Algerije en Marokko op oorlogspad?

De afgelopen maanden vond in Noord-Afrika een crescendo plaats van beschuldigingen, stappen en maatregelen die er geen twijfel over laten bestaan: Marokko en Algerije liggen op ramkoers. Grote vraag is of de koude oorlog in de Maghreb uitloopt op een gewapend conflict tussen. Beide buurlanden zijn tot de tanden bewapend en zijn, na Egypte, koplopers in Afrika wat betreft de miljarden die ze spenderen aan militaire aankopen. 

In augustus verbrak Algerije zijn diplomatieke betrekkingen met Marokko. Een maand later werd het Algerijnse luchtruim gesloten voor alle Marokkaanse luchtvaart en op 1 november werd de Europa-Maghreb gaspijp afgesloten, die het Algerijnse gas via Marokkaans grondgebied naar Spanje transporteert. 

De stappen werden genomen nadat de Marokkaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties in juli openlijk zijn steun had uitgesproken voor “het recht op zelfbeschikking voor het heldhaftige volk van Kabylië”. Eerder al hadden de Algerijnse autoriteiten Marokko ervan beschuldigd “tweedracht te zaaien onder de Algerijnse bevolking” door de MAK te steunen, de Mouvement pour l’autodétermination de la Kabylië.

Ook ontstond in Algiers grote irritatie nadat in juli een internationaal consortium van onderzoeksjournalisten in de Pegasus Papers onthulde dat de Marokkaanse inlichtingendienst, met behulp van de Israëlische NSO-software, duizenden Algerijnse politici, activisten, journalisten, diplomaten en legerofficieren had afgeluisterd. 

De grootste steen des aanstoots tussen Marokko en Algerije is echter de kwestie van de Westelijke Sahara, een immens woestijngebied ter grootte van het Verenigd Koninkrijk. Marokko controleert, sinds het eind van de jaren zeventig, zo’n 85% van het grondgebied van deze vroegere Spaanse kolonie. De Saharawi bevrijdingsbeweging, het Front Polisario, controleert het resterende gedeelte ten oosten van de Berm, de 2,700 kilometer lange ‘verdedigingsmuur’ die Marokko heeft opgeworpen om de Saharaanse onafhankelijkheidsstrijders buiten de deur te houden. 

Sinds 1991, toen Marokko en het Polisario akkoord gingen met een plan van de Verenigde Naties om een referendum te houden en een staakt-het-vuren van kracht werd, was het conflict min of meer slapende. Maar dat veranderde eind 2020 toen het staakt-het-vuren, dat dus haast dertig jaar had standgehouden, werd verbroken. Het in het VN-plan in het vooruitzicht gestelde referendum waarbij de Saharawi hun recht op zelfbeschikking konden uitoefenen was nooit gehouden en Marokko vestigde in zijn “zuidelijke provincies” steeds meer facts on the ground.

De genadeslag voor een diplomatieke oplossing van het conflict werd in december 2020 toegebracht door de Amerikaanse president Donald Trump. In een tweet kondigde hij aan dat de Verenigde Staten de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara erkende. Als tegenprestatie normaliseerde Marokko zijn diplomatieke betrekkingen met Israël. Trump sleepte ook een enorme wapendeal uit de overeenkomst ter waarde van een miljard dollar. De VS gingen drones en ander hoogwaardig militair materieel aan Marokko leveren. 

De Trump-deal betekende een grote diplomatieke overwinning voor Marokko. Geen enkel land van betekenis had tot dusver de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara erkend. Volgens het internationaal recht moest het gebied immers nog gedekoloniseerd worden en moest de lokale Saharawi bevolking een kans krijgen zelf te beschikken over zijn toekomst. 

Dat bleef, tot grote woede van Rabat, ook de mening van Europese landen en veroorzaakte in 2021 een reeks conflicten met Spanje, Duitsland en de EU. De opstelling van Marokko’s Europese bondgenoten, die naar de kwestie van de Westelijke Sahara bleven kijken door het prisma van het internationaal recht en zich niet aansloten bij de erkenning van de “Marokkaanse Sahara” door Trump, werd in Rabat gezien als een verstiering van het feestje. “Het was als een bruiloft waarbij geen van de vrienden en kennissen kwam opdagen”, zoals een medewerker van de International Crisis Group zei. 

In de Verenigde Staten werd de stap van Trump weliswaar bekritiseerd door zowel een flink aantal Democraten als Republikeinen, maar de erkenning werd niet teruggedraaid. De regering-Biden woog kennelijk de nauwe betrekkingen tussen Marokko en Israël zwaarder dan de letter van het internationaal recht en dan het zelfbeschikkingsrecht van de Saharawi. De Biden-regering wilde haar relaties met zowel Israël als Marokko niet in gevaar te brengen. 

Daar komt bij dat een intrekking van de erkenning van de Sahara als Marokkaans de deur zou kunnen openen naar de annulering van andere dubieuze Trump-beslissingen, zoals zijn erkenning dat de Golan en Oost-Jeruzalem Israëlisch zijn. Ook die Amerikaanse erkenningen druisten in tegen het internationaal recht. 

De door de regering-Trump gesmede formele band tussen Marokko en Israël had een aantal verstrekkende gevolgen, niet in de laatste plaats voor de betrekkingen tussen Marokko en Algerije.

Ten eerste versterkte het de internationale diplomatieke positie van Marokko dat nu kon steunen op de invloedrijke pro-Israël lobby, vooral in de Verenigde Staten. De assertieve, haast agressieve houding ten opzichte van Europa lijkt alles te maken te hebben met het door de Israellobby geschraagde Marokkaanse zelfbewustzijn. 

Ten tweede, en nog belangrijker, lanceerde de Trump-deal Israël als zwaargewicht-speler op het Noord-Afrikaanse schaakbord, zowel in politiek als militair opzicht. Ook de steeds hechtere samenwerking tussen de Israëlische en Marokkaanse inlichtingendiensten wordt door Algerije als bedreigend gezien. De Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Yair Lapid gooide bij zijn eerste officiële bezoek aan Marokko dit jaar, olie op het vuur door felle kritiek te leveren op Algerije. Volgens Lapid schurkt Algerije gevaarlijk dicht aan tegen Israëls aartsvijand Iran. Voor de Algerijnen was de maat vol: het was ongehoord dat een Israëlische minister hen bekritiseerde vanuit nota bene het Arabische buurland Marokko. 

De Israëlische factor heeft het wantrouwen tussen Algerije en Marokko doen toenemen en het wankele evenwicht in de Algerijns-Marokkaanse betrekkingen van de afgelopen decennia verstoord. Die relaties zijn vanaf de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 problematisch geweest.  De buurlanden vochten in 1963 een korte grensoorlog uit. Marokkaanse troepen vielen tijdens “zandoorlog” Algerije binnen en probeerden delen van Algerije’s westelijke provincies Bechar en Tindouf te veroveren. 

Uiteindelijk bleek de poging een deel van het historische groot Marokko met geweld in te nemen een politieke en militaire blunder van jewelste. Arabische landen en Cuba kwamen Algerije te hulp en de Algerijnse bevolking veroordeelde de Marokkaanse agressie. Ook bij Marokko’s traditionele bondgenoten Frankrijk en de Verenigde Staten bestond weinig begrip voor het expansionistische avontuur van de -toen jonge- koning Hassan II.  

Aan dit militaire avontuur van Marokko lag uiteindelijk hetzelfde irredentistisch waanidee ten grondslag van Groot Marokko, dat in de jaren zeventig zou leiden tot het conflict over de Spaanse Sahara. Nationalistische leiders zoals Allal al-Fassi waren niet tevreden met het territorium van het koninkrijk Marokko zoals dat in 1956 ontstond na de onafhankelijkheid van Frankrijk. Delen van ‘Groot Marokko’, waartoe Fassi ook de Sahara, delen van Algerije, Mauritanië en Mali rekende, waren immers nog bezet door de koloniale mogendheden. 

Dat de Westelijke Sahara ooit deel uitmaakte van het sultanaat Marokko is volgens onafhankelijke historici, een mythe. In 1975 stelde het Internationale Hof van Justitie vast dat een aantal stammen in het gebied weliswaar historische banden hadden met Marokko, maar dat er geen banden van territoriale soevereiniteit waren tussen de Westelijke Sahara en Marokko. 

Toen in 1960 Mauritanië onafhankelijkheid verwierf werd dat pas negen jaar later erkend door Marokko. Sindsdien zijn er de nodige ups en downs in de betrekkingen tussen Marokko en Mauritanië, niet in het minst omdat Nouakchott de Saharaanse Republiek van het Front Polisario erkent.  

Wat betreft Marokko en Algerije kan haast zestig jaar na de ‘zandoorlog’ worden vastgesteld dat het nooit echt goedgekomen is. Hoewel er periodes waren van relatieve ontspanning en er zelfs een vriendschapsverdrag in 1969 werd gesloten, bleef het wederzijdse wantrouwen bestaan en bleven de burenruzies oplaaien. Sinds 1994 is de Algerijns-Marokkaanse grens gesloten en de door de overheid gecontroleerde media van beide landen worden niet moe het regime aan de andere kant van de grens te beschimpen. 

De spanning in de Noord-Afrikaanse regio heeft inmiddels geleid tot een steeds intensere wapenwedloop. Behalve van de Verenigde Staten, Israël en Frankrijk heeft Marokko ook in Turkije grote militaire bestellingen geplaatst, onder andere van drones. Algerije is een grootafnemer van Russisch, Chinees en Duits wapentuig. De verwachting bestaat dat het strategische verstandshuwelijk tussen Marokko en Israël voor Algerije aanleiding zal zijn de militaire samenwerking met de Russische Federatie verder op te voeren. 

Als het echt tot een oorlog komt zou dat catastrofaal zijn voor de bevolking van beide landen. Oorlogen verwoestten in het afgelopen decennium de economieën van Libië, Syrië, Irak en Jemen. Marokko en Algerije zouden dan aan die infame lijst van Arabische landen kunnen worden toegevoegd. 

Oorlog zou ook perspectieven van de jongeren in de Maghreb verder onder druk zetten en leiden tot nog meer emigratie en braindrain. Nu al is de geopolitieke spanning een voorwendsel om burgerlijke vrijheden, waaronder persvrijheid, in te perken. Zo is het in de Marokkaanse media een taboe om kritisch te berichten over de Sahara-kwestie of over het koningshuis. In Algerije staat de Hirak-beweging, die het Algerijnse politieke systeem wil democratiseren, zwaar onder druk. 

Een oorlog in Noord-Afrika zou vooral verliezers opleveren. 

VredesMagazine december 2021, jaargang 14, nr. 5

https://www.vredesmagazine.nl/index.php

Palingtrekken, coronachaos en ‘betrouwbare bronnen’ 

Op 25 en 26 juli 1886 liep het helemaal uit de hand aan de Lindegracht in Amsterdam. De politie probeerde een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waarbij mannen in wankele bootjes op de gracht, moesten proberen een levende paling van een touw te trekken. Een weliswaar dieronvriendelijk en daarom verboden maar hilarisch en populair schouwspel, vooral bij de arme Amsterdamse stadsbevolking.

Het socialistische blad Recht voor Allen vroeg zich een paar weken later af of het levend koken van garnalen of paardenrennen soms minder dieronvriendelijk was. Bij wedrennen, heel populair bij de elite, werden paarden immers beestachtig afgebeuld. En werden palingen niet levend gestroopt en stuk gesneden “om de tong der rijken te strelen”? Het verbod van palingtrekken was dus al met al behoorlijk hypocriet. 

Het palingoproer leidde in eerste instantie tot geweld tussen “opgeschoten knapen” en politieagenten die werden bekogeld met stenen en vuurwerk. Op een gegeven moment moesten de dienders zich zelfs uit de voeten maken, op de vlucht voor de dreiging van de oproerkraaiers. Hoe bekend komt dit alles ons voor… Op de tweede dag van de onlusten werd het leger ingezet dat met scherp schoot. Er waren 25 doden te betreuren.

De essentie van het palingoproer in de Jordaan werd goed samengevat door de Belgische krant Réforme. De ontevredenheid van de Amsterdamse bevolking had verschillende oorzaken. “Men heeft het de kermis ontnomen; met heeft een zeer strengen wet op de sterken drank en om haar toe te passen een stelsel van geheime verklikkers in de kroegen.”

Al die maatregelen troffen dus “het gewone volk” en vonden plaats in een context van bittere armoede en repressie, waarin arbeiders in het algemeen en socialisten en anarchisten in het bijzonder het moesten ontgelden.

Die kregen trouwens ook direct de schuld van het Palingoproer in de schoenen geschoven door de grote kranten in die tijd. Een vroeg staaltje van fake news dat sindsdien door historici onderuit is gehaald. Ondanks de tendentieuze berichtgeving verbood de burgemeester van Amsterdam op 2 augustus 1886 “den verkoop van nieuwsbladen op de openbare straat omdat zij het volk ophitsen gedurende de laatste oproeren”. De combinatie van volkswoede en media is een giftige, zoals ook bleek na de rellen in Rotterdam en elders in Nederlandse steden in november 2021. 

Er zijn uiteraard veel verschillen met de situatie van 135 jaar geleden, maar toch moest ik denken aan het Palingoproer toen ik de beelden zag van een politieauto in vlammen en etalageruiten die sneuvelden aan de Coolsingel. Was de volkswoede politiek protest? Ja en nee. Het had in ieder geval te maken met boosheid over het coronabeleid, over een overheid die het onmogelijk maakte een avondje als vanouds te stappen. En nu pakten ze het volk met een vuurwerkverbod ook nog z’n laatste lolletje af. 

De vlam sloeg in de pan. Het oproerige Nederland was zelfs een paar dagen wereldnieuws. Covid riots: Fireworks and chaos on the streets in the Netherlands, kopte bijvoorbeeld de BBC. Net als ten tijde van het Palingoproer was de berichtgeving en duiding in de buitenlandse media vaak iets afstandelijker en objectiever dan in de binnenlandse waar, vooral aan de talkshowtafels, moralisten en zedepredikers wel erg sterk vertegenwoordigd waren. 

Ja, de rellen waren erg, maar wat was er precies gebeurd? Op internet was een filmpje te zien waarbij een bloedende man op de Coolsingel lag. “Iemand gaat hier dóód”, klinkt het commentaar. En in de camera zegt de activistische burgerjournalist: “De eerste dode is gevallen door politiekogels, bij het handhaven van dit waanzinnige beleid.”

Volgens het online platform Onrecht TV, dat kritisch is over de mainstream media had de Rotterdams politie een shoot to kill opdracht. Volgens “betrouwbare bronnen” van Onrecht TV waren er drie doden gevallen in Rotterdam. 

De politie en het Openbaar Ministerie ontkenden in alle toonaarden. Er waren echt geen doden gevallen bij het oproer in Rotterdam. Er was weliswaar gericht geschoten en er waren een aantal gewonden, ook onder de politie, maar géén doden. Ook de gehate mainstream media in binnen- en buitenland meldden geen doden. 

Hoofdredacteur Paul van den Bosch van het Algemeen Dagblad schreef onlangs over de “gecompliceerde band” tussen politie en journalisten. “Het korps moet orde en veiligheid handhaven en mag daarvoor geweldsmiddelen inzetten. Tegelijk moeten agenten zich aan regels houden. De politie moet en mag gecontroleerd worden door de media.” Daarnaast zijn journalisten ook weer afhankelijk van politiewoordvoering om te berichten over misdaad, ongelukken en rellen. 

In het Nieuws van den Dag van juli 1886, de mainstream media van de 19e eeuw, wordt uitvoerig en op het oog heel precies verslag gedaan van de tragische gebeurtenissen in Amsterdam. Alle namen en leeftijden van de dodelijke slachtoffers worden bijvoorbeeld genoemd, zelfs met hun adres erbij, en hun begrafenissen worden uitgebreid beschreven. Ook in Recht voor Allen, dat beslist niet tot de mainstream gerekend kon worden, vinden we heel feitelijke verslagen van de gebeurtenissen.

Of journalistiek wordt bedreven door mainstream of alternatieve media is uiteindelijk van ondergeschikt belang, waar het om gaat is dat het vak professioneel wordt uitgeoefend. En dat betekent het hebben van een diep ontzag voor de feiten, doen aan bronvermelding, het raadplegen van liefst meerdere bronnen en hoor en wederhoor plegen. Het betekent ook onafhankelijk en (zelf-)kritisch je vak uitoefenen. Er is niet zoiets als mainstream journalistiek naast alternatieve journalistiek, er is alleen goeie journalistiek. 

Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam: “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing.”

Dat media daarnaast een breed scala van opinies kunnen vertegenwoordigen en dat hun interpretatie en analyse van de feiten en gebeurtenissen vaak diametraal verschillend zijn, is een kwestie van gezonde pluriformiteit. Maar het tast de essentie en geloofwaardigheid van het journalistieke vak niet aan. 

Wat dat betreft is het plan van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb om mensen die rellen live verslaan via sociale media aan te pakken met een noodverordening of spoedwet, geen goed idee. “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing”, aldus de burgemeester. De irritatie van Aboutaleb over bepaalde sociale media en het nepnieuws dat ze brengen, is begrijpelijk. Maar is het aan de autoriteiten om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele journalisten? Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn, die de persvrijheid in gevaar zou brengen. Nu al trekt de politie, in het heetst van een zware rel, zich vaak weinig aan of een verslaggever of fotograaf een politieperskaart heeft. Daar komt bij dat zo’n noodverordening geen eind zal maken aan het ‘volksgericht per sociale media’ of onsmakelijke opruiing achter de laptop op zolderkamertjes. Dat zijn trouwens activiteiten die niets maar dan ook niets te maken hebben met journalistiek.

Dit stuk werd geschreven voor het Media Trainingscentrum Noord-Nederland: https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen/

(27 november 2021) en op Joop.nl: https://joop.bnnvara.nl/opinies/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen

Study: EU financier and accomplice to the illegal occupation of the Western Sahara

Morocco’s illegal exploitation of Western Sahara’s natural resources is being facilitated through contracts with EU-subsidised companies, according to a new study from The Left in the European Parliament.The study – ‘European companies and violation of International Law in Western Sahara’ – finds that the EU allocates millions of euros in subsidies and aid to Morocco, and to a multitude of European companies (mostly from Spain, France, and Germany) that invest in Western Sahara. This makes the EU a financier and accomplice to an illegal occupation, in contravention of the founding principles of the Union and international law.

The study – ‘European companies and violation of International Law in Western Sahara’ – finds that the EU allocates millions of euros in subsidies and aid to Morocco, and to a multitude of European companies (mostly from Spain, France, and Germany) that invest in Western Sahara. This makes the EU a financier and accomplice to an illegal occupation, in contravention of the founding principles of the Union and international law.

Systematic human rights abuses, police brutality, violations of fundamental rights, the Sahrawi people of Africa’s last colony, Western Sahara, have endured decades of repression at the hands of Moroccan occupying forces. Since 1975 Morocco has attempted to control a territory about the size of the UK using military force to suppress free speech and pro-independence protests. Europe has largely stood by watching a tragedy unfold on its doorstep.

Beyond that there is also the illegal border crossing at Guerguerat which is commonly used by European companies, and may constitute a violation of international law and international humanitarian law. This border crossing point is located on the border with Mauritania. It was opened by Morocco in 2001, even though the United Nations does not recognise any Moroccan sovereignty nor administrative jurisdiction on the territory. The border crossing contravenes the Military Agreement signed by MINURSO in 1997 and 1998 with the Polisario Front and Morocco respectively, as a complement to the peace and cease-fire agreement adopted by the UN Security Council Security Council in 1991.

MEP Miguel Urban will be presenting the report’s findings to the Saharawi Parliament on Sunday.

Speaking ahead of the presentation, Urban said: “The EU and these companies are in  flagrant violation of International Law and ‘crimes of colonisation’. The companies involved did not obtain the consent of either the people of Western Sahara or its sole representative, defined by the UN as the Polisario Front.”

“Meanwhile, the EU continues to ignore the constant violations of human rights and International Law that the Moroccan regime carries out on a daily basis.”

“The fate of the people of the Western Sahara are at stake. A people who endure, who just want to live their lives, enjoy basic rights free from violence, to be citizens of their own country. When will Europe stop ignoring these calls for fundamental rights and dignity? When will we stop facilitating repressive regimes and show some respect for the right of the Sahrawi people to self-determination?” Urban concluded.

Key findings: 

MOROCCO’S ILLEGAL OCCUPATION

The research confirms the legal consequences of the qualification of Western Sahara as a ‘Non-Self-Governing Territory pending decolonization’: the inalienable right to self-determination. It highlights Morocco’s status as an ‘Occupying Power’, which has control over a territory that it intends to annex illegally by the use of force, as declared by the doctrine of the United Nations and International Law.

EUROPEAN COMPLICITY IN WAR CRIMES

With reference to a 2019 report by the German Bundestag on Moroccan war crimes, the study sets out the case for the appropriation of the natural wealth of the occupied territory of Western Sahara, without the consent of the indigenous population and without the benefits going directly to them, to be treated as a war crime under Art. 47 of the IVth Geneva Convention.

EU FUNDING

The research details how the EU provision of millions of euros in subsidies to European companies that invest in Western Sahara violates international law.

Subscribe to my (free) North Africa Newsletter with news about Western Sahara, Morocco, Mauritania and Algeria; https://www.getrevue.co/profile/jan_keulen

Algeria and Morocco on collision course

In recent months, North Africa has seen a crescendo of accusations, moves and measures that leave no doubt: Morocco and Algeria are on a collision course. The big question is whether the cold war in the Maghreb will end in an armed conflict. Both neighboring countries have engaged in an arms race and are armed to the teeth.

In August, Algeria broke off diplomatic relations with Morocco. A month later, Algerian airspace was closed to all Moroccan aviation and on November 1, the Europa-Maghreb gas pipeline, which transports Algerian gas through Moroccan territory to Spain, was closed.

The steps were taken after the Moroccan ambassador to the United Nations publicly expressed his support for “the right of self-determination for the heroic people of Kabylie” in July. Earlier, the Algerian authorities had accused Morocco of “sowing discord among the Algerian population” by supporting the MAK, the Mouvement pour l’autodétermination de la Kabylie.

Algiers was not amused (to say the least) when in July an international consortium of investigative journalists revealed in the Pegasus Papers that the Moroccan intelligence service, using Israel’s NSO software, had bugged thousands of Algerian politicians, activists, journalists, diplomats and army officers.

Issue of the Western Sahara is biggest bone of contention between Morocco and Algeria

The biggest bone of contention between Morocco and Algeria, however, is the issue of Western Sahara, an immense desert area the size of the United Kingdom. Morocco has controlled about 85% of the territory of this former Spanish colony since the late 1970s. The Saharawi liberation movement, the Front Polisario, controls the remainder east of the Berm, the 2,700-kilometer-long “defensive wall” Morocco has erected to keep out the Saharawi independence fighters.

Since 1991, when Morocco and the Polisario Front agreed to a United Nations plan to hold a referendum and a ceasefire came into effect, the conflict has been more or less dormant. But that changed at the end of 2020 when the ceasefire, which had lasted for almost thirty years, was broken by the Moroccan army. 

The referendum envisaged in the UN plan whereby the Saharawi could exercise their right to self-determination was never held and Morocco established more and more facts on the ground in its “southern provinces”.

The final blow to a diplomatic solution to the conflict was inflicted in December 2020 by US President Donald Trump. In a tweet, he announced that the United States recognized Moroccan sovereignty over Western Sahara. In return, Morocco normalized its diplomatic relations with Israel and awarded a massive $1 billion arms deal to the US. The Americans were going to supply drones and other high-quality military equipment to Morocco.

The Trump deal marked a major diplomatic victory for Morocco. No significant country had so far recognized Moroccan sovereignty over Western Sahara. After all, according to international law, the area still had to be decolonized and the local Saharawi population had to be given a chance to determine its own future.

That, much to Rabat’s anger, also remained the view of European countries and sparked a series of conflicts with Spain, Germany and the EU in 2021. The stance of Morocco’s European allies, who continued to look at the issue of Western Sahara through the prism of international law and did not align themselves with Trump’s recognition of the “Moroccan Sahara”, was seen in Rabat as an insult. “It was like a wedding where none of the friends and acquaintances showed up,” said an observer.

While Trump’s move was criticized by quite a few Democrats and Republicans alike, his recognition of the “Moroccan” Sahara was not reversed after he left the presidency. The Biden administration did not want to jeopardize its relations with either Israel or Morocco.

These relations were apparently more important than the letter of international law and the Saharawi’s right to self-determination. 

In addition, a withdrawal of the recognition of the Sahara as Moroccan could open the door to the cancellation of other questionable Trump decisions, such as his recognition of the Israeli sovereignty over the occupied Golan and East Jerusalem. 

The formal ties between Morocco and Israel forged by the Trump administration had a number of far-reaching implications, not least for relations between Morocco

and Algeria.

First, it strengthened Morocco’s international diplomatic position, which could now rely on the influential pro-Israel lobby, especially in the United States. The assertive, almost aggressive attitude towards Europe seems to have everything to do with the Moroccan self-awareness supported by the Israel lobby.

Second, and more importantly, the Trump deal launched Israel as a heavyweight player on the North African chessboard, both politically and militarily. The ever-closer cooperation between the Israeli and Moroccan intelligence services is also seen as threatening by Algeria. Israeli Foreign Minister Yair Lapid added fuel to the fire on his first official visit to Morocco this year by strongly criticizing Algeria. According to Lapid, Algeria is dangerously close to Israel’s nemesis Iran. For the Algerians, enough was enough: it was unheard of for an Israeli minister to criticize them from their Arab neighbor Morocco.

The Israeli factor has heightened distrust between Algeria and Morocco and disturbed the precarious status-quo in Algerian-Moroccan relations of recent decades. Those relations have been problematic since Algerian independence in 1962. The neighboring countries fought a short border war in 1963. Moroccan troops invaded Algeria during the “sand war” and attempted to capture parts of Algeria’s western provinces of Bechar and Tindouf.

In the end, the attempt to take a part of “historic Morocco” by force turned out to be a huge political and military blunder. Arab countries and Cuba came to the aid of Algeria and the Algerian population condemned the Moroccan aggression. Morocco’s traditional allies France and the United States also had little understanding for the expansionist adventure of the then young King Hassan II.

This military adventure of Morocco was ultimately based on the same irredentist delusion of Greater Morocco, which would lead to the conflict over the Spanish Sahara in the 1970s. Nationalist leaders such as Allal al-Fassi were not satisfied with the territory of the Kingdom of Morocco as it emerged in 1956 after independence from France. Fassi included the Spanish Sahara, parts of Algeria, Mauritania and Mali in his Greater Morocco.

According to independent historians, it is a myth that the Western Sahara was once part of the sultanate of Morocco. In 1975, the International Court of Justice found that while a number of tribes in the area had historical ties to Morocco, there were no ties of territorial sovereignty between Western Sahara and Morocco.

Mauritania gained independence in 1960, but it was only recognized by Morocco nine years later. Since then, there have been ups and downs in Moroccan Mauritanian relations, not least because Nouakchott recognizes the Sahrawi Arab Democratic Republic, proclaimed by the Front Polisario.

Almost sixty years after the ‘sand war’, it can be concluded that things have never really worked out between Morocco and Algeria. Although there were periods of relative relaxation and even a friendship treaty was signed in 1969, mutual mistrust persisted, and neighbor disputes continued to flare up. The Algerian-Moroccan border has been closed since 1994 and the government-controlled media of both countries never tire of taunting the regime on the other side of the border.

The tension in the North African region has meanwhile led to an increasingly intense arms race. In addition to the United States, Israel and France, Morocco has also placed large military orders in Turkey, including drones. Algeria is a major buyer of Russian, Chinese and German weaponry. It is expected that the strategic marriage of convenience between Morocco and Israel will prompt Algeria to further increase military cooperation with the Russian Federation.

If it really comes to war, it will mostly produce losers. War would further strain the perspectives of young people in the Maghreb and lead to further emigration and brain drain. Already, the geopolitical tension is a pretext to curtail civil liberties, including freedom of expression and press freedom. For example, it is a taboo in the Moroccan media to report critically about the Sahara issue or about the royal family.  In Algeria, the Hirak movement, which aims to democratize the Algerian political system, is under heavy pressure.

An armed conflict would be catastrophic for the peoples of the region. Wars have ravaged the economies of Libya, Syria, Iraq and Yemen over the past decade. Morocco and Algeria could then be added to that infamous list of Arab countries.

https://www.getrevue.co/profile/jan_keulen?via=twitter-profile-webview

Gaza kan niet wachten

Het is als een film die telkens wordt herhaald en die we zo langzamerhand wel kunnen dromen. In 2008-’09, 2012, 2014 en mei 2021 kwam het tot grootscheepse Israëlische aanvallen op Gaza. De tol was hoog. Meer dan 4.000 mensen verloren hun leven, waarvan 260 in mei; een kwart miljoen woningen werd beschadigd, waarvan 4.000 dit jaar en de totale schade loopt in de miljarden euro’s.

Dat is niet niks.

Het is ook geen kleinigheid om zo’n tweemiljoen mensen in een gebied van 365 vierkante kilometer jarenlang te onderwerpen aan een land-, zee- en luchtblokkade. Ter vergelijking: de gemeente Emmen in Drenthe beslaat 346 vierkante kilometer en heeft 20 keer minder inwoners. En Emmen wordt uiteraard niet afgesloten van de rest van de wereld.  

De rigoureuze Israëlische politiek heeft niet geresulteerd in machtsverlies laat staan de vernietiging van Hamas, de islamitische beweging die Gaza sinds 2007 bestuurt. De leefomstandigheden zijn er inmiddels mensonwaardig, de humanitaire situatie onacceptabel, maar het lijkt onmogelijk de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. 

Tussen de grootscheepse militaire confrontaties door blijft het pijnlijk rommelen aan de grens met Gaza. Ondanks het wankele staakt-het-vuren waarmee de confrontaties in mei werden afgesloten, wordt er geregeld gedemonstreerd bij het grenshek en worden ‘brandbalonnen’ opgelaten, uit protest tegen het niet-doorlaten van bouwmaterialen en het afknijpen van humanitaire hulp. Israël “antwoordt” dan weer steevast op deze acties met luchtbombardementen. De partijen lijken op een onafwendbare vijfde ronde van dood en verderf af te stevenen. 

De nieuwe Israëlische premier Naftali Bennett bezocht in augustus het Witte Huis en in een persconferentie met de Amerikaanse media had Bennett het over Iran, de vriendschap tussen Israël en de VS en de bestrijding van corona, maar niet over Gaza. Als je Bennett hoort praten lijken de Palestijnen en Gaza niet te bestaan. 

Bennett is een havik en wil geen enkele politieke concessie doen aan de Palestijnen, hij blijft faliekant tegen de tweestaten-oplossing. Hij denkt dat als Israël het leven voor de Palestijnen wat dragelijker maakt, vooral in economisch opzicht, dat dan het vredesproces kan worden “geparkeerd”.

Wat deze opvatting voor Gaza betekent blijft vooralsnog onduidelijk.

De Zweedse politicus en diplomaat Carl Bildt schreef na de oorlog in mei een artikel waarin hij pleitte voor vier moedige stappen om de impasse van Gaza te doorbreken.

In de eerste plaats moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. De blokkade heeft Gaza’s economie vernield en buitenlandse handel praktisch onmogelijk gemaakt. De blokkade heeft smokkel in hand gewerkt, die weer voor een groot deel wordt gecontroleerd door Hamas. In dat opzicht heeft de blokkade Hamas eerder versterkt dan verzwakt.

In de tweede plaats moet Israëli’s in veiligheid kunnen leven. Geen enkel land accepteert willekeurige raketbeschietingen. Maar Israël moet ook erkennen dat zijn huidige defensiepolitiek heeft gefaald.

Ten derde moet Gaza weer onder internationaal erkend Palestijns bestuur geplaatst worden. Geen hulp voor Gaza en geen wederopbouwfondsen zonder vrije en eerlijke verkiezingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.

Tenslotte vereist een oplossing op de lange duur dat de toekomstige staat Palestina Gaza kan gebruiken voor toegang tot de Middellandse Zee en daarmee tot de rest van de wereld. Gaza heeft een eigen haven en vliegveld nodig en een veilige verbinding met de Westelijke Jordaanoever. 

De Palestijnse journalist Daoud Kuttab wees er onlangs op dat zelfs als Bennett geen politieke vooruitgang wil in het Israëlisch-Palestijnse vredesproces, Israël wel gehouden is aan de Oslo-akkoorden. In die akkoorden wordt gesproken over een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever. Volgens het door beide partijen ondertekende akkoord zijn Gaza en de Westoever “een territoriale eenheid”. 

Drie jaar geleden stelden de Nederlandse parlementariërs Sjoerd Sjoerdsma (D66) en Joel Voordewind (ChristenUnie) voor een internationale Gaza-conferentie te organiseren, waar het plan voor een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever besproken zou moeten worden. Een veilige route om medische zorg, familiehereniging en handel makkelijker gemakkelijker te maken en de ‘geweldsspiraal te doorbreken’.

Het plan verdween, zoals zoveel pogingen om uit de Gaza-impasse te komen, in een zwart gat. Het duo Netanyahu-Trump had andere opvattingen over vrede in het Midden-Oosten. En Nederland en de EU hadden niet de politieke wil of daadkracht om zich  echt hard te maken voor een oplossing in Gaza.

Het zal duidelijk zijn dat voor Carl Bildts vier stappen politieke druk nodig is, vooral vanuit de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit en Hamas moeten daarnaast tot een akkoord komen over verkiezingen en Naftali Bennett moet ervan overtuigd worden dat Israël ook andere opties heeft dan de militaire. 

De vier stappen zijn ondenkbaar zonder dat Israël en de Palestijnen weer aan de onderhandelingstafel plaatsnemen en dat is precies het laatste wat Bennett wil.

De kans dat er straks een reprise komt van de Gaza-horrorfilm en een vijfde ‘ronde’ van raketten en bombardementen, is dus groot. Niemand lijkt uit te kijken naar wederom hartverscheurende beelden uit Gaza, maar geen van de hoofdrolspelers in het drama maakt haast om zelfs maar tot een begin van een oplossing te komen. Alleen de inwoners van Gaza: zij kunnen niet wachten op een verbetering van hun situatie. Geen dag langer. 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, september 2021: https://www.groningen-jabalya.com/wp-content/uploads/2021/09/Jabalya-nieuwsbrief-48.pdf?fbclid=IwAR23BwMav4JxgAJPzS8Na0eZ58ak_cgqIvZd2_2HobEAvgy2gtHl7eIw0hc

Ook gepubliceerd op https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/

Gaza can’t wait

It is like a movie that is repeated over and over again. In 2008-09, 2012, 2014 and May 2021, there were large-scale Israeli attacks on Gaza. More than 4,000 people lost their lives, 260 of them in May; a quarter of a million homes were damaged, of which 4,000 this year and the total damage is in the billions of euros.

The toll was enormous.

Ap infographic

It is also no small matter to subject some two million people in an area of ​​365 square kilometers to a land, sea and air blockade for years. In comparison: the municipality of Emmen in the province of Drenthe covers 346 square kilometers and has 20 times fewer inhabitants. And Emmen is of course not cut off from the rest of the world. The living conditions in Gaza are now inhumane, the humanitarian situation unacceptable. In fact a UN expert declared Gaza to have become unlivable “with an economy in free fall, 70 per cent youth unemployment, widely contaminated drinking water and a collapsed health care system”.

Why is it not possible to make an end to this disaster and to the vicious circle of violence? Rigorous Israeli policies have not resulted in a loss of power of Hamas, let alone the destruction of the Islamist movement, that has ruled Gaza since 2007. 

After the large-scale military confrontations in May, the border with Gaza is still not quiet. Despite the shaky ceasefire that ended the clashes in May, there are regular demonstrations at the border fence and “fire balloons” are released in protest against the Israeli blockage of construction materials and the throttling of humanitarian aid. Israel invariably “answers” to these actions with aerial bombardments. The parties seem to be heading for an inevitable fifth round of death and destruction.

New Israeli Prime Minister Naftali Bennett visited the White House in August and in a press conference with US media, Bennett talked about Iran, the friendship between Israel and the US and the fight against corona. But not about Gaza. When you hear Bennett talk, the Palestinians and Gaza don’t seem to exist.

Bennett is a hawk and does not want to make any political concessions to the Palestinians, he remains firmly against the two-state solution. But he does think that if Israel makes life a little more bearable for Palestinians, especially economically, then the peace process could be “parked”.

Swedish politician and diplomat Carl Bildt wrote an article after the May war in which he argued for four courageous steps to break the deadlock in Gaza.

What this view means for Gaza remains unclear for the time being.

Firstly, the blockade of Gaza must be lifted. The blockade has wrecked Gaza’s economy and made foreign trade practically impossible. Instead, the blockade has facilitated smuggling, which in turn is largely controlled by Hamas. In that regard, the blockade has strengthened rather than weakened Hamas.

Secondly, Israelis must be able to live in safety. No country accepts indiscriminate rocket fire. But Israel must also recognize that its current aggressive policy has failed.

Thirdly, Gaza must be returned to internationally recognized Palestinian rule. No aid for Gaza and no reconstruction funds without free and fair elections in Gaza and the West Bank, including East Jerusalem.

Finally, a long-term solution requires that the future state of Palestine be able to use Gaza for access to the Mediterranean and thus to the rest of the world. Gaza needs its own port and airport and a secure connection to the West Bank.

Palestinian journalist Daoud Kuttab recently pointed out that even if Bennett does not want political progress in the Israeli-Palestinian peace process, Israel is bound by the Oslo Accords. Those agreements include a secure connection between Gaza and the West Bank. According to the agreement signed by Israel and the PLO, Gaza and the West Bank are “one territorial unit”.

Three years ago, Dutch parliamentarians Sjoerd Sjoerdsma (D66) and Joel Voordewind (ChristenUnie) proposed organizing an international Gaza conference to discuss the plan for a secure connection between Gaza and the West Bank. A safe route to make medical care, family reunification and trade easier and to break the ‘spiral of violence’.

The plan, like so many attempts to break out of the Gaza stalemate, disappeared into a black hole. The Netanyahu-Trump duo had different views on Middle East peace. And the Netherlands and the EU did not have the political will or guts to really push for a solution in Gaza.

It will be clear that Carl Bildts four steps require foreign political pressure, especially from the EU and the US. The Palestinian Authority and Hamas must come to an agreement on elections and Naftali Bennett must be convinced that Israel also has other options than only the military option.

The four steps are inconceivable without Israel and the Palestinians sooner or later returning to the negotiating table, and that is exactly the last thing Bennett wants.

The chance that there will soon be a replay of the Gaza horror movie and a fifth ’round’ of rockets and bombings is therefore high. No one seems to be looking forward to yet again heartbreaking footage from Gaza, but none of the drama’s protagonists is in any rush to even begin working on a solution. Only the residents of Gaza: they cannot wait for their situation to improve. Not a day longer.

Dit artikel in het Nederlands: https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/

Ton van Dijk: empathisch en nieuwsgierig tot op het bot

Ik leerde Ton kennen in 1998. Hij werkte als docent journalistieke vaardigheden bij de Opleiding Journalistiek aan de Universiteit van Groningen. Ik kwam dat jaar terug uit het Midden-Oosten en werd een van Tons collega’s. 

We waren beide in de eerste plaats journalist en moesten nog een papiertje halen van de universiteit dat aan zou tonen dat we didactische kwaliteiten hadden. Ik herinner me van die cursus vooral de langdurige lunches met Ton na afloop, in een café om de hoek, met nep-Perzische kleedjes op tafel en goedkope uitsmijters met een pilsje erbij. Hij bezwoer mij de bonnetjes te bewaren want die waren aftrekbaar voor de belastingen. 

Ton zat altijd vol vragen; geïnteresseerd in mijn vroegere werk als correspondent in een gebied waar hij verder niet zoveel mee had. Hij was nieuwsgierig en empathisch tot op het bot, twee eigenschappen die hem waarschijnlijk ook tot zo’n goeie journalist maakten. Tegelijkertijd had hij een gezonde afkeer van autoriteiten en kon, als het nodig was, heerlijk grof zijn. Want journalistiek is ook een hard vak, laat je niets wijs maken.

Ton was voor mij een vriend en gids na jarenlang in het buitenland te hebben gewoond. Ik was na meer dan twintig jaar terug in Groningen en moest de draad weer zien op te pakken. Ton vroeg me hoe ik in mijn onderhoud kon voorzien, want Ik had maar een kleine aanstelling van twee dagen in de week bij de universiteit. Hij hielp mij aan verschillende freelance opdrachten, die me uiteindelijk door een moeilijke periode sleepten.

Mijn laatste onderneming samen met Ton was een studiereis naar Denemarken, zo’n zestien jaar geleden. We gingen kijken hoe de opleidingen journalistiek het daar aanpakten met het praktijkonderwijs en de studenten in het diepe werden gegooid in een newsroom voorzien van de nieuwste snufjes.

Maar voor Ton bleven de fundamenten van journalistiek dezelfde, hoe de media zich verder ook ontwikkelen: dóórvragen, inlevingsvermogen en oog voor het detail. En de lezer aan de hand nemen bij je ontdekkingstocht, in een taal die begrijpelijk is en klinkt als een klok.

Dag Ton. Ook ik heb veel van je geleerd. 

Ton van Dijk (staand, links) bij een redactievergadering van tijdschrift Nieuwe Revu in 1976.Foto Berry Stokvis / Hollandse Hoogte 

Ton van Dijk is overleden op 7 juni 2021, hij is 77 jaar geworden

Activist, journalist of gewoon ‘tuig van de richel’?

De ombudsman van dagblad Trouw brak zich onlangs het hoofd over de juiste benaming van Roman Protesevitsj, de man die de Wit-Russische autoriteiten zó graag wilden arresteren dat ze er een lijnvliegtuig voor dwongen een tussenlanding te maken in Minsk. Moet je hem nu een dissident noemen, een activist of journalist? Of alle drie?

Vast staat dat Protesevitsj actief was als nieuwsfotograaf en, belangrijker nog, hoofdredacteur van Nexta, een kanaal op berichtendienst Telegram en op YouTube. Via Nexta kwam een stroom belangrijke informatie naar buiten over de protestacties na de presidentsverkiezingen van augustus vorig jaar, die dictator Lukashenko valselijk claimde gewonnen te hebben.

Nexta werd in de woelige augustusdagen immens populair in Wit-Rusland. Terwijl de aan de regering gelieerde media het publiek nauwelijks of niet informeerden over wat er aan de hand was, doorbrak Nexta de nieuws blackout met een stroom aan berichten, onthullende foto’s en video’s. En ja inderdaad, Nexta gaf ook aanwijzingen aan actievoerders om een bepaalde straat te mijden omdat de mobiele brigade daar klaar stond, of publiceerde adressen van advocaten die konden helpen in het geval van arrestatie. Van de 9,5 miljoen Wit-Russen namen anderhalf miljoen mensen een abonnement op Nexta.

Deed Nexta aan journalistiek en kan Roman Protesevitsj dus met recht journalist worden genoemd, of gaat het hier om een vorm van activisme dat handig gebruik maakt van de mobiele telefoontechnologie? Werden de berichten wel grondig gecheckt? En hoe staat het met de onafhankelijkheid van Nexta? Was de organisatie niet te veel gelieerd aan de oppositiebeweging tegen Lukashenko?

Het zijn legitieme vragen en Trouw herinnert eraan dat “activist en journalist, een combinatie is die in Nederland snel wantrouwen zou opwekken”. “Een journalist voert geen actie”, stelt de krant vast, “dat gaat ten koste van de objectiviteit”. 

Maar, als Protesevitsj politiegeweld tegen burgers laat zien, dan is dat wel degelijk journalistiek, constateert de krant ook. Het is immers: laten zien wat er gebeurt? Blijft het feit dat Protesevitsj een “journalist met een agenda” is en daar kijken we in Nederland kritisch naar.

Uiteindelijk komt Trouw tot de conclusie dat Protesevitsj het beste “dissident en journalist” genoemd kan worden, in die volgorde. Eventueel is ook de term oppositieblogger bruikbaar maar het blijft, vindt de Trouw-ombudsman ook, onbevredigend. 

Is het echt zo, zoals Trouw stelt, dat activistische journalistiek in een democratisch land als Nederland wantrouwen verdient? Wellicht is het waar als we “activistisch” heel eng definiëren. Zoiets als: puur subjectief gedreven verslaggeving of journalistiek met een strikt (partij-)politieke agenda, met dedain voor waarheidsvinding. Dan klopt de stelling van Trouw. 

Maar ik denk dat ook in een democratie we niet al te wantrouwig moeten zijn naar de activistisch ingestelde journalist. Veel onderzoeksjournalistiek heeft uiteindelijk een flinke activistische inslag. De goed onderbouwde onthullingen van Volkskrant-verslaggevers Frank Hendrickx en Tom Kreling over de miljoenen van Siewert waren uiteraard journalistiek vakwerk, maar waren er nooit gekomen zonder die extra drive om de waarheid te achterhalen en onrecht aan de kaak te stellen.

Journalistiek is er in de eerste plaats om ons zo eerlijk, objectief en duidelijk mogelijk te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Maar soms werkt journalistiek ook mee om de wereld (ietsje) te veranderen. Dat is haast altijd ongemakkelijk en vaak gevaarlijk. Daarom stoppen ze journalisten als Roman Protesevitsj in de gevangenis en worden brave collega’s in Nederland door populistische politici aangeduid als “tuig van de richel”. 

De journalistiek en Ollongren-gate

Persfotograaf Bart Maat, die de notitie van mevrouw Ollongren met telelens vastlegde, zal niet hebben durven dromen van de politieke aardbeving die hij met zijn foto veroorzaakte. Het was een moment van politieke onvoorzichtigheid en journalistieke toevalligheid met grote gevolgen. 

Ollongren verliet gehaast het Binnenhof met een stapel papieren onder haar arm, toen ze positief bleek te hebben getest op corona. Op de notitie onder haar arm waren onder andere de explosieve woorden Omtzigt functie elders duidelijk leesbaar. Ook het zinnetje linkse partijen houden elkaar niet echt vast was nieuwswaardig, na alle eerdere liefdesbuigingen van Jesse aan Lillianne en Lilian en vice versa. 

Het ANP besloot een persalarm rond te zenden, een bericht waarmee het persbureau journalisten wijst op groot nieuws. Zonder uitzondering publiceerden de Nederlandse media over de notitie, die leek te suggereren dat Kamerlid Omtzigt op een zijspoor zou moeten worden gerangeerd. De vragen die de notitie opriep domineerden dagenlang niet alleen de media maar ook het politieke debat. 

Sommige lezers van dagblad Trouw hadden moeite met het citeren uit wat zonder twijfel een vertrouwelijk stuk was, dat per ongeluk aan de openbaarheid was prijsgegeven. Hoofdredacteur Cees van der Laan laat weten dat er bij hem ‘geen spoor van twijfel’ was over de wenselijkheid de notitie te publiceren. ‘De aantekeningen zijn niet uit een tas gevist, onder een kopieermachine vandaan gehaald of op andere wijze aan Ollongren ontfutseld.’ Daar kwam bij dat het kattenbelletje politiek zo belangwekkend was dat ‘niet publiceren een journalistiek misdrijf zou zijn geweest’. 

Van der Laan heeft gelijk: soms is niet publiceren, het achterhouden van informatie, simpelweg een journalistieke zonde. Vooral als het om informatie gaat die van algemeen publiek belang is. In tijden dat de media onder druk staan, te pas en vooral te onpas worden beschuldigd fake nieuws te brengen en zelfs bloot staan aan fysieke bedreigingen, is het goed je te realiseren dat journalistiek een professie is met duidelijk omlijnde do’s en don’ts. Bij journalistiek gaat het fundamenteel om te streven naar waarheidsvinding, je best te doen de waarheid te achterhalen.

Dat maakt journalisten niet altijd populair. 

Het is een misverstand te denken dat journalistiek een soort mechanische bezigheid is; een handigheid in knippen en plakken en babbelen aan ‘de tafels’, ’s avonds op televisie. Door voorlichters en pr-medewerkers voorgekauwde informatie simpelweg reproduceren is geen koosjer journalistiek. Journalisten mogen het pr-materiaal natuurlijk als achtergrond gebruiken, maar het moet altijd worden getoetst. Check en dubbelcheck is een even fundamentele als essentiële grondregel van het vak. 

Nieuws over bijvoorbeeld het witwassen van geld, belastingontduiking, corruptie en, ja, het wegpromoveren van een lastig Kamerlid, komt nooit zomaar aanwaaien. Misschien is er zo nu en dan een toevalstreffer, zoals met de Ollongren-foto het geval was, maar meestal is het verzamelen van informatie hard en langdurig werk. En zelfs in het geval van de foto van de verkenningsnotitie was de drive van persfotograaf Bart Maat om alles op het Binnenhof vast te leggen en de alertheid van de ANP-redactie vereist, om dit grote verhaal boven water te krijgen. 

In veel landen zou het publiceren van een vertrouwelijk bedoelde notitie, met potentieel grote politieke gevolgen, uit den boze zijn. Het zou de fotograaf, hoofdredacteur en journalisten achter tralies kunnen doen belanden en tot de sluiting van media leiden. Denk aan Hongarije, Turkije of tientallen andere landen, waar het slecht gesteld is met de persvrijheid. Gezegend het land waar het in principe wėl mogelijk is de onderste steen boven te krijgen.

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat journalisten in Nederland allemaal heilige boontjes zijn en nooit ‘zondigen’ tegen de ethische regels van het vak. Er zijn de nodige gevallen bekend van plagiaat, van verzonnen citaten en andere staaltjes van onzuivere journalistiek. Soms lokken journalisten een incident uit om een smeuïg verhaal te kunnen maken. Journalisten horen het nieuws te verslaan en natuurlijk niet hun eigen werkelijkheid te creëren. 

De discussie over wat “een misdaad tegen de journalistiek” is, wat daarentegen juist goede journalistiek is en waartoe het dient, moeten we blijven voeren: binnenshuis als collega’s maar ook breder, met de krantenlezers en tv-kijkers, met de sceptici, met de twijfelaars en halve en hele complotdenkers. 

De Ollongren-foto gaf ons een inkijkje in de keuken van de macht. Wat we zagen was zo nu en dan verwarrend, ontluisterend en verre van fraai. Maar het was wel zuiverend. Wat mij betreft heeft de journalistiek met Ollongren-gate Nederland een belangrijke dienst bewezen.

Gepubliceerd 2 april 2021 op https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl

Spaanse rapper naar gevangenis wegens “misdadig” beledigen

Duizenden mensen gingen deze week de straat op in Spanje na de arrestatie van rapper Pablo Hasél. Ze protesteerden tegen de straf van negen maanden gevangenis die Hasél kreeg voor zijn rapteksten en tweets. Een rapper hoort niet in de gevangenis, aldus de demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting: libertad, libertad, werd er geroepen, vrijheid voor Pablo.

Het ging er bij de demonstraties, die niet waren toegestaan, hard aan toe. De oproerpolitie hanteerde de wapenstok, schoot met rubberkogels en verrichtte tientallen arrestaties. Sommige demonstranten richtten vernielingen aan en vielen politiemannen aan. Er velen gewonden, zowel bij de demonstranten als bij de politie en journalisten die verslag deden van de rellen. 

De woordvoerder in het parlement van Unidas Podemos, de kleinere en linksere regeringspartner in de coalitie met de sociaaldemocratische PSOE, liet op sociale media er geen twijfel over bestaan dat zijn sympathie lag bij ‘de jonge antifascisten die demonstreren voor rechtvaardigheid en vrijheid van meningsuiting’. Hij hekelde het harde, niet-proportionele optreden van de oproerpolitie. De politie moest volgens hem verantwoording afleggen voor het schieten met rubberkogels waarbij een van de demonstranten een oog had verloren. 

De Spaanse twitter en facebook ontploften. Vooral de rechterflank roerde zich flink. Politiebonden spraken schande van de kritiek van de linkse parlementariër. Hoe was het mogelijk dat een vertegenwoordiger van een regeringspartij, die dus indirect ook het gezag vertegenwoordigde, de vrijlating van rapper Pablo Hasél eiste? En kritiek op de politie durfde te leveren? Die zogenaamde antifascisten waren niet meer dan relschoppers, jeugdige delinquenten die vernielingen aanrichtten. Hoezo vrijheid van meningsuiting?

De arrestatie van de rapper, het geweld op straat en het verbale geweld in de (sociale) media liet deze week zien hoe diep verdeeld Spanje nog steeds is. Voor de aanhangers van de rechtse Partido Popular en vooral van de sterk opkomende partij Vox, een soort Spaanse versie van de PVV, zijn de rapper Hasél en de jongeren die voor hem demonstreren, echt terroristen of criminelen. 

Ik had een overweldigend gevoel van déjà vu bij de beelden van libertad libertad scanderende jongeren en erop los meppende dienders. In de jaren zeventig werkte ik enkele jaren in Madrid als beginnend journalist en maakte de transición mee van Franco-dictatuur naar een moderne, Europese democratie. Het was geen pijnloze bevalling maar de culminatie van jarenlange politieke en sociale strijd voor meer democratie. En de ellende was dat het nieuwgeboren Spanje weliswaar vrijer was dan het fascistische Spanje van Franco, maar perfect was het lang niet. De nieuwe grondwet herstelde bijvoorbeeld de monarchie en de door Franco voor het ambt van staatshoofd klaargestoomde Juan Carlos de Borbón werd koning.   

Dat de Spaanse democratie nog niet perfect was merkte ik zelf aan den lijve in 1979 toen ik formeel het land werd uitgezet. Ik had een artikel geschreven in De Volkskrant over betrokkenheid van een aantal rechtse officieren bij een terroristische aanslag in Madrid. De top van het Spaanse leger was not amused over het artikel en als reden van mijn uitzetting werd opgegeven dat ik me schuldig had gemaakt aan “belediging van de Spaanse strijdkrachten”. En dat was een strafbaar feit. 

Die herinnering kwam terug toen ik las waarvan de rapper Pablo Hasél werd beschuldigd. In zijn tweets zou hij de kroon -in Spanje geschreven als Corona met een hoofdletter- en de Spaanse staatsinstellingen, waaronder de strijdkrachten, hebben beledigd. Injuria of belediging van deze instellingen is, volgens het Spaanse wetboek van strafrecht, een misdrijf waar gevangenisstraf op staat. 

Pablo Hasél rapt in een van zijn nummers dat de vroegere koning Juan Carlos een maffiabaas en hoerenloper is. Niet zulke fijnzinnige beschuldigingen natuurlijk, maar de ironie is dat er een grote kern van waarheid in schuilt. De vroegere vorst en vader van de huidige koning Felipe wordt daadwerkelijk beschuldigd van corruptie en schimmige deals, onder andere met Saoedi-Arabië. De totaal van zijn voetstuk gevallen Juan Carlos verblijft sinds vorig jaar in ballingschap in Abu Dhabi.  

Maar dat betekent nog niet dat je in Spanje de kroon als instelling zomaar kunt bekritiseren of bespotten. Of de eenheid van het land in twijfel kunt trekken. Of kritisch kunt zijn over de kerkelijke hiërarchie of katholieke symbolen. Volgens de politieke analist Germán Gorraiz López speelt de erfenis van generaal Franco wel degelijk een rol bij de repressieve wetten en “het uitsterven van de vrijheid van meningsuiting in Spanje”. De repressie, aangescherpt door een wet ingevoerd in 2015 onder de vroegere premier Rajoy, heeft als doel “weerspannige personen, groepen en entiteiten die ingaan tegen de belangen van het Spaanse establishment te criminaliseren”. 

De zaak van rapper Hasél staat niet op zichzelf. Volgens Amnesty International werden in 2018-’19 zeventig personen veroordeeld op basis van de Rajoy-wet. Een andere rapper vluchtte naar België nadat hij tot drie-en-een-half jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Ook hij zou de monarchie hebben beledigd en terroristische groepen hebben geprezen.  

Spanje scoort binnen Europa slecht op het gebied van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Volgens de RSF-persvrijheidsindex van 2020 staat Spanje op de 29e plaats, ver achter Nederland (5e) maar ver achter ook Portugal (10e).

Om de situatie in Spanje te vergelijken met die in Turkije of Marokko, zoals sommige Spaanse persvrijheidsactivisten doen, gaat wat ver, maar er is nog wel erg veel werk aan de winkel. De huidige linkse regering wil af van de strenge Rajoy-wetten en van gevangenisstraffen voor ‘opiniemisdrijven’. Oproepen tot haat en geweld zouden wel strafbaar moeten blijven, conform de wetgeving in andere landen van de Europese Unie. De regering van premier Sanchez is echter nog niet met een concreet wetsvoorstel gekomen. 

De enorme polarisatie die de zaak-Hasél in Spanje teweeg heeft gebracht toont aan dat er nog iets anders aan de hand is. Oude demonen steken hun kop weer op. Spanje blijft een verdeeld land, waar een tot voor kort vrij onbekende rapper voor de één een strijder voor het vrije woord is en voor de ander een crimineel die in de gevangenis thuishoort.

Ook gepubliceerd op Joop 19 februari 2021: https://joop.bnnvara.nl/opinies/oude-demonen-steken-de-kop-op-bij-arrestatie-spaanse-rapper