Ook tijdens de coronacrisis: continue aanval op de vrije pers door Trump

Na haast tweeënhalf uur naar president Trump te hebben geluisterd, duizelde het de ervaren BBC-correspondent Jon Sopel. De persconferentie op 13 april was, schrijft hij, jaw-dropping, eyeball-popping en head-spinning. Trump was woedend op de journalisten die het lef hadden hem kritisch te bevragen over zijn inspanningen om de corona-epidemie, die op dat moment al aan 23.000 Amerikanen het leven had gekost, in te dammen.

Donald Trump met verslaggevers

“Schandalig, je bent nep” riep Trump tegen een CBS-verslaggeefster die durfde door te vragen nadat hij de aanwezige journalisten een filmpje had laten zien, dat meer weg had van een campagnespot. De bizarre persconferentie, met een bij tijden ongeremd ruziënde en grove Trump, illustreerde eens te meer de uniek problematische verhouding die de Amerikaanse president heeft met de media. 

Volgens het donderdag 16 april verschenen rapport ‘The Trump Administration and the Media’ van het Committee to Protect Journalists (CPJ) brengt Trump met zijn vijandigheid ten opzichte van de journalistiek de Amerikaanse democratie in gevaar. Ook de persvrijheid in de Verenigde Staten en veel andere landen loopt door Trumps optreden grote schade op. Autoritaire leiders in landen als Hongarije, Turkije, China, Egypte en de Filipijnen voelen zich door Trumps agressieve mediadiscours gesteund. De boodschap aan elke autocraat of dictator ter wereld is: het is ok om op te treden tegen journalisten, ze zijn immers “de vijanden van het volk”, persvrijheid is niet langer belangrijk. 

Trump voert voortdurend aanvallen uit op de pers. En op allerlei manieren. Bijvoorbeeld tijdens zijn verkiezingsbijeenkomsten, bij persconferenties en op Twitter. Daarnaast probeert hij de eigenaren van hem onwelgevallige media aan te pakken. Amerikaanse journalisten worden lastiggevallen als ze, komend vanuit het buitenland, de Verenigde Staten binnen reizen. Beroep doen op de Amerikaanse Wet Openbaarheid Bestuur wordt hoe langer hoe lastiger. Kortom: de journalistiek in de Verenigde Staten is in de verdrukking. 

In het oog springend is Trumps activiteit op Twitter. De denktank US Press Freedom Tracker, die een database aanlegde ten behoeve van het rapport, telde vanaf zijn verkiezingscampagne vijf jaar geleden, meer dan tweeduizend tweets met aanvallen op media en journalisten. Meer dan honderd individuele journalisten worden met name genoemd. Ze zijn corrupt, oneerlijk, gek, stom, nep, vuilnis, laag-bij-de-gronds of schandalig. In honderden tweets maakt hij The New York Times, CNN, NBC, MSNBC, The Washington Post en tientallen andere expliciet genoemde media uit voor vijanden van het volk en hun verslaggeving is walgelijk en fake. Zelfs het Trump gunstig gezinde Fox News ontkomt zo nu en dan niet aan de toorn of hoon van de president. 

Uitgekiende strategie om media zwart te maken
Wat is het doel van Trumps onvermoeibare kruistocht tegen de media? Is het ijdelheid, emotie, dommigheid, kan hij niet tegen kritiek? Volgens de schrijver van het CPJ-rapport Leonard Downie, hoogleraar journalistiek en ex-hoofdredacteur van de Washington Post, is er meer aan de hand. Er is wel degelijk sprake van een uitgekiende strategie. 

Downie interviewde voor zijn rapport meer dan 40 vooraanstaande journalisten, hoge ambtenaren, mediajuristen en andere academici. Hun grotendeels gedeelde conclusie is dat Trump opzettelijk en planmatig probeert de media te intimideren en zwart te maken. Downie citeert CBS-correspondent Leslie Stahl die een persoonlijke ontmoeting had met Trump vlak voor de opname van haar programma 60 Minutes, eind 2016. Hoewel zij alleen met Trump in de kamer was en er geen camera’s draaiden begon hij weer eens aan een van zijn scheldkanonnades tegen de media. “Ik zei tegen hem: weet u, dit is zo vermoeiend. Waarom doet u dit? Het verveelt en het is tijd om er mee op te houden. U heeft uiteindelijk de verkiezingen gewonnen. Waarom blijf u steeds zo hameren op de media?” “Weet je waarom ik het doe?” antwoordde Trump. Ik doe het om jullie allemaal in diskrediet te brengen, om de media te vernederen. Als jullie negatieve verhalen over mij schrijven zal niemand jullie meer geloven.”

Leslie Stahl herinnert zich haar verbijstering over hoe gecalculeerd Trump was. Het is, volgens haar, “allemaal een plan”. Ze zegt steeds bezorgder te zijn over de gevolgen van Trumps onophoudelijke tirades tegen de media. “Als je iets telkens maar herhaalt is de impact uiteindelijk enorm.” Die impact bestaat niet alleen uit de vele haatuitingen op sociale media van Trump-aanhangers, maar ook uit fysieke bedreigingen. Vooral tv-journalisten die bekend zijn bij het grote publiek moeten het ontgelden. Het beroep van journalist is verdacht gemaakt.

Voor iemand die zo neerkijkt op de media en zo haatdragend is, is het opmerkelijk dat de president journalisten niet mijdt. Trump wordt zelfs gezien als de meest toegankelijke president in de laatste dertig jaar. Mike Bender van de The Wall Street Journal constateert in het CPJ-rapport dat Trump erop gebrand is om “met de pers om te gaan, hij wil ons dicht bij hem in de buurt hebben”. “Maar dan begin hij met zijn tirades….”

Belang van zichtbaarheid
Als vroegere reality-tv-ster beseft Trump het belang van zichtbaarheid. Het gaat hem vooral om fotomomenten als hij buitenlandse leiders ontmoet, informele ontmoetingen met schreeuwende verslaggevers als hij in zijn ronkende Marine One helikopter stapt en andere “optredens” die leiden tot zendtijd in de belangrijke journaals. Daartoe horen ook zijn woede-uitbarstingen tijdens persconferenties met de “nep-media”. Zijn achterban loves it. 

Ook BBC-journalist Jon Sopel was maandag verbaasd dat de president alle tijd nam om met de journalisten in debat te gaan, zij het op zijn eigen bijzondere manier. “We hebben dus een president die ons kennelijk haat. Maar. Maar. Maar. Hij bleef wel aanwezig en beantwoordde gedurende meer dan anderhalf uur de vragen. Hij was als een muziekgroep op afscheidstournee die steeds een toegift wil spelen. Hij geniet ervan. Hij is in zijn element. En tegelijkertijd haat hij ons.”  

Geloofwaardigheid van media geërodeerd bij Trump-aanhangers
Trumps stelselmatige haat- en delegitimatie-campagne heeft tot gevolg -zo concludeert het CPJ-rapport- dat de geloofwaardigheid van de Amerikaanse media, vooral bij zijn aanhangers, ernstig is geërodeerd. Peiling na peiling toont aan dat met name de Amerikanen die Republikeins stemmen de journalistiek niet meer vertrouwen. Het CPJ-rapport haalt een in maart gedane peiling aan waaruit blijkt dat 62% van de ondervraagden ervan overtuigd was dat de media de risico’s van het COVID-19 virus schromelijk overdreef. 

De Trumpaanhangers geloven alleen de nieuwsbronnen die ze politiek vertrouwen, zo constateert het CPJ-rapport, ongeacht het waarheidsgehalte van de informatie. Het angstaanjagende is dat de polarisatie in de VS zich niet beperkt tot de politiek, ideologie en emotie. Er is ook een polarisatie over de feiten, over wat waar en onwaar is. “Mensen construeren hun eigen realiteit, uit een keuze aan media waarmee ze instemmen”, zegt Mark Lukasiewicz, directeur van een gerenommeerde journalistieke opleiding. 

Volgens het CPJ-rapport wordt het fundamentele “recht om te weten” en de controlerende rol van de media in een democratie, door Trump in gevaar gebracht. “Het is een Orwelliaans spervuur van woorden die het doel van de journalistiek, mensen die journalistiek beoefenen en de organisatie waarvoor ze werken in diskrediet brengt”, constateert de vroegere CNN-nieuwspresentator Frank Sesno. “Het is een continue aanval op een vrije pers.”

Hoe moeten media en journalisten reageren?
De vraag is: hoe moeten de media en journalisten antwoorden op Trumps pogingen hun geloofwaardigheid kapot te maken? In misschien het interessantste gedeelte van het CPJ-rapport wordt duidelijk hoe het niet moet; niet zelf partijdig worden, feiten en opinies door elkaar halen en je laten leiden door afkeer van Trump. Als de media niet langer de rol van waakhond spelen maar van aanvalshond, dan is er iets mis en dragen journalisten zelf bij aan de polarisatie.

De kunst is om verantwoordelijke, transparante journalistiek blijven bedrijven. Het blijft belangrijk de vele leugens van Trump te fact checken, zonder partijdig te worden. Daarnaast moeten de media assertief voor zichzelf opkomen en voor hun rol in een democratie. Dat kan betekenen dat “de normale relaties tussen media en regering worden opgeschort”.

Hoogleraar journalistiek Jay Rosen bepleit dat nieuwsmedia hun berichtgeving over Trump “bijstellen”. Zo zouden de media niet langer zijn toespraken, verkiezingsbijeenkomsten en persconferenties automatisch live moeten verslaan, al is het goed voor de kijkcijfers.

CPJ heeft het rapport voorafgaande aan publicatie aan president Trump gestuurd en gevraagd om een gesprek. In een reeks aanbevelingen wordt de president onder andere gevraagd publiekelijk de rol van een vrije pers in een democratie te erkennen en te benoemen, zeker in tijden van de COVID-19 crisis. Benieuwd wat zijn reactie zal zijn. Mijn voorspelling: dit is een fake rapport, geschreven door een stelletje nitwits. 

Eerder verschenen op Villamedia, 16 april 2020

Marokko legt kritische journalist Bouachrine zwijgen op

De Marokkaanse journalist Taoufik Bouachrine (1969), hoofdredacteur en medeoprichter van de onafhankelijke krant Akhbar al-Youm, is in een nachtmerrie beland. Kringen rond de Marokkaanse koning Mohammed VI en de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman zijn erin geslaagd deze journalistieke luis in de pels met een jarenlange gevangenisstraf het zwijgen op te leggen.

Taoufic Bouachrine met zijn echtgenote Asmae Mousaoui

Bouachrine botste de afgelopen jaren meermaals met de Marokkaanse justitie vanwege artikelen waarin politieke corruptie werd onderzocht en aan de kaak gesteld. Begin 2018 schreef hij een kritische column over een van de machtigste en rijkste mannen van Marokko: minister van Landbouw Aziz Akhannouch, die eigenaar is van het Akwa-conglomeraat (olie, gas, kunstmest, visserij, luchtvaartmaatschappij Afriquia) en voorzitter van de koningsgezinde regeringspartij RNI.

Bouachrine wees er herhaaldelijk op dat de zakelijke belangen van de puissant rijke Akhannouch – als ontvanger van miljoenensubsidies – en zijn politieke activiteiten tot een ongeoorloofde belangenverstrengeling hebben geleid. Akhannouch sleepte de journalist al in 2015 voor de rechter met de eis hem een beroepsverbod van tien jaar op te leggen. In december 2018 legde de rechter hem een boete op van 130.000 euro wegens belediging van de zakenman-politicus.

Bouachrine zat toen al haast een jaar in de gevangenis wegens ‘verkrachting, aanranding en mensensmokkel’. Hij werd veroordeeld tot twaalf jaar cel tijdens een oneerlijk proces, aldus onder meer de VN-Mensenrechtenraad en Amnesty International. Een aantal Marokkaanse oppositiepolitici en de journalistenvakbond vroegen de koning om clementie voor Bouachrine.

Het mocht allemaal niet baten en in hoger beroep, in oktober 2019, werd zijn gevangenisstraf verlengd tot vijftien jaar. Volgens zijn collega’s en zijn echtgenote Asmae Moussaoui was er sprake van een politiek schijnproces en is de vrijheid van meningsuiting in Marokko in het geding.

Moussaoui wijst er ook op dat haar man kritisch was over de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman. Bouachrine’s vriend en collega, de inmiddels vermoorde journalist Jamal Khashoggi, had hem gewaarschuwd niet naar Saoedi-Arabië te reizen ‘als je niet vermoord wil worden’. In het dossier van de VN-Mensenrechtenraad wordt ook gewag gemaakt van een officiële klacht van Saoedi-Arabië bij Marokko over het journalistieke werk van Bouachrine.

Ondanks de nu haast twee jaar durende gevangenschap van Bouachrine geeft Moussaoui de moed nog niet op. Ze wil binnenkort naar het Europees Parlement om de dramatische situatie van haar man en het gebrek aan persvrijheid in Marokko aan de kaak te stellen.

Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer van 19 februari 2020

Veroordeling El Khalidi laat zien dat Marokko lak heeft aan vrije journalistiek

Haar zaak deed veel stof opwaaien. De Speciale VN-Rapporteur voor Vrijheid van Meningsuiting David Kaye en organisaties als Amnesty International, Human Rights Watch en Reporters without Borders kwamen op voor haar recht vrijelijk journalistiek te bedrijven. Haar misdaad? Ze had in december 2018 met haar mobiele telefoon een demonstratie gefilmd in Laayoune, de hoofdstad van de door Marokko bezette Westelijke Sahara.

Op 8 juli werd de 28-jarige Nazha el Khalidi door een Marokkaanse rechtbank in Laayoune veroordeeld tot een boete van 400 euro. Het had veel erger gekund. Ze riskeerde zelfs twee jaar gevangenisstraf omdat ze artikel 381 van het Marokkaanse Wetboek van Strafrecht had overtreden, dat bepaalt dat een beroep alleen kan worden uitgeoefend als “aan wettelijke professionele eisen is voldaan”. Volgens Human Rights Watch wordt deze wet ten onrechte toegepast bij (burger-) journalisten die proberen misstanden aan de kaak te stellen.

Waarschijnlijk heeft de internationale aandacht voor de zaak van Nazha el Khalidi tot gevolg gehad dat haar straf relatief laag uitvalt. Het is duidelijk dat de Marokkaanse autoriteiten van haar geen martelaar voor het vrije woord willen maken. Voorkomen moet immers worden dat de schijnwerpers worden gericht op de situatie in de vroegere Spaanse kolonie die, sinds het einde van de jaren zeventig, voor een groot deel in handen is van Marokko.

De wereldgemeenschap, inclusief Nederland, heeft de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara nooit erkend. Volgens de Verenigde Naties zouden de oorspronkelijke Saharaanse bewoners van het gebied, waarvan er 175.000 in vluchtelingenkampen in Algerije wonen, zich in een referendum moeten uitspreken over aansluiting bij Marokko, autonomie of onafhankelijkheid.  Dit recht op zelfbeschikking hebben de Saharanen tot dusver nooit kunnen uitoefenen.

In een in juni uitgekomen rapport van Reporters without Borders (RSF) wordt het gebied een “woestijn voor journalisten” genoemd. Niet omdat er nooit iets zou gebeuren, maar omdat uit de Westelijke Sahara pottenkijkers systematisch worden geweerd. Het gebied is een ware no-go zone voor journalisten, correspondenten en kritische buitenlandse waarnemers.

Zo werden op 19 mei vijf Spaanse en twee Noorse juristen, die het proces in Laayoune tegen Nazha el Khalidi wilden bijwonen, het land uitgezet. Op 23 juni herhaalde dit scenario zich met drie Spaanse advocaten, die ervan werden beschuldigd “vijandige bedoelingen ten opzichte van Marokko” te hebben.

Volgens RSF is de Westelijke Sahara is een soort zwart gat, een news black hole, waar alleen journalisten van Marokkaanse media die het regeringsverhaal reproduceren, zo nu en dan welkom zijn. “Marokko voert een politiek waarbij systematisch buitenlandse journalisten uit de Westelijke Sahara worden geweerd. Lokale burgerjournalisten, die een niet-officiële versie van het nieuws naar buiten proberen te brengen, onder andere via sociale media, worden zwaar vervolgd en gestraft.

Volgens het RSF-rapport hebben lokale Saharaanse journalisten te maken met “martelingen, arrestaties, fysieke mishandeling, intimidatie, pesten, smaad, technologische sabotage en langdurige gevangenisstraffen”. Drie Saharaanse journalisten/activisten zitten op dit moment straffen uit van respectievelijk 6, 20 en 25 jaar in Marokkaanse gevangenissen.

De tweeledige blokkade -geen buitenlandse media en geen lokale stemmen toelaten- heeft ervoor gezorgd dat er nauwelijks nieuws naar buiten komt.

Het moedige werk van Nazha el Khalidi en van haar collega’s bij het Saharaanse mediacollectief Equipe Média is daarom des te opmerkelijker. Uitdrukkelijk doel van de jonge media-activisten, is de informatieblokkade te doorbreken met teksten, foto’s, video’s en uitingen op sociale media die een alternatief verhaal vertellen. In de Spaanse krant La Vanguardia zegt Nazha el Khalidi ondanks de veroordeling en ondanks alle risico’s door te willen gaan met haar journalistieke werk.

Marokko scoort dit jaar met een 135e plaats (van 180 landen) laag op de World Press Freedom Index van Reporters without Borders. Niet alleen verslag doen van de situatie in de Westelijke Sahara, van de demonstraties in de noordelijke Rif-regio of berichten over het koningshuis wordt beantwoord met criminalisering en repressie. Ook van onafhankelijke onderzoeksjournalistiek zijn de Marokkaanse autoriteiten niet gediend.

Het Committee to Protect Journalists (CPJ) publiceerde op 1 juli een rapport over het klimaat “van voortdurende surveillance, intimidatie en plagerijen” waar Marokkaanse onderzoeksjournalisten mee te maken hebben. De autoriteiten installeren geavanceerde spyware op de laptops of mobiele telefoons van kritische journalisten en correspondenten.

De Marokkaanse journalist Ali Lmarabet reist veel op en neer tussen zijn woonplaats Barcelona en Marokko. Hij schrijft veel over “delicate” onderwerpen, zoals de situatie in de Rif en de Westelijke Sahara. In 2003 werd hij tot 3 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij de koning zou hebben beledigd. In 2004 kreeg hij amnestie en werd uit de gevangenis ontslagen, maar kreeg wel een Marokkaans beroepsverbod opgelegd vanwege zijn artikelen over de Westelijke Sahara. Lmarabet vertelt CPJ dat hij voortdurend wordt geconfronteerd met malware op zijn laptop, elke keer als hij in Marokko is geweest.

Een van de meest effectieve middelen die de autoriteiten hebben om de journalistiek te controleren is de (niet-) verstrekking van perskaarten. Zonder persaccreditatie mag je het journalistieke beroep in Marokko niet uitoefenen en kun je als freelancer ook geen artikelen verkopen aan Marokkaanse media. Deze praktijk druist uiteraard in tegen de elementaire rechten van persvrijheid en vrije meningsuiting. Onder andere Nazha el Khalidi werd er het slachtoffer van. Maar ze is niet van plan zich de mond te laten snoeren. 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd door VillaMedia op 9 juli 2019

De Panama papers, Khadija en persvrijheid

Fantastisch! De UNESCO/Guillermo Cano Persvrijheidsprijs 2016 is toegekend aan de Azerbeidjaanse onderzoeksjournalist Khadija Ismaiylova. Ze zal de prijs –een geldbedrag van $25.000- niet zelf in ontvangst kunnen nemen op persvrijheidsdag 3 mei, want ze zit in de gevangenis. Khadija is tot zevenenhalf jaar veroordeeld wegens “zwendel, belastingfraude en machtsmisbruik”.

4200

De UNESCO-prijs, de belangrijkste internationale onderscheiding op het gebied van persvrijheid en genoemd naar de in 1986 vermoorde Colombiaanse journalist Guillermo Cano, is dik verdiend. Niet alleen voor Khadija maar het is ook een opsteker voor alle dappere onderzoeksjournalisten in ’moeilijke landen’.

Ik was diep onder de indruk van Khadija toen ik haar meemaakte tijdens de internationale persvrijheidsdag in Parijs, 3 mei 2013. Ze stelde lastige vragen. Brutaal. Humoristisch. Nam geen blad voor de mond en bleek niet bereid compromissen te sluiten als het om het zoeken naar waarheid gaat.

Recentelijk werden, via de Panama Papers, details bekend gemaakt over de corrupte praktijken van Azerbeidjaans’ president Ilham Aliyev en zijn familie. Aliyev’s twee dochters blijken 56% van de aandelen te bezitten van een consortium van goudmijnen in het land. Het consortium mag 70% van de winst houden, 30% is voor de staatskas. Fijne regeling…

Ook andere leden van Aliyev’s familie en entourage blijken betrokken te zijn bij schimmige zakendeals. De presidentiele offshore family heeft grote delen van Azerbeidjaans’ mijnbouw, banken, toerisme, media en hoogwaardig vastgoed in handen.

De Panama Papers bevestigden eerdere publicaties van onder andere het OCCRP en de organisator van het Panama-consortium, het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ). Sterreporter bij al dat graaf- en speurwerk in Azerbeidzjan de afgelopen jaren was freelance journalist Khadija Ismayilova.

Een van de interessantste aspecten bij de reuze scoop van de Panama papers is de deelname aan het consortium van veel media organisaties uit dictatoriale of autoritaire landen in het Midden-Oosten, Oost-Europa, Centraal-Azië en Afrika. Onderzoeksjournalistiek in die landen brengt enorme risico’s met zich mee maar het gebeurt en wordt steeds professioneler. Publicatiemogelijkheden op online platforms, grotere kennis van datajournalistiek en nieuwe onderzoekstechnieken en vooral ook het regionaal en internationaal netwerken van onderzoeksjournalisten, heeft aan de hausse bijgedragen.

Die betere en agressievere (onderzoeks-)journalistiek is, denk ik, een zegen voor meer persvrijheid in de wereld. Je kunt Khadija en haar collega’s in de gevangenis zetten maar –zo blijkt- steeds moeilijker de mond snoeren.

Eerder gepubliceerd in Villamedia mei 2016

Een ongemakkelijke waarheid

Turkije staat de afgelopen maanden hoog op de politieke agenda. Het land speelt een sleutelrol in verschillende koppijndossiers van de Europese Unie. Maar Turkije is meer dan een belangrijk schaakstuk in de vluchtelingencrisis en het Syrische conflict.

Het staat op vele manieren dichtbij ons. Als fantastisch vakantieland, als land van afkomst van veel van onze landgenoten, als belangrijke handelspartner en als mogelijk EU-lidstaat.

Alle reden om een goede band met Turkije en vooral met haar inwoners te koesteren.

En bij een goede band hoor je elkaar ook de waarheid te kunnen zeggen, ook al is die soms ongemakkelijk. De waarheid is dat Turkije langzaam dreigt toe te groeien naar een politiestaat, waarin journalisten, advocaten, minderheden en tegenstanders van het regime de eerste slachtoffers zijn.

zaman_261_366_c1

De rol van de pers is belangrijker dan het lot van een individuele verslaggever, die monddood wordt gemaakt vanwege kritiek op het regime. Met deze verslaggever dooft het licht op cruciale beslissingen van het Turkse regime voor de gehele Turkse natie. En helaas gaat het daarbij niet langer om een enkele kritische journalist, die door het Turkse regime steevast voor terrorist wordt uitgemaakt.

Met het insnoeren van de persvrijheid wordt niet alleen het Turkse publiek het recht op betrouwbare informatie ontzegd. Voor de internationale publieke opinie is vrije nieuwsgaring in Turkije door Turkse en internationale journalisten van cruciaal belang.

Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn basale, universele mensenrechten. Zonder deze rechten zijn andere mensenrechten – zoals het recht op leven – niet controleerbaar.

Journalisten die kritisch en onafhankelijk zijn en niet blindelings de regering steunen, worden bestempeld als landverrader, spion, crimineel of terrorist. Het monddood maken van journalisten en het niet toelaten van pluralisme en diversiteit in de media, is in strijd met alles waar Europa voor zegt te staan: mensenrechten, vrijheid en democratische waarden.

Rechtszaken tegen journalisten zijn aan de orde van de dag, waarbij levenslang een bijna gangbare eis is. Zeker 30 journalisten zitten achter de tralies, er zijn geregeld invallen bij redacties, Twitter en YouTube worden regelmatig op zwart gezet en er zijn regelmatige meldingen van geweld tegen (foto)journalisten. Ook buitenlandse journalisten blijven niet buiten schot. Nog geen 6 maanden geleden moest de Nederlandse journaliste Fréderike Geerdink gedwongen het land verlaten na kritische berichtgeving. Deze maand moest ook een Noorse journaliste vertrekken.

De provocatie van afgelopen vrijdag, waarbij Zaman, de grootste oppositiekrant van Turkije onder dreiging van geweld bruutweg door het regime is overgenomen, is een nieuw dieptepunt. Met deze inval zijn de 1000 medewerkers van het krantenconcern in één klap monddood gemaakt. En met hen de miljoenen lezers, die in deze krant een kritische volger van het regime vonden.

Een dag na de machtsovername was er niets meer van over. De hoofdredacteur afgezet, de redactie gedwongen alle kritische stukken over het regime uit de krant te houden.

Je vraagt je af wat de volgende stap zal zijn?

Hoe lang kunnen Europa en Nederland dit Turkije als een serieuze gesprekspartner blijven behandelen, waarbij het onderwerp persvrijheid in een bijzin wordt afgedaan?

Persvrijheid moet bespreekbaar worden gemaakt in het overleg met Turkije. Dat doet niet alleen recht aan de erbarmelijke situatie voor journalisten in het land, het is de enige manier om weer te kunnen praten met Turkije als een democratische staat.

Anders is Europa met Timmermans voorop vooral bezig om zich dieper in een moeras te laten trekken, waarin fundamentele mensenrechten worden uitgeruild tegen korte termijnoplossingen.

Auteurs: Thomas Bruning, algemeen secretaris, Jan Keulen, bestuurslid Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ)

  • Deze column verscheen ook in een extra editie van Zaman Vandaag en online bij Zamanvandaag.nl

Niets is waar, alles is waar en de rest is propaganda

In een achtergrondverhaal probeerde NRC-correspondent Guus Valk onlangs de vraag te beantwoorden hoe het profiel eruit ziet van de Donald Trump-achterban. Trump-aanhangers, zo blijkt, hebben geen hoge pet op van de journalistiek, geloven de gevestigde media voor geen cent en zijn niet afkerig van samenzweringstheorieën.

trump

Valk voert een man op die zegt in Trump geïnteresseerd te zijn geraakt toen deze Obama’s geboorteland ter discussie stelde. Hoewel Obama’s geboortebewijs aangeeft dat hij in de VS is geboren, zou dat volgens de Trump-aanhanger, wel vervalst zijn. Ook is hij – net als Trump – ervan overtuigd dat Obama eigenlijk moslim is. Opperrechter Antonin Scalia, die in februari op 79-jarige leeftijd overleed, was vermoord. ‘Ze vonden een kussen op zijn gezicht, aldus Trump. Dat dit door geen enkele serieuze nieuwsbron wordt gestaafd is niet het probleem van presidentskandidaat Donald J. Trump.

Trump zelf liet meermalen weten niets op te hebben met de journalistiek en het journaille. Sinds hij kritisch werd geïnterviewd door Fox-journaliste Megyn Kelly wordt ook deze conservatieve zender door hem geboycot. Volgens Guus Valk speelt Trump voortdurend met de waarheid omdat we, zoals hij zegt, niet meer weten wat waar is en wat niet. Daarom moet Amerika het zekere voor het onzekere nemen en een muur bouwen om de illegale immigranten buiten te houden en moslims verbieden naar de VS te komen.

Trumps’ houding ten opzichte van de journalistiek lijkt curieus veel op die van een man die hij grenzeloos zegt te bewonderen: president Vladimir Poetin. Poetin’s belangrijkste propaganda orgaan in het Westen is Russia Today. In een interessante analyse van Russia Today’s directeur Pavel Koshkin wordt met zoveel woorden gezegd dat echte objectiviteit niet bestaat en dat bij een geopolitieke confrontatie journalisten natuurlijk existentiële keuzes maken en de ‘eigen’ kant kiezen.

Informatieoorlogen horen nu eenmaal bij de èchte oorlog die op de grond wordt uitgevochten. Vanuit die perceptie is alle journalistiek propaganda en onpartijdigheid een mythe. Koshkin schildert een situatie waarbij Westerse experts het hebben over ‘het cynisme, het gevaar en de agressiviteit van de Kremlin propaganda’, terwijl Russische experts geobsedeerd zijn door de ‘Westerse hegemonie’ in de internationale berichtgeving en een tegengeluid willen laten horen.

Koshkins’ artikel verscheen als reactie op de zorgen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) over de rol van propaganda, vooral in het conflict in de Ukraine. De OVSE-vertegenwoordigster voor Persvrijheid,  Dunja Mijatović, probeerde een dialoog op gang te brengen tussen Ukraïnse en Russische journalisten en organiseerde trainingen journalistieke ethiek voor jonge journalisten uit beide landen. Op haar initiatief werd in februari de bijeenkomst gehouden in Wenen over ‘Propaganda voor Oorlog en Haat en Persvrijheid’.

Een van de conclusies van die bijeenkomst was dat het bloedgevaarlijk is als het publieke domein wordt beheerst door propaganda. Het wordt dan moeilijker aan betrouwbare informatie te komen en mensen kunnen niet langer hun meningen en ideeën vrijelijk uitdragen. Een effectief antwoord op propaganda is daadwerkelijke persvrijheid, media pluralisme en kwalitatieve journalistiek.

Propaganda die rechtstreeks oproept tot haat, geweld, vijandschap, onverdraagzaamheid en discriminatie moet, volgens het internationaal recht, strafbaar gesteld worden. Maar in werkelijkheid neemt de afgelopen jaren de stortvloed aan misleidende informatie, stereotyperingen en leugenachtige berichten over complottheorieën, gemartelde kinderen, massagraven en aanrandingen alleen maar toe. Dat geldt zeker voor de berichtgeving over conflicten aan de rand van Europa; in de Ukraine, Turkije en het Midden-Oosten.

Het feit dat iedereen voor journalist kan spelen via sociale media heeft het probleem verergerd. Volgens Dunja Mijatović maken het globale open medialandschap en de sociale netwerken het onzinnig propaganda met anti-propaganda te beantwoorden of bepaalde TV-zenders of websites te blokkeren. Als je eenmaal met censuur begint, is het einde zoek.

Sommigen hebben Trumps’ succesformule samengevat als: social media + reality TV: korte, kernachtige boodschappen en het vasthouden aan een (autoritair) personage dat kennelijk bij velen tot de verbeelding spreekt. In de wereld van Donald Trump en Vladimir Poetin is de grens tussen werkelijkheid en fictie vervaagd.  Het is een geraffineerd en opportunistisch spelen met de werkelijkheid, waarbij waarheidsvinding of ethische waarden van ondergeschikt belang zijn. Het is: propaganda.

Het beste antwoord op propaganda is moedige, professionele en onderzoekende journalistiek. Wat dat betreft rust er een grote verantwoordelijkheid op de schouders van het ‘journalistieke gilde’; individuele journalisten en journalistieke beroepsorganisaties. Journalistiek is tenslotte de discipline die pretendeert te achterhalen wat er werkelijk gebeurde, gebeurt en mogelijk zal gebeuren.

 

Eerder gepubliceerd op: http://www.nvj.nl (7 maart)

2015: mes op de keel van onafhankelijke journalistiek

De jaarwisseling is traditioneel aanleiding voor lijstjes. De donkerste dagen van het jaar zijn kennelijk geschikt om de balans op te maken. Van de beste oliebollenbakkers van het AD, de Top 2000 van Radio 2, tot de landen die in de ogen van the Economist er het beste van afbrachten in 2015.

Dat was Myanmar overigens. Vijf jaar geleden mochten media zelfs geen foto van Aung San Suu Kyi publiceren, maar in november 2015 won zij de verkiezingen met 77% van de stemmen. Er is dus licht in de duisternis. Heel soms.

violence-against-journalists

Dat geldt niet voor het geweld tegen journalisten. De Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) en andere persvrijheidsorganisaties publiceerden hun macabere lijstjes van journalisten die in 2015 werden gedood bij de uitoefening van hun beroep. De IFJ telde 109 journalisten die werden vermoord of die omkwamen bij gewelddadige incidenten die ze fotografeerden, filmden of anderszins versloegen. Volgens de IFJ, waar journalistenbonden uit de hele wereld bij zijn aangesloten, waren in 2015 Zuid-Amerika en het Midden-Oosten de gevaarlijkste regio’s met respectievelijk 27 en 25 gedode journalisten.

Andere organisaties publiceerden eveneens hun statistieken, die lichtjes van elkaar verschillen, maar uiteindelijk wel dezelfde trends bevestigen: 2015 was een bloedig jaar voor de journalistiek en met name het jihadistisch geweld van IS en aan al Qaeda verbonden groepen eisten een hoge tol.

Het Committee for the Protection of Journalists telde 69 journalisten en drie andere mediawerkers die vanwege hun beroep waren gedood; 25 gevallen van gedode journalisten waren nog in onderzoek. Reporters Without Borders heeft een ‘barometer’ die eind 2015 op 64 bevestigde gevallen van gedode journalisten stond, zes andere mediawerkers (bijvoorbeeld tolken, chauffeurs, fixers) en 18 bloggers en burgerjournalisten werden eveneens vermoord. De Death Watch van International Press Institute telde 98 bevestigde gevallen van moord, waarvan 39 journalisten die door extremistische moslimgroepen waren gedood.

De verschillen in de cijfers worden verklaard doordat de organisaties niet exact dezelfde criteria hebben, niet overal ter wereld even actief en aanwezig zijn (met uitzondering van de IFJ) en journalisten pas toegevoegd worden aan de treurige statistieken als onomstotelijk is vastgesteld dat ze inderdaad bij de uitoefening van hun beroep zijn overleden.

De bij de jaarwisseling gepubliceerde lijstjes zijn nog niet definitief. Volgens IPI is er gerede kans dat het dieptepunt van 2012, toen 133 journalisten vanwege hun werk werden gedood, ook in 2015 wordt gehaald of dat de eindbalans zelfs nog dramatischer wordt.

Het spreekt haast vanzelf dat de IFJ en andere organisaties eind december een beroep deden op regeringen overal ter wereld en op de VN om een einde te maken aan de straffeloosheid. De meeste moorden van journalisten in bijvoorbeeld de Filipijnen en Latijns-Amerika blijven onbestraft. Ook klonk de roep om nationale en internationale wet- en regelgeving toe te passen, die journalisten bescherming moeten bieden. Journalisten zijn burgers die gewoon hun werk doen en ze zijn wel een heel gemakkelijke prooi voor malafide lokale autoriteiten, drugsbaronnen en milities die meestal nog vrijuit gaan ook.

Wat ik de meest beangstigende ontwikkeling vind is de toename van gerichte aanvallen op (burger-) journalisten door organisaties die met al Qaeda verbonden zijn en door de Islamitische Staat-groep. Regimes die weinig op hebben met persvrijheid zijn niets nieuws. Lakse, corrupte bestuurders of criminelen die de pest hebben aan openbaarheid zijn sinds jaar en dag de vijanden van het vrije woord. Maar een jihad tegen de medewerkers van Charlie Hebdo of het gericht vermoorden van Syrische of Iraakse journalisten en media-activisten die de misdaden van IS aan de kaak stellen: dat is relatief nieuw, althans in de omvang van 2015.

Deze jihad belichaamt niet alleen een kolossaal, fysiek gevaar voor kritische journalisten, maar belemmert ook de vrije nieuwsgaring in grote delen van het Midden-Oosten. En dat heeft weer tot gevolg dat de publieke opinie, zowel de lokale en de internationale, minder goed geïnformeerd is.

Onafhankelijke journalistiek die simpelweg wil vertellen wat er gebeurt en waarom, wordt –vergeef mij de morbide metafoor- het mes op de keel gezet. Er is sprake van een fanatieke, ideologische stroming die trots is op het vermoorden van kritische geesten, die vijandig staat ten opzichte van journalistiek, absoluut in zijn eigen propaganda gelooft en op geen enkele manier andersdenkenden duldt.

In de confrontatie met deze stroming staan (burger-) journalisten in de voorste linies. Misschien nog wel meer dan de bommenwerpers van de coalitie. Want uiteindelijk is informatie essentieel en is het vooral een ideeën strijd die gewonnen moet worden.

IFJ CALLS FOR INTERNATIONAL PROTECTION FOR JOURNALISTS AFTER 109 KILLINGS IN 2015

05 January 2016

2015 has been another deadly year for journalists, with at least 109 journalists and media staff killed in targeted killings, bomb attacks and cross-fire incidents, according to the International Federation of Journalists (IFJ).

The IFJ 2015 List names the 109 journalists and media staff killed across 30 countries, together with 3 who died of accidental deaths. It marks a small drop from last year when 118 killings and 17 accidents were recorded.

This year, the killing of journalists in the Americas topped the toll, at 27 dead. For the second year in a row, the Middle East comes second, with 25 deaths. Asia Pacific comes third, with 21– a drop on last year due to the big fall in violence in Pakistan. Africa is in fourth place with 19 dead, followed by Europe with 16.

2015 was marked, in particular, by an increase in targeted terrorist attacks against journalists. French journalists paid a disproportionately high price when terrorists gunned down media workers at the French satirical magazineCharlie Hebdo in Paris. In the United States, the killing by a disgruntled ex-employee of two former colleagues at US TV WDBJ in Virginia took place in front of a global TV audience during a live transmission.

“I reiterate once again my call to UN Secretary General Ban Ki-moon and the heads of UN agencies to enforce international laws protecting journalists. The attacks in Paris shocked the world and put on the world stage the tragedy of the drip-drip slaughter of journalists worldwide, which are today the only professional group that pays so dearly for just doing the job,” said Jim Boumelha, IFJ President. “Sadly, there were scores of unreported killings and unless the journalist is a well-known by-lined correspondent the world barely notices. Journalism is put daily to the sword in many regions of the world, where extremists, drug lords and reckless warring factions continue murdering journalists with impunity.”

In the Middle East, the IFJ has recorded an escalation of violence targeting media professionals by extremists in Iraq and Yemen, where there was a spike in killings and kidnappings, mainly of local journalists covering their cities, communities and countries.

In Latin America, the killings are mostly at the hands of drug lords who operate across borders, particularly in Mexico, putting journalists who investigate drug trafficking in the region at greater risk.

In the Asia Pacific, the IFJ has witnessed a spiraling climate of hostility toward media workers in the Philippines that has seen 7 journalists killed across the country and makes Philippines the deadliest place in the region. The Federation is particularly concerned over the state of impunity that surrounds killings of media workers in the country.

The Federation, which will publish its 25th full report on journalists and media staff killed in January 2016, says the momentum in recent years to promote greater media protection must lead to genuine steps to curb violence on media professionals. The Federation is urging the UN to take concrete measures and a strong stand against impunity for crimes targeting journalists.

The Federation has also been one of the main initiators of the Council of Europe’s Online Platform for the promotion of journalism and the safety of journalists, which has now become one of the most trusted observatories to record violations of journalists’ rights across Europe, with a view to promoting their safety.

“The IFJ reports over the last 25 years have clearly shown that journalists and media staff have become easy targets because there is very little respect for national and international laws that are supposed to protect them,” added Anthony Bellanger, IFJ General Secretary. “The current levels of violence against media workers have served as a wake-up call. They have opened a small window of opportunity to take drastic action to enforce these legal provisions, which should not be missed.”

The statistics on journalists and media staff killed in 2015 are as follows

As of 31 December 2015, the IFJ has recorded the following cases of killings:

– Targeted, bomb attacks and cross-fire killings: 109

– Accidents and Natural Disasters Related Deaths : 3

– Total Number of Deaths: 112

Among countries with the highest numbers of media killings are:

France: 11

Iraq: 10

Yemen: 10

Mexico: 8

India: 7

Philippines: 7

Honduras: 6

South Soudan: 6

Syria: 5

 

 

 

 

 

 

 

 

Interactief platform brengt persvrijheid in kaart

Ook Nederland is niet immuun. Volgens de website http://www.mappingmediafreedom.org vonden er in Nederland de afgelopen maanden zeven incidenten plaats die de vrije nieuwsgaring in gevaar brachten.

get-involved-img

Een recent voorval dat werd geregistreerd door het crowdsourcing-project Mapping Media Freedom vond plaats begin oktober in Amsterdam. Journaliste Anneke Verbraeken werd samen met enkele buitenlandse collega’s het werken onmogelijk gemaakt bij het verslag doen van een kleine demonstratie tegen de president van Rwanda. Deze werd gehouden buiten bij de RAI, waar binnen de nationale feestdag van Rwanda werd gevierd in aanwezigheid van president Kagame. De mannen die Verbraeken en andere journalisten het werken onmogelijk maakten en Verbraeken’s mobiel afpakten, horen waarschijnlijk tot de Rwandese veiligheidsdienst. Als die veiligheidsdienst in het buitenland zo op durft te treden hoef je je weinig illusies te maken hoe het in Rwanda is gesteld met de persvrijheid. Overigens werd bij diezelfde gelegenheid in Amsterdam ook de Rwandese journalist Serge Ndayizeye aangevallen. Door dezelfde heren. Zijn mobiel en andere apparatuur werd afgepakt. De officiële Rwandese propaganda-media berichtten dat Ndayizeye aangevallen was door de Nederlandse politie. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten…

Mapping Mediafreedom in Europe geeft een accuraat, betrouwbaar en actueel overzicht van schendingen van persvrijheid. Mooi dat het er is, maar ook onthullend dat het zo schrikbarend gesteld is met journalisten die lastig worden gevallen, met censuur en intimidatie van media, met name in Hongarije, Italië en de Balkanlanden. In Turkije werden de meeste incidenten geconstateerd en geverifieerd (75).

Veel informatie is afkomstig van journalistenbonden en persvrijheid organisaties, maar iedereen kan in principe bijdragen aan de databank. De Europese Federatie van Journalisten (EFJ), de koepelorganisatie waarvan ook de NVJ lid is, is een van de initiatiefnemers van dit interactieve project. Een mooi initiatief, want betrouwbare informatie is een eerste voorwaarde om effectief voor persvrijheid op te komen en slachtoffers van schendingen bij te staan. Sinds begin 2014 werden meer dan duizend incidenten gemeld: waaronder arrestatie van journalisten en geweld tegen mediawerkers. De werkelijke cijfers liggen hoger omdat niet alle gevallen werden geregistreerd en Rusland, Wit-Rusland en de Ukraine pas sinds september 2015 worden gevolgd.

Zie ook: https://www.nvj.nl/over-nvj/column/mapping-media-freedom

De Turkse “opnieuw-verkiezingen” en het gebrek aan persvrijheid

Ragip Duran is de correspondent in Turkije van het Franse dagblad Liberation. Duran werkte onder andere voor de Turkse krant Cumhuriyet, de Turkse afdeling van de BBC en voor AFP.

Ragip Duran:

Ragip Duran: “We hebben een sterke journalistenvakbond nodig in Turkije”.

In zijn blog Apoletli Medya (Media met Epauletten) analyseert en bekritiseert hij de Turkse media. Dat ‘epauletten’ sloeg op de periode dat de Turkse militairen de mediavrijheid beknotten. De regerende AK-partij heeft, volgens Duran, ten opzichten van journalisten, dezelfde autoritaire “jacobijnse” mentaliteit als het leger. Ik trof Duran tijdens de internationale conferentie voor Persvrijheid georganiseerd door de TGC (Turkse Journalisten Vereniging), EFJ (Europese Federatie van Journalisten) en IFJ (Internationale Federatie van Journalisten) in Istanbul op 17 september 2015.

“Turkije heeft een grondwetsartikel nodig zoals het first amendment in de VS. In de Turkse wetgeving wordt wel gesproken over persvrijheid, maar er volgt altijd een maar. En dan komen er allerlei voorwaarden die neerkomen op rechtvaardiging van censuur en beperkingen van persvrijheid.”

“Als vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in de Turkse grondwet zou worden gegarandeerd zou het onmogelijk zijn voor de president, de premier of zelf de provinciale gouverneurs om allerlei beperkingen op te leggen. Turkije is jammer genoeg geen rechtstaat. Tijdens de verkiezingsstrijd eerder dit jaar stelde de president van de republiek, die onpartijdig hoort te zijn, zich zeer partijdig op. De president hoort boven de partijen te staan maar Erdogan deed uitlatingen ten gunste van de AK en tegen de oppositiepartijen CHP en DHP.”

“De rechtspraak in Turkije is evenmin onafhankelijk. Voor de eerste keer in de Turkse geschiedenis zijn er nu twee rechters en drie openbare aanklagers tot gevangenisstraf veroordeeld omdat ze besluiten namen die de regering niet welgevallig waren. De rechterlijke macht is bang voor het paleis, bang voor Erdogan, bang om beslissingen te nemen waar de regering het niet mee eens is. De rechterlijke macht wordt gebruikt als repressiemiddel tegen de oppositie.”

“De Turkse regering begrijpt helaas niet wat de rol van journalisten is en waarom persvrijheid zo belangrijk is. Erdogan belde bijvoorbeeld met met de hoofdredacteur van de krant Milliyet om hem te vragen waarom hij journalisten in dienst had die hem bekritiseerden. Wat voor hoofdredacteur ben jij? Je moet die lui ontslaan, zei hij, waarom blijf je ze betalen? Erdogan heeft een erg Midden-Oosterse mentaliteit. Hij heeft de antidemocratische opvatting dat journalisten de regering horen te dienen of zelfs hem persoonlijk.”

De Turkse samenleving, de politiek en ook de media zijn erg gepolariseerd. Dit stelt Turkse journalisten voor dilemma’s… Is er iets tegen die polarisatie te doen?

“De polarisatie is helaas aanwezig op verschillende niveaus. Turken tegen Koerden. Secularisten tegen religieuze mensen. Soennieten tegen alevieten. Velen in Turkije hebben een erg zwart-witte manier van denken. Ze vergeten dat in het echte leven er ook andere tinten zijn. We kunnen de polarisatie in Turkije doorbreken als we iets doen tegen de mentaliteit van de pensee unique, als we het idee van diversiteit, van een veelkleurige maatschappij accepteren.”

“D’r is helaas ook een religieus aspect. De islam is een religie die niet alleen gaat over de verhouding tussen God en het individu maar een project heeft voor de hele maatschappij. Vooral de aanhangers van de politieke islam, de islamisten, hebben een erg eenzijdige, intolerante manier van denken.”

De Turkse journalist en schrijver Mustafa Akyol stelt dat islam wel degelijk te verenigen is met een tolerant mensbeeld, mensenrechten en persvrijheid.

“Ik heb z’n boek niet gelezen maar ik ken hem en z’n theorie. Ik denk dat de feiten zijn theorie weerspreken. Neem de regerende AK Partij in Turkije. Een parlementslid van die partij zei gisteren dat iedereen die op de oppositie, op de HDP gaat stemmen geen moslim is. Dit is toch ongelooflijk? In een democratie kun je zoiets toch niet zeggen? Dit soort islam en democratie zijn onverenigbaar. We zien hetzelfde in de Arabische landen. Politieke islam en democratie gaan niet samen.”

De afgelopen maanden is het conflict tussen het leger en de PKK weer opgelaaid, vooral in Oost-Turkije. Als journalist die hierover bericht speel je, of je wilt of niet, een rol in dit conflict. Is het mogelijk dat te doen op een manier die het conflict niet verder aanwakkert, die geen schade aanricht?

“In 1987-‘88 was ik hoofdredacteur van het eerste Koerdische dagblad dat in Istanbul in het Turks werd gepubliceerd. We probeerden vredesjournalistiek te bedrijven. We probeerden bijvoorbeeld de familie van een Koerdische guerrillastrijder samen te brengen met de familie van een omgekomen Turkse soldaat. Beide families woonden in Izmir. De zoon van de Koerdische familie was in de bergen met de PKK en gesneuveld.“

“We dachten dat het een goed idee was beide families, die immers beide een zoon hadden verloren, bij elkaar te brengen. We wilden geen politiek verhaal. We wilden het niet over het politieke conflict hebben, maar vooral naar de menselijke kant kijken. We wilden benadrukken dat er niets belangrijkers is dan vrede, dan het menselijk leven, zowel van Turken als van Koerden. Maar het werkte helaas niet.”

“Een van onze journalisten werkte drie maanden aan dit project. Ons idee was dat beide families begrip voor elkaar zouden krijgen en dat ze een oproep zouden doen het doden te stoppen: zowel van Turkse soldaten als van Koerdische militie. Het ging redelijk goed totdat de vader van de omgekomen soldaat, vlak voor de ontmoeting plaats zou vinden, het had over die honden van de PKK die zijn zoon hadden vermoord. Als de verantwoordelijke van de publicatie kon ik die uitdrukking PKK-honden niet toestaan. Net zomin als ik zou kunnen toestaan om Turkse soldaten honden te noemen. Honden is een vreselijk scheldwoord in Turkije, een zware belediging. Vooral aan Turkse kant is de polarisatie ver doorgevoerd. Koerden zijn over het algemeen toleranter.”

“Vandaag de dag zijn de tegenstellingen nog meer op de spits gedreven. Onze collega-journalisten die bij TV- of radiostations werken, of bij een krant, worden van samenwerking met terroristen beschuldigd als ze alleen al HDP-politici interviewen. De HDP is een partij die in het parlement zit. Die tachtig zetels heeft. Meer dan zes miljoen burgers van de 53-miljoen Turkse stemgerechtigden hebben op deze partij gestemd. De HDP heeft geen organisatorische band met de PKK en hamert erop dat de Koerdische kwestie niet kan worden opgelost met geweld, maar alleen door onderhandelingen. Net zoals er in Noord-Ierland onderhandelingen zijn geweest tussen de Britse regering en de IRA.

De Turks-nationalistische en anti-Koerdische gevoelen zijn zo sterk dat het lastig is voor een gewone journalist om een positieve rol te spelen en objectief nieuws te brengen. Als je tegen het geweld, tegen de oorlog bent word je automatisch beschuldigd een vriend of collaborator van de PKK te zijn.“

“Onze werk als journalisten is echt heel moeilijk in dit land. Of je hoofdredacteur durft je verhalen niet publiceren en dan ben je dus geneigd zelfcensuur toe te passen, of de openbare aanklager stelt een onderzoek in naar de krant of het medium waar je voor werkt.”

Na de verkiezingen in juni worden er nu opnieuw (op 1 november) parlementsverkiezingen gehouden omdat de resultaten van juni de AK-regering niet aanstonden.

“Het is voor de eerste keer in de Turkse politieke geschiedenis dat dit gebeurt, voor de eerste keer sinds de creatie van de Turkse republiek in 1923. In een democratie vormen de winnaars van de verkiezingen de regering. Dat is een elementair democratisch principe. En in het verleden hebben we in Turkije ook die democratische wisseling van de macht gezien. Maar de AK-partij en vooral Erdogan hechten overdreven groot belang aan wat zij de volkswil noemen. De AK had in juni 41% van de stemmen. Dat is niet genoeg om een regering te vormen. Het kan heel goed zijn dat straks op 1 november de verkiezingen ongeveer hetzelfde resultaat laten zien. Moeten we dan een derde keer naar de stembus? Hebben we verkiezingen net zolang totdat het resultaat de AK-partij naar de zin is?”

“Erdogan vond een term uit die in geen enkele politicologie leerboek te vinden is: opnieuw-verkiezingen. In het Turks hebben we de uitdrukking: de worstelaar die verliest wil altijd opnieuw beginnen met het gevecht.”

“De internationale gemeenschap speelt een steeds positievere rol. Bijvoorbeeld: Erdogan was woedend toen de Verenigde Staten hulp stuurde naar de strijders in Kobane. De PYD, de Koerdische militie in Kobane, wordt gezien als de zusterorganisatie van de PKK. Voor de Turkse regering is de PKK een terroristische organisatie en de PYD dus ook. Maar voor de Amerikanen is de PYD niet op hun list van terroristische organisaties.

Recentelijk toen het Turkse leger Cizre belegerde en gedurende negen dagen zelfs geheel van de buitenwereld afsloot was, deed de Europese Commissie een heel duidelijke uitspraak: antiterroristische strijd mag niet gericht zijn tegen burgers en de mensenrechten moeten worden gerespecteerd. Er werden in Gizre 17 burgers gedood door het Turkse leger. Twee dagen na die duidelijke uitspraak van de EC werd het beleg van Gizre opgeheven.”

Er zijn vijf journalisten organisaties. Is die verdeeldheid niet erg contraproductief?

“We hebben al een Platform ter Verdediging van Persvrijheid. Hier zijn zo’n tien organisaties en vakbonden bij aangesloten. Jammergenoeg zijn de afzonderlijke onderdelen van dit platform niet zo sterk en dus ook is het platform niet sterk. Het platform is aanwezig bij rechtszaken tegen journalisten en soms worden er demonstraties georganiseerd. Ik denk dat er geen alternatief is voor het versterken van de Turkse Journalistenbond. Een platform of samenwerkingsverband is ad-hoc. Ik geloof zelf dat de journalistenbond TGC een mooie toekomst heeft. Ze hebben nu een jong, dynamisch bestuur. Noemen zichzelf cool en trendy. (lacht) In minder dan twee jaar is het ledenaantal vervijfvoudigd.”

“Ik begon te werken als journalist in 1978 toen de vakbond erg sterk was. Als Turkse journalisten hebben we een geschiedenis, een traditie. Het gaat erom de bond te herbouwen. Het heeft ook te maken met het algemene politieke klimaat in Turkije. Als de AK-partij verslagen wordt in de verkiezingen en we een linksere regering krijgen zal er minder repressie zijn, minder beperkingen voor de pers.”