop staan: het vredesproces moet serieus worden opgepakt, het liefst met steun van buitenaf. En er zal een oplossing moeten komen voor de Palestijnen in Gaza en de bezette gebieden.’’
Interview met Mannus van der Laan, gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 9 oktober 2023
In Nederland is het vooral de autoloze zondag die in het collectieve geheugen is gegrift. De olieproducerende Arabische landen reageerden met een boycot van Nederland. In het humoristische tv-programma Farce Majeure klonk het populaire ‘Kiele, kiele Koeweit’. ‘Hoe zo’n Sjeik ook zeikt (pardon) ‘t Pils komt toch nooit op de bon.’ De olieboycot was de Arabische reactie op de politieke en militaire steun van het kabinet Den Uyl aan Israël.
In een gecoördineerde en van tevoren zorgvuldig geheimgehouden militaire operatie probeerden Egypte en Syrië in oktober 1973bgrondgebied terug te veroveren dat sinds 1967 door Israël was bezet. Op zaterdag 6 oktober begonnen Egyptische troepen aan een opmars in de Sinaï-woestijn, veroverden de onneembaar geachte Bar Lev-fortificatie en staken het Suezkanaal over. In het noorden trokken drie Syrische divisies de bestandslijn op de bezette Golan over.
Het was Grote Verzoendag of Jom Kippoer, de heiligste dag van de joodse jaar.
Israël werd overrompeld en vernederd door de verrassingsaanvallen. De inlichtingendienst had gefaald. Niemand had de aanvallen zien aankomen. Sterker nog: het Israëlische establishment, premier Golda Meir en minister van defensie Moshe Dayan voorop, was ervan overtuigd dat ‘de Arabieren’ het niet in hun hoofd zouden halen om het oppermachtige Israël aan te vallen.
De Egyptische president dreigde weliswaar van tijd tot tijd met oorlog als Israël niet op zijn vredesvoorstellen zou ingaan, maar dat werd beschouwd als een slechte mop. Sadats’ voorstel van een ‘volledige vrede’, gebaseerd op Israëls’ terugtrekking uit de in 1967 bezette gebieden, werd domweg niet serieus genomen.
Journalist Amnon Kapeliouk schetst de sfeer in Israël tussen 1967 en 1973 als een van ‘nationalistische dronkenschap en militair triomfalisme’. Kapeliouk maakte, kort na de oorlog, een diepgaande analyse van de factoren die ertoe bijdroegen dat het politieke en militaire leiderschap in Israël zo dramatisch faalde. Voor een publiek dat geen Hebreeuws leest is zijn boek sinds 2022 toegankelijk in het Engels: Not by Omission, The Case of the 1973 Arab-Israeli War.
Volgens Kapeliouk waren de Israëlische leiders ziende blind. Ze lieten niet alleen kansen voorbijgaan vrede met Egypte te sluiten, maar ook om het Palestijnse probleem op te lossen. Vluchtelingen? Dat is een probleem dat mettertijd vanzelf wel oplost, werd gedacht. De Palestijnen op de Westoever? Dayan was ervan overtuigd dat ze het beter hadden onder Israël dan onder Jordanië en dat ze wel aan de Israëlische heerschappij zouden wennen.
De in 1967 bezette gebieden ruilen voor vrede? Niets ervan. Direct na juni 1967 werd begonnen met het bouwen van nederzettingen en met de kruipende annexatie van de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Oost-Jeruzalem werd met gezwinde spoed ingelijfd.
Uiteindelijk won Israël de oorlog. Toen de vijandelijkheden werden gestaakt op 26 oktober stonden Israëlische militairen op slechts enkele tientallen kilometers van Damascus en van Cairo. Maar het was een dure overwinning. Zo’n 2.600 Israëlische soldaten sneuvelden en meer dan 7.000 raakten gewond. Het meest traumatisch voor Israël was dat de oorlog had aangetoond dat haar leger niet onoverwinnelijk was en de inlichtingendienst niet onfeilbaar. Israël als super hero had een behoorlijk blauwtje opgelopen.
Dat het een haartje scheelde of Israël had de oorlog verloren, veroorzaakte in Nederland de nodige nervositeit. Des te meer interessant is het dat columniste Renate Rubinstein, die hartstochtelijk begaan was met Israël, toch vond dat door ‘die rotoorlog’ de Arabieren ‘voor het eerst de kans kregen om iets van de hartstocht die zij voor dat bezette land van hen voelen te laten blijken’.
Rubinstein realiseerde zich dat ‘de Arabieren het recht aan hun zijde hebben’, ze proberen immers hun eigen grondgebied terug te veroveren? Dat is toch hun goed recht? Het is een opvatting die voor veel lezers van haar Tamar-columns verrassend zal zijn geweest. De overgrote meerderheid in Nederland zag in Egypte en Syrië de boosdoeners en de sympathie lag overweldigend bij het in nauw gedreven Israël.
Uiteindelijk leidde de wapenstilstand tussen Israël en Egypte tot de Camp David akkoorden (1978) en het vredesverdrag van 1979. De vrede tussen beide buurlanden oversteeg echter nooit de status van een strategische samenwerking met het Egyptische regime en leger. In een opinieonderzoek uit 2022 (Arab Pulse) blijkt dat slechts 5% van de Egyptische bevolking de vrede met Israël ondersteunt.
Inmiddels hebben ook een aantal andere Arabische landen betrekkingen met Israël aangeknoopt. Wellicht volgt binnenkort zelfs Saoedi-Arabië. Maar ook hier geldt dat de banden vooral worden ingegeven door geostrategische overwegingen. De Arabische ‘straat’, heeft Israël nog niet geaccepteerd.
Dat heeft alles te maken met de strijd die Israël de afgelopen vijftig jaar voerde tegen het Palestijns nationalisme. In 1973 was de PLO nog voor één seculiere staat voor joden, christenen en moslims. Maar ook toen de PLO formeel de tweestatenoplossing omarmde en genoegen nam met een eigen staat op 22% van het grondgebied van het historische mandaatgebied, ging de confrontatie door.
Zuid-Libanon werd bezet en de PLO werd uit Libanon verjaagd. In de bezette gebieden kwam de bevolking in opstand tijdens de eerste en tweede intifada. Sinds 2006 woedden er zes Gaza-oorlogen. Diplomatieke acrobatiek werd bedreven in Madrid, de Oslo-akkoorden werden gesloten en niet nageleefd. Het werd geprobeerd met de Clinton-parameters, het overleg in Taba, het Arabisch Vredesinitiatief, de Roadmap, het Annapolis-proces en de inspanningen van Kerry.
En onder de streep, na vijftig jaar? Volgens VN-cijfers wonen er nu meer dan 700.000 Israëli’s op de bezette Westoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Vijftig jaar ‘vredesproces’ en verwoestende oorlogen ten spijt, of dankzij deze, is er nu een één-staat-realiteit, waarbij de Palestijnen grotendeels rechteloos zijn.
Journalisten en media spelen een cruciale rol in tijden van crises. Betrouwbare en precieze informatie is van levensbelang voor de getroffen bevolking. Bij een zware aardbeving, zoals die van 8 september in Marokko, staat het leven van de getroffenen op z’n kop. Sommigen hebben alles verloren. Er is onzekerheid, verwarring, paniek.
Er zijn reddingswerkers nodig die eerste hulp kunnen verlenen. Er is behoefte aan voedsel, medicijnen en dekens voor de overlevenden die de nacht op straat doorbrengen. Maar even nodig is het tegengaan van fake news en geruchten. Duidelijke informatie is het onontbeerlijke tegengif voor de knagende onzekerheid, voor de eerste antwoorden op de vele vragen die onvermijdelijk worden gesteld als het noodlot toeslaat. En na de eerste vragen komen de vragen over de hulpverlening en de reactie van de autoriteiten. Hadden de gevolgen van de aardbeving minder rampzalig kunnen zijn als anders gehandeld was? Lag er een rampenplan klaar? Hoe gaat het straks met de wederopbouw?
Toen op vrijdagavond 8 september centraal-Marokko getroffen werd door een aardbeving was direct duidelijk dat er sprake was van een enorme ramp. Voor veel mensenlevens werd gevreesd.
Uit de hele wereld kwamen boodschappen van ontsteltenis, medeleven en solidariteit. Premier Rutte liet weten dat ‘zijn gedachten bij de slachtoffers en nabestaanden’ waren. Hij zei ook dat een team Nederlandse reddingwerkers klaarstond om hulp te bieden, net zoals dat ook bij de aardbeving in Turkije in februari was gebeurd. Macron, Biden en andere regeringsleiders lieten soortgelijke reacties horen.
Ondertussen bleef het stil in Rabat en in Frankrijk, waar op het moment van de ramp koning Mohammed VI zich in een van zijn kapitale buitenhuizen bevond. De koning heeft een sjieke herenwoning in hartje Parijs en bezit een kasteel in Betz, in het noorden van Frankrijk.
Pas 18 uur nadat het nieuws over de aardbeving bekend was liet de koning van zich horen. Of liever gezegd: hij liet zich zien in Rabat op een bijeenkomst met zijn regering, generaals en andere hoge functionarissen. De televisie zond stomme beelden uit van de door de koning voorgezeten vergadering. Met plechtige stem werd een communiqué voorgelezen waarin zijne majesteit liet weten ‘zijn zeer hoge instructies’ te hebben gegeven ‘met het oog op een snelle voortzetting van de hulpacties ter plaatse’.
Zonder een sein van de almachtige koning gebeurt er niets in Marokko en het is een protocollaire doodzonde voor de premier, kabinetsleden of andere hoogwaardigheidsbekleders om het rampgebied te bezoeken voordat de vorst zich daar heeft laten zien.
Dat gebeurde vier dagen later toen de koning een bezoek bracht aan het universitair ziekenhuis van Marrakech. Het was een bezoek van amper twee uur waarvoor het luchtruim boven Marrakech werd afgesloten en de wegen rond het ziekenhuis provisorisch werden opgeknapt. Het waren gênante details -temidden van de rampspoed en in de wetenschap dat nog lang niet alle lijken zijn geborgen- waarvan verschillende internationale media melding maakten.
Marokkaanse media daarentegen putten zich uit in loftuitingen voor de vorst die in Marrakech zelfs bloed had gedoneerd. Een kniesoor die erover valt dat de koning zelf niet erg gezond is en diverse medicamenten slikt. De koning kuste het voorhoofd van een gewond jongetje en werd met aanhoudend applaus begroet door het ziekenhuispersoneel. “De Marokkanen en hun koning: die bijzondere eenheid die Frankrijk maar niet begrijpt,” kopte de officieuze nieuwssite Le360.
Het onbegrip bij de buitenwereld over de autocratische bestuursstijl het land, de rol van de puissant rijke koning die een groot deel van zijn tijd buiten zijn koninkrijk pleegt door te brengen en over het maar mondjesmaat accepteren van buitenlandse hulp, wordt in Marokko beantwoord met irritatie en woede. Tenminste bij het “officiële” Marokko, dat banden heeft met het regime.
De officiële Marokkaanse journalistenvakbond SNMP betichtte deze week bijvoorbeeld Al Jazeera en de Franse media van “leugens” en “foute informatie”. De al even officiële Nationale Raad voor de Media (CNP) beschuldigde “bepaalde buitenlandse media” ervan heimwee te hebben naar het koloniale verleden en een vertekend beeld te geven van de reddingsoperaties.
Vooral Frankrijk en de Franse media moeten het ontgelden. Je kunt geen Marokkaanse nieuwssite aanklikken of krant openslaan of het oude koloniale moederland krijgt ervanlangs. De Franse berichtgeving wordt kortzichtig, slecht-geïnformeerd en beledigend genoemd. Een niet erg vleiende cartoon, in de Franse krant Libération, waarop de koning te zien is in zijn paleis in Frankrijk en zegt “persoonlijk geen aardbeving te hebben gevoeld”, zou collectief in het verkeerde keelgat zijn geschoten.
De haast hysterische reacties op de kritische berichtgeving in de Franse media, die uiteraard ook getriggerd werd door vragen over de Marokkaanse weigering Franse reddingswerkers te accepteren, zegt meer over de politieke crisis tussen Frankrijk en Marokko dan over de stand van de Franse (en internationale) journalistiek.
De hysterie nam nog toe toen de Franse president Macron zich op 12 september via X voorheen Twitter met een persoonlijke boodschap tot het Marokkaanse volk richtte. In de boodschap betuigde hij nog eens zijn diepe medeleven, maar stelde ook heel duidelijk dat het aan de koning en zijn regering was om de internationale hulp naar eigen soeverein goeddunken te organiseren.
Het twitter-toespraakje van Macron, bedoeld om de spanning te verminderen, gooide olie op het vuur. In de krant l’Opinion heette het in een verontwaardigd commentaar: Macron: Marokko is groter dan jij! Hoe durfde Macron dit te doen terwijl het Marokkaanse volk eendrachtig het hoofd bood aan de gevolgen van de aardbeving? De website Morocco World News publiceerde een vlammend artikel met als titel: Alleen de koning kan zijn volk toespreken: Marokkanen zetten Macron op zijn plaats. In het artikel wordt Macron stom en impulsief genoemd. Een andere krant vergeleek hem met een verwend kind.
Besef goed: de golf van kritiek op de internationale media en met name op Frankrijk komt van media die direct of indirect door de Marokkaanse autoriteiten worden gecontroleerd. Dezelfde media hebben tot dusver geen woord gespendeerd aan eventuele tekortkomingen in de hulpverlening, aan het feit dat er nog steeds doden onder het puin liggen en dorpen niet zijn bereikt. De reddingsoperaties verlopen, volgens de Marokkaanse pers, allemaal even efficiënt, goed gecoördineerd en onder de wijze instructies van zijne majesteit.
Als je echt wilt weten wat er gaande is ben je aangewezen op een aantal internationale nieuwskanalen. Ook via sociale media zijn snippers informatie te vinden, vooral van Marokkanen in het buitenland die het nieuws van familie en vrienden doorgeven.
De aardbeving in Haouz had als neveneffect dat plotseling de aandacht van de wereld op Marokko was gericht. Daarbij kwamen het gebrek aan vrijheid van meningsuiting en het archaïsche monarchale systeem onbarmhartig in de schijnwerpers te staan.
Dat Marokko abominabel scoort op het gebied van persvrijheid was al eerder bekend. In 2022 stond het land op de 144ste plaats in de ranglijst van Reporters Without Borders (RSF). Een aantal van Marokko’s meest bekwame en kritische journalisten zit jarenlange gevangenisstraffen uit na oneerlijke processen.
Het gebrek aan openheid wreekt zich in rampzalige situaties zoals een dodelijke aardbeving. Persvrijheid is geen luxe of een louter westers concept, laat staan een koloniale perversiteit. Onafhankelijke media die vrijelijk kunnen opereren zijn een levensnoodzaak.
Ik ben gisteren naar de tentoonstelling ‘Mariana Yampolsky. Fotograaf van Mexico in de 20e eeuw’ geweest. Het is, zoals het Universiteitsmuseum zelf zegt, een ‘kleine tentoonstelling’ die een overzicht beoogt te bieden van Yampolsky’s unieke werk en, volgens de organisatoren, als doel heeft ‘haar werk bekender te maken’.
Klein is de tentoonstelling zeker, zo niet weggestopt in een achterzaaltje. Ik heb even lopen zoeken. Je moet eerst langs de uitgestalde piemels van de tijdelijke exhibitie Phallus Norm en Vorm -waarschijnlijk bedoeld als publiekstrekker. Dan moet je de trap op langs de reguliere collectie van de universiteit om uit te komen bij het zaaltje met de Mexico-foto’s. Veel publiciteit genoten heeft de fototentoonstelling evenmin. Behalve een vermelding op de website van de Rijks Universiteit Groningen heb ik niets gezien.
Toch jammer, want de foto’s zijn bijzonder. Je wordt via de beelden het dagelijks leven binnengetrokken van de Mexicaanse indigena’s, van stoere vrouwen, kinderen op blote voeten, mysterieuze wijze mannen. De foto’s tonen veel meer dan de marginalisatie, armoede, honger en strijd om te overleven van de inheemse bevolking van Mexico. Ze tonen de trots, de kleurrijke eigenheid, de waardigheid en rijkdom van een cultuur die zich niet makkelijk laat onderwerpen.
Mariana wilde de inheemse wereld vastleggen voordat deze zou verdwijnen. Ze zag haar fotowerk als een race tegen de vergetelheid en tegen de culturele invloed van Mexico’s machtige noorderbuur. Het is niet voor niets dat haar boeken, vaak met teksten van haar vriendin en bekende Mexicaanse schrijfster Elena Poniatowska, titels dragen als The Edge of Time, Estancias del olvido en Image – Memory. Yampolsy’s collectie is vorig jaar opgenomen in UNESCO’s Memory of the World Programme.
Ik had ook nog een persoonlijk motief om de tentoonstelling te bezoeken. In de jaren negentig bezocht ik vaak Mariana en haar Nederlandse man Arjen van der Sluis in hun prachtige huis in Tlalpan, een nogal groene buurt aan de rand van Mexico-Stad. Hun woning ademde een door-en-door Mexicaanse sfeer met foto’s, schilderijen en honderden objecten Mexicaanse kunstnijverheid.
In het persbericht van de RUG wordt Mariana een ‘Amerikaanse fotografe’ genoemd. Ze zou dat vervelend gevonden hebben, denk ik. Ze had een Duitse moeder en Russische vader en was inderdaad in Chicago geboren. Maar ze kwam op jonge leeftijd naar Mexico en was tot Mexicaanse genaturaliseerd. Mariana identificeerde zich met hart en ziel met Mexico en nam er gepassioneerd deel aan het politieke en artistieke leven.
Ik leerde Mariana kennen via haar man Arjen van der Sluis, een landbouwkundig ingenieur van Friese afkomst. Arjen vereenzelvigde zich, net als Mariana, met Mexico en zou er zijn hele volwassen leven blijven. Hij zette zich jarenlang in voor onder andere Guatemalteekse vluchtelingen en was, voor mij als correspondent, een vraagbaak op het gebied van de complexe Mexicaanse politiek en maatschappij. Na Mariana’s overlijden in 2002 richtte Arjen met enkele andere bewonderaars de Fundación Cultural Mariana Yampolsky op, met als doel haar levenswerk zoveel mogelijk in ere te houden.
Mariana en Arjen (die in 2019 overleed) hadden een uitgebreide kennissenkring. Ik herinner me etentjes met Mexicaanse schrijvers, een uitgeefster, schilders en andere artistieke vrienden.
Maar bovenal herinner ik me Mariana’s moeder, Hedwig Urbach. Hedwig, afkomstig uit een vooraanstaande intellectuele joodse Duitse familie, was in de jaren twintig het opkomend nazisme van Europa ontvlucht. Ze was oud en ziek toen ik haar in het huis in Tlalpan leerde kennen, ze woonde bij haar dochter en schoonzoon in.
Hedwig wist dat ze niet lang meer te leven had. Maar ik had, tot vlak voor haar dood, lange gesprekken met haar over wat er in de wereld gebeurde, over Israël en het Midden-Oosten en over de rampzalige politiek van de Verenigde Staten in Latijns-Amerika en elders. Ze was uitstekend geïnformeerd, luisterde dagelijks naar het BBC-World radionieuws en had vlijmscherpe opvattingen.
Hedwig was links-radicaal en haatte het Israëlische geweld tegen de Palestijnen. Ze had, tot mijn fascinatie, de befaamde Litouwse anarcho-feminist Emma Goldman nog persoonlijk gekend, die net als zij haar vaderland had moeten verlaten op de vlucht voor dictatuur en totalitarisme. Ik moet aan Hedwig denken als ik langs de indringende foto’s schuifel van haar dochter Mariana Yampolsky in het schemerige bovenzaaltje van het Groningse Universiteitsmuseum.
De tentoonstelling is tot 30 september te bezoeken in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat 7a 9712 EA Groningen 050-3635083
De kathedraal van Laon ligt boven op een heuvel, is van kilometers afstand al te zien. Heel dominant, niet te missen.
We zijn op terugreis naar Nederland en Laon, niet ver van Reims. Laon is onze laatste stop in Noord-Frankrijk. Natuurlijk willen we de kathedraal bekijken. Wat is een bezoek aan Laon waard zonder langs de stadsmuren te hebben gelopen en de kathedraal gezien te hebben? We zijn hier nu. Bovendien is het een interessant gebouw uit de twaalfde eeuw, vroeg-gotisch volgens het infobord bij de ingang, ouder dan de Notre Dame in Parijs en met een indrukwekkend zijportaal vol beelden van vreemde dieren als neushoorns en nijlpaarden. En op de bogen rond de ingang is een overbevolking aangebracht van heiligen en Bijbelse figuren. Je komt ogen tekort.
Ooit was Laon een van de belangrijkste steden van Frankrijk maar ik had er eerlijk gezegd nooit van gehoord. Reizen: dat is telkens weer ontdekken hoe onwetend je bent.
De kathedraal telt 27 kapellen, gewijd aan verschillende Maria’s, Jozef en een hele rits heiligen. Ik schuifel er als seculiere noorderling verbaasd langs. Zouden de gelovigen nu echt denken dat de heilige Teresa en heilige Rita een goed woordje voor hen doen bij de lieve Heer?
Dan is het alsof mijn hart even van slag is. Ik schrik van een bekend gezicht. Wat doet die baardman hier in deze eeuwenoude kerk?
Een van de kapellen is gewijd aan Charbel Makhlouf, geboren in 1828 als Youssef Antoun Makhlouf. Ieder die Libanon heeft bezocht kent de afbeeldingen van deze heilig verklaarde maronitische monnik en kluizenaar. In Faraya, een kleine vijftig kilometer van Beiroet in het hartland van de Libanese maronieten, staat een meer dan levensgroot beeld van de heilige Charbel. Hij wordt in Libanon gekoesterd en vereerd, soms ook door niet-christenen die graag in Charbels’ vele wonderen geloven.
In 1977, twee jaar na het begin van de Libanese burgeroorlog en haast tachtig jaar na zijn dood, werd Charbel heilig verklaard door paus Paulus VI. Op dat moment werd gedacht dat de oorlog haast afgelopen was en Charbel werd gezien als een symbool van eenheid en verzoening.
Er worden duizenden wonderen aan Charbel toegeschreven, maar het wonder van de vrede bleek daar uiteindelijk niet bij te zijn. De oorlog zou nog tot 1990 duren. Misschien had men kunnen voorzien dat Charbels’ wonderkracht was afgenomen. Toen in 1976 zijn graf werd geopend lag daar alleen maar een skelet. Hoe anders was dat in de jaren vijftig en in 1965 toen zijn graf ook werd geopend en een geheel intact lichaam werd aangetroffen, waar nog bloedachtig vocht uit kwam ook.
En nu sta ik, in de kathedraal van Laon, plotseling oog-in-oog met een beeld van Charbel Makhlouf. Er liggen foto’s en briefjes in het Frans en Arabisch waarin Charbel wordt bedankt te hebben gezorgd voor een wonderbaarlijke genezing, een blinde die weer kan zien, een lamme die kan lopen, een scheefgelopen huwelijk dat goed gekomen is. Een beduimeld boek met foto’s van de bergen in Noord-Libanon, Charbels’ geboortestreek, ligt ter inzage.
Het overkomt me geregeld: waar ik ook ga, ik kom telkens weer in Libanon terecht. De wonderen zijn wereld nog niet uit…
De massale demonstraties tegen de plannen van de regering Netanyahu om de rechterlijke macht te hervormen, brengen als nooit tevoren de diepe verdeeldheid aan het licht in Israël. Voor de honderdduizenden demonstranten staat niets meer of minder op het spel dan de democratie, de rechtstaat en uiteindelijk ook de identiteit van Israël.
De regeringscoalitie, de meest extreemrechtse in de Israëlische geschiedenis, wil het rechtssysteem drastisch hervormen. Het parlement moet in de toekomst de benoeming van rechters controleren en het Hooggerechtshof kan niet langer aangenomen wetten toetsen en afkeuren. Andere, inmiddels aangenomen wetten, maken het afzetten van een zittend premier praktisch onmogelijk en staan politici met een strafblad toe openbare functies te bekleden.
De coalitie, bestaande uit de rechtse Likoed-partij, ultra-orthodoxen en religieus-nationalisten, heeft 64 van de 120 zetels in de Knesset. Israël kent geen Senaat of Eerste Kamer en de door de regering-Netanyahu voorgestelde hervormingen komen inderdaad neer op een soort dictatuur van de (krappe) meerderheid.
Maar er staat meer op het spel. De hoofdzakelijk seculiere oppositie is bang dat de orthodoxe en religieus-nationalistische krachten, die nu de dienst uitmaken in regering en parlement, Israël veranderen in een theocratie, waar de halacha -de joodse religieuze wetgeving- leidend is. Dat zou niet alleen fnuikend zijn voor de tijdens de demonstraties ostentatief aanwezige LGTBQ-gemeenschap, maar voor alle joodse Israëli’s die er een seculier-liberale levensstijl op na houden.
Opvallend is de aanwezigheid van militaire reservisten bij de demonstraties. Piloten van gevechtsvliegtuigen, die tot de elite van het Israëlische leger horen, kondigden aan niet meer te willen trainen zolang de hervormingen niet van de baan zijn. Het zijn dezelfde piloten die met hun bombardementen op Gaza en eerder op Libanon voor onnoemelijk veel ellende zorgden, maar zich nu de Israëlische democratie willen redden.
Ook oppositieleider Benny Gantz, als bevelhebber van het leger een van de hoofdverantwoordelijken voor de aanval op Gaza in 2014, sloot zich aan bij de protestbeweging. In een toespraak in februari verdedigde hij het Hoog Gerechtshof door eraan te herinneren dat hij zich tientallen jaren had ingespannen voor de veiligheid van Israël, en dat het Hoog Gerechtshof op zijn beurt hèm had verdedigd.
Gantz is niet de enige politicus of (ex-) generaal die ervoor waarschuwde dat het ontmantelen van het Israëlische rechtssysteem militairen zou blootstellen aan vervolging door het Internationaal Strafhof (ICC). Een goede reden voor het ICC om in actie te komen om mensenrechtenschendingen of misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken en eventueel te vervolgen, is immers als het eigen nationale rechtssysteem daar niet toe in staat is.
Wellicht heeft de verrassende onthulling in de gelekte Pentagondocumenten eerder dit jaar, dat inlichtingendienst Mossad de protesten tegen Netanyahu’s hervormingen aanmoedigt, met dezelfde angst voor ICC-vervolging te maken. De Mossad wordt van talrijke mensenrechtenschendingen beschuldigd. De Israëlische regering reageerde fel op de ‘leugenachtige’ onthulling’ en ontkende de betrokkenheid van de Mossad bij de protesten. Hoe het zij, de Pentagon-documenten zelf zijn authentieketop secret Amerikaanse inlichtingenrapporten en veel, hoewel niet alles, van de informatie blijkt tot dusver wel degelijk te kloppen.
Praktisch afwezig bij de protesten zijn zowel de Palestijnen uit Israël, als de Palestijnen uit de bezette gebieden. Ook het Israëlische vredeskamp, dat zich verzet tegen de bezettingspolitiek en de discriminatie van Palestijnen, is minimaal vertegenwoordigd. In een klein hoekje van de massademonstraties wordt met wat Palestijnse vlaggen gezwaaid. De groep die borden bij zich heeft met opschriften als ‘democratie en apartheid gaan niet samen’ valt in het niet te midden van de zee van blauw-witte Israëlische vlaggen.
Het Hooggerechtshof is jarenlang een trouwe partner geweest van de Israëlische overheid bij het onderdrukken van Palestijnen. Zo gaf het Hof in 2018 toestemming aan het leger om met scherp op Palestijnse demonstranten te schieten bij het afscheidingshek in Gaza. Het Hof gaf het groene licht om ‘staatsgevaarlijke’ Palestijnen te folteren. Geen enkel verzoek van de overheid om Palestijnen in administratieve detentie te nemen -dus zonder proces vast te zetten- werd ooit afgewezen. Het Hof gaf toestemming Palestijns eigendom te confisqueren in Oost-Jeruzalem, Masafer Yatta en andere plaatsen in bezet gebied. Enzovoorts.
Palestijnen en antibezetting-activisten hebben geen reden om op te komen voor het Hooggerechtshof en zien de protesten tegen de plannen van de ultranationalistische regering eerder als een strijd tussen de oude, witte Ashkenazi elite en de nieuwe, steeds machtiger elite van kolonisten en religieuze zionisten. Beide kampen geloven in een staat met joodse suprematie en zijn verantwoordelijk voor de bezettingspolitiek sinds 1967.
In joodse liberaal-seculiere kringen zijn stemmen opgegaan voor een grondwet. Hoewel Israël een aantal basiswetten heeft die dienen als constitutioneel kader, is het een van de weinige landen ter wereld zonder grondwet. In 1947-’48 werden een aantal pogingen gedaan om tot overeenstemming te komen over een constitutie, maar de eerste generatie politici van de staat Israël kon het niet eens worden.
Ook 75 jaar geleden stond Israël voor de vraag: een seculiere democratie of moest de Torah leidend zijn. Dan was er de vraag wat een ‘joodse staat’ precies inhield? De meeste Joden in de wereld woonden buiten Israël en binnen Israël bevond zich een grote Arabische bevolkingsgroep. Israël ontstond vanuit een gewapend conflict met de Palestijnen en de Arabische buurlanden. Daar kwam bij: wat waren de grenzen van de staat? Tot de dag van vandaag heeft Israël geen wettelijk vastgestelde grenzen. Men was, en is in het geval van Libanon en Syrië, immers in oorlog met de buurlanden en de staat is grotendeels gesticht op bezet gebied.
Israëls eerste premier Ben Gurion besloot dat een grondwet strijdig was met zijn visie van een permanente zionistische revolutie: Israël had helemaal geen grondwet nodig. Volgens Ben Gurion berustte het bestaan van de staat op drie pijlers: veiligheid, aliyah (massa immigratie naar Israël) en kolonisering. Dat zijn inderdaad de drie constante elementen gebleven in Israëls conflictieve bestaan van de afgelopen vijfenzeventig jaar.
In het gebied tussen de Middellandse Zee en de rivier Jordaan, dat gecontroleerd wordt door Israël, wonen in 2023 14,8 miljoen mensen. De joden vormen een minderheid van 48%. De Palestijnen, verspreid over de Palestijnse bevolking in Israël en de bezette gebieden, maken meer dan de helft uit van de bevolking. Nu de agressieve Israëlische kolonisering een tweestatenoplossing onmogelijk heeft gemaakt, tekent zich een toekomst af van een land met een joodse minderheid en een grotendeels rechteloze, steeds groter wordende Palestijnse meerderheid.
Die Palestijnen hebben de afgelopen decennia praktisch alle politieke en militaire confrontaties met Israël verloren. Maar het verlies van hun land heeft de Palestijnen niet beroofd hun collectieve herinnering en hun Arabische identiteit.
Het conflict tussen Israël en de Palestijnen gaat steeds minder over veiligheid en territorium, steeds meer over identiteit. Het Israëlische extreem religieus-nationalistische narratief ruimt voor de Palestijnen in Israël geen enkele plaats in. ‘Dood aan de Arabieren,’ is een geaccepteerde slogan geworden. Tegelijkertijd zorgt dit extreme gedachtengoed bij gematigde joden binnen en buiten Israël voor afschuw en verwarring.
De onlangs overleden TV-producent Harry de Winter bracht de dubbele gevoelens treffend onder woorden in de documentaireserie ‘Het Beloofde Land’. ‘Het feit dat er een plek op aarde is waar – als het erop aankomt – Joden naartoe kunnen, vind ik een reden voor een feest. Hoe ze het huis ingericht hebben en de versieringen aangebracht hebben…’ De Winter schudt zijn hoofd. ‘Daar doe ik niet aan mee. Ik vind het een drama.’
‘De joden leven niet op zichzelf, zelfs niet in hun eigen staat,’ schreef journalist Gideon Levy in een column die gepubliceerd werd op Israëls 75e Onafhankelijkheidsdag. ‘Het is onmogelijk om onze onafhankelijkheid te vieren, zonder te praten over de Nakba. Het is onmogelijk te rouwen voor de doden zonder te vragen waarom ze werden gedood. Het is onmogelijk de andere doden te negeren, onze slachtoffers; we kunnen en moeten de gevoelens te respecteren van de degenen die voor hen rouwen en hen als helden zien’.
Levy is een van de weinigen die probeert de ‘grote verhalen’ van Israël en Palestina aan elkaar te spiegelen en uiteindelijk te verzoenen. Het vooruitzicht van een uitzichtloze identitaire strijd tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, is immers -om met De Winter te spreken- een groot drama.
Voor Vredesmagazine, juni 2023, Jaargang 16, nr. 3
Het bericht greep mij een jaar geleden bij de keel: de Palestijns-Amerikaanse journalist Shireen Abu Akleh was doodgeschoten. Ze was een sympathieke collega uit Doha met een aanstekelijke lach, een vertrouwd gezicht op nieuwszender Al Jazeera en de meest geliefde en prominente correspondent in de Palestijnse gebieden.
Er stond met grote letters ‘PRESS’ op de voor- en achterkant van haar kogelwerend vest en op haar helm. Maar daar had de scherpschutter geen boodschap aan.
‘In het harnas gestorven’, wordt gezegd als iemand bij de uitoefening van zijn vak overlijdt. Dat klinkt het geval van Shireen extra cynisch. De Israëlische militair wist precies de plek in haar achterhoofd te raken tussen haar helm en scherfvest. Ze was op slag dood.
Het was 11 mei 2022, ’s ochtends vroeg. Het team van Al Jazeera was in het vluchtelingenkamp van Jenin om een inval van het Israëlische leger te verslaan. Er was een schotenwisseling geweest tussen de Israëlische militairen en Palestijnse militanten in een ander deel van het kamp. Plotseling worden de journalisten van Al Jazeera beschoten. Verslaggever Ali Al-Samoudi wordt geraakt in zijn schouder. Het team probeert dekking te zoeken, maar voor Abu Akleh is het te laat. Ze wordt geraakt als een tweede serie schoten wordt afgevuurd.
Weinig incidenten waarbij journalisten omkwamen zijn zo precies onderzocht en gedocumenteerd als de dood van Shireen Abu Akleh. Misschien is dat logisch. Ze was tenslotte in het Midden-Oosten een journalistieke grootheid. Maar het komt ook door de evident lakse en ongeloofwaardige manier waarop de Israëlische autoriteiten met haar gewelddadige dood omgingen.
“Abu Akleh is waarschijnlijk getroffen door Palestijnse terroristen die wild om zich heen schoten”, verklaarde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in eerste instantie op sociale media. Het ministerie voegde een filmpje toe dat, zo bleek later, op een heel andere locatie was opgenomen. Ook premier Naftali Bennett zei direct na Abu Akleh’s dood dat er een ‘aanzienlijke kans’ was dat gewapende Palestijnen verantwoordelijk waren.
Het in de Verenigde Staten gevestigde Committee for the Protection of Journalists dringt in een afgelopen dinsdag verschenen rapport met klem aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Abu Akleh. Ook eerdere dodelijke incidenten, zoals het in 2018 doodschieten van fotojournalisten Ahmed Abu Hussein en Yasser Murtaja tijdens demonstraties bij het afscheidingshek in Gaza, zouden ‘onafhankelijk, transparant en strafrechtelijk’ moeten worden onderzocht.
Kort na de beschieting van het Al Jazeera-team draaide Israël bij. Nadat onderzoek van The New York Times, The Washington Post en onderzoekscollectief Bellingcat haarfijn had aangetoond dat een Israëlische militair het fatale schot had afgevuurd, had ontkennen weinig zin meer. Onderzoek van de CNN en van de in Londen gevestigde Forensic Architecture ging nog een stapje verder en concludeerden dat de schutter met opzet heeft geprobeerd Abu Akleh te doden. Ook Al Jazeera en Shireen’s familieleden en vrienden zijn ervan overtuigd: ze werd het zwijgen opgelegd omdat ze de Palestijnen een stem gaf.
De CPJ constateert in het rapport dat sprake is een ‘dodelijk patroon’. Deadly Patternis ook de titel van het rapport, over de wijze waarop Israël omgaat met gedode verslaggevers. Het gaat om twintig slachtoffers sinds 2001. Niemand is ooit verantwoordelijk gehouden, laat staan gestraft.
Dertien van de twintig journalisten waren, op het moment dat ze werden doodgeschoten, duidelijk te herkennen als journalisten met ‘PRESS’ op hun kleding. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Reuters cameraman Fadel Shana, die ook nog eens naast een auto met ‘TV’ erop geschilderd stond, toen hij in 2008 werd neergeschoten.
Het feit dat niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van journalisten in de bezette gebieden, heeft ertoe geleid dat verslaggevers – lokale zowel als buitenlandse – in een steeds gevaarlijker werkveld actief moeten zijn.
Guillaume Lavallée, voorzitter van de Foreign Press Association in Israël, zegt in het CPJ-rapport dat veel journalisten bang zijn: “Als een journalist met een Amerikaans paspoort gedood kan worden zonder juridische consequenties, dan zou dat hen in de toekomst ook kunnen overkomen. Het gevoel onbeschermd te zijn is vooral sterk bij onze Palestijnse collega’s. Sommigen van hen zijn zelfs bang dat er expres op hen wordt geschoten.”
Dat is geen rare gedachte. Behalve een Brit en een Italiaan waren de resterende achttien dodelijke slachtoffers allen Palestijns. Een aantal van hen werkte wel voor buitenlandse media en persbureaus. Opvallend is dat geen enkele Israëlische journalist onder de slachtoffers is.
Het CPJ-rapport beschrijft in detail hoe Israël omgaat met de dodelijke incidenten. Onderzoeken zijn ondoorzichtig, willekeurig en duren eindeloos. Bewijsmateriaal en getuigenverklaringen worden terzijde geschoven. Betrokken militairen gaan vrijuit terwijl het onderzoek, dat altijd vertrouwelijk wordt gehouden, nog gaande is. Er worden alternatieve versies van de toedracht verspreid. Fake news dus. En soms worden de getroffen journalisten voor terroristen uitgemaakt.
Wat dat betreft was de onverkwikkelijke gang van zaken rond het onderzoek naar de dood van Shireen Abu Akleh geen uitzondering. Er wordt simpelweg geen verantwoording afgelegd.
Het CPJ-rapport eindigt met een aantal aanbevelingen, de meeste aan het adres van Israël. Er is daarnaast een aantal aanbevelingen voor de internationale gemeenschap. Ze zijn ook van toepassing op Nederland.
CPJ roept bevriende regeringen op Israël te herinneren aan hun internationale plichten rondom mediaveiligheid. Ook moeten die regeringen druk uitoefenen op Israël om mee te werken aan internationale onderzoeken naar de dood van journalisten.
Tot dusver weigert Israel – tot grote frustratie van Shireens familie en bewonderaars – mee te werken aan Amerikaans FBI-onderzoek naar haar dood.
Het is een ongebruikelijke mix van biografie, autobiografie en politieke geschiedschrijving. ‘We could have been friends, my father and I,’ is de lange titel die Raja Shehadeh zijn relatief dunne boek heeft gegeven, dat in 2022 werd gepubliceerd: ‘We hadden vrienden kunnen zijn, mijn vader en ik. Een Palestijnse memoires.’
Ik houd van de boeken van Ghada Karmi, Yusif Sayig, Mahmoud Darwish en andere Palestijnse auteurs, omdat ze je binnenlaten in een wereld die nog maar kortgeleden bestond maar nu snel aan het verdwijnen is. Hun memoires beschrijven praktisch altijd een gefragmenteerd leven: vluchten uit de geboorteplaats, ballingschap, bezetting, oorlog en heimwee naar de onbereikbare geuren en kleuren van het verloren land.
Het mooie aan het genre is dat bij de beschrijving van de herinneringen grote gebeurtenissen gekleurd worden door het persoonlijk perspectief: relaties, familieverhoudingen (verbroken) liefdes, angsten en teleurstellingen, tekortkomingen, verlangens en het vermogen turbulente gebeurtenissen in een snel veranderende wereld een plaats te geven.
Bij Raja Shehadeh gaat het om de vader-zoon relatie.
Raja’s vader Aziz was een prominent Palestijns advocaat die in 1948 uit Jaffa moest vluchten toen de stad werd ingenomen door de joodse Haganah-militie. Aziz Shehadeh en familieleden waren bij de 75.000 Palestijnen die de stad ontvluchtten. Slechts 2.000 Palestijnen die niet weg konden of wilden bleven achter en werden door de jonge joodse staat geïnterneerd in een getto; de met prikkeldraad omgeven wijk Ajami.
Aziz Shehadeh was ervan overtuigd dat zijn vlucht van korte duur zou zijn. Volgens het VN-verdelingsplan van 1947 was Jaffa immers toegewezen aan de Arabische staat die naast de joodse staat in het Britse mandaatgebied Palestina zou verrijzen. Jaffa was tot de oorlog van 1948 het Arabische politieke en culturele centrum van Palestina. Aziz kon zich eenvoudigweg niet voorstellen dat het Arabische Jaffa zou ophouden te bestaan. Hij was ervan overtuigd dat het Arabisch Legioen uit Transportatie, het bedoeinenleger geleid door de Britse officier Sir John Glubb, dat in felle gevechten was verwikkeld met de joodse strijdkrachten, net zolang met de strijd door zou gaan totdat in ieder geval het Arabische deel van Palestina niet in handen van de joodse staat zou vallen.
Hij vergiste zich. Aziz Shehadeh zou nooit terugkeren naar zijn woonhuis en kantoor in Jaffa. Hij was in zekere zin een fortuinlijke vluchteling want zijn familie had een zomerhuis in Ramallah waar het gezin in kon trekken, maar de kwestie van de Palestijnse vluchtelingen liet hem niet los. Evenmin liet de kwalijke rol van de koloniale Ingleezi -de Engelsen- bij de stichting van de staat Israël hem los. De Israëli’s erfden een repressieve wetgeving van de Britten die nu werd ingezet tegen de autochtone Palestijnse bevolking.
In mei 1948 vonden felle gevechten plaats om Jeruzalem waarbij het oostelijk deel van de stad veroverd werd door het Arabisch Legioen. Het westelijk deel werd Israëlisch. Na een staakt-het-vuren besloot de regering in Londen dat Glubb z’n bedoeïenen terug moest trekken naar het oosten. Het gevolg was dat het Israëlische leger de steden Lydda en Ramle kon ontvolken en innemen. En Jaffa was definitief verloren.
Twee jaar na deze tragische gebeurtenissen werd in Ramallah -inmiddels onder Jordaans bestuur- zoon Raja geboren. Ook Raja Shehadeh werd jurist en stichtte 1979 de mensenrechtenorganisatie Al Haq. Als journalist bezocht ik in de jaren tachtig en negentig regelmatig het kantoor van Al Haq in Ramallah, en ontmoette Raja en zijn collega’s die hun moedige werk onder de meest zware omstandigheden moesten uitvoeren. Inmiddels is Al Haq, samen met vijf andere Palestijnse NGO’s, door Israël tot een “terreurorganisatie” verklaard. Desondanks wordt het belangrijke werk zo goed en zo kwaad als het kan voortgezet.
De veelzijdige Raja ontpopt zich behalve als advocaat en mensenrechtenactivist ook als een getalenteerd literair schrijver. Zijn tiende boek ‘We could have been friends, my father and I’ beschrijft Raja’s ontdekking, tientallen jaren na de moord op zijn vader in 1985, hoe heldhaftig deze eigenlijk was: een onafhankelijke geest die het zwaar te verduren kreeg van de Britten, de Israëli’s, de Jordaniërs en zijn eigen landgenoten de Palestijnen. Achteraf blijkt dat hij toch vaak gelijk had.
Vader en zoon waren zeker geen vrienden. Raja voelde altijd een zekere afstand tussen hen, soms zelfs rivaliteit. Pas tientallen jaren na zijn dood overwint Raja zijn weerzin om zijn vaders nagelaten archief te gaan uitpluizen. En dan blijkt ‘hoeveel strijd hij heeft geleverd tijdens zijn leven’ en hoe diep zijn droefheid en boosheid was over wat hem en zijn mede-Palestijnen overkomt.
In 1953 wint Aziz een rechtszaak in Londen tegen de Barclays Bank. De Israëlische autoriteiten hadden in 1948 de banktegoeden van Palestijnse vluchtelingen bevroren. Palestijnen in Jordanië, Libanon en elders mochten hun geld niet opnemen. De jarenlange juridische strijd, die uiteindelijk in zijn voordeel wordt beslecht, is een mijlpaal in Aziz’ leven. Maar zijn succes wekt de achterdocht van de Jordaanse autoriteiten, die dan nog onder directe Britse controle staan. Aziz ontloopt een arrestatie in Jordanië door tijdelijk in ballingschap naar Italië en Libanon te gaan.
Aziz Shehadeh tijdens de rechtszitting in Jeruzalem na de moord op de Jordaanse koning Abdallah (1951)
Niet lang na terugkomst in Jordanië komt hij opnieuw in de problemen en wordt alsnog gearresteerd. In juli 1958 vindt in Irak een staatsgreep plaats waarbij koning Faisal, oom van koning Hoessein, wordt afgezet en vermoord. Hoessein is bang dat de onrust overslaat naar Jordanië en laat een groot aantal nationalistische leiders arresteren, waaronder Aziz Shehadeh. Raja’s beschrijving van zijn vaders’ gevangenschap, ver weg in de Jordaanse woestijn, is aangrijpend. Aziz stelt vast dat er niet meer vrijheid van meningsuiting is in de jonge staat Jordanië dan destijds in het Britse mandaatgebied Palestina. Als Palestijns vluchteling voelt hij zich rechteloos en besluit zich te concentreren op zijn familie en advocatenpraktijk.
Maar de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever in 1967 maakt de politieke activist weer in Aziz weer wakker. Dat jaar dient hij, gesteund door 50 prominente Palestijnse leiders uit de Westoever, Jeruzalem en Gaza, een plan in bij de Israëlische autoriteiten. Basis is het oorspronkelijke verdelingsplan waarbij, naast Israël, een Palestijnse staat wordt gesticht met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. De PLO en Jordanië moeten niets van dit voorstel weten. De PLO bepleit op dat moment een ‘democratische, seculiere staat’ in heel Palestina. Yasser Arafat noemt Aziz’ voorstel ‘dwaas’.
Vader en zoon Shehadeh verschillen van mening. Raja verwijt zijn vader dat hij met dit voorstel komt terwijl ‘het Palestijnse volk bezig is met de gewapende strijd’. Vader Aziz gelooft echter niet in militaire oplossingen. Hij is ervan overtuigd dat vrede alleen kan worden bewerkstelligd als Israël en de Palestijnse staat elkaar erkennen en uiteindelijk ook samenwerken. Dat is in het belang van beide volkeren.
In 1985 wordt Aziz vermoord. De dader wordt nooit gepakt, het misdrijf blijft onopgelost. De Israëlische politie sloot het onderzoek 37 jaar geleden maar, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk, een verzoek eind 2021 van Raja om het politierapport te mogen inzien wordt nog steeds niet ingewilligd.
Er zijn nog veel conversaties die Raja met zijn te vroeg overleden vader zou willen voeren. Raja concludeert dat meer dan een halve eeuw na de bezetting van de Westoever er 750.000 kolonisten wonen, in vijfhonderd nederzettingen. De tweestaten-oplossing is onmogelijk geworden, de enige alternatieven zijn: één staat of apartheid. Raja zou zijn vader willen vertellen dat Israëlische kinderen nu op school leren dat heel Groot Israël van hen is en dat de Palestijnen in het land geen rechten hebben.
‘Jij zegt dat Israël gewonnen heeft,’ zou zijn vader antwoorden. ‘Maar besef je niet dat alleen vrede tussen onze twee volken een echte overwinning zou betekenen?’
Dit artikel is geschreven voor de Nieuwsbrief Groningen-Jabalya, mei 2023
In juli 2019 werd de Global Media Freedom Coalition (GMFC) opgericht, een coalitie van regeringen die beloofden te zullen ijveren voor persvrijheid en de veiligheid van journalisten. “Alle mogelijke middelen” zouden worden ingezet om schendingen van mediavrijheid het hoofd te bieden. 51 landen ondertekenden de global pledge, de plechtige belofte om ook diplomatieke middelen in te zetten voor het nobele doel de persvrijheid overal ter wereld te verdedigen.
Maati Monjib
In 2022 vervulde Nederland, samen met Canada, het voorzitterschap van de coalitie. Op de jaarlijkse conferentie, in februari 2022 in Talinn, hield minister Hoekstra van Buitenlandse Zaken een vlammend betoog. Vrijheid van meningsuiting is een hoeksteen van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, aldus de minister. Hoekstra bepleitte het zoveel mogelijk gebruik maken van ‘de diplomatieke gereedschapskist’ om regeringen verantwoordelijk te stellen als ze persvrijheid schenden.
Op de Filippijnen was de coalitie actief op twitter met een bezorgde tweet over een vermoorde journalist en een positieve tweet over de vrijspraak van Nobelprijswinnaar Maria Ressa. Bij de Britse ambassade vond een receptie plaats met toespraken over persvrijheid.
In Bangladesh, waar de persvrijheid ernstig onder druk staat, hield de Zwitserse ambassadeur een exposé over de persvrijheid in Zwitserland tijdens een door de VN georganiseerd rondetafeldiscussie.
In Mexico, waar 14 journalisten werden vermoord in 2022, organiseerde de coalitie een seminar over het veranderen van de perswet. De Nederlandse ambassade tweette daarover.
In Slowakije hielpen de Canadese en Nederlandse ambassades met het organiseren van een TV-debat over de veiligheid van journalisten.
En dat was dat. Niet echt een overtuigende lijst met successen. Maar wie weet. Je hebt ook nog geheime diplomatie. Misschien dat hier en daar ook nog wat stille diplomatie werd bedreven. We zullen het nooit weten.
Zou de Nederlandse ambassade of een van de diplomatieke vertegenwoordigingen van andere GMFC-lidstaten vorige week in het geweer zijn gekomen voor de Marokkaanse journalist en mensenrechtenactivist Maati Monjib? Of voor een van de
Marokkaanse journalisten die na een schertsproces lange gevangenisstraffen uitzitten?
Monjib kondigde aan in hongerstaking te gaan nadat hij ontslagen werd als docent aan een universiteit in Rabat. Hij is al jarenlang het slachtoffer van politieke repressie, heeft een uitreisverbod en er loopt een proces tegen hem wegens het “witwassen van fondsen”. Het Europees Parlement en verschillende internationale mensenrechtenorganisaties hebben kritiek geleverd op de jarenlange “justitiële intimidatie” van Monjib.
De maatregel om Monjib te ontslaan kwam kort nadat hij en een groep andere Marokkaanse mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten een collectief vormden dat in België een civiele rechtszaak wil aanspannen tegen een aantal Europarlementariërs die ervan worden verdacht Marokkaanse steekpenningen te hebben aangenomen. Daardoor werd telkenmale verhinderd dat de belabberde situatie op het gebied van mensenrechten en persvrijheid in het Europees Parlement zelfs maar ter sprake gebracht kon worden, laat staan veroordeeld.
Pas na de onthullingen van het Qatargate-netwerk, waarbij ook Marokko nauw betrokken bleek, nam het Europarlement op 19 januari een kritische tekst aan over “de situatie van journalisten in Marokko”. De journalisten Maati Monjib, Omar Radi, Taoufic Bouachrine en Sulaiman Raissouni worden met name genoemd. Radi, een onderzoeksjournalist die berichtte over corruptie in de hoogste politieke kringen en Bouachrine en Raissouni, verbonden aan een populair dagblad dat veel kritiek leverde op de regering, zitten beide lange gevangenisstraffen uit. In de verklaring van het Europarlement wordt er fijntjes aan herinnerd dat die straffen werden opgelegd na processen die aan alle kanten rammelden.
De Nijmeegse arabist en Marokko-deskundige Jan Hoogland herinnerde er vorige week aan dat Maati Monjib jarenlang samenwerkte met de Nederlandse NGO Free Press Unlimited (FPU) bij het opleiden van Marokkaanse onderzoeksjournalisten. Hoogland kan het weten want hij was tussen 2009 en 2015 directeur van het NIMAR, het Nederlands Instituut in Marokko. Het programma voor de onderzoeksjournalisten werd uitgevoerd door Press Now, de organisatorische voorganger van FPU, en gefinancierd door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Kan Monjib nu ook rekenen op steun van dat ministerie of van de Nederlandse ambassade in Marokko, vroeg Hoogland zich af.
Het was wellicht een retorische vraag. Nederland en Marokko hebben immers een deal gesloten, in het officiële jargon ‘actieplan’ geheten. In dit Marokkaans-Nederlandse document, dat al in juli 2021 door beide landen werd getekend maar tot eind november 2022 geheimgehouden, staat dat beide landen zich niet zullen mengen in elkaars binnenlandse aangelegenheden. Den Haag zal melden bij de Marokkaanse autoriteiten als een Nederlandse NGO activiteiten in het land wil opzetten.
Voor Nederland zijn de belangrijkste onderdelen van de deal de samenwerking en coördinatie op het gebied van migratie en terrorismebestrijding. Er staan ook paragrafen in over onder andere sociale zekerheid, handel, klimaat en cultuur. Wat opvallend ontbreekt zijn termen als mensenrechten en persvrijheid.
Inmiddels is de Marokkaans-Nederlandse deal van verschillende kanten en op een groot aantal onderdelen bekritiseerd. Bottomline bij dit alles is natuurlijk de vraag of je wel moet willen samenwerken met autocratisch regimes zoals het Marokkaanse. Die vraag is des te meer prangend als we inzoomen op het thema persvrijheid.
Op maandag 19 juli 2021, elf dagen na ondertekening van het actieplan, werd journalist Omar Radi tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld wegen ‘verkrachting en spionage’. Human Rights Watch en andere mensenrechtenorganisaties hebben vernietigende kritiek geleverd op de procesgang en op de bewijsgronden voor deze zware straf. Let wel: Omar Radi, ooit ook deelnemer aan het programma van Press Now voor onderzoekjournalisten, werd ervan beschuldigd een Nederlandse spion te zijn.
Kamerleden Piri (PvdA) en Van der Lee (GroenLinks) stelden in februari Kamervragen over de inspanningen van Buitenlandse Zaken “om de aantijging te ontkrachten dat Radi een spion van Nederland zou zijn”. Hoekstra’s antwoord is ontluisterend. “Nederland heeft de ontwikkelingen in het proces van Omar Radi nauwgezet gevolgd. Voorafgaand aan de veroordeling is meermaals navraag gedaan naar de aanklacht en, na de veroordeling, ook naar het vonnis.”
Die navraag leverde kennelijk niets op. In de Marokkaanse media, die grotendeels door de overheid worden gecontroleerd, werd Radi al maandenlang gedemoniseerd als seksueel delinquent en Nederlands spion. Maar de ambassade hulde zich publiekelijk in stilzwijgen. Als enig wapenfeit kon Hoekstra aan de Kamerleden melden dat haast drie maanden na het vonnis Nederland “inzage kreeg in een werkvertaling van het vonnis”. Inzage. Een werkvertaling. En daarbij gaf Hoekstra aan teleurgesteld te zijn “daar waar het de aanklacht voor spionage voor Nederland betreft”.
Teleurgesteld, het zal, maar geen woord over het schertsproces. Geen woord over de tientallen journalisten en mensenrechtenactivisten die in Marokkaanse cellen zitten. De global pledge om de diplomatieke gereedschapskist in te zetten ten faveure van persvrijheid en journalisten in de verdrukking voor het gemak even vergeten. Hoekstra’s linkerhand weet voor het diplomatieke gemak even niet waar de rechterhand mee bezig is. Aan de ene kant miljoenen uitgeven voor conferenties en cocktailparty’s van het Global Media Freedom Coalition, aan de andere kant geen poot uitsteken voor de journalistiek en persvrijheid in Marokko.
Dit artikel werd op 14 maart 2023 gepubliceerd door VILLAMEDIA
In 1998 maakte ik een reportagereis naar Oost-Jeruzalem. Ik interviewde een aantal oudere Palestijnse inwoners om hen te vragen naar hun herinneringen. Het was vijftig jaar na de periode die in Israël wordt aangeduid als de onafhankelijkheidsoorlog. Hoe hadden zij als Palestijnen de geboorte van de staat Israël beleefd?
Eén van de geïnterviewden, Amin Majaj, was 27 jaar in 1948 en was net afgestudeerd als arts. Majaj herinnerde zich de slachtpartij in Deir Yassin nog als de dag van gisteren. Meer dan honderd inwoners van Deir Yassin, een dorpje vlakbij Jeruzalem, werden in koelen bloede afgemaakt door de extremistische joodse Stern-groep, geleid door de latere premier Menachem Begin.
‘Ik wil alleen maar praten over wat ik zelf gezien heb, en dan nog zeg je misschien dat ik gek ben. Ik praat er liever niet over,’ tekende ik op uit de mond van Amin Majaj. Toch vertelt hij dat hij in het American Baby Home als medisch vrijwilliger kinderen behandelde die geslagen waren door leden van de Stern-militie. Ook ontmoette hij vrouwelijke overlevenden van het bloedbad in Deir Yassin.
‘Eén vrouw had geen uitdrukking op haar gezicht, ik zie haar nog voor me. Ze vertelde me hoe de terroristen kinderen gedwongen hadden op straat te gaan liggen. De moeders moesten in een jeep liggen die over hun kinderen heen reed. Veel vrouwen werden verkracht en gedwongen zich helemaal uit te kleden. Ze werden naakt meegenomen op een vrachtwagen dwars door West-Jeruzalem heen. Een enorme vernedering voor die vrouwen, dat was de bedoeling ook natuurlijk.’
Vluchtende Palestijnen in 1948
Amin Majaj en mijn andere Palestijnse gesprekspartners van destijds hadden levendige herinneringen aan die voor hen zo rampzalige episode. De geboorte van de staat Israël ging gepaard ging met grof geweld tegen de autochtone Palestijnse bevolking. De historische feiten waren schokkend:
Tussen 1947 en 1949 vluchtten van een bevolking van 1,9-miljoen zo’n 750.000 Palestijnen naar de omliggende landen.
Israël nam in 1948 78 procent van historisch Palestina in. De resterende 22 procent, bestaande uit de Westelijke Jordaanoever, met Oost-Jeruzalem, en Gaza werd in 1967 bezet.
530 Palestijnse dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en etnisch gezuiverd.
Ongeveer 15.000 Palestijnen werden in 1948 gedood en er vonden meer dan dertig slachtpartijen plaats waarbij Palestijnse burgers om het leven kwamen.
Met de wapenstilstand van 1949 kwam geen einde aan de Palestijnse tragedie. Het werd de Palestijnse vluchtelingen verboden terug te keren naar hun geboorteland. Ze verloren hun huizen en andere bezittingen door de Absentees’ Properties Law. Toppunt van onrechtvaardigheid en absurditeit is de categorie van “aanwezige afwezige personen”. De inwoners van Saffuriyya verlieten in 1948 hun dorp om hun toevlucht te zoeken in het nabijgelegen Nazareth. Ze mogen, als “afwezige eigenaren” hun vernielde land en landerijen niet bezoeken ondanks dat ze Israëlische staatsburgers zijn.
In 1969 verscheen Ghassan Kanafani’s novelle Returning to Haifa. Het verhaal, dat verschillende malen werd verfilmd en bewerkt voor theater en televisie, gaat over de ontmoeting tussen een Israëlische en Palestijnse familie. Het Palestijnse echtpaar Said en Safeyya moest in 1948 hals over kop vluchten uit Haifa. Temidden van de chaos en het geweld van de oorlog vergaten ze hun vijf maanden oude baby Khaldun. Twintig jaar later krijgen ze de kans een bezoek te brengen aan Haifa en zoeken ze hun oude huis op.
Returning to Haifa van Ghassan Kanafani
Daar woont inmiddels een groep Holocaustoverlevers, waaronder de weduwe Miriam. Ze verloor haar vader in Auschwitz en zag met eigen ogen hoe haar tienjarige broertje werd vermoord. Miriam woont in het huis met haar twintigjarige aangenomen zoon Dov. Dov, soldaat in het Israëlische leger, is niemand minder dan hun zoon Khaldun.
Kanafani beschrijft op indringende wijze de ontmoeting van Dov met zijn biologische ouders. Dov weet inmiddels dat hij is geadopteerd, maar hij is in alles Israëliër geworden: hij spreekt Hebreeuws, eet koosjer en kijkt uit naar het moment dat hij in een oorlog zijn land kan verdedigen. Hij minacht het echtpaar, dat hem twintig jaar geleden heeft verlaten.
‘Jullie hadden nooit uit Haifa weg moeten gaan,’ werpt hij zijn biologische ouders voor. ‘Als dat niet mogelijk was hadden jullie nooit een zuigeling in de wieg moeten achterlaten. En als dat ook onmogelijk was, dan hadden jullie altijd moeten proberen terug te komen. Zeggen jullie dat ook dat onmogelijk was? Het is twintig jaar geleden, mijnheer. Twintig jaar! Wat hebben jullie in die twintig jaar uitgevoerd om je zoon terug te krijgen? Als ik jullie was geweest zou ik de wapens hebben opgenomen om je zoon terug te eisen. Wat kan een betere reden zijn dan dat? Jullie zijn slappelingen! Slappelingen! Jullie zijn achterlijk en lijken wel verlamd.. Vertel me nou niet dat jullie twintig jaar hebben zitten huilen. Tranen brengen echt de vermisten en het verloren land niet terug.’
Dov’s tirade laat zich lezen als Kanafani’s pleidooi voor de onvermijdelijke Palestijnse strijd voor terugkeer naar het vaderland. ‘Ontwaak uit je passiviteit,’ lijkt hij tegen de Palestijnse vluchtelingen te willen zeggen, ‘laat niet alle rampen zomaar over je heen komen’.
Interessant genoeg is het woord Nakba, Arabisch voor ‘catastrofe’, nog niet algemeen in zwang als Kanafani dit verhaal schrijft, nog geen twintig jaar na de stichting van de staat Israël. De Syrische schrijver en denker Constantin Zuraiq had de Palestijnse tragedie weliswaar al in 1948 aangeduid als nakba, maar het duurde tot in de jaren negentig dat Palestijnse inwoners van Israël de straat opgingen en in Terugkeer Marsen naar hun verlaten en vernielde dorpen de voor hen catastrofale gebeurtenissen rond 1948 als Nakba herdachten. Het woord nakba sloeg inmiddels niet alleen op de pijnlijke geschiedenis van verlies, ballingschap en trauma, maar ook op herwinnend zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en nationalisme onder de Palestijnse bevolking.
Eind jaren tachtig hadden Israëlische historici als Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé de geschiedenis van Israëls’ geboorte al drastisch herschreven. Israël was niet de underdog die met Gods’ zegen een onwaarschijnlijke overwinning behaalde. De ‘onafhankelijkheidsoorlog’ bleek een stuk minder heldhaftig geweest te zijn dan beschreven in de officiële geschiedschrijving en in de romans van Leon Uris en anderen. Er was bruut geweld gebruikt tegen Palestijnse burgers, misdaden begaan tegen de menselijkheid, er waren slachtpartijen geweest, getto’s voor de overblijvende Palestijnen opgezet, etnische zuiveringen… De Palestijnen bleken in 1948 het land helemaal niet vrijwillig te hebben verlaten of op instignatie van hun laffe leiders. Ze waren geïntimideerd en verjaagd. Het verhaal waar generaties mee waren opgegroeid, over Israël als land zonder volk voor een volk zonder land, begon te kantelen. Het droomland waar overlevenden van de Holocaust de woestijn tot bloei hadden gebracht, bleek eenvoudigweg niet te bestaan.
De lezing van de ‘nieuwe historici’ werd in de decennia daarna gevolgd door tal van nieuwe onthullingen. In 2000 publiceerde de Israëlische krant Maariv bijvoorbeeld een lang artikel over de moordpartij in Tantura. Het ging om het doodschieten van ongewapende Palestijnen nadat de zionistische strijdgroep Haganah de kustplaats in mei 1948 had ingenomen. Het onderzoek was gebaseerd op onderzoek van geschiedenisstudent Teddy Katz die een groot aantal Joodse en Palestijnse getuigen had geïnterviewd. Veteranen van de brigade die Tantura hadden ingenomen spanden een proces aan tegen Katz. De rechter gaf hun gelijk: het was laster.
Katz moest de proceskosten betalen en de universiteit eiste dat hij een nieuwe thesis zou schrijven. Dat deed hij en hij droeg zelfs nieuwe feiten aan voor de slachtpartij. De thesis kreeg een laag cijfer en werd geweerd uit de universiteitsbibliotheek. Katz zelf werd een paria in de kibboets waar hij woonde. Zijn onderzoek werd gezien als ontoelaatbare zelfbevlekking. Veel Israëli’s waren woedend.
Mijn Volkskrant-artikel met de interviews met de oudere inwoners van Jeruzalem wekte bij sommige Israël-sympathisanten in Nederland ook woede. Schrijfster Lisette Lewin schreef een opiniestuk onder de titel ‘Joodse gruwelen gaan er in het Westen nog altijd grif in’. Impliciet beschuldigde ze de Palestijnen en mij als journalist van antisemitisme. Ik refereer aan het incident in mijn boek ‘De oorlog van gisteren’.
Hoewel Lewin niet ontkent dat de slachtpartij in Deir Yassin een oorlogsmisdaad was, voert ze tal van excuses aan. De geluidswagen die de bewoners had moeten waarschuwen was in een greppel gereden. Veel bewoners renden het dorp uit. De rest verdedigde onverwacht hardnekkig hun huizen. De munitie van de joden raakte op en sommige van hun roestige stenguns begaven het. De ongeoefende Joodse strijders waren volgens Lewin ‘hysterisch van paniek’ en schoten tientallen mannen, vrouwen en kinderen dood. In haar artikel beweert Lewin verder dat de Arabieren het vluchtelingenprobleem in stand houden ‘om Israël te treffen’.
In 2011 werd de ‘Nakba-wet’ van kracht waarbij het in Israël verboden werd ‘acties te ondernemen die het bestaan van Israël als een Joodse en democratische staat ontkennen’ en ‘een rouwdag maken van de dag dat de staat werd uitgeroepen’. Op overtreding van de wet staan hoge geldboetes. Maar historische feiten laten zich niet met een wet uit het collectieve geheugen bannen.
De fase van Israëlische woede en Nakba-ontkenning werd gevolgd door een fase van rechtvaardiging. Rechtse Israëlische schrijvers en journalisten ontkenden niet langer de feiten, maar rechtvaardigden het verdrijven van 750.000 Palestijnen uit hun land. Was dat immers geen ‘legitieme en noodzakelijke actie om de stichting van de joodse staat mogelijk te maken’? Uri Misgav, columnist van de krant Haaretz, bekritiseerde de pro-Palestijnse houding van zijn eigen krant, en eindigde een opiniestuk met een sarcastisch ‘sorry, wij hebben gewonnen’.
De meest schokkende ontwikkeling en de schaamte voorbij is het dreigement, vooral van uiterst-rechtse Israëlische politici, van een ‘tweede Nakba’. Minister voor Energie Israël Katz hield als parlementslid in mei 2022 een toespraak een toespraak waarin hij dreigde met een nieuwe Nakba. Katz reageerde in de Knesset woedend op studenten die de Nakba hadden herdacht en met Palestijnse vlaggen hadden gezwaaid. “Herinner wat er in 1948 gebeurde, herinner je onze Onafhankelijkheidsoorlog, jullie Nakba. Vraag de ouderen onder jullie, jullie grootvaders en grootmoeders, en ze zullen uitleggen dat uiteindelijk de Joden wakker zullen worden en zichzelf en het idee van een Joodse staat zullen weten te verdedigen.”
De uitlatingen van Katz, lid van Netanyahu’s Likoed Partij, staan niet op zichzelf. Andere Likoed-politici, zoals minister van Defensie Yoav Galant, lieten zich op dezelfde manier uit. In het Israëlische politieke spectrum vertegenwoordigen Katz en Galant mainstream rechts. Daar weer ter rechterzijde van bevinden zich politici, zoals de ministers Smotrich en Ben Gvir, respectievelijk met de portefeuilles ‘burgerlijk bestuur’ op de bezette Westoever en ‘Nationale Veiligheid’, die nog een paar stapjes verder gaan en van de Nakba hun strijdkreet hebben gemaakt. Extreemrechts wil de Palestijnen voor de keus stellen: je volledige overgeven en nationale aspiraties vergeten of emigreren. De herinnering aan de Nakba wordt door extreemrechts omarmd om te worden ingezet als dreigement: de joodse suprematie in Groot Israël erkennen of vertrekken naar een Arabisch land of waar dan ook in de wereld. Een tweede Nakba, dus.
Extremistische ministers Itamar Ben Gvir (links) en Bezalel Smotrich roepen op tot een nieuwe nakba
Op loopafstand van waar ooit het Palestijnse dorp Deir Yassin lag, symbolische plaats voor de Nakba, ligt het Yad Vashem, het Holocaust-monument. Er is wel gezegd dat vrede in het heilige land mogelijk zou zijn als de Palestijnen het Joodse trauma zouden erkennen en Israëli’s het Palestijnse; wederzijdse erkenning dus van Holocaust en Nakba. Het erkennen van de feiten, waarheidsvinding, zou helend kunnen werken, smeerolie zijn voor een vastgelopen vredesproces.
De Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani brengt in Returning to Haifa Holocaust-slachtoffers en Nakba-slachtoffers tot leven en samen in één verhaal. Hij maakt beslist geen karikaturen van zijn Israëlische en Palestijnse hoofdrolspeler. De joodse Miriam wordt bijvoorbeeld afgeschilderd als een sympathieke, zorgzame vrouw.
Tegelijkertijd biedt Kanafani voor de Palestijnse ontheemden en onterfden geen alternatief dan te vechten voor het recht op terugkeer. Alleen als de Israëlische hegemonie over Palestina wordt gebroken kan recht worden gedaan. Het is geen toeval dat de briljante schrijver Kanafani door Israël gezien werd als een gevaarlijke politieke activist en in 1972 door de Mossad vermoord.
Ja, waarheidsvinding is essentieel voor verzoening en voor het doen van recht, maar Holocaust en Nakba staan in een problematische verhouding tot elkaar. De Holocaust werd door de zionistische beweging als rechtvaardiging gebruikt voor de stichting van de Joodse staat en die leidde op zijn beurt weer linea recta naar de Nakba. Het ‘kleine leed’ van de Palestijnen die in 1948 hun land moesten verlaten, waar ze volgens het discours van de Israëlische opinieleiders ook nog eens goeddeels zelf verantwoordelijk voor waren, leek in het niet te vallen bij het gigantische leed van de moord op zes miljoen Joden. Zonder het vertrek van de Arabische bevolking, die het recht voor altijd werd ontzegd om terug te keren, was het veilige toevluchtsoord voor alle Joden in de wereld er immers nooit gekomen.
Dat was het zionistische riedeltje dat decennia door een groot deel van de westerse wereld werd geslikt. Kritiek op Israël werd en wordt, vanuit deze perverse logica, daarom afgedaan als Jodenhaat en antisemitisch.
De Holocaust was een uiting van haast niet te bevatten kwaad, een massale moordpartij die door de hele mensheid voor altijd herinnerd moet worden als een waarschuwing tegen elke vorm van uitsluiting en etnisch waandenken.
De gebeurtenissen die in 1948 die leidden tot de verdrijving van honderdduizenden mensen van hun geboortegrond en de kolonisering van Palestina, zijn van een andere orde. Maar ze gaan nog steeds door. Het is nog elke dag Nakba in Palestina. De dreigende deportatie van duizend Palestijnen uit Masafir Yatta, het vernielen van Palestijnse huizen, het uitwissen van het Arabisch karakter van Jeruzalem en Hebron, het uitbreiden van de joodse nederzettingen, de geïnstitutionaliseerde apartheid op de Westelijke Jordaanoever…
Op sociale media zijn dagelijks foto’s en video’s te zien van Palestijnse olijfgaarden die worden vernield, huisuitzettingen, invallen in vluchtelingenkampen… De beelden die mij het meest schokten waren van een groep religieuze kolonisten, baarden, keppeltjes, uzi-mitrailleurs over de schouder, die door de Palestijnse wijk Silwan bij Jeruzalem trokken. Ze provoceerden de bevolking door plagerig ‘Nakba, Nakba’ te zingen.
Nakba is een beschamende strijdkreet geworden voor sommigen, een bittere gedachtenis en onverteerbare realiteit voor anderen. En de herinnering aan de Holocaust?
Zaterdag 31 december overleedKees Wagtendonk (89). Wagtendonk is medeoprichter van het Nederlands Palestina Komitee. In 2007 werd hij geïnterviewd door Jacqueline de Bruijn. Hij sjouwde nog tot op hoge leeftijd met spandoeken, regelde demonstraties en stond jarenlang elke twee weken voor de Albert Heijn te demonstreren tegen de verkoop van Israëlische producten. Kortom, hij zette zich decennia in voor het Palestijnse volk. Het is allemaal begonnen met een motorrit, die hij in 1958 maakte door het Midden-Oosten.
Waarom bent u in 1958 op de motor naar het Midden- Oosten gegaan? Ik ben in 1953 theologie gaan studeren. Tijdens mijn kandidaats kwam ik erachter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van mijn vader was. Ik heb het toen omgebogen naar Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvakken Arabisch en Hebreeuws. Na een klein jaar wilde ik die moslims wel ontmoeten, dat was in die tijd heel moeilijk. Die zaten ver weg. Ik was 25 jaar en ik zocht natuurlijk ook het avontuur en de romantiek van het Oosten. Om de tocht te financieren had ik met de ANWB afgesproken om reisverhalen met foto’s per post te sturen. Met mijn DKW 200 cc ging ik dwars door Europa naar het Midden-Oosten.
Wat was de reisroute?
Joegoslavië, noord Griekenland, door Turkije. In het Europese deel van Turkije lag er opeens een laag van 8 cm mul zand op de weg enik ging om. Ik had niks maar hield per ongeluk de motor tegen mijn been. Enorme brandpiek, ik denk dat je hem nog steeds kan zien. Naar de Nederlandse vertegenwoordiging gegaan en die zeiden:” Direct naar het ziekenhuis.” Daar heb ik een week gelegen met bloedvergiftiging. Daarna ben ik doorgereisd naar Syrië.
Hoe reageerden mensen op u?
Ik had een baard laten staan, een mooie zwarte baard. In Aleppo kwam ik met veel jongeren in contact en die zeiden: “Die baard moet je meteen afscheren. Je bent toch geen geestelijke?” Dat wilde ik nou juist niet worden dus dat deed ik. Overal heb ik interessante gesprekken gevoerd. Ik kwam ook bij mensen thuis. Een Syrische jongen reed bijvoorbeeld achterop met mij mee naar zijn oom, die woonde op een boerderij in de buurt van Aleppo. Deze jongeman kwam van een jongerenfestival in Moskou. Syrië was, het was de tijd van de koude oorlog, erg gericht op de Sovjet-Unie. Ik heb 30 jaar met hem gecorrespondeerd. Hij is later minister geworden. Soms krijg ik van een Nederlander nog een telefoontje dat hij de ex-minister heeft ontmoet en dat hij naar mij vroeg.
Hoe lang was u in Syrië
Ik heb een week in Aleppo gezeten. Daarna ben ik naar Damascus gegaan waar ik een Palestijnse vluchtelingen- kamp heb bezocht. Hoe je daar terecht komt, dat weet ik echt niet meer. Dat zijn van die toevalligheden die gebeuren. De Palestijnen vertelden over hun achtergrond. Het was tien jaar na de stichting van de staat Israël en de herinneringen waren nog vers. Dat waren aangrijpende verhalen die ik te horen kreeg. Ik herinner mij een jongen die vertelde dat ze uit Ramle en Lydda kwamen en dat ze daar gewoon waren weggejaagd ‘at the point ofthe gun’.
Ze spraken allemaal Engels?
Ja, wij Nederlanders kloppen ons vaak op de borst over onze geweldige talenkennis. Maar het is mij opgevallen dat mensen in het Midden-Oosten vaak beter Engels spreken dan wij.
Was u verbaasd toen u die verhalen hoorde in het vluchtelingenkamp? Ja, dat was nieuw voor mij. Ik ben betrekkelijk naïef aan die reis begonnen. Natuurlijk wist ik van de verhouding van Israël met de omringende Arabische staten. Maar ik had de verhalen over Israël klakkeloos aanvaard. De bekende verhalen, ‘De woestijn is door de Israëliërs groen gemaakt’, ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ en ‘Als je niet in wonderen gelooft dan ben je geen realist.’ enzovoort. Ik stond er vrij neutraal tegenover en was niet echt een bewonderaar van Israël, mijn vader was dat meer.
U kwam voor het eerst in aanraking met Palestijnen, maar uw reis ging weer verder. Ik ben naar Amman doorgereisd, en daar heb ik gelogeerd bij familie van een Palestijn in Nederland, Elias Rantisi, een christen Palestijn uit Jaffa. Om gesproken Arabisch te leren had ik van de Nederlands-Arabische Kring zijn naam gekregen. In Oost-Jeruzalem logeerde ik bij mevrouw Antonius, de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Door haar ben ik opnieuw met Palestijnse vluchtelingen in contact gekomen. Ze deed vrijwilligerswerk in een vluchtelingenkamp in Oost- Jeruzalem en nam mij mee.
Bent u ook naar Israël gegaan?
Nee, toen niet, dat was onmogelijk. (Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever stond tot 1967 onder Jordaans bestuur.) Ik ben teruggereisd via Syrië naar Libanon. Het was een spannende tijd, de tijd van de Egyptische president Nasser en het Arabisch nationalisme. De stichting van de Verenigde Arabische Republiek was net gerealiseerd. Je kon zonder visum van Syrië naar Egypte. De hele sfeer in die dagen was zeer optimistisch. De Suez-oorlog was net achter de rug, die politiek gezien gewonnen was door Nasser. Die oorlog was het antwoord van Engeland, Frankrijk en Israël op de nationalisatie van het Suez-kanaal door Nasser in 1956. Het Westen vreesde dat de VAR zich zou uitbreiden. In de tijd dat ik in Libanon zat kwamen er Amerikaanse soldaten vanuit zee binnen om te voorkomen dat Libanon zich zou aansluiten. Ik had een legerbroek aan en ik kreeg de raad om die maar niet te dragen omdat mensen konden denken dat ik een soldaat was. In Jordanië, voormalige Engelse kolonie, zaten de Engelsen. Ik heb Engelse soldaten in Oost-Jeruzalem zien lopen. Jordanië werd door Nasser voortdurend op de korrel genomen. Nasser noemde koning Hoessein “de hoer van het imperialisme”. Toen ik op 14juli naar Irak wilde gaan brak daar de revolutie uit. Het was een heftige geschiedenis, de koning en de zeer pro-westerse premier Nuri es-Said werden vermoord.
Hoe lang bent u totaal weggeweest?
Ik denk een maand of vier. In Beiroet heb ik bij een agentschap van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) gevraagd of ik mee kon als ‘matroos onder de gage’. Dat kon en ik moest de hondenwacht doen. De hondenwacht betekende aan het roer staan van twee tot zes uur ‘s nachts. Het schip ging naar allerlei Middellandse zeehavens en deed bijna een maand over de reis naar Rotterdam. Na een week werd ik ziek. Toen was het afgelopen met de hondenwacht en moest ik naar de ziekenboeg. Speciaal voor mij hebben ze nog Algiers aangedaan, waar op dat moment al twee jaar een bevrijdingsoorlog tegen de Franse overheersing werd gevoerd. Bij de dokter bleek dat ik geelzucht had.
Wat heeft u na uw reis gedaan?
Daarna heb ik mijn studie afgemaakt. Als ik opnieuw mocht kiezen zou ik Arabisch hebben gekozen met Islam als bijvak. Het Arabisch is een fantastisch mooie taal. Ik zou het goed willen spreken en niet alleen kunnen lezen. De hoogleraar godsdienstwetenschap, bij wie ik afstudeerde, was lid van de Rotary. Toevallig had de nationale rotaryclub in 1960 een beurs te vergeven voor een jaar studie in een ontwikkelingsland waar je dan heen ging als “ambassador of goodwill”. Na een kleine competitie viel de keuze op mij. Het maakte veel indruk dat ik had verklaard, hoewel van origine theoloog, niet als zendeling te willen gaan. Ik wilde naar de Amerikaanse universiteit in Beiroet om beter Arabisch te leren spreken. In Beiroet moest ik elke week een rotary bijeenkomst bezoeken in het King George hotel en met mensen in het Frans converseren, een kleine ramp.
Hoe heeft u het gehad in Beiroet?
In Beiroet kwam ik in contact met studenten uit India, Pakistan, Filipijnen, Ethiopië en uit Arabische landen. Er waren ook veel Palestijnen. De politieke sfeer van die tijd, 1960/1961, was vergelijkbaar met de periode van mijn reis. Het was de tijd van de Algerijnse bevrijdingsoorlog en er waren veel demonstraties. Ik had een leraar Arabisch voor het vak kranten-Arabisch, dan lazen we stukjes uit de krant. Hij was een Palestijn en nodigde mij een keer uit in zijn huis in Beiroet. Daar woonde hij heel bescheiden. Hij liet mij de sleutel en een foto zien van zijn huis in Nazareth dat zij hadden moeten verlaten in 1948. Dat zijn van die vluchtige ontmoetingen die later blijken dieper te zijn gegaan dan je op dat moment realiseert. Toen ik, terug in Nederland, sprak over Palestijnse vluchtelingen, reageerde men daarop met veel onbegrip “Wat nou Palestijnse vluchtelingen? Ze gingen vrijwillig. Hun leiders hebben ze daartoe aangespoord.” Door deze reacties werd ik toch nog een zendeling, maar dan naar het Westen toe. Mijn vader heb ik tenslotte nog kunnen bekeren. Veel later zei hij “Je hebt toch gelijk gehad”.
Wanneer heeft u uw vrouw Nora ontmoet?
In 1959, een halfjaar voordat ik naar Beiroet vertrok, heb ik Nora ontmoet. Eén voorwaarde van de Rotary was dat je niet getrouwd mocht zijn. Dat was wel even afzien. We schreven veel brieven. In die tijd kon je moeilijk bellen. Daarom ben ik kort na afsluiting van het Academisch jaar naar Amsterdam teruggegaan. Ik was haar trouw gebleven. Dat was een goede beslissing en ik ben nog steeds heel gelukkig met Nora. Een paar maanden later zijn we getrouwd. Al snel kregen we een dochter en daarna een zoon.
Wat heeft u met uw studie gedaan? Tenslotte was, zeker in die tijd, een studie van Islam en Arabisch behoorlijk ver van het bed. Ik werd docent bij de vakgroep godsdienstwetenschap van de theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde ik op de oorsprong van het vasten in de Koran. Een buitengewoon interessant, maar moeilijk onderwerp. Er zijn weinig concrete historische gegevens, het werd een ware these. Het gaat om de onderlinge verwantschap tussen de drie religies. Het historisch en vergelijkend onderzoek hierover heeft mij altijd gefascineerd. Ik gaf o.a. het vak ‘inleiding in de islam’, een verplicht vak voor theologiestudenten. Bij het IMNO, Instituut Moderne Nabije Oosten, nam ik les in het gesproken Arabisch. Daar leerde ik Musa Suudi kennen, de vader van Radi Suudi. Die was actief voor wat hij noemde “the cause”, de Palestijnse zaak. Hij kwam oorspronkelijk uit Jeruzalem en via Londen, waar hij bij de BBC had gewerkt, was hij terecht gekomen in Amsterdam. Hij gaf na de Juni- oorlog veel lezingen en dan ging ik soms mee om zijn Engels te vertalen. Dan had ie natuurlijk ook nog Mahmud Rabbani, een Palestijnse student uit Haifa. Die heb ik later leren kennen. Hij is zakenman geworden en honorair consul van Koeweit.
Hoe ontstond de oprichting van het Palestina Komitee?
De oprichting is vooral te danken aan Mahmud Rabbani en Piet Nak. Piet Nak stond in die tijd bekend als de organisator van enkele grote Vietnam-demonstraties. Maar hij was ook de man die in de Tweede Wereldoorlog heel nauw betrokken was bij de Februaristaking. De Israëlische ambassade probeerde hem te winnen voor een demonstratie na de Juni-oorlog. Maar Rabbani was ze voor. Piet Nak was onder de indruk van diens weergave op tv van het lot van de Palestijnen. Hij is eigenlijk omgeslagen. Van Israël had hij een onderscheiding gekregen voor zijn moedige verzet tegen de jodenvervolging. Die onderscheiding stuurde hij terug. Hij was een geweldige aanwinst. Piet Nak was een eenvoudig man die zijn hart op de juiste plaats had al kwam hij vaak niet al te diplomatiek uit de hoek.
Wat was uw functie bij de oprichting?
Ik raakte er bij betrokken via het Midden-Oosten Bulletin waaraan ik had meegewerkt samen met Gerrit Jan Harbers, buitenland secretaris van de PSP. Wij hielden ons bezig met de beginselverklaring van het komitee in oprichting. 0p 14 mei 1969 was de oprichting een feit via een teach-in. Ik meen in de Brakke Grond in Amsterdam, gevolgd door een informatieweek met een tentoonstelling en films. At van Praag van Cineclub-Vrijheidsschool had daarin een groot aandeel. De verklaring die we lanceerden werd ondertekend door 60 personen uit progressieve partijen, vredesorganisaties, studentenbeweging en Midden-Oosten deskundigen. De verklaring gaat eigenlijk maar om één ding: het recht van terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen. Tot 1967 was dat het probleem geweest ,’etnische zuivering’ zeggen we tegenwoordig. Israël was al twee jaar de bezetter maar de bezetting was geen issue. Aan de orde was de oorsprong van het conflict en dat was het recht van terugkeer. Wij baseerden ons op twee punten, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op resolutie 194 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties.
De dag na de oprichting kwamen er grote stukken in de kranten. De ‘bekering’ van Piet Nak stond erin centraal. Van de kant van het Joodse Kerkgenootschap en de Zionistenbond kwam zware kritiek. We werden meteen beschuldigd van antisemitisme.
Bent u al die jaren aan het NPK verbonden gebleven?
Ja, al heel snel veranderde het NPK van karakter. Vooral omdat de PLO een onafhankelijke Organisatie werd. De PLO was opgericht in 1964 door de Arabische Liga. In 1969 maakte het zich daarvan los en werd Yasser Arafat voorzitter. De PLO stond vanaf dat moment voor een seculiere staat met gelijke rechten voor joden, christenen en moslims. Het NPK schaarde zich achter het PLO-standpunt maar niet iedereen kon die stap maken. Met die nieuwe doelstelling moesten mensen zich schriftelijk akkoord verklaren. Het Komitee werd als het ware opnieuw opgericht en ging een andere visie uitdragen. In 1972 begonnen we met de Nieuwsbrief Palestina Komitee, dat is nu de Soemoed geworden. De Nieuwsbrief was anti-imperialistisch, het ging over Palestina en over de reactionaire politiek van de Arabische staten. We kregen dankzij de gemeente een kantoor op de zolder van de Lauriergracht. In de hoogtij-dagen hadden we twee vaste krachten. Eén volledig en twee halve krachten. Ik ben jarenlang penningmeester geweest en ik heb bijna altijd in de redactie van het blad gezeten.
Na mijn pensioen ben ik opnieuw in het bestuur van het NPK gekomen. Tijdens de eerste Intifada was er weer een opleving van het Komitee, Maar de Oslo-akkoorden hebben het Komitee geen goed gedaan. Er haakten mensen af. Men dacht dat er vrede zou komen en ik dacht dat aanvankelijk zelf ook. Tijdens de tweede Intifada werd de sfeer heftiger. Palestijnen beschikten nu over wapens. Het NPK heeft toen twee demonstratie georganiseerd, eind 2000 en een hele grote in april 2002. We zijn ook begonnen met boycotflyer-acties voor de Albert Heijn, eerst in Rotterdam en vanaf december 2001 in Amsterdam. Het ging om een boycot van alle Israëlische producten. Het was geen absolute boycot, doch zolang Israël de resoluties van de VN negeert. Op sandwichborden stonden de namen van producten als Jaffa, Tivall, Carmel en de leus “Leven, land, toekomst voor de Palestijnen”. Voor de meeste van de 50 Albert Heijnwinkels in Amsterdam hebben we gestaan, ook voor enkele Natuurwinkels zoals die op de Elandsgracht. De eigenaar daarvan kwam altijd boos zijn winkel uitgerend dat we moesten ophoepelen. We hebben het zo’n 70 keer volgehouden tot november 2005.
Hoe waren de reacties?
Heel verschillend, vooral oudere mensen deden alsof ze je niet zagen en zeiden dan half in het voorbijgaan “antisemieten”. Anderen zeiden: “Bent u wel eens in Israël geweest?”of “Waar twee kijven hebben twee schuld”en “Palestijnen zijn ook geen lieverdjes”.
Het is opvallend hoe snel de meningen veranderd zijn in de loop van de laatste jaren. Steeds vaker hoorde je “Wat goed dat jullie dit doen.” of “Ik koop al jaren geen Israëlische producten.” Enkele reacties van joodse kant wil ik speciaal noemen. Ik herinner mij dat iemand zei: “Als u niet ogenblikkelijk ophoudt dan word ik vreselijk boos op u. Mijn naam is Cohen.” “Nou en?” hadden we kunnen antwoorden, maar we zwegen. Een vrouw uit de Watergraafsmeer zei: “Hoe durven jullie? Mijn hele familie is in de oorlog uitgemoord.” Dan weetje niet watje moet zeggen. Achteraf weet je het wel. Ik had moeten zeggen: “Wat hebben de Palestijnen daar mee te maken?” Je wordt altijd gefrustreerd met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet afgelopen. Het is pas echt afgelopen als de Palestijnse kwestie in billijkheid geregeld wordt. Rechtvaardigheid kan al bijna niet meer geëist worden. Er zijn nu ook rechten aan de andere kant ontstaan.
De laatste tijd merk ik pas dat mensen het een goede actie vonden. Maar het was niet vol te houden elke twee weken. De organisatie was zwaar. Pamfletten moesten steeds vernieuwd worden en ik vroeg mij afofhet wel zoden aan de dijk zette. Maar na de Tweede Intifada moesten we gewoon iets doen. Nu is het op een veel breder vlak opgepakt. Vooral in Engeland zijn o.a. vakbonden en kerken bezig met boycotacties, desinvesteren en sancties. Het Komitee is daar ook druk mee bezig. De bedoeling is dat we via het publiek bewustwording creëren. We willen het koopgedrag van het publiek beïnvloeden en daarmee een signaal afgeven aan Israël dat die zijn politiek moet wijzigen en VN resolutie 242 (beëindiging van de bezetting van 1967), VN resolutie over de muur en de VN resolutie 194 over de Palestijnse vluchtelingen moet uitvoeren. De Palestijnse vluchtelingen hebben het recht op terugkeer naar hun huizen en akkers. Voor mij is het dan pas voorbij. Maar er moet nog heel veel water door de Jordaan vloeien voordat het zo ver is.
Thuis, op straat en zeker ook in de betrekkingen tussen landen doen woorden ertoe. Als president Poetin het heeft over zijn speciale militaire operatie in Oekraïne is onze reactie in Nederland meestal een meewarige glimlach. We weten wel beter. Sinds februari vorig jaar is immers een grootschalige Russische aanval gaande op Oekraïne.
Hoezo speciale militaire operatie? Als dit geen oorlog is wat is dan een oorlog? Als dit geen agressie is wat dan wel? Het is een schokkende schending van het internationaal recht, van de soevereiniteit van een buurland en van het zelfbeschikkingsrecht van het Oekraïense volk.
Aleksander Dugin, die wel wordt beschouwd als Poetins’ “huisfilosoof”, zegt dat de Russische waarheid niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als de Europese waarheid. Absolute waarheid bestaat volgens hem niet en dat valt moeilijk te weerleggen. Maar de notie dat je, al naar het jou uitkomt, van mening kunt verschillen over de betekenis van universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en soevereiniteit is angstaanjagend.
Toch gebeurt het. De Russische staatspropaganda heeft het over de dekolonisering van Oekraïne, over een strijd tegen de Westerse neoliberale hegemonie en een noodzakelijke stap om een einde te maken aan de unipolaire wereld, waar alleen de Verenigde Staten en bondgenoten het voor het zeggen hebben. Zelfs het bestaan van een Oekraïens volk met een eigen taal en cultuur wordt ontkend. Russische journalisten die het militaire geweld in Oekraïne toch een oorlog durven noemen lopen ze het gevaar hun baan te verliezen of -erger nog- de gevangenis in te draaien. Het droeve officiële Russische refrein is dat in Oekraïne nazi’s aan de macht zijn en dat het land ‘bevrijd’ moet worden.
Sympathisanten van de Palestijnse zaak in Nederland hebben er het afgelopen jaar veelvuldig op gewezen hoe verschillend er wordt gereageerd op de Russische agressie in Oekraïne en de Israëlische bezetting van Palestina. Oekraïne wordt grootscheeps gesteund door de Verenigde Staten en de Europese Unie, waaronder Nederland. Zonder de westerse wapensteun zou het grootste deel van Oekraïne ongetwijfeld al door Rusland zijn bezet.
Er zijn talrijke sancties afgekondigd tegen Rusland. Waarom geen sancties tegen Israël dat al decennia zich geen zier aantrekt van VN-resoluties en onverdroten doorgaat bezet Palestijns gebied te koloniseren?
De president van Oekraïne, Volodomyr Zelinkski, toonde zich -tot verbijstering van veel Palestijnen- bij verschillende gelegenheden een vriend van Israël. “We zijn verschillende landen en de omstandigheden verschillen totaal,” zei de president in een toespraak tot de Knesset in maart. “Maar de dreiging is dezelfde, voor jullie en voor ons: de totale vernietiging van ons volk, onze staat en cultuur.”
De Palestijnse schrijver en politicoloog Asad Ghanem schreef naar aanleiding van deze toespraak een open brief aan Zelinski. “Uw recente toespraak voor Knesset was een schande wat betreft de globale strijd voor vrijheid en bevrijding. U draait de rollen om van bezetter en bezette. U mist een gelegenheid om de rechtvaardigheid van uw zaak te laten zien.”
Dat de Oekraïense zaak een rechtvaardige is daaraan twijfelt Ghanem geen moment. Net als de meeste Palestijnen heeft hij absoluut geen sympathie voor de Russische agressie. “Ik ben kwaad en bedroefd dat Rusland probeert uw land te bezetten en de rechten van het Oekraïense volk op zelfbeschikking en vrijheid te vertrappen,” schrijft hij in zijn brief aan Zelinski. “Ik geloof dat Oekraïne al onze steun nodig heeft om zich te verzetten tegen deze barbaarse agressie.”
Ook filosoof Slavoj Žižek noemt Zelinskis’s vergelijking van de Oekraïne en Israël ‘totaal misplaatst’. Hij vindt dat de situatie van Oekraïners veel meer lijkt op die van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Israël ziet de Palestijnen niet als een natie die recht hebben op een eigen staat, net zoals Rusland ontkent dat Oekraïne het recht heeft zich een aparte natie te noemen. Rusland is, net als Israël, een nucleaire grootmacht, die de facto een kleiner, zwakkere land probeert te koloniseren. De Sloveen Žižek wijst er verder op dat Rusland in de bezette delen van Oekraïne een apartheidsbeleid voert, net als Israël ten aanzien van de Palestijnen.
Het is ironisch dat Israël tot dusver een dubbelzinnige positie inneemt ten aanzien van Oekraïne. Zo weigert Israël luchtafweergeschut en ander technologisch hoogontwikkeld wapentuig aan Oekraïne te leveren en doet het niet mee aan de sancties tegen Rusland. Zelfs nu Oekraïne praktisch dagelijks het slachtoffer is van aanvallen met in Iran vervaardigde drones, lijkt Israël zich op de vlakte te houden.
Israël wil Moskou niet tegen zich in het harnas jagen omdat het met de Russen samenwerkt in het Midden-Oosten. Israëlische en Russische gevechtsvliegtuigen zijn actief in hetzelfde Syrische luchtruim en coördineren hun operaties dagelijks. Israëls vroegere en toekomstige premier Benjamin Netanyahu gaat er prat op een goede persoonlijke band te hebben met Poetin. “Het is geen liefdesrelatie,” zegt hij er zelf over, het is een relatie in het belang van de ‘veiligheid van Israël’. Het valt niet te verwachten dat Netanyahu in de complexe driehoeksverhouding met Rusland en Oekraïne in de toekomst de balans zal laten doorslaan ten gunste van Oekraïne.
Žižek verdenkt de Oekraïense leiders ervan een ideologisch belang te hebben hun strijd voor te stellen als de verdediging van Europa en Europese waarden tegen een ‘barbaars en totalitair oosten’. Het is dezelfde ideologie die, bewust of onbewust, veel Nederlanders doet sympathiseren met de Oekraïense vrijheidsstrijd, terwijl ze onverschillig blijven voor het lot van de Palestijnen.
Woorden doen ertoe. Principes doen ertoe. Een ‘Europese waarheid’ bestaat niet, net zomin als een Russische of Israëlische waarheid. Universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en zelfbeschikking zijn nu eenmaal ondeelbaar.
Voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, 17 december 2022
Dit is alweer de vijftigste aflevering van onze Jabalya Nieuwsbrief. Er zijn van die mijlpalen waarvan je niet weet wat je er mee moet. Echte vreugde voel ik eerlijk gezegd niet. Wel verdriet, omdat de geschiedenis van Gaza er een is van geweld, onderdrukking en onrecht. We moeten dat verhaal -en welke impact dat heeft op de jongeren in Gaza- blijven vertellen. Maar het is niet altijd gemakkelijk weer een hoofdstuk toe te voegen aan een op het oog never ending story, waarbij een goede afloop niet in zicht komt.
Toch ben ik eigenlijk wel trots. Niet alleen op die vijftig Nieuwsbrieven maar ook op de andere activiteiten van Groningen-Jabalya. Jaar in jaar uit zijn we aandacht blijven besteden aan onze vrienden in Jabalya. De bevolking in Gaza bestaat voor een groot gedeelte uit nakomelingen van vluchtelingen die hun geboorteland Palestina in 1948 moesten verlaten. De dorpen en steden waar ze vandaan kwamen bestaan niet meer of zijn inmiddels onherkenbaar veranderd. De stichting van de staat Israël ging met veel geweld gepaard: geweld dat voor de inwoners van Gaza nooit is opgehouden.
In onze vijftig Nieuwsbrieven en bij onze andere activiteiten zijn wij er altijd aan blijven herinneren dat het verhaal van Gaza eigenlijk het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen is. De Gazanen organiseerden in 2018-’19 de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ om de wereld eraan te herinneren dat het probleem van de Palestijnse vluchtelingen sinds 1948 onopgelost blijft. Het ‘recht op terugkeer’ is niet alleen verankerd in het internationaal recht maar, in het geval van de Palestijnse vluchtelingen, ook nog eens bekrachtigd door VN-resolutie 194.
Tienduizenden Palestijnen trokken naar het grenshek met Israël om te demonstreren voor het recht op terugkeer en opheffing van de blokkade van Gaza, die sinds 2006 van kracht is. De overgrote meerderheid demonstreerde vreedzaam hoewel er ook enkele tientallen jongeren waren die met stenen of Molotovcocktails gooiden. De jongeren zien de Israëlische militairen niet alleen als bezetters van hun land maar ook als gevangenisbewakers. Het van de buitenwereld afgesloten Gaza is immers één grote open lucht gevangenis.
De zwaarbewapende Israëlische soldaten liepen nauwelijks fysiek gevaar door de massa van vreedzame demonstranten of de rellende jongeren. Maar het antwoord was excessief gewelddadig. Er werd gericht geschoten en er vielen, volgens VN-statistieken, 214 doden waarvan 46 kinderen. Meer dan 36.100 mensen raakten gewond, waarvan 8.800 kinderen. Bij meer dan 150 demonstranten, die getroffen werden door Israëlische kogels moest een been worden geamputeerd.
De reactie van Israël op de demonstraties was niet zomaar over de top. Alles wat met het vluchtelingenvraagstuk te maken heeft ligt super gevoelig in Israël. Ook toen Israëli’s en Palestijnen nog rechtstreeks praatten (wat ze sinds 2014 niet meer doen) was de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks of niet bespreekbaar.
Erkenning van het vluchtelingenprobleem raakt de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict. In 1992 verzuchtte de vroegere premier Yitzhak Rabin dat hij graag op een ochtend wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza verzwolgen was door de zee. Veel Israëli’s worden niet graag herinnerd aan de ellendige situatie in Gaza, dat eigenlijk, als het eropaan komt, één groot vluchtelingenkamp is. Maar bij elke oorlog waarbij Israël probeert Hamas uit te schakelen, en we hebben er sinds 2008 vier gehad, komt Gaza terug op de voorpagina’s.
Groningen heeft een informele maar unieke band met Jabalya in het noorden van Gaza. Het gaat vooral om menselijke kontakten, om mee leven met een bevolking in een uiterst moeilijke situatie en om de mensen hier te informeren over de penibele situatie en het onrecht daar. Als we een beetje kunnen helpen, doen we het. Bijvoorbeeld via de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) maar er zijn ook een aantal andere projecten. Voor de details lees deze Nieuwsbrief of bekijk de website.
Waarom we al deze jaren solidair zijn gebleven met Jabalya en de Groningers zijn blijven informeren en soms ook mobiliseren? ‘Hebben jullie niets beters te doen?’, wordt ons soms gevraagd?
Nee, eigenlijk niet.
We geloven in de kracht van kontakten tussen mensen, zelfs al wonen ze duizenden kilometers uit elkaar. De veerkracht van veel mensen in Gaza inspireert ons.
Neem het verhaal van Zainab al Qolaq, een jonge vrouw die onlangs in het nieuws kwam doordat haar kunst internationaal de aandacht trok. Haar schilderijen werden ten toon gesteld in het kantoor van Euro-Med Human Rights Monitor in Gaza.
Zainab verloor 22 van haar familieleden toen Israël in mei 2021 een bombardement uitvoerde op Wehde Straat in het centrum van Gaza Stad. Onder hen waren haar moeder, haar enige zus en twee broers. Zelf lag ze uren onder het puin totdat ze uitgegraven werd door reddingswerkers.
Op sommige van haar schilderijen zijn alleen de kleren van dode familieleden te zien, niet hun lichamen. Het zijn indringende beelden van dood en oorlog, maar voor Zainab was het nodig dit werk te maken om met haar verlies en verdriet te leren leven en haar trauma’s te verwerken.
Als je naar Zainabs beelden kijkt, als je de verhalen hoort van de mensen in Jabalya en elders in Gaza, is het onmogelijk om niets te doen, om je schouders op te halen.
Vandaar dat we doorgaan met Groningen-Jabalya: een dun maar essentieel draadje van solidariteit.
Er stond midden januari zo’n vijftig, zestig centimeter water in veel straten en stegen van Gaza. De harde regen viel in januari dagen achtereen, het dagelijkse leven werd totaal ontwricht. Kinderen waadden tot hun knieen door het water om naar school te gaan. Sommige mensen timmerden een vlot om zich voort te kunnen bewegen.
In de winter zijn de nachten koud in Gaza. Veel huizen die tijdens de Israelische beschietingen en bombardementen van mei werden beschadigd zijn nog niet hersteld. Door de scheuren en kieren in de muren is het onmogelijk het binnen warm te krijgen. Inwoners van Gaza slapen onder een extra paar dekens., kinderen kruipen dicht tegen elkaar aan. Maar als het regent wordt de hele boel kleddernat, vooral in vluchtelingenkampen waar veel woningen zwaar beschadigde zijn.
Het lijkt of de overstromingen in Gaza elk jaar erger worden. De schijn bedriegt niet want de gemeentes hebben meestal geen geld om de wegen te repareren. En zelfs daar waar wel reparaties plaatsvonden is het voor de lokale autoriteiten geen doen om, na de nieuwe vernielingen van mei, opnieuw alles voor de winter in orde te hebben. Na vier rondes van geweld is Gaza zwaargehavend. Volgens cijfers van de Verenigde Naties werden in mei 56.000 woningen beschadigd en 2.100 werden compleet verwoest.
Volgens de Palestijnse autoriteiten en de Wereldbank hebben de bewoners van Gaza 479-miljoen dollar nodig voor het herstel van hun woningen en voor reparatie van de infrastructuur. Van dit bedrag is slechts 100-miljoen dollar inmiddels uitgekeerd. Het gaat hierbij vooral om geld uit Qatar en hulp uit Egypte.
Wateroverlast in Jabalya vluchtelingenkamp
Israelische luchtbombardementen en beschietingen doodden in mei 250 Palestijnen, waaronder 66 kinderen. In Israel vielen, als gevolg van de raketbeschietingen door Hamas, 13 doden waaronder 2 kinderen.
De winterellende in Gaza komt op een moment dat de gezondheidszorg in Gaza, die onder de “normale” omstandigheden van oorlog en beleg al onder enorme druk staat, het nog moeilijker heeft gekregen door corona. Volgens het Palestijnse Ministerie van Gezondheid zijn sinds het begin van de pandemie tot eind januari 1.725 mensen in Gaza gestorven aan de gevolgen van corona. Ongeveer een derde van de volwassen bevolking is volledig gevaccineerd, tegen 60% op de bezette Westoever.
Help ons helpen!
De Stichting Groningen-Jabalya steunt de gezondheidszorg in Gaza via de Palestine Medical Relief Society (PMRS). Draag bij aan de medische zorg in Jabalya (Gaza) en doneer op NL92INGB0006687678 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya onder vermelding van ‘noodhulp PMRS’.
Je zult maar een stedenband hebben met Jabalia in het noorden van Gaza, een gebied dat al sinds begin oktober hermetisch van de buitenwereld is afgesloten en dat systematisch kapot wordt gebombardeerd. Sinds begin oktober werden in het gebied zo’n 1.300 Palestijnen gedood, de meerderheid vrouwen en kinderen. Ongeveer 100.000 mensen zijn de afgelopen weken, volgens cijfers van de Verenigde Naties, door het Israëlische leger verdreven naar het zuidelijke deel van de Gazastrook.
Groningen heeft een stedenband, zij het een informele, met Jabalia. Ooit was dit een van de dichtst bevolkte stedelijke gebieden in Gaza waar Groningen een jongerencentrum liet bouwen en Groningse en Palestijnse ambtenaren over en weer bezoeken aflegden. Nu is het een onleefbare woestenij van ruïnes en skeletten van huizenblokken. Jabalia is oorlogsgebied, toneel van ongelijke confrontaties tussen Israëlische gevechtsvliegtuigen, artillerie en robotdrones en Palestijnse strijders. Om de vijand te verslaan past Israël de tactiek van de verschroeide aarde toe. Het gebied wordt zo onleefbaar mogelijk gemaakt en het hongerwapen wordt zonder gêne ingezet: voedsel en andere hulpgoederen worden niet toegelaten.
Van de ongeveer 400.000 mensen die bij het begin van de oorlog in het gebied woonden zijn er, volgens de VN, nog 95.000 over. De achterblijvers kunnen, durven of willen om verschillende redenen niet weg. De tocht te voet van noord naar zuid Gaza is gevaarlijk. Scherpschutters zijn actief en bij Israëlische controleposten worden burgers soms urenlang ondervraagd of gearresteerd. Maar de grootste angsten is dat, eenmaal vertrokken, de burgers nooit meer terug kunnen keren naar Jabalia.
Die angst is gegrond. Dinsdag gaf generaal Itzik Cohen een briefing aan de Israëlische en internationale pers waarbij hij aangaf dat de ‘complete evacuatie’ van Noord-Gaza nu in zicht is en dat de bewoners niet zal worden toegestaan naar huis terug te keren. Humanitaire hulp wordt, volgens de generaal, alleen aan het zuiden van Gaza geleverd. Niet aan het noorden ‘want daar zijn toch geen burgers meer’.
Het is voor het eerst dat een officiële legerwoordvoerder er openlijk voor uit komt dat het doel van het offensief is om het noorden van Gaza te ontvolken. De angst voor een etnische schoonmaak en definitieve bezetting van delen van of geheel Gaza bestaat al langer. Verschillende ministers in de Israëlische regering pleitten voor het stichten van joodse nederzettingen in het gebied. De invloedrijke minister van Financiën Bezalel Smotrich is een van de meest uitgesproken pleitbezorgers voor het volledig annexeren van de Gazastrook, het ‘evacueren’ van de Palestijnse bevolking en het stichten van nederzettingen in het gebied. Zonder Israëlische militairen en burgers in Gaza zou, volgens Smotrich, de oorlog voor niets zijn geweest. Door de Israëlische soevereiniteit over Gaza uit te roepen zou het signaal worden afgegeven dat de tweestatenoplossing definitief van de baan is. Palestijnen die toch nog vasthouden aan het ideaal van een eigen staat moeten, volgens de hardliners in de regeringscoalitie, definitief hun koffers pakken.
Volgens het internationaal humanitair recht zijn de gedwongen evacuatie en uithongering van de burgerbevolking oorlogsmisdaden. Mensenrechtenorganisaties in Israël verwijten het Israëlische leger delen van het zogenaamde ‘Plan van de Generaals’ uit te voeren. Dit plan komt er in het kort op neer dat de bevolking in Noord-Gaza gedwongen wordt te vertrekken. Zij die weigeren hun biezen te pakken worden automatisch aangemerkt als terroristen en het is dan dus legitiem om hen te ‘elimineren’.
Israëlische legerwoordvoerders hebben ontkend het ‘Plan van de Generaals’ uit te voeren en verdedigen hun strategie met het argument dat evacuatie van de bevolking noodzakelijk is om de terugkeer van Hamas te voorkomen.
De VN-organisatie voor kinderen UNICEF maakte bekend dat vorige week binnen het tijdsbestek van 48 uur in Jabalia vijftig kinderen bij luchtbombardementen waren gedood. Het is een kil maar veelzeggend cijfer in de stortvloed aan macabere statistieken die sinds meer dan een jaar uit Jabalia komen. Is dat nietsontziende geweld van het Israëlische leger echt nodig om Hamas te verslaan, of is er iets anders aan de hand?
Het dagblad Haaretz publiceerde onlangs een hoofdredactioneel commentaar met de veelzeggende titel: ‘Als het eruitziet als etnische schoonmaak, is het dat waarschijnlijk ook’. De dood van zoveel onschuldige bejaarden, kinderen, vrouwen en andere burgers, het ontmantelen van de ziekenhuizen en andere noodzakelijke infrastructuur om te overleven en het definitief verjagen van de bewoners, doet toch wel sterk aan etnische schoonmaak denken. De liberale krant, die maar door weinig Israëli’s wordt gelezen, noemt het schokkend dat extremistische leden van Netanyahu’s kabinet voorstander zijn van de morele en juridische misdaad van etnische zuivering.
Op sociale media en in het publieke debat in Israël pleitten sinds het begin van de oorlog talrijke extreme stemmen voor het ‘platgooien van Gaza’ en een ‘tweede Nakba’; de verdrijving in 1948 van honderdduizenden Palestijnen uit hun land. Het lijkt erop dat in het noorden van Gaza, inclusief in de Groninger zustergemeente Jabalya, dit zwartst denkbare scenario zich daadwerkelijk afspeelt.
Het is inmiddels alweer anderhalve maand geleden dat ik de laatste update publiceerde over de familie van Mohammed Abu Afash. Net als alle 1,9-miljoen ontheemde Palestijnen leven Mohammed, zijn vrouw en drie dochtertjes, nog steeds in een provisorisch tentenkamp. De omstandigheden in het kamp in Mawasi Khan Younis blijven abominabel en gevaarlijk. Het einde van de nachtmerrie is helaas nog niet in zicht. Toch heeft Mohammed, met wie ik praktisch dagelijks contact heb via Whatsapp, de moed nog niet verloren dat hij uiteindelijk zal kunnen vertrekken naar Egypte. Sinds begin mei is de grens tussen Egypte en Gaza door Israel gesloten, maar Mohammed blijft hopen dat er ooit een staakt-het-vuren komt en het mogelijk zal zijn het tentenkamp te verlaten.
Hoe is het leven in het kamp? Een groot deel van de dag wordt besteed aan overleven: het ophalen van water, het zoeken naar eten op de markt, het opladen van de mobiele telefoon enzovoorts. Maar er is soms ook tijd voor plezier. Zo nam Mohammed zijn dochters onlangs mee op een klein uitje met een ezelwagen. Even de zinnen verzetten en even niet aan de oorlog en het geweld denken. We communiceren ook veel over geld. Mohammed, zijn familie en directe omgeving leven van het door ons ingezamelde geld en ik maak geregeld bedragen over. Maar soms duurt het lang voordat een transactie aankomt. Of soms wordt een transactie om onduidelijke reden teruggestort en moet ik het opnieuw proberen. Mijn communicatie met Mohammed gaat ook over de gebeurtenissen in Gaza, over gemeenschappelijke vrienden en Mohammed mag graag herinneringen ophalen over hoe het leven vroeger was, over zijn winkel, vrienden en familieleden. Onlangs vroeg ik of hij ook een boodschap had aan alle donoren die tot dusver deze crowdfunding hebben gesteund.
Dit is zijn boodschap: Dear donors, I thank you all, you have supported me since the beginning of the campaign, and you are still donating for me, my wife and my daughters, I am now still stuck in the places of displacement (Mawasi Khan Yunis) and I am moving from one place to another. I haven’t traveled yet because of the Rafah crossing, as Mr. Jan told you, and he tells you everything that happens to me all the time! I still need you, and I ask you to keep donating to me, my wife and my three daughters, the money Mr. Jan sends me, is the money I spend on my family, and I need more, don’t skimp on me and don’t leave me, please!
Eiaa, Aliaa en Layan staan tin de rij voor de poliovaccinatie
It has been a month and a half since I last published an update on the family of Mohammed Abu Afash. Like all 1.9 million displaced Palestinians, Mohammed, his wife and three daughters are still living in a makeshift tent camp. The conditions in the camp in Mawasi Khan Younis remain abominable and dangerous. Unfortunately, the end of the nightmare is not yet in sight. However, Mohammed, with whom I have practically daily contact via WhatsApp, has not lost hope that he will eventually be able to leave for Egypt. The border between Egypt and Gaza has been closed by Israel since the beginning of May, but Mohammed continues to hope that there will one day be a ceasefire and it will be possible to leave the tent camp.
What is life like in the camp? A large part of the day is spent surviving: fetching water, looking for food at the market, charging the mobile phone and so on. But sometimes there is also time for fun. For example, Mohammed recently took his daughters on a little outing with a donkey cart. Just to clear my head and not think about the war and violence for a while. We also communicate a lot about money. Mohammed, his family and immediate environment live off the money we have collected, and I regularly transfer amounts. But sometimes it takes a long time for a transaction to arrive. Or sometimes a transaction is refunded for no apparent reason and I have to try again. My communication with Mohammed is also about the events in Gaza, about mutual friends and Mohammed likes to reminisce about how life used to be, about his shop, friends and family members. I recently asked him if he also had a message for all the donors who have supported this crowdfunding so far.
This is his message: Dear donors, I thank you all, you have supported me since the beginning of the campaign, and you are still donating for me, my wife and my daughters, I am now still stuck in the places of displacement (Mawasi Khan Yunis) and I am moving from one place to another. I haven’t traveled yet because of the Rafah crossing, as Mr. Jan told you, and he tells you everything that happens to me all the time! I still need you, and I ask you to keep donating to me, my wife and my three daughters, the money Mr. Jan sends me, is the money I spend on my family, and I need more, don’t skimp on me and don’t leave me, please!
Israëls oorlog is niet met jullie, maar met Hezbollah”, beweerde premier Benjamin Netanyahu in een korte videoboodschap gericht aan het Libanese volk. Hij sprak ruim een week geleden, aan de vooravond van het grootste Israëlische offensief in Libanon in decennia. Op Netanyahu’s boodschap werd in het land met een ongelovig schouderophalen gereageerd. Net als op de aankondiging dat Israëls grondoffensief zou bestaan uit ‘beperkte en gerichte acties’. Inmiddels zijn een miljoen Libanezen op de vlucht geslagen en worden honderden burgerdoden gemeld.
In 1982 kondigde de toenmalige Israëlische minister van Defensie Ariel Sharon een ‘beperkte actie’ in Zuid-Libanon aan, om de burgerbevolking in Noord-Israël te vrijwaren van terroristische, Palestijnse aanvallen. De militaire operatie zou niet langer dan 72 uur duren. In werkelijkheid trok het Israëlische leger op naar Beiroet, gevolgd door een maandenlange oorlog. De Israëlische bezetting van Zuid-Libanon eindigde pas in 2000, achttien jaar later.
Geschiedenis herhaalt zichzelf nooit maar er klinken wel akelig overweldigende echo’s.
Libanon en Israël, beide jonge staten die respectievelijk in 1943 en 1948 onafhankelijk werden, slaagden er nooit in goede buren te worden. Goed nabuurschap hoeft niet te steunen op liefde of vriendschap, maar wederzijds respect en begrip is wel nodig. In de geschiedenis van het Libanees-Israëlische nabuurschap stapelden misverstanden zich op.
Al voor de stichting van de staat Israël dachten zionistische leiders dat Libanon, waarin christenen de meerderheid vormden, een natuurlijke bondgenoot zou kunnen worden. Veel maronieten (oosterse katholieken) zagen zichzelf niet als Arabieren maar als afstammelingen van de Feniciërs. Joden en maronieten waren natuurlijke bondgenoten, bedreigde minderheden in een regio gedomineerd door Arabieren en moslims.
Israëlisch-maronitische alliantie
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw vonden discussies plaats tussen leiders van het Joods Agentschap en maronitische politici over de toekomst van Zuid-Libanon. De latere Israëlische president Ben Goerion toonde zich in 1937 voorstander van de incorporatie van het gebied in de toekomstige Israëlische staat. Hij zag het als onderdeel van Galilea, waar Israël om bijbelse redenen recht op zou hebben. Veel christelijke Libanese leiders steunden de zionistische claim, want ze waren het zuiden liever kwijt dan rijk: het zou de vorming van een kleine christelijke Libanese staat mogelijk maken, zonder de ballast van een grote sjiitische bevolkingsgroep.
Het idee van een Israëlisch-maronitische alliantie bleef leven tot in de jaren tachtig. Tijdens de Libanese burgeroorlog leverde Israël politieke en militaire steun aan de maronitische Falangistische Partij. In de grensstrook werd in 1978 een bufferzone gecreëerd, waar de christelijke majoor Haddad en zijn manschappen, betaald en uitgerust door Israël, de scepter zwaaiden.
Als correspondent in Beiroet in de jaren tachtig herinner ik me de theatrale handreiking van de toenmalige Israëlische premier Menahem Begin aan de Libanese president Élias Sarkis om vrede te sluiten. Begin nodige Sarkis uit om, net als de Egyptische president Sadat eerder had gedaan, naar Jeruzalem te komen. Begin was eventueel ook bereid naar Beiroet te komen om met Sarkis een vredesverdrag te sluiten. Er waren immers geen problemen tussen Israël en Libanon? Israël had last van de Palestijnse strijdgroepen en van het Syrische leger, niet van de Libanezen.
Grootscheepse invasie
Begins retoriek klonk destijds net zo hol als die van Netanyahu nu. Natuurlijk waren er wél problemen voor de Libanese burgerbevolking. Met name in het zuiden van het land, hoofdzakelijk bewoond door sjiitische moslims, waren burgers het slachtoffer van militaire invallen. Vanaf de Israëlisch-Arabische oorlog in juni 1967, waar Libanon niet formeel bij betrokken was, hadden Palestijnse guerrillastrijders, Israëlische militairen en hun handlangers Zuid-Libanon tot hun strijdtoneel gemaakt. Ten koste van de plaatselijke bevolking.
In 1982 voerde Israël een grootscheepse invasie uit in Libanon. Het Israëlische leger trok op naar Beiroet waar, na een maandenlang beleg, het uiteindelijk erin slaagde de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) te verdrijven. De operatie onder de nu cynisch klinkende naam ‘Vrede voor Galilea’ had mede tot gevolg dat Israëls Libanese bondgenoot, de falangistische militieleider Bashir Gemayel, werd gekozen tot president. Bashir werd echter vermoord voordat hij met zijn presidentschap kon beginnen.
Ook zijn broer en opvolger Amin Gemayel wilde vrede met Israël sluiten. In mei 1983 werd een verdrag gesloten dat voorzag in militaire samenwerking tussen beide landen, gefaseerde terugtrekking van Israëlische troepen en een Libanese grensstrook die onder controle van Israël zou blijven. Het akkoord stuitte op fel verzet van de verschillende confessionele groepen in Libanon en van de Arabische buurlanden. Het bleef een dode letter.
Israël heeft nog steeds geen vrienden in Libanon, ook niet bij de talrijke vijanden van Hezbollah
Het is vanaf dat moment dat Israël geen politieke vrienden meer heeft in Libanon. De Libanese christenen bleken, vanuit Israëls optiek, onbetrouwbaar en geen vrede te kunnen leveren. Israël had met zijn rücksichtslose bezetting de andere Libanese gemeenschappen, met name de sjiitische moslims, volledig tegen zich in het harnas gejaagd.
Wreed déjà vu
De Nederlandse arabist en diplomaat Ferdinand Smit (1959-2000), ooit tolk bij Unifil, de VN-vredesmacht die al decennia in Zuid-Libanon gestationeerd is, beschrijft in zijn boek The Battle for South Lebanon gedetailleerd hoe de Libanese sjiieten tussen 1982 en 1985 radicaliseerden. De in de Bekaa-vallei gelegerde Iraanse Revolutionaire Gardisten speelden in die periode een rol. Maar de reactie op de Israëlische invasie en bezetting van Zuid-Libanon gaf de doorslag bij de formatie van Hezbollah. 80 procent van de dorpen in het zuiden werd zwaar beschadigd, er vielen 19.000 doden en de economie werd verwoest. De bevolking trok massaal uit het gebied weg en kwam terecht in Dahiyeh, de zuidelijke wijken van Beiroet, een gordel van ellende en een rijke voedingsbodem voor het radicaal-islamistische gedachtengoed van Hezbollah.
In de periode na de Israëlische invasie van 1982 versloeg ik intensief de Israëlische bezetting en het lokale verzet in Zuid-Libanon. Sommige sjiitische dorpshoofden en notabelen die eerder nog kritisch waren over de aanwezigheid van Palestijnse strijders in hun gebied en bereid waren met Israël samen te werken, hadden geen goed woord meer over voor de Israëlische bezetter. Israël had al zijn potentiële bondgenoten in Libanon verloren.
Fast forward naar 2024. Israël heeft nog steeds geen vrienden in Libanon, ook niet bij de talrijke vijanden van Hezbollah. De dood van Hezbollah-leider Hassan Nasrallah heeft niet tot euforie geleid bij de andere Libanese politieke en confessionele spelers. Er is eerder sprake van een enigszins angstige, afwachtende houding over wat een verzwakt Hezbollah en een nieuwe Israëlische inval betekenen voor de fragiele interne Libanese verhoudingen. Kan de Libanese staat zich eindelijk doen gelden, of beleven we de opmaat naar een nieuwe ronde van de burgeroorlog?
Het Hezbollah van de jaren tachtig ontwikkelde zich in de decennia daarna tot een gemilitariseerde staat in een staat, een machtige geopolitieke factor in Libanon en de regio. De faam van Hezbollah als gewapende macht die een eind maakte aan de Israëlische bezetting in 2000 is allang weggeëbd. De populariteit van Nasrallah piekte nog even in 2006, toen Israël en Hezbollah hun voorlaatste oorlog uitvochten, maar verbleekte sindsdien. Veel Libanezen vonden overigens dat Hezbollah in 2006 hen ongevraagd had meegesleurd in een militair avontuur.
In sommige opzichten ging Hezbollah een beetje op aartsvijand Israël lijken: de onderdrukte als reproductie van de onderdrukker. Voor Hezbollah draaide alles om machtspolitiek en militarisering. De organisatie ondersteunde met militaire middelen het dictatoriale Assad-regime in de Syrische burgeroorlog. In Libanon frustreerde Hezbollah jarenlang pogingen om democratische, non-sektarische hervormingen door te voeren.
De vraag is of goed nabuurschap, dat de veiligheid van Israëlische en Libanese burgers garandeert, met geweld kan worden afgedwongen. Het wrede déjà vu van eerdere Israëlische invallen stemt niet optimistisch.
Dit artikel verscheen in de NRC van 4 oktober 2024
Door de buitensporige militaire actie van Israel in Libanon zou je haast vergeten dat de genocidale aanval in Gaza doorgaat. Nu al haast een jaar. Er gaat geen dag voorbij zonder dat er burgerslachtoffers vallen. Over een staakt-het-vuren wordt al niet meer gesproken. Voor de 1,9-miljoen ontheemde Palestijnen wordt het leven in de tentenkampen met de dag grimmiger en vooral meer uitzichtloos. Ook in Gaza is de herfst aangebroken en zware regens veroorzaakten nog meer ellende. De vaak aan elkaar genaaide meelzakken, lappen plastic en oude dekens zijn niet bestand tegen de zware herfstregens. Mohammed Abu Afash had uit voorzorg een geultje gegraven rond zijn tent en alle touwen nog eens stevig vastgebonden. Dit voorkwam deze week niet dat de tent vol water liep en de matrassen en kleren nat werden. De tenten zijn niet bestand tegen de regenbuien. “Wat er met ons gebeurt doe je zelfs een beest niet aan,’ schreef Mohammed mij. Hij en zijn vrienden zijn doodmoe en voelen zich hulpeloos. Zonder huis, werk, geld en perspectief.
Ik houd jullie nu al acht maanden op de hoogte van het wel en wee van de familie Abu Afash, die ik blijf steunen. Als je mee wilt helpen: graag! Mohammed op zijn beurt deelt het beetje geld -als hij er over kan beschikken- en eten met zijn buren, vrienden en bekenden in het kamp.
Israel’s excessive military action in Lebanon makes you forget that the genocidal attack in Gaza continues. For almost a year now. Not a day goes by without civilian casualties. There is no more talk of a ceasefire. For the 1.9 million displaced Palestinians, life in the tent camps is becoming grimmer and more hopeless by the day. Autumn has arrived in Gaza and heavy rains have caused even more misery. The often sewn-together flour sacks, sheets of plastic and old blankets are no match for the heavy autumn rains. Mohammed Abu Afash had dug a small trench around his tent as a precaution and tied all the ropes firmly. This did not prevent the tent from filling up with water this week and the mattresses and clothes from getting wet. The tents are no match for the rain showers. “What is happening to us, you wouldn’t even do to an animal,” Mohammed wrote to me. He and his friends are exhausted and feel helpless. Without a home, work, money and perspective. I have been keeping you informed for eight months now about what happens to my friends in Khan Younis, whom I continue to support. If you want to share supporting them: please do! Mohammed in turn shares the little money (if he has it) and food with his neighbours, friends and acquaintances.
Het was een dramatische week. Ondanks de onderhandelingen in Doha is het einde van de oorlog voor de inwoners van Gaza nog niet in zicht. Inmiddels zijn er sinds het begin van de oorlog meer dan 40.000 Palestijnse doden geteld, waarvan 70% vrouwen en kinderen. Gelukkig is de familie van Mohammed Abu Afash nog niet getroffen, maar we houden ons hart vast. Na al vele malen te hebben moeten vluchten kregen ze vrijdag opnieuw te horen te moeten evacueren. Vliegtuigen wierpen pamfletten uit boven Mawasi met de mededeling dat het gebied niet langer veilig is. ‘Ik weet niet waar mijn gezin en ik naar toe moeten,’ liet Mohammed mij via Whatsapp wanhopig weten. ‘Je moest eens weten hoe moe ik ben, hoe vreselijk moe.’
Een paar dagen eerder had de Israëlische luchtmacht ook al pamfletten afgeworpen. Aan die pamfletten zaten sigaretten vast met de tekst (vrij vertaald): wat heb je liever, een rokertje of jullie leiders? Naast de bombardementen en beschietingen vindt er dus ook de nodige psychologische oorlogsvoering plaats.
Pamfletten uitgeworpen door Israëlische vliegtuigen
In mijn praktisch dagelijkse Whatsapp contact met Mohammed gaat het veel over zijn drie dochters. ‘Het gaat goed met ze,’ liet hij me weten, ‘ik doe m’n uiterste best dat ze niet ziek worden’. ‘My daughters are my life, and despite the lack of capabilities, I try as much as I can. Pollution, garbage and diseases are spreading like crazy…’ Trots stuurde hij me een paar foto’s van het leven in de tent, met popcorn etende en spelende kinderen.
Vandaag denk ik aan Layan (4), Eliaa (8) en Aliaa (10). Hoe zouden zij de massale evacuatie beleven? Midden in al het geweld, bepakt en bezakt op weg naar weer een onbekende bestemming? De ‘humanitaire zones’, die een minimum maar geen garantie aan veiligheid bieden, worden met de week kleiner en beslaan nu nog maar 14% van het oppervlak van Gaza. De Israëlische evacuatiebevelen van deze week treffen 450.000 mensen in verschillende delen van Gaza. Het is onmenselijk en hoog, hoog tijd dat er een einde komt aan de oorlog.
Meer dan 500 gulle gevers hebben onze fundraising voor Mohammed en zijn familie gesteund. Ontzettend bedankt daarvoor en voor het meeleven. Het geld was onder andere bedoeld voor een evacuatie naar Egypte, die helaas niet heeft kunnen plaatsvinden omdat Israël de grens bij Rafah afsloot. Maar het binnengekomen geld en eventuele nieuwe giften worden goed besteed, voornamelijk voor het kopen van voedsel en medicijnen en voor vervoerskosten bij weer een nieuwe evacuatie. Niet alleen voor het gezin van Mohammed Abu Afash maar ook voor zijn buren en familieleden.
It has been a dramatic week. The end of the war is not yet in sight for the inhabitants of Gaza, inspite the negotiations in Doha. Since the beginning of the war, more than 40,000 Palestinians have been killed, 70% of whom are women and children. Fortunately, the family of Mohammed Abu Afash has not been affected yet, but we are worried. After having had to flee many times, they were told to evacuate again on Friday. Planes dropped leaflets over Khan Younis / Mawasi with the message that the area is no longer safe. ‘I don’t know where my family and I are going to go,’ Mohammed told me desperately via WhatsApp. ‘You should know how tired I am, how terribly tired.’
A few days earlier, the Israeli air force had also dropped leaflets. Cigarettes were attached to those leaflets with the text (loosely translated): what do you prefer, a smoke or your leaders? In addition to the bombings and shelling, there is also a fair amount of psychological warfare taking place.
In my practically daily WhatsApp contact with Mohammed, he often talks about his three daughters. ‘They are doing well,’ he told me, ‘I am doing my utmost to ensure that they do not get sick.’ ‘My daughters are my life, and despite the lack of capabilities, I try as much as I can. Pollution, garbage and diseases are spreading like crazy…’ He proudly sent me a few photos of life in the tent, with the children eating popcorn and playing.
Today I’m wondering how Layan (4), Eliaa (8) and Aliaa (10) are experiencing the mass evacuation. In the middle of all the violence, packed and ready to go to yet another unknown destination… The ‘humanitarian zones’, which offer a minimum but no guarantee of safety, are getting smaller by the week and now cover only 14% of Gaza’s surface. This week’s Israeli evacuation orders affect 450,000 people in various parts of Gaza. It is inhumane and high, high time that the war comes to an end.
More than 500 generous donors have supported our fundraising for Mohammed and his family. Thank you very much for that and for your sympathy. The money was intended for an evacuation to Egypt, which unfortunately could not take place because Israel closed the border at Rafah. But the money that has come in and any new donations are being put to good use, mainly for buying food and medicine and for transportation costs in the event of yet another evacuation. Not only for the family of Mohammed Abu Afash but also for his neighbors and relatives.
Er is mij een paar dagen geleden iets bijzonders overkomen.
Op de Grote Markt in Groningen was een herdenkingsprotest voor de kinderen van Gaza. 16.000 gedode kinderen werden herdacht met duizenden kinderschoenen. De schoentjes, sandaaltjes en laarsjes waren in lange rijen op het grote plein neergelegd. Vijf uur lang werden namen voorgelezen van kinderen die er niet meer zijn. Er waren een paar korte toespraken waarin werd opgeroepen tot een staakt-het-vuren in Gaza, maar verder waren het vooral de namen van de vermoorde kinderen uit Gaza die over de Grote Markt van Groningen schalden. Het was waardig en indrukwekkend.
Ik was een van de vrijwilligers die gedurende tien minuten namen voorlas. En het toeval wilde dat in mijn lijst de naam van Muhammad Albardaweel was, zoon van Hussein Albardaweel. Ik schrok toen ik de naam van Muhammad zag staan. Eerder had Hussein, die ik ken van het Gaza Center for Media Freedom, mij een foto van zijn in Rafah gedode zoontje opgestuurd.
Mohammad Albardaweel
Hussein, zijn vrouw Maysa en hun kinderen Hala, Mohanad en Jana hebben de afgelopen maanden, zoals zoveel Palestijnen in Gaza, verschillende keren moeten vluchten. Hun laatste verblijfplaats was in Khan Younis, maar ook die moesten ze een paar dagen geleden hals over kop verlaten toen het Israëlische leger daar een grootscheepse aanval inzette. Hun persoonlijke bezittingen zoals matrassen, kleren en eten konden ze niet meenemen op de vlucht. Ze mochten van geluk spreken dat ze nog in leven waren.
Een andere Palestijnse kennis die ook in Khan Younis verblijft stuurde mij een WhatsApp-bericht over de dramatische situatie daar. “Er zijn vannacht aan één stuk door beschietingen van de Israëlische artillerie geweest en bombardementen door de luchtmacht. Er zijn veel doden en gewonden. Het is vreselijk, onverdraaglijk..”
Een donatie aan de GoFundMe-campagne https://gofund.me/535f469b zal mijn vriend Hussein helpen weer wat spullen en eten te kopen voor zijn gezin in deze benarde omstandigheden.
It is important to note that Mohammed does not just buy food for himself. He has started putting together food parcels for the people in his immediate environment. He is helped by family members, who also ensure that the food distribution is fair. For example, they buy a large quantity of vegetables and divide them among different tents.
Veel mensen hebben mij gevraagd: hoe is het nu met Mohammed en zijn familie? Ik moet mij verontschuldigen dat ik meer dan een maand geen updates heb gestuurd. Misschien heeft het te maken met het feit dat er weinig opwekkends te melden valt. Het gezin heeft verschillende keren moeten vluchten sinds ze uit Rafah vertrokken. En in Rafah leefden ze ook al als vluchtelingen in een tent.
Op het ogenblik verblijven ze in een tent in Khan Yunis, 300 meter van het Mawasi kamp. Die tent heeft Mohammed moeten kopen van het met onze actie ingezamelde geld. Het is hun achtste verblijfplaats sinds hun huis verwoest werd in Gaza Stad.
Er is ook goed nieuws: het is sinds kort mogelijk om geld over te maken naar Mohammeds bankrekening in Gaza. Eerder tijdens de oorlog kon dat niet en kreeg ik het overgemaakte geld teruggestort op mijn rekening. Geregeld maak ik nu geld over van de door jullie geschonken donaties. Mohammed koopt daar eten mee: basisvoedsel als rijst en brood, maar ook groenten en soms vlees. Het eten is erg duur vertelt hij mij: een kilo tomaten voor 4 euro, een kilo komkommers 5 euro, een kilo aardappels 6 euro en een kilo uien 6 euro. Een kilo kip kost zo’n 20 euro. Maar er is toch voedselhulp? Nou nee, geen enkele vorm van hulp heeft het gezin van Mohammed tot dusver bereikt. De vluchtelingen in Khan Younis/Mawasi zijn op zichzelf aangewezen. Gelukkig maar dat Mohammed niet rookt want sigaretten zijn peperduur. Voor een enkele sigaret moet je wel 30 euro neertellen.
Het is belangrijk te vermelden dat Mohammed niet alleen eten voor zichzelf koopt. Hij is begonnen voedselpakketten samen te stellen voor de mensen in zijn naaste omgeving. Hij wordt daarbij geholpen door familieleden, die er ook op toezien dat de voedseluitdeling eerlijk verloopt. Ze kopen bijvoorbeeld een grote hoeveelheid groente in en verdelen die over verschillende tenten.
De hoop om Gaza via Rafah te verlaten om naar Egypte te reizen is nog niet geheel vervlogen. Mohammeds zuster in Cairo heeft geïnformeerd of we het geld terug kunnen krijgen dat betaald werd om de reis naar Egypte mogelijk te maken. Dat kan inderdaad. Maar de familie heeft nog geen verzoek tot terugbetaling ingediend. Er wordt nog steeds gehoopt op een staakt-het-vuren en heropening van de grens met Egypte. Misschien is het wel ijdele hoop maar hoop doet leven. In de tussentijd wordt het ingezamelde geld goed besteed aan eten en overleven in het vluchtelingenkamp, niet allen door het gezin van Mohammed maar ook door tientallen mensen om hem heen.
Many people have asked me: how are Mohammed and his family doing now? I have to apologize for not sending any updates in over a month. Perhaps it has to do with the fact that there is little exciting to report. The family has had to flee several times since leaving Rafah where they lived as refugees in a tent. They are currently staying in a tent in Khan Yunis, 300 meters from the Mawasi camp. Mohammed had to buy that tent with the money raised through our campaign. It is their eighth place of refuge since their home was destroyed in Gaza City.
There is also good news: it has recently become possible to transfer money to Mohammed’s bank account in Gaza. Earlier during the war, this was not possible and the money transferred was refunded to my account. I now regularly transfer money from the donations you have made. Mohammed buys food with it: basic food such as rice and bread, but also vegetables and sometimes meat. The food is very expensive, he tells me: a kilo of tomatoes costs 4 euros, a kilo of cucumbers 5 euros, a kilo of potatoes for 6 and a kilo of onions 6 euros. A kilo of chicken costs about 20 euros. But there is food aid, right? Well no, no form of help has reached Mohammed’s family so far. The refugees in Khan Younis/Mawasi are on their own. It’s a good thing Mohammed doesn’t smoke because cigarettes are extremely expensive. You have to pay 30 euros for a single cigarette.
It is important to note that Mohammed does not just buy food for himself. He has started putting together food parcels for the people in his immediate environment. He is helped by family members, who also ensure that the food distribution is fair. For example, they buy a large quantity of vegetables and divide them among different tents.
The hope of leaving Gaza via Rafah to travel to Egypt has not yet completely disappeared. Mohammed’s sister in Cairo has inquired whether we can get a refund of the money paid to make the trip to Egypt possible. That is indeed possible. But the family has not yet submitted a request for reimbursement. There are still hopes for a ceasefire and reopening of the border with Egypt. Perhaps it is a vain hope, but hope gives life. In the meantime, the money raised will be well spent on food and survival in the refugee camp, not only by Mohammed’s family but also by dozens of people around him.