De dood van journalisten: blijf praten over Gaza

Journalist Hossam Shabat werd vermoord door het Israëlische leger

Israël vermoordde in Gaza een record aantal journalisten. Maar de poging alle Palestijnse verslaggevers – buitenlandse journalisten worden door Israël weggehouden – het zwijgen op te leggen is tot dusver mislukt.

Als jullie dit lezen ben ik gedood. Hoogstwaarschijnlijk in een gerichte aanval door de Israëlische bezettingsmacht. Toen dit allemaal begon was ik nog maar éénentwintig. Ik was student en had dromen, zoals iedereen. In de afgelopen anderhalf jaar heb ik elk moment van mijn leven gewijd aan mijn volk. Ik documenteerde van minuut tot minuut de verschrikkingen in het noorden van Gaza, vastbesloten om de wereld de waarheid te laten zien.

Journalist Hossam Shabat wist dat hij grote kans maakte de oorlog niet te overleven. Hij werd openlijk bedreigd door het Israëlische leger en wist dat hij met zijn werk voor Al-Jazeera Mubasher groot gevaar liep. Op 24 maart, een week nadat Israël het staakt-het-vuren eenzijdig had doorbroken, was het zover. Hossams’ auto, beschilderd met een logo van Al-Jazeera en met de levensgrote letters TV, werd in Bayt Lahiya getroffen door een projectiel, afgeschoten vanuit een Israëlische drone.

Vrienden van Hossam zetten zijn korte verklaring op sociale media. Het is een soort journalistiek testament waar je koude rillingen van krijgt.

Ik sliep op straat, in scholen, in tenten… waar ik maar kon. Elke dag was een strijd om te overleven. Ik leed maandenlang honger… Maar, bij God, ik heb mijn plicht als journalist gedaan.

Fatima Hassouna: ‘luidruchtige dood’

Nog geen maand later, op 16 april, een dag na haar 25e verjaardag, was het de beurt aan Fatima Hassouna om de hoogste prijs te betalen voor haar journalistieke werk. Een luchtaanval op haar huis in Gaza-Stad maakte niet alleen een einde aan haar leven, maar ook aan dat van tien familieleden, waaronder haar zwangere zus.

Fatima’s video’s en foto’s hebben haar in de hele wereld bekendheid opgeleverd. Haar camera legde de verschrikkingen vast van de oorlog, de gedwongen deportaties, de burgerslachtoffers en de verwoestingen, maar ook het doorzettingsvermogen van de bevolking, spelende kinderen te midden van de ruïnes, het leven dat doorgaat. Voor Fatima mocht dat niet zo zijn. Haar dood kwam een paar dagen voordat ze zou trouwen en één dag voordat een documentaire over haar leven vertoond zou worden op een filmfestival in de Franse stad Cannes.

Net als Hossam wist Fatima dat de dood elk moment op de loer lag. En ook zij had van tevoren nagedacht over haar boodschap als het zou gebeuren. ‘Als ik sterf, wil ik een luidruchtige dood’, schreef ze op Facebook, waar ze tienduizenden volgers had.

Ik wil geen breaking news zijn, of een nummer in een groep. Ik wil een dood waar de wereld van opkijkt, ik wil impact die blijvend is, een tijdloos beeld dat niet begraven kan worden, nooit niet, nergens niet…

Fatima’s fotografisch werk en haar documentaire Put Your Soul on Your Hand and Walk zetten de genocide blijvend op de kaart. Ze laten daarnaast vooral de menselijkheid zien van de Gazanen, de veerkracht van de vrouwen, de kinderen die kinderen blijven. Hossam Shabat riep in zijn ‘testament’ de wereld op om te blijven praten over Gaza. Fatima doet met haar werk hetzelfde. En haar gewelddadige dood ging inderdaad niet onopgemerkt voorbij. Over de hele wereld, ook in Nederland, werd bericht over haar ‘luidruchtige’ dood.

Als jongerenactiviste deed ze mee aan het She leads-programma van de organisatie Plan International en het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Plan International greep Fatima’s dood aan om op te roepen tot een ‘permanente, onmiddellijke en onvoorwaardelijke wapenstilstand in Gaza, ongehinderde toegang voor hulpverleners en hulpgoederen en verantwoording voor alle schendingen van het internationaal recht’.

Het is een oproep die tot dusver aan dovemansoren gericht is.

Links Fatima Hassouna, rechts Bilal Rajab van Al Quds Al Youm TV die op 1 november 2024 werd gedood

Kabinet: geen rode lijnen

Ook Nederland houdt zich doof en blind en erkent geen rode lijnen. De Nederlandse regering houdt zich, behoudens wat gemompel over zorgen die stilletjes worden overgebracht aan de Israëlische vrienden, angstvallig gedeisd. Zelfs de dood van een groot aantal journalisten in Gaza heeft Nederland, traditioneel verdediger van het vrije woord, niet kunnen bewegen ook maar een kik te geven. Volgens het Committee to Protect Journalists (CPJ) is er in Gaza sprake van ‘systematische aanvallen’ op journalisten en mediaorganisaties. Sinds midden maart zijn er, gemiddeld, wekelijks twee à drie journalisten om het leven gekomen. Een macabere statistiek.

Velen werden gedood bij gerichte aanvallen. Zo werd in de nacht van zondag 6 op maandag 7 april een tent met slapende journalisten in Khan Younis gebombardeerd. Doel van de aanval was, zo liet het Israëlische leger weten, om journalist Hassan Islayh gevangen te nemen. Dat klinkt onwaarachtig omdat het door een drone afgeschoten projectiel gericht was op de mobiel van Islayh. Als de journalist zijn telefoon dichter bij zijn lichaam had gehouden en hij niet even een luchtje buiten de tent had geschept, had hij het zeker niet overleefd. Nu werd hij ernstig gewond aan zijn rechterhand en hoofd, maar is buiten levensgevaar.

Hassan Islayh is een bekende mediapersoonlijkheid in Gaza. Hij heeft honderdduizenden volgers op Instagram en YouTube en werkt voor het nieuwsagentschap Falastin al-Youm (Palestina Vandaag). Israël beschuldigde Islayh ervan lid van Hamas te zijn. Hij zou de ‘plunderingen, brandstichting en moordpartijen’ op 7 oktober 2023 hebben gefilmd. Palestijnse bronnen ontkennen dat hij lid is van Hamas en zeggen dat hij juist een belangrijke rol speelt bij het documenteren van de oorlog en van de zware omstandigheden waar de bevolking in Gaza al anderhalf jaar onder te lijden heeft.

Journalisten nooit legitiem doelwit

Hoe het zij, zelfs al zou zijn journalistieke werk kunnen worden opgevat als Hamaspropaganda of antipropaganda voor Israël, maakt dat van hem een legitiem doelwit? Het is een terugkerende vraag tijdens conflicten: kunnen er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat journalisten worden getroffen?

De NAVO vond van wel toen zij op 23 april 1999 het hoofdkwartier van het Servische tv-station RTS in Belgrado bombardeerde. Zestien RTS-werknemers kwamen om het leven. Volgens de NAVO zond RTS Servische propaganda uit. Maar Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties spraken van een oorlogsmisdaad. Journalisten en andere mediawerkers zijn burgers en zijn nooit legitieme doelwitten.

Enkele uren na de aanval kwam RTS weer in de lucht en werd de programmering hervat. Het was dus niet gelukt de zender het zwijgen op te leggen. Later verklaarden NAVO-woordvoerders aan Amnesty dat het doel van het bombardement was het moreel van de Servische bevolking en strijdkrachten te ondermijnen.

In de oorlog in Oekraïne werd Rusland er verschillende keren van beschuldigd hotels te bombarderen waarvan bekend was dat er buitenlandse journalisten verbleven. Doel zou zijn journalisten te intimideren en te ontmoedigen te berichten over het conflict. In augustus werd een hotel in de Oekraïense stad Kramatorsk aangevallen waar een ploeg van persbureau Reuters verbleef. Hierbij vielen één dode en twee gewonden onder het Reuters-personeel.

Geen oorlog of gewapend conflict zonder journalisten als dodelijke slachtoffers: de prijs om de buitenwereld te informeren is vaak angstaanjagend hoog. Maar Gaza slaat alles. Volgens een rapport van de Amerikaanse Brown-universiteit zijn er in Gaza meer journalisten gedood sinds 7 oktober 2023 dan in de twee wereldoorlogen, de oorlogen in Zuidoost-Azië (Korea, Vietnam, Cambodia), Joegoslavië en eerder oorlogen in het Midden-Oosten bij elkaar.

World Press Photo

Israël laat geen buitenlandse journalisten toe tot Gaza en al het nieuws uit de belegerde enclave wordt verzorgd door lokale Palestijnse journalisten. Ook de beelden die de NOS, BBC en CNN laten zien worden gefilmd door lokale cameralieden. De berichtgeving door Palestijnse (burger-)journalisten staat vaak haaks op de officiële versie van het Israëlische leger. Zo ontkrachtten videobeelden van het incident waarbij vijftien hulpverleners om het leven kwamen, het officiële verhaal dat de hulpverleners niet als zodanig herkend konden worden. Ook reden ze niet met gedoofde lichten maar hadden ze juist zwaailichten aan en vormden ze geen enkel gevaar voor de Israëlische militairen.

Dat journalisten worden geïntimideerd en zelfs gedood om het ‘narratief’ te beïnvloeden is bij tal van conflicten een misdadig maar tragisch gegeven. In het geval van Gaza is het Israël echter niet gelukt de wereldopinie gunstig te stemmen, zeker niet nu de oorlog eindeloos wordt voortgezet.

De winnende World Press Photo van Samar Abu Elouf

Het toekennen van de World Press Photo of the Year aan de Palestijnse fotografe Samar Abu Elouf symboliseert in zekere zin de globale verontwaardiging over een onrechtmatige oorlog, een genocide waar zoveel kinderen het slachtoffer van zijn geworden. Haar portret van een negenjarige Palestijnse jongen die beide armen verloor bij een Israëlisch bombardement, is eigenlijk een ultieme anti-oorlogsfoto, een aangrijpende aanklacht tegen de absurde vernietigingsoorlog in Gaza.

Israëls buitenproportionele geweld tegen Palestijnse journalisten, cineasten, verhalenvertellers en dichters heeft er niet toe geleid dat de ‘Palestijnse stem’ het zwijgen is opgelegd. Misschien wel in tegendeel. Israël slaagde er niet in de wereldopinie naar zijn hand te zetten en zijn versie van het conflict te laten prevaleren.

‘Zijn wij geen mensen net als jullie?’

Achter de extreme Israëlische verniel- en moordzucht lijkt vooral woede en frustratie schuil te gaan over een ontwikkeld Palestijns maatschappelijk middenveld: de scholen en universiteiten, het zorgstelsel, de ziekenhuizen, moskeeën, kerken, de hulpverlening en de media. Die Palestijnse maatschappij wordt door delen van de Israëlische publieke opinie als een existentieel gevaar gezien. In een artikel in de Guardian, vorig jaar, stelde Fatima Hassouna de vraag ‘aan mensen in het Westen en in Israël: zijn wij geen mensen net als jullie?’ ‘En het antwoord? Wel, er is geen antwoord’, stelde zij bitter vast.

Als je journalisten als potentiële vijanden ziet, als waarschijnlijke terroristen, deins je er niet voor terug een tent te bombarderen waar ze liggen te slapen. Dat gebeurde zoals gezegd midden in de nacht van 6 op 7 april in een tentenkamp waar lokale journalisten al sinds het begin van de oorlog gebruik van maken. De tenten staan naast het Nasser-ziekenhuis in Khan Younis en zijn duidelijk gemarkeerd als plek waar zich journalisten bevinden. Maar in Gaza biedt het opschrift Press, evenmin als de scherfvesten, veiligheid.

Journalist Hassan Islayh, volgens Israël het doelwit van de aanslag, raakte ‘slechts’ ernstig gewond. Collega’s van hem hadden minder geluk. Journalist Hilmi Faqaawi verbrandde levend en was niet meer te redden. Journalist Ahmed Mansour bezweek later aan zijn brandwonden. Een aantal andere journalisten, waaronder medewerkers van de BBC en Russia Today, raakten gewond door rondvliegende scherven. De dood van de journalisten is vastgelegd op video. ‘Ahmed brandde voor de ogen van de hele wereld. De wereld keek toe en kon niets doen’, zei z’n weduwe Nida Mansour later.

Ahmeds’ theatrale, pijnlijke levenseinde in de vlammen, de ‘luidruchtige dood’ van Fatima en het ontroerende maar schokkende testament van Hossam: het zijn dringende oproepen om Gaza niet te vergeten. Oproepen die niemand mag en kan negeren.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd door The Rights Forum, 22 april 2025

Gaza: record aantal dodelijke aanvallen op journalisten

Sinds Israël het staakt-het-vuren in Gaza eenzijdig verbrak zijn minstens twaalf Palestijnse journalisten om het leven gekomen. Dat is een macaber gemiddelde van elke twee dagen één gedode journalist. De laatste gerichte Israëlische aanval vond plaats in de nacht van maandag 7 april, op een tent met slapende journalisten in Khan Younis.

Doel van de aanval was, zo liet het Israëlische leger op sociale media weten, journalist Hassan Islayh gevangen te nemen. Dat klinkt onwaarachtig omdat het door een drone afgeschoten projectiel gericht was op de mobiel van Islayh. Als de journalist de mobiel dichter bij zijn lichaam had gehad en niet even een luchtje buiten de tent had geschept, was hij zeker om het leven gekomen. Nu werd hij ernstig gewond aan zijn rechterhand en hoofd. Maar is hij buiten levensgevaar.

Hassan Islayh is een bekende mediapersoonlijkheid in Gaza. Hij heeft honderdduizenden volgers op Instagram en YouTube en werkt voor het nieuwsagentschap Falastin al-Youm (Palestina Vandaag). Israël beschuldigt Islayh ervan lid van Hamas te zijn. Hij zou volgens de Israëli’s de “plunderingen, brandstichting en moordpartijen” op 7 oktober 2023 hebben gefilmd. Palestijnse bronnen ontkennen dat hij lid is van Hamas en zeggen dat hij juist een belangrijke rol speelde bij het documenteren van het conflict en van de zware oorlogsomstandigheden waar de bevolking in Gaza al anderhalf jaar onder te lijden heeft.

Foto: International Media Support

Hoe het zij, zelfs al zou zijn journalistieke werk kunnen worden opgevat als Hamas-propaganda (wat dus ontkend wordt), maakt dat van hem een legitiem doelwit voor het Israëlische leger om te ‘elimineren’?

Het is een terugkerende vraag tijdens conflicten: kunnen er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat journalisten worden getroffen? De NATO vond van wel toen zij op 23 april 1999 het hoofdkwartier van het Servische tv-station RTS in Belgrado bombardeerde. Zestien RTS-werknemers kwamen om het leven. Volgens de NATO zond RTS Servische propaganda uit. Maar Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties spraken van een oorlogsmisdaad. Journalisten en andere mediawerkers zijn burgers en zijn geen legitieme doelwitten.

Enkele uren na de aanval kwam RTS weer in de lucht en werd de programmering hervat. Het was dus niet gelukt de zender het zwijgen op te leggen. Later verklaarden NATO-woordvoerders aan Amnesty International dat het doel van het bombardement was het moreel van de Servische bevolking en strijdkrachten te ondermijnen.

In de oorlog in Oekraïne werd Rusland er verschillende keren van beschuldigd hotels te bombarderen waarvan bekend was dat er buitenlandse journalisten verbleven. Doel zou zijn journalisten te intimideren en te ontmoedigen te berichten over het conflict. In augustus werd een hotel in de Oekraïense stad Kramatorsk aangevallen waar een ploeg van persbureau Reuters verbleef. Hierbij vielen één dode en twee gewonden onder het Reuters personeel.

Geen oorlog of gewapend conflict zonder journalisten als dodelijke slachtoffers: de prijs om de buitenwereld te informeren is vaak angstaanjagend hoog. Maar Gaza slaat alles. Volgens een rapport van de Amerikaanse Brown Universiteit zijn er in Gaza meer journalisten gedood sinds 7 oktober 2023 dan in de Amerikaanse burgeroorlog, de twee wereldoorlogen, de oorlogen in Zuid-Oost Azië (Korea, Vietnam, Cambodia), Joegoslavië en Afghanistan samen.

Volgens het Committeer to Protect Journalists is er in Gaza sprake van systematische aanvallen op journalisten en mediaorganisaties. Israël laat geen buitenlandse journalisten toe tot Gaza en al het nieuws uit de belegerde enclave wordt verzorgd door lokale Palestijnse journalisten. Ook de beelden die de NOS, BBC en CNN laten zien worden gefilmd door lokale cameralieden. De berichtgeving door Palestijnse (burger-) journalisten staat vaak haaks op de officiële versie van het Israëlische leger. Zo ontkrachtten videobeelden van het incident waarbij vijftien hulpverleners om het leven kwamen, het officiële verhaal dat de hulpverleners niet als zodanig herkend konden worden. Ook reden ze niet met gedoofde lichten maar hadden juist zwaailichten aan en ze vormden geen enkel gevaar voor de Israëlische militairen.

Het Israëlisch geweld is in toenemende mate buitenproportioneel. Bij de poging om Hassan Islayh uit te schakelen kwamen twee andere journalisten en een minderjarige man, die in de tent lagen te slapen, om het leven. Journalist Hilmi Faqaawi verbrandde levend en was niet meer te redden. Journalist Ahmed Mansour bezweek later aan zijn brandwonden. Een aantal andere journalisten, waaronder medewerkers van de BBC en Russia Today, raakten gewond door rondvliegende scherven.

De gerichte aanval vond plaats op het tentenkamp waar lokale journalisten al sinds het begin van de oorlog gebruik van maken om te werken en te slapen. Het is opgezet naast het Nasser Ziekenhuis en de tenten zijn duidelijk gemarkeerd als plek waar zich journalisten bevinden. Maar in Gaza biedt het opschrift Press, evenmin als de schervenvesten, veiligheid.

Een van de journalisten die gewond raakte in de aanval schreef later dat hij in het vervolg de mediatent zal mijden: te gevaarlijk. ‘Thuis zitten is ook geen optie. Mensen kunnen zich niet voorstellen wat wij hier meemaken. We zijn niet van staal. Van binnen ben ik kapot, maar ik ga door met m’n verslaggeverswerk. Al was het alleen maar om de nagedachtenis van mijn collega’s te eren.’

Dit artikel werd op 14 april 2025 geplaatst door de Leeuwarder Courant en op 16 april in het Dagblad van het Noorden

.

Goed nieuws uit Gaza duurt niet lang

Heel soms is er goed nieuws uit Gaza. Dat was het geval op 11 maart van dit jaar Mohammed schreef me dat hij zijn jongste dochtertje Layan opgegeven had voor de kleuterschool en Aliaa en Eliaa geregistreerd voor de basisschool. Het schoolgebouw was weliswaar niet beschikbaar omdat er vluchtelingen in woonden, maar je kunt -tussen de ruïnes van kapotgeschoten huizenblokken-ook in de openlucht les geven. Onderwijs is essentieel voor Palestijnen. En de kinderen waren sinds oktober 2023 niet meer naar school geweest.

Het optimisme was van korte duur. In de nacht van 17 op 18 maart hervatte Israël zijn bombardementen. In de eerste uren nadat Israël het staakt-het-vuren eenzijdig had verbroken kwamen vierhonderd mensen om het leven. ‘Wat kan ik meer zeggen dat het een vreselijke en angstaanjagende nacht was,’ appt Mohammed me ‘s ochtends. ‘We lagen te slapen en plotseling werden we bestookt met tientallen projectielen. De situatie is extreem moeilijk en gevaarlijk. Bid alsjeblieft voor ons.’

De oorlog is hervat. De familie van Mohammeds’ vrouw vlucht weer vanuit het noorden van Gaza naar Gaza-Stad. Het is het bekende scenario maar volgens Mohammed is de situatie nu ernstiger dan ooit tevoren. Er is nauwelijks voedsel en geen schoon drinkwater. ‘Elk moment wachten we op de dood. Ik ben vooral ook bang voor mijn vrouw en drie kinderen. Wat moeten zij als ik dood ga?’

Er zijn dagen dat Mohammed geen zin heeft om te schrijven. ‘Geen commentaar op wat er om ons heen gebeurt, Jan. Het is pure terreur. We are dying.’ Op maandag 31 maart stuurt hij me een paar foto’s van zijn kinderen. Ze hebben hun mooiste kleren aangetrokken want het is Eid al Fitr, Suikerfeest. Mohammed hoopt dat de meisjes hun angst en de bombardementen even kunnen vergeten. ‘Eid is in normale tijden een hoogtepunt voor de kinderen. We proberen er het beste van te maken.’ Maar dit jaar is Eid ‘dodelijk’ schrijft Mohammed later. Hat gezin gaat vaak met lege maag naar bed. De bakkerijen zijn gesloten. In heel Gaza is geen brood meer te krijgen. Het beetje bloem dat nog voorhanden is kost honderd dollar per zak, in plaats van tien dollar. Israël heeft Gaza volledig afgesloten. Vanaf begin maart komen er geen hulpgoederen, voedselhulp en medicijnen meer het gebied in. Uiteindelijk zijn de meisjes slechts één dag naar school geweest. ‘Overal loert gevaar. Elk moment kunnen we worden gedood. Ik probeer m’n kinderen de hele tijd in het oog te houden.

Steun: https://gofund.me/e0980b32

Een aangekondigde moord in Gaza

Journalist Hossam Shabat werd vermoord door het Israëlische leger

In oktober zette het Israëlische leger Al Jazeera-verslaggever Hossam Shabat (23), samen met vijf andere journalisten in Gaza, op een dodenlijst, een hitlist. Volgens Israël zouden de zes in dienst zijn van Hamas of van de Islamitische Jihad. Al Jazeera en de betrokken journalisten zelf ontkenden de beschuldiging in alle toonaarden. De door Israëlische media gepubliceerde bewijsstukken, lijsten met de namen van de ‘terroristen’, zouden nep zijn en gefabriceerd.

Hossam had het gevoel dat de jacht op hem en zijn collega’s was geopend. Op sociale media beschuldigde hij Israël ervan Palestijnse journalisten te willen uitschakelen om een media blackout te creëren. Er kwamen campagnes op gang: #JournalismIsNotACrime. Mag de buitenwereld niet weten wat Israël in Gaza aanricht? Buitenlandse journalisten worden al sinds het begin van de oorlog door Israël geweerd. Praktisch al het nieuws dat naar buiten komt is afkomstig van lokale Palestijnse journalisten.

Volgens het in New York gevestigde Committee for the Protection of Journalists (CPJ), dat consciëntieus onderzoek doet naar alle gevallen van gedode journalisten, zijn de afgelopen anderhalf jaar, minstens 170 Palestijnse journalisten en mediamedewerkers in Gaza om het leven gekomen. De Palestijnse journalistenvakbond telt 208 dodelijke slachtoffers.

Behalve Hossam Shabat werd vorige week ook Mohammed Mansour (29) gedood. Mohammed, correspondent voor Palestine Today en de Japanse krant Asahi Shimbun, kwam samen met zijn echtgenote en zoontje om het leven, toen hun huis in Khan Younis in een gericht luchtbombardement met de grond gelijk werd gemaakt.

CPJ-directeur Jodie Ginsburg noemt het liquideren van de journalisten Hossam Shabat en Mohammed Mansour ‘deel van een verontrustend patroon’. ‘Ook in eerdere conflicten heeft Israël journalisten als terroristen bestempeld. Nooit werd daar enig geloofwaardig bewijs voor geleverd. We zijn bezorgd dat het een excuus is om ook in de toekomst journalisten aan te vallen. We hebben goed gekeken naar de documenten die volgens Israël bewijzen dat de journalisten betrokken zijn bij terrorisme. Ze zien er helemaal niet geloofwaardig uit. Maar zelfs al zouden ze wel authentiek zijn, dan nog bewijzen ze niet dat deze individuen actieve strijders zijn. En dat is de enige legitieme reden om hen te doden. Journalisten zijn burgers en mogen niet gericht worden aangevallen. Als dat wel gebeurt gaat het om een oorlogsmisdaad.’

Hossam Shabat is de zevende Al Jazeera journalist die in de Gaza-oorlog om het leven is gebracht. Daarnaast werden een aantal journalisten en cameramensen ernstig gewond. Er is tussen Israël en Al Jazeera een smerige, ongelijke strijd gaande. De Qatari nieuwszender brengt vaak nieuws en beelden naar buiten vanuit Gaza, die haaks staan op het officiële Israëlische discours. Als antwoord worden gevechtsvliegtuigen, drones en machinegeweren ingezet om de onwelgevallige journalistiek het zwijgen op te leggen. Al Jazeera is de enige internationale nieuwszender die, sinds het begin van de oorlog, vanuit Gaza is blijven opereren.

Onder de gewonde Al Jazeera-medewerkers is cameraman Fadi al Wahidi, die in oktober in Jabalya, in het noorden van Gaza, bij een droneaanval in zijn nek werd geraakt. Maandenlang verkeerde Al Wahidi in uiterst kritieke toestand. Hij was deels verlamd en had hevige pijn. Ondanks aandringen van de VN en humanitaire organisaties weigerde Israël vier maanden lang toestemming te geven voor zijn evacuatie naar het buitenland, waar hij beter medisch behandeld zou kunnen worden. Fadi’s moeder ging tevergeefs in hongerstaking om het vertrek van haar zoon af te dwingen en daarmee zijn leven te redden. Pas in februari, nadat het staakt-het-vuren van kracht werd, kon Fadi ten langen leste naar een ziekenhuis in Egypte worden gebracht.

Bij dezelfde droneaanval wist journalist Anas al-Sharif ternauwernood te ontkomen. Anas staat ook op de Israëlische dodenlijst.  Net als Hossam is Anas werkzaam voor Al Jazeera in het noorden van de Gazastrook. In het begin van de oorlog werd het huis van zijn familie in Jabalya gebombardeerd, waarbij zijn vader werd gedood. Ondanks dat hij zich als geen ander bewust is van de risico’s gaat hij door met z’n verslaggeverswerk vanuit het meest gevaarlijke deel van Gaza.

‘Gisteren hebben we Hossam naar zijn laatste rustplaats gedragen,’ schrijft Anas op X over de begrafenis van zijn vriend en collega. Vrij vertaald: ‘Ik herinner me dat je schreeuwde naar de wereld, totdat je stem schor werd. Vandaag roep en schreeuw ik uit alle macht: wereld, waar ben je? Waar zijn jullie? Verwachten jullie nu echt dat we lijkwaden verdienen omdat we de stem van ons volk en van ons land willen zijn? Onze enige zonde is dat we hetzelfde pad bewandelen als onze kameraden. We dragen het schild van de journalistiek dat ons niet beschermde tegen de arrogantie en de wreedheid van Israël. Wij zijn allemaal zogenaamd legitieme doelwitten. Vandaag heeft Israël Hossam gedood en daarmee de dood van ons allemaal goedgekeurd. De bezetting liet ons geen keuze dan het nieuws te verspreiden totdat we zelf het nieuws werden. Worden wij morgen in onze lijkwaden op onze schouders gedragen? En blijft de wereld zwijgen?’

Enkele uren voor zijn dood zond Hossam Shabat zijn laatste artikel vanuit Beit Hanoun naar nieuwswebsite News Drop Site. ‘De nacht is donker en vreemd stil. Iedereen is bezorgd in slaap gevallen. Maar de rust wordt spoedig wreed verstoord. Er klinken luide kreten als de bommen beginnen te vallen. Er klinkt gejammer bij de buren. Israël is opnieuw met een militair offensief begonnen. In Beit Hanoun breekt paniek uit. Ik hoor kreten van wanhoop. Bommen vallen met oorverdovend geraas. Dit is nog maar het begin. Hele families worden gedood. De projectielen blijven maar op ons neer regenen. Onophoudelijk. Overal is rook, overal vuur en blinde doodsangst.’

In december, toen het Israëlische leger, vijf journalisten dodelijk had getroffen in hun auto, vroeg de redacteur van News Drop Site Hossam hoe het met hem ging. ‘Onze job is alleen maar om dood te gaan,’ antwoordde hij mismoedig. ‘Ik haat de wereld. Niemand doet iets. Ik heb de pest gekregen aan dit werk. Onder journalisten hebben we het er tegenwoordig over: ok, wie is nu aan de beurt? Voor onze families zijn we al dood.’

DIt artikel werd eerder gepubliceerd op Joop op 26 maart 2025 https://www.bnnvara.nl/joop/artikelen/een-aangekondigde-moord-in-gaza

en op VillaMedia op 28 maart 2025

https://www.villamedia.nl/artikel/hossam-shabat-een-aangekondigde-moord-in-gaza

Winter in Mawasi

English below

Het is koud en nat in Mawasi in het zuiden van de Gazastrook waar honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen in tenten bivakkeren, die vaak niet goed bestand zijn tegen het gure winterweer. Mawasi is een 16 kilometer lange, zanderige “evacuatiezone” langs de kust. Er zijn geen voorzieningen. Mawasi is al een concentratiekamp genoemd want de mensen, afkomstig uit verschillende delen van de Gazastrook, kunnen geen kant op. Echt veilig is het ook niet want van tijd tot tijd vindt er een Israëlische aanval plaats.
Afgelopen dagen overleden drie babies als gevolg van de kou. Veel mensen zijn verzwakt door gebrek aan goed voedsel. Infectieziektes doen de ronde.
Een paar keer per week ben ik in contact met Mohammed Abu Afash. Hij en zijn familie zijn al meer dan een jaar op de vlucht en verblijven sinds mei in Mawasi. Mohammed houdt me trouw op de hoogte over zijn leven daar. De afgelopen tijd waren er verschillende keren Israelische aanvallen, gevaarlijk dicht bij de tent van de familie Abu Afash.

Hij schrijft:
“Kort daarna was er een grote explosie in de buurt van ons kamp en scherven raakten onze tenten meerdere keren. Door de genade van God raakte niemand in ons gezin fysiek gewond, maar het was angstaanjagend en diende als een nieuwe herinnering aan hoe precair onze omstandigheden zijn.”

“Ondertussen blijven de kosten van voedsel en groenten stijgen en is meel vaak schaars – we zijn de afgelopen drie maanden meerdere keren bijna door ons meel heen. Zelfs het bereiden van eenvoudige maaltijden is een voortdurende uitdaging geworden.”

“Ondanks alles blijven we vasthouden aan de hoop om onze kinderen een betere toekomst te geven. We vragen respectvol om uw steun en vrijgevigheid om ons te helpen deze omstandigheden te doorstaan totdat de Rafah-overgang naar Egypte weer opengaat, zodat we eindelijk veiligheid kunnen zoeken buiten Gaza. Jullie donaties maken een wereld van verschil – ze bieden niet alleen essentiële zaken zoals voedsel en onderdak, maar ook de belofte van een normaal leven waarin mijn kinderen onderwijs, waardigheid en de eenvoudige vrijheden kunnen nastreven die andere kinderen over de hele wereld genieten.
Ik hoop dat jullie blijven delen en doneren, zodat we ons doel zo snel mogelijk kunnen bereiken.
Ik zal jullie regelmati op de hoogte stellen van onze reis. Bedankt dat jullie mijn familie steunen.”

Mohammed

donations: https://gofund.me/d440c5f2

Op 1 januari 2025 stuurde Mohammed mij een aantal foto’s van de wateroverlast in Mawasi. Hij schreef me: Dear Jan, yesterday was a terrifying night, bitter cold, heavy rain, the tent was flooded due to broken poles, today I tried as much as I could to fix it and bought a new awning to protect us from the rain, I don’t know how long this will last!

It is cold and wet in Mawasi in the south of the Gaza Strip where hundreds of thousands of Palestinian refugees are living in tents, which are often not well-equipped to withstand the harsh winter weather. Mawasi is a 16-kilometre-long, sandy “evacuation zone” along the coast. There are no facilities. Mawasi has already been called a concentration camp because the people, who come from different parts of the Gaza Strip, have nowhere to go. It is also not really safe because from time to time an Israeli attack takes place.
In the past few days, three babies have died as a result of the cold. Many people are weakened by a lack of good food. Infectious diseases are doing the rounds.
A few times a week I am in touch with Mohammed Abu Afash. He and his family have been on the run for more than a year and have been living in Mawasi since May. Mohammed keeps me faithfully informed about his life there. There have been several Israeli attacks recently, dangerously close to the Abu Afash family’s tent.

“There was a large explosion near our camp, and shrapnel struck our tents multiple times’” he writes. “By the grace of God, no one in our family was physically hurt, but it was terrifying and served as another reminder of how precarious our circumstances are.”

“Meanwhile, the cost of food and vegetables keeps rising, and flour has often been scarce—we’ve nearly run out multiple times over the last three months. Even preparing basic meals has become an ongoing challenge.”

“Despite everything, we continue to hold onto the hope of giving our children a better future. We respectfully ask for your support and generosity to help us endure these conditions until the Rafah Crossing reopens, so we can finally seek safety beyond Gaza. Your donations and shares make a world of difference—providing not only essentials like food and shelter, but also the promise of a normal life where my children can pursue an education, dignity, and the simple freedoms other children enjoy around the world.
Hope you keep sharing and donating so that we can achieve our goal as soon as possible.
From now on I will try to update you often, so you keep informed about our journey. Thank you for standing with us and supporting my family.
Love and Appreciation.
….
Mohammed and his family”

Wat doen we met Gaza?

De uitkomst van de oorlog in Gaza blijft onduidelijk. Wat gebeurt er na de genocide? Gaza is grotendeels verwoest en onleefbaar gemaakt. Wat is het lot van de twee miljoen Palestijnse ontheemden die nu in tentenkampen bivakkeren? Blijft Israël als bezettende macht voor altijd aanwezig in Gaza? Worden de plannen van joodse religieuze ultra’s gerealiseerd en verrijzen er straks nederzettingen op de ruïnes van Jabalya en Gaza Stad?

Jabalya

De bekende Palestijnse historicus Rachid Khalidi klaagde er onlangs in een interview over dat er na 7 oktober 2023 te weinig aandacht is voor de geschiedenis. Er is volgens de auteur van het standaardwerk ‘De honderdjarige oorlog tegen Palestina’ zelfs een zekere blindheid voor alles wat vooraf ging aan de Hamas-aanval op Zuid-Israël. Spoiler: de rode draad in die pijnlijke voorgeschiedenis is het Israëlische verlangen het gebied te annexeren en ‘verlost’ te worden van de Palestijnse bevolking daar.

Niet alleen maakte de massale aanwezigheid van Palestijnse bevolking het lastig Gaza te ‘verjoodsen’ en onderdeel van Israël te maken. Palestijns Gaza was ook een constante herinnering aan de Nakba: de verdrijving van 750.000 Palestijnen uit hun vaderland in 1947-‘48. Gaza was als het ware een levend monument voor de donkere koloniale ontstaansgeschiedenis van Israël zelf.

Het plan van premier Ben Gurion om de Gazastrook in te lijven, en te voegen bij het zuiden van de jonge staat Israël, stuitte in 1949 op verzet van Egypte. Ook de Verenigde Staten was tegen het Israëlische annexatieplan.

Van november 1956 tot maart 1957 lukte het Israël wel Gaza tijdelijk te bezetten en het Egyptische leger te verjagen. Tijdens de Suez-crisis trokken Groot-Brittannië, Frankrijk en Israël gezamenlijk op tegen Egypte. Doel was de nationalistische president Nasser ten val te brengen en de nationalisatie van het Suezkanaal ongedaan te maken. Israël bezette een deel van de Sinaïwoestijn en de Gazastrook.

In Gaza vocht Israël niet alleen tegen de Egyptische militairen die in het gebied waren gelegerd. Ook de Palestijnse bevolking werd de dupe van Israëlische oorlogshandelingen. Op 2 november 1956 werd Khan Younis door de Israëlische luchtmacht gebombardeerd. Veel burgers kwamen hierbij om het leven. De volgende dag trokken Israëlische tanks en troepen Khan Younis binnen. Mannen die ze ervan verdachten fedajien te zijn, Palestijnse vrijheidsstrijders, werden ter plekke geëxecuteerd. Let wel: dit was meer dan dertig jaar voordat Hamas werd opgericht. Alle mannen van vijftien jaar en ouder moesten zich melden en verzamelen zich op het centrale plein en in het vluchtelingenkamp van Khan Younis. Volgens de UNRWA maaiden die dag Israëlische militairen 275 Palestijnen met machinegeweren neer. Enkele dagen na de slachtpartij in Khan Younis vond in Rafah een bloedbad plaats waarbij, volgens de UNRWA, 111 Palestijnen door Israëlische militairen werden gedood.

De massale executies en arrestaties van Palestijnse vluchtelingen in Jabalya, Deir al Balach, Gaza-Stad, het Shati-kamp, Khan Younis en Rafah tijdens de kortstondige bezetting van 1956-’57 zijn een macaber voorspel van wat in de decennia daarna nog zou komen.

Uiteindelijk kwam Egypte in de Suezcrisis als overwinnaar uit de bus en was Israël gedwongen zich terug te trekken uit de Sinaï en de Gazastrook. Echt rustig werd het echter niet in Gaza en in de junioorlog van 1967 zou Israël de strook alsnog bezetten. Het zou het begin zijn van een onophoudelijke cyclus van geweld.

Wat doen we met Gaza en met de Palestijnse vluchtelingen die daar wonen, was de vraag die Israëlische politici elkaar stelden in de periode na 1967. Haaretz journalist Ofer Aderet verrichte archiefonderzoek naar de vergadernotulen van het Israëlische kabinet. Al een paar dagen na het begin van de bezetting in 1967 stelde minister van Defensie Moshe Dayan voor honderdduizenden Palestijnen Gaza uit te zetten. “Als we 300.000 vluchtelingen Gaza uit zetten, kunnen we Gaza zonder problemen annexeren,” aldus Dayan. Zijn collega minister van Binnenlandse Zaken Moshe Shapiro stelde voor 200.000 vluchtelingen naar El Arish in de Sinaiwoestijn te deporteren. Een ander kabinetslid, Eliyahu Sasson, suggereerde de Palestijnen naar de Oostelijke Jordaanoever, namelijk Jordanië, te sturen.

Ook minister Yigal Allon was voorstander de vluchtelingen naar de Sinaï te sturen. “De hele Sinaï, niet alleen Arish, is heel geschikt om de vluchtelingen op te nemen. We moeten niet wachten, laten we beginnen hen daar naar toe te sturen.” Later pleitte Allon voor emigratie van de Palestijnen naar Canada en Australië. Liefst zo ver mogelijk van Israël vandaan.

Premier Levi Eshkol, net als Dayan en Allon lid van de Arbeiderspartij, bleek zich bewust dat het misschien toch wat delicaat was om de vluchtelingen Gaza uit te zetten. Het zou slecht zijn voor Israëls imago in de wereld. Eshkol zei dat de ‘emigratie van de Arabieren’ rustig, kalm en discreet moest worden aangepakt. “We moeten een manier vinden dat ze uit zichzelf vertrekken.” Een van die manieren was om de Palestijnen niet genoeg water te geven. “Dan hebben ze geen keus. Hun boomgaarden zullen verpieteren. Of wie weet, misschien komt er wel weer een nieuwe oorlog en dan lost het probleem zich vanzelf op.”

Ook de eerste leiders van Israël, waaronder Golda Meir en David Ben Gurion, wilden van de Palestijnse vluchtelingen in Gaza af

n 1971 boog premier Golda Meir zich ook over de kwestie. Ze was voorstander van het ‘uitdunnen’ van de vluchtelingenkampen in Gaza. Het liefst zag ze ‘de Arabieren’vrijwillig vertrekken. Moshe Dayan hield haar voor dat sommige bewoners uit hun huis gezet konden worden als ze werden verdacht van terreurdaden. “We geven ze 48 uur om te vertrekken,” zei Dayan. “We bieden hen bijvoorbeeld aan naar Al Arish te brengen en hun meubilair op een vrachtwagen te laden Als de bewoners niet vrijwillig gaan zetten we een bulldozer in en slopen we het huis.” Golda Meir vond dat wel een goed plan en “helemaal niet wreed”. “Het is duidelijk dat we er niet in zullen slagen het Jabalya-kamp op vrijwillige basis uit te dunnen. Dat zou veel plezieriger zijn, maar er is geen alternatief.”

De uitlatingen van deze eerste, ‘linkse’ generatie politici van een halve eeuw geleden, lijken als twee druppels water op het discours van de religieus-zionistische extremisten van nu. Gaza staat symbool voor het onopgeloste vluchtelingenprobleem en voor Palestijnse nationalisme en zelfbewustzijn. Dat is de reden van Israëls genocidale campagne de afgelopen veertien maanden om Palestijns Gaza van de aardbodem weg te vagen; een militaire campagne die veel verder gaat dan een afstraffing van Hamas. Netanyahu en zijn uiterst-rechtse regering maken gebruik van een ‘kans’ waar eerdere Israelische politici alleen maar van droomden: namelijk zoveel mogelijk Palestijnen te verjagen uit Gaza.

Als de wereld Israël verder straffeloos zijn gang laat gaan zal de annexatie van (delen van) Gaza en de bouw van nieuwe joodse nederzettingen daar, gevolgd worden door een verdere kolonisering van de Westelijke Jordaanoever. Dat zal gepaard gaan met meer geweld. Een duister vooruitzicht voor 2025, maar er is weinig reden voor optimisme. 

Dit artikel is geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen – Jabalya, december 2024

Jabalia wordt ‘etnisch schoongeveegd’

Je zult maar een stedenband hebben met Jabalia in het noorden van Gaza, een gebied dat al sinds begin oktober hermetisch van de buitenwereld is afgesloten en dat systematisch kapot wordt gebombardeerd. Sinds begin oktober werden in het gebied zo’n 1.300 Palestijnen gedood, de meerderheid vrouwen en kinderen. Ongeveer 100.000 mensen zijn de afgelopen weken, volgens cijfers van de Verenigde Naties, door het Israëlische leger verdreven naar het zuidelijke deel van de Gazastrook.

Groningen heeft een stedenband, zij het een informele, met Jabalia. Ooit was dit een van de dichtst bevolkte stedelijke gebieden in Gaza waar Groningen een jongerencentrum liet bouwen en Groningse en Palestijnse ambtenaren over en weer bezoeken aflegden. Nu is het een onleefbare woestenij van ruïnes en skeletten van huizenblokken. Jabalia is oorlogsgebied, toneel van ongelijke confrontaties tussen Israëlische gevechtsvliegtuigen, artillerie en robotdrones en Palestijnse strijders. Om de vijand te verslaan past Israël de tactiek van de verschroeide aarde toe. Het gebied wordt zo onleefbaar mogelijk gemaakt en het hongerwapen wordt zonder gêne ingezet: voedsel en andere hulpgoederen worden niet toegelaten. 

Van de ongeveer 400.000 mensen die bij het begin van de oorlog in het gebied woonden zijn er, volgens de VN, nog 95.000 over. De achterblijvers kunnen, durven of willen om verschillende redenen niet weg. De tocht te voet van noord naar zuid Gaza is gevaarlijk. Scherpschutters zijn actief en bij Israëlische controleposten worden burgers soms urenlang ondervraagd of gearresteerd. Maar de grootste angsten is dat, eenmaal vertrokken, de burgers nooit meer terug kunnen keren naar Jabalia.

Die angst is gegrond. Dinsdag gaf generaal Itzik Cohen een briefing aan de Israëlische en internationale pers waarbij hij aangaf dat de ‘complete evacuatie’ van Noord-Gaza nu in zicht is en dat de bewoners niet zal worden toegestaan naar huis terug te keren. Humanitaire hulp wordt, volgens de generaal, alleen aan het zuiden van Gaza geleverd. Niet aan het noorden ‘want daar zijn toch geen burgers meer’.

Het is voor het eerst dat een officiële legerwoordvoerder er openlijk voor uit komt dat het doel van het offensief is om het noorden van Gaza te ontvolken. De angst voor een etnische schoonmaak en definitieve bezetting van delen van of geheel Gaza bestaat al langer.  Verschillende ministers in de Israëlische regering pleitten voor het stichten van joodse nederzettingen in het gebied. De invloedrijke minister van Financiën Bezalel Smotrich is een van de meest uitgesproken pleitbezorgers voor het volledig annexeren van de Gazastrook, het ‘evacueren’ van de Palestijnse bevolking en het stichten van nederzettingen in het gebied.  Zonder Israëlische militairen en burgers in Gaza zou, volgens Smotrich, de oorlog voor niets zijn geweest. Door de Israëlische soevereiniteit over Gaza uit te roepen zou het signaal worden afgegeven dat de tweestatenoplossing definitief van de baan is. Palestijnen die toch nog vasthouden aan het ideaal van een eigen staat moeten, volgens de hardliners in de regeringscoalitie, definitief hun koffers pakken.

Volgens het internationaal humanitair recht zijn de gedwongen evacuatie en uithongering van de burgerbevolking oorlogsmisdaden. Mensenrechtenorganisaties in Israël verwijten het Israëlische leger delen van het zogenaamde ‘Plan van de Generaals’ uit te voeren. Dit plan komt er in het kort op neer dat de bevolking in Noord-Gaza gedwongen wordt te vertrekken. Zij die weigeren hun biezen te pakken worden automatisch aangemerkt als terroristen en het is dan dus legitiem om hen te ‘elimineren’.

Israëlische legerwoordvoerders hebben ontkend het ‘Plan van de Generaals’ uit te voeren en verdedigen hun strategie met het argument dat evacuatie van de bevolking noodzakelijk is om de terugkeer van Hamas te voorkomen.

De VN-organisatie voor kinderen UNICEF maakte bekend dat vorige week binnen het tijdsbestek van 48 uur in Jabalia vijftig kinderen bij luchtbombardementen waren gedood. Het is een kil maar veelzeggend cijfer in de stortvloed aan macabere statistieken die sinds meer dan een jaar uit Jabalia komen. Is dat nietsontziende geweld van het Israëlische leger echt nodig om Hamas te verslaan, of is er iets anders aan de hand?

Het dagblad Haaretz publiceerde onlangs een hoofdredactioneel commentaar met de veelzeggende titel: ‘Als het eruitziet als etnische schoonmaak, is het dat waarschijnlijk ook’. De dood van zoveel onschuldige bejaarden, kinderen, vrouwen en andere burgers, het ontmantelen van de ziekenhuizen en andere noodzakelijke infrastructuur om te overleven en het definitief verjagen van de bewoners, doet toch wel sterk aan etnische schoonmaak denken. De liberale krant, die maar door weinig Israëli’s wordt gelezen, noemt het schokkend dat extremistische leden van Netanyahu’s kabinet voorstander zijn van de morele en juridische misdaad van etnische zuivering.

Op sociale media en in het publieke debat in Israël pleitten sinds het begin van de oorlog talrijke extreme stemmen voor het ‘platgooien van Gaza’ en een ‘tweede Nakba’; de verdrijving in 1948 van honderdduizenden Palestijnen uit hun land. Het lijkt erop dat in het noorden van Gaza, inclusief in de Groninger zustergemeente Jabalya, dit zwartst denkbare scenario zich daadwerkelijk afspeelt.

Dit artikel werd ook geplaatst in het Dagblad van het Noorden op 14 november 2024: https://dvhn.nl/meningen/Opinie/Jabalya-wordt-etnisch-schoongeveegd-29275783.html

Israël en Libanon: de overweldigende echo’s van 1982

Israëls oorlog is niet met jullie, maar met Hezbollah”, beweerde premier Benjamin Netanyahu in een korte videoboodschap gericht aan het Libanese volk. Hij sprak ruim een week geleden, aan de vooravond van het grootste Israëlische offensief in Libanon in decennia. Op Netanyahu’s boodschap werd in het land met een ongelovig schouderophalen gereageerd. Net als op de aankondiging dat Israëls grondoffensief zou bestaan uit ‘beperkte en gerichte acties’. Inmiddels zijn een miljoen Libanezen op de vlucht geslagen en worden honderden burgerdoden gemeld.

In 1982 kondigde de toenmalige Israëlische minister van Defensie Ariel Sharon een ‘beperkte actie’ in Zuid-Libanon aan, om de burgerbevolking in Noord-Israël te vrijwaren van terroristische, Palestijnse aanvallen. De militaire operatie zou niet langer dan 72 uur duren. In werkelijkheid trok het Israëlische leger op naar Beiroet, gevolgd door een maandenlange oorlog. De Israëlische bezetting van Zuid-Libanon eindigde pas in 2000, achttien jaar later.

Geschiedenis herhaalt zichzelf nooit maar er klinken wel akelig overweldigende echo’s.

Libanon en Israël, beide jonge staten die respectievelijk in 1943 en 1948 onafhankelijk werden, slaagden er nooit in goede buren te worden. Goed nabuurschap hoeft niet te steunen op liefde of vriendschap, maar wederzijds respect en begrip is wel nodig. In de geschiedenis van het Libanees-Israëlische nabuurschap stapelden misverstanden zich op.

Al voor de stichting van de staat Israël dachten zionistische leiders dat Libanon, waarin christenen de meerderheid vormden, een natuurlijke bondgenoot zou kunnen worden. Veel maronieten (oosterse katholieken) zagen zichzelf niet als Arabieren maar als afstammelingen van de Feniciërs. Joden en maronieten waren natuurlijke bondgenoten, bedreigde minderheden in een regio gedomineerd door Arabieren en moslims.

Israëlisch-maronitische alliantie

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw vonden discussies plaats tussen leiders van het Joods Agentschap en maronitische politici over de toekomst van Zuid-Libanon. De latere Israëlische president Ben Goerion toonde zich in 1937 voorstander van de incorporatie van het gebied in de toekomstige Israëlische staat. Hij zag het als onderdeel van Galilea, waar Israël om bijbelse redenen recht op zou hebben. Veel christelijke Libanese leiders steunden de zionistische claim, want ze waren het zuiden liever kwijt dan rijk: het zou de vorming van een kleine christelijke Libanese staat mogelijk maken, zonder de ballast van een grote sjiitische bevolkingsgroep. 

Het idee van een Israëlisch-maronitische alliantie bleef leven tot in de jaren tachtig. Tijdens de Libanese burgeroorlog leverde Israël politieke en militaire steun aan de maronitische Falangistische Partij. In de grensstrook werd in 1978 een bufferzone gecreëerd, waar de christelijke majoor Haddad en zijn manschappen, betaald en uitgerust door Israël, de scepter zwaaiden.

Als correspondent in Beiroet in de jaren tachtig herinner ik me de theatrale handreiking van de toenmalige Israëlische premier Menahem Begin aan de Libanese president Élias Sarkis om vrede te sluiten. Begin nodige Sarkis uit om, net als de Egyptische president Sadat eerder had gedaan, naar Jeruzalem te komen. Begin was eventueel ook bereid naar Beiroet te komen om met Sarkis een vredesverdrag te sluiten. Er waren immers geen problemen tussen Israël en Libanon? Israël had last van de Palestijnse strijdgroepen en van het Syrische leger, niet van de Libanezen.

Grootscheepse invasie

Begins retoriek klonk destijds net zo hol als die van Netanyahu nu. Natuurlijk waren er wél problemen voor de Libanese burgerbevolking. Met name in het zuiden van het land, hoofdzakelijk bewoond door sjiitische moslims, waren burgers het slachtoffer van militaire invallen. Vanaf de Israëlisch-Arabische oorlog in juni 1967, waar Libanon niet formeel bij betrokken was, hadden Palestijnse guerrillastrijders, Israëlische militairen en hun handlangers Zuid-Libanon tot hun strijdtoneel gemaakt. Ten koste van de plaatselijke bevolking.

In 1982 voerde Israël een grootscheepse invasie uit in Libanon. Het Israëlische leger trok op naar Beiroet waar, na een maandenlang beleg, het uiteindelijk erin slaagde de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) te verdrijven. De operatie onder de nu cynisch klinkende naam ‘Vrede voor Galilea’ had mede tot gevolg dat Israëls Libanese bondgenoot, de falangistische militieleider Bashir Gemayel, werd gekozen tot president. Bashir werd echter vermoord voordat hij met zijn presidentschap kon beginnen.

Ook zijn broer en opvolger Amin Gemayel wilde vrede met Israël sluiten. In mei 1983 werd een verdrag gesloten dat voorzag in militaire samenwerking tussen beide landen, gefaseerde terugtrekking van Israëlische troepen en een Libanese grensstrook die onder controle van Israël zou blijven. Het akkoord stuitte op fel verzet van de verschillende confessionele groepen in Libanon en van de Arabische buurlanden. Het bleef een dode letter.

Israël heeft nog steeds geen vrienden in Libanon, ook niet bij de talrijke vijanden van Hezbollah

Het is vanaf dat moment dat Israël geen politieke vrienden meer heeft in Libanon. De Libanese christenen bleken, vanuit Israëls optiek, onbetrouwbaar en geen vrede te kunnen leveren. Israël had met zijn rücksichtslose bezetting de andere Libanese gemeenschappen, met name de sjiitische moslims, volledig tegen zich in het harnas gejaagd.

Wreed déjà vu

De Nederlandse arabist en diplomaat Ferdinand Smit (1959-2000), ooit tolk bij Unifil, de VN-vredesmacht die al decennia in Zuid-Libanon gestationeerd is, beschrijft in zijn boek The Battle for South Lebanon gedetailleerd hoe de Libanese sjiieten tussen 1982 en 1985 radicaliseerden. De in de Bekaa-vallei gelegerde Iraanse Revolutionaire Gardisten speelden in die periode een rol. Maar de reactie op de Israëlische invasie en bezetting van Zuid-Libanon gaf de doorslag bij de formatie van Hezbollah. 80 procent van de dorpen in het zuiden werd zwaar beschadigd, er vielen 19.000 doden en de economie werd verwoest. De bevolking trok massaal uit het gebied weg en kwam terecht in Dahiyeh, de zuidelijke wijken van Beiroet, een gordel van ellende en een rijke voedingsbodem voor het radicaal-islamistische gedachtengoed van Hezbollah.

In de periode na de Israëlische invasie van 1982 versloeg ik intensief de Israëlische bezetting en het lokale verzet in Zuid-Libanon. Sommige sjiitische dorpshoofden en notabelen die eerder nog kritisch waren over de aanwezigheid van Palestijnse strijders in hun gebied en bereid waren met Israël samen te werken, hadden geen goed woord meer over voor de Israëlische bezetter. Israël had al zijn potentiële bondgenoten in Libanon verloren.

Fast forward naar 2024. Israël heeft nog steeds geen vrienden in Libanon, ook niet bij de talrijke vijanden van Hezbollah. De dood van Hezbollah-leider Hassan Nasrallah heeft niet tot euforie geleid bij de andere Libanese politieke en confessionele spelers. Er is eerder sprake van een enigszins angstige, afwachtende houding over wat een verzwakt Hezbollah en een nieuwe Israëlische inval betekenen voor de fragiele interne Libanese verhoudingen. Kan de Libanese staat zich eindelijk doen gelden, of beleven we de opmaat naar een nieuwe ronde van de burgeroorlog?

Het Hezbollah van de jaren tachtig ontwikkelde zich in de decennia daarna tot een gemilitariseerde staat in een staat, een machtige geopolitieke factor in Libanon en de regio. De faam van Hezbollah als gewapende macht die een eind maakte aan de Israëlische bezetting in 2000 is allang weggeëbd. De populariteit van Nasrallah piekte nog even in 2006, toen Israël en Hezbollah hun voorlaatste oorlog uitvochten, maar verbleekte sindsdien. Veel Libanezen vonden overigens dat Hezbollah in 2006 hen ongevraagd had meegesleurd in een militair avontuur.

In sommige opzichten ging Hezbollah een beetje op aartsvijand Israël lijken: de onderdrukte als reproductie van de onderdrukker. Voor Hezbollah draaide alles om machtspolitiek en militarisering. De organisatie ondersteunde met militaire middelen het dictatoriale Assad-regime in de Syrische burgeroorlog. In Libanon frustreerde Hezbollah jarenlang pogingen om democratische, non-sektarische hervormingen door te voeren.

De vraag is of goed nabuurschap, dat de veiligheid van Israëlische en Libanese burgers garandeert, met geweld kan worden afgedwongen. Het wrede déjà vu van eerdere Israëlische invallen stemt niet optimistisch.

Dit artikel verscheen in de NRC van 4 oktober 2024

Van Groningen naar Gaza: solidariteit

Beste mensen,

Er is mij een paar dagen geleden iets bijzonders overkomen.

Op de Grote Markt in Groningen was een herdenkingsprotest voor de kinderen van Gaza. 16.000 gedode kinderen werden herdacht met duizenden kinderschoenen. De schoentjes, sandaaltjes en laarsjes waren in lange rijen op het grote plein neergelegd. Vijf uur lang werden namen voorgelezen van kinderen die er niet meer zijn. Er waren een paar korte toespraken waarin werd opgeroepen tot een staakt-het-vuren in Gaza, maar verder waren het vooral de namen van de vermoorde kinderen uit Gaza die over de Grote Markt van Groningen schalden. Het was waardig en indrukwekkend.

Ik was een van de vrijwilligers die gedurende tien minuten namen voorlas. En het toeval wilde dat in mijn lijst de naam van Muhammad Albardaweel was, zoon van Hussein Albardaweel. Ik schrok toen ik de naam van Muhammad zag staan. Eerder had Hussein, die ik ken van het Gaza Center for Media Freedom, mij een foto van zijn in Rafah gedode zoontje opgestuurd.

Mohammad Albardaweel

Hussein, zijn vrouw Maysa en hun kinderen Hala, Mohanad en Jana hebben de afgelopen maanden, zoals zoveel Palestijnen in Gaza, verschillende keren moeten vluchten. Hun laatste verblijfplaats was in Khan Younis, maar ook die moesten ze een paar dagen geleden hals over kop verlaten toen het Israëlische leger daar een grootscheepse aanval inzette. Hun persoonlijke bezittingen zoals matrassen, kleren en eten konden ze niet meenemen op de vlucht. Ze mochten van geluk spreken dat ze nog in leven waren.

Een andere Palestijnse kennis die ook in Khan Younis verblijft stuurde mij een WhatsApp-bericht over de dramatische situatie daar. “Er zijn vannacht aan één stuk door beschietingen van de Israëlische artillerie geweest en bombardementen door de luchtmacht. Er zijn veel doden en gewonden. Het is vreselijk, onverdraaglijk..”

Een donatie aan de GoFundMe-campagne https://gofund.me/535f469b zal mijn vriend Hussein helpen weer wat spullen en eten te kopen voor zijn gezin in deze benarde omstandigheden.

Van harte aanbevolen,

Jan Keulen

De schaduw van de andere oorlog achter de huidige

“De afgelopen jaren zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht. Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena (Spaanse burgeroorlog red.) schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kiev en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw”.

Oud-correspondent voor de Volkskrant Jan Keulen neemt ons in zijn boek De Oorlog van gisteren mee naar de tijd van de Libanese burgeroorlog maar ook naar de oorlogen tussen Israël en Palestina en de voortdurende onrust in het Midden-Oosten. Hij zat dicht op de huid van de (wereld) geschiedenis en deed daarvan dagelijks verslag. Journalisten schrijven vaak ‘de eerste versie van de geschiedenis’ en Keulen is een enorme kenner/ insider over deze regio. 

Keulen beschrijft zijn intense journalistieke periodes vanuit een persoonlijke invalshoek. We leren een knappe Libanese vriendin kennen, handelaren in leed, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd, en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Keulen, die als journalist ook de loopgravenoorlog tussen Iran en Irak versloeg, laat ook zien dat de oorlog van toen de oorlogen van nu zijn.

Voor vrede is geen plek in zijn boek. Keulen ontleent de titel van zijn geschrift aan de schrijver Stefan Zweig die bekend raakte met zijn boek De Wereld van gisteren. “De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag”.

Nederland kent in toenemende mate een traditie van journalistieke memoires. Verschillende verslaggevers schreven over hun standplaatsen (Olaf Koens, Lucas Waagmeester, Betsy Udink) of bijvoorbeeld Minka Nijhuis met haar boek Gekkenwerk: de zorgvuldig bewaarde geheimen van een oorlogsjournalist. En ook Jan Keulen schaart zich nu in dit rijtje van oud-correspondenten die hun licht en visie laten schijnen over hun beroep. Hun verhaal moet verteld worden.

In De oorlog van gisteren laat Jan Keulen zich zien als een betrokken en zeer goed geïnformeerde journalist. Hij kijkt in zijn boek terug op zijn persoonlijke en professionele rol als verslaggever en hoe om te gaan met geweld in oorlogen en conflicten.  Schrijf je in spannende situaties over jouw eigen angsten en onzekerheden. Mag je eigen leed uitventen? Zeker, dat mag om het grotere verhaal te vertellen van oorlog, ellende en totale waanzin. Het boek van Keulen is een aanrader om meer te weten over de diepere oorzaken van conflicten in het Midden-Oosten.

Boekbespreking door Lejo Siepe, in Vredesmagazine, jaargang 17, nr. 2, maart 2024

De oorlog van gisteren

Uitgeverij Jurgen Maas

Prijs € 26.95