Ik leerde Ton kennen in 1998. Hij werkte als docent journalistieke vaardigheden bij de Opleiding Journalistiek aan de Universiteit van Groningen. Ik kwam dat jaar terug uit het Midden-Oosten en werd een van Tons collega’s.
We waren beide in de eerste plaats journalist en moesten nog een papiertje halen van de universiteit dat aan zou tonen dat we didactische kwaliteiten hadden. Ik herinner me van die cursus vooral de langdurige lunches met Ton na afloop, in een café om de hoek, met nep-Perzische kleedjes op tafel en goedkope uitsmijters met een pilsje erbij. Hij bezwoer mij de bonnetjes te bewaren want die waren aftrekbaar voor de belastingen.
Ton zat altijd vol vragen; geïnteresseerd in mijn vroegere werk als correspondent in een gebied waar hij verder niet zoveel mee had. Hij was nieuwsgierig en empathisch tot op het bot, twee eigenschappen die hem waarschijnlijk ook tot zo’n goeie journalist maakten. Tegelijkertijd had hij een gezonde afkeer van autoriteiten en kon, als het nodig was, heerlijk grof zijn. Want journalistiek is ook een hard vak, laat je niets wijs maken.
Ton was voor mij een vriend en gids na jarenlang in het buitenland te hebben gewoond. Ik was na meer dan twintig jaar terug in Groningen en moest de draad weer zien op te pakken. Ton vroeg me hoe ik in mijn onderhoud kon voorzien, want Ik had maar een kleine aanstelling van twee dagen in de week bij de universiteit. Hij hielp mij aan verschillende freelance opdrachten, die me uiteindelijk door een moeilijke periode sleepten.
Mijn laatste onderneming samen met Ton was een studiereis naar Denemarken, zo’n zestien jaar geleden. We gingen kijken hoe de opleidingen journalistiek het daar aanpakten met het praktijkonderwijs en de studenten in het diepe werden gegooid in een newsroom voorzien van de nieuwste snufjes.
Maar voor Ton bleven de fundamenten van journalistiek dezelfde, hoe de media zich verder ook ontwikkelen: dóórvragen, inlevingsvermogen en oog voor het detail. En de lezer aan de hand nemen bij je ontdekkingstocht, in een taal die begrijpelijk is en klinkt als een klok.
Dag Ton. Ook ik heb veel van je geleerd.
Ton van Dijk (staand, links) bij een redactievergadering van tijdschrift Nieuwe Revu in 1976.Foto Berry Stokvis / Hollandse Hoogte
Ton van Dijk is overleden op 7 juni 2021, hij is 77 jaar geworden
De ombudsman van dagblad Trouw brak zich onlangs het hoofd over de juiste benaming van Roman Protesevitsj, de man die de Wit-Russische autoriteiten zó graag wilden arresteren dat ze er een lijnvliegtuig voor dwongen een tussenlanding te maken in Minsk. Moet je hem nu een dissident noemen, een activist of journalist? Of alle drie?
Vast staat dat Protesevitsj actief was als nieuwsfotograaf en, belangrijker nog, hoofdredacteur van Nexta, een kanaal op berichtendienst Telegram en op YouTube. Via Nexta kwam een stroom belangrijke informatie naar buiten over de protestacties na de presidentsverkiezingen van augustus vorig jaar, die dictator Lukashenko valselijk claimde gewonnen te hebben.
Nexta werd in de woelige augustusdagen immens populair in Wit-Rusland. Terwijl de aan de regering gelieerde media het publiek nauwelijks of niet informeerden over wat er aan de hand was, doorbrak Nexta de nieuws blackout met een stroom aan berichten, onthullende foto’s en video’s. En ja inderdaad, Nexta gaf ook aanwijzingen aan actievoerders om een bepaalde straat te mijden omdat de mobiele brigade daar klaar stond, of publiceerde adressen van advocaten die konden helpen in het geval van arrestatie. Van de 9,5 miljoen Wit-Russen namen anderhalf miljoen mensen een abonnement op Nexta.
Deed Nexta aan journalistiek en kan Roman Protesevitsj dus met recht journalist worden genoemd, of gaat het hier om een vorm van activisme dat handig gebruik maakt van de mobiele telefoontechnologie? Werden de berichten wel grondig gecheckt? En hoe staat het met de onafhankelijkheid van Nexta? Was de organisatie niet te veel gelieerd aan de oppositiebeweging tegen Lukashenko?
Het zijn legitieme vragen en Trouw herinnert eraan dat “activist en journalist, een combinatie is die in Nederland snel wantrouwen zou opwekken”. “Een journalist voert geen actie”, stelt de krant vast, “dat gaat ten koste van de objectiviteit”.
Maar, als Protesevitsj politiegeweld tegen burgers laat zien, dan is dat wel degelijk journalistiek, constateert de krant ook. Het is immers: laten zien wat er gebeurt? Blijft het feit dat Protesevitsj een “journalist met een agenda” is en daar kijken we in Nederland kritisch naar.
Uiteindelijk komt Trouw tot de conclusie dat Protesevitsj het beste “dissident en journalist” genoemd kan worden, in die volgorde. Eventueel is ook de term oppositieblogger bruikbaar maar het blijft, vindt de Trouw-ombudsman ook, onbevredigend.
Is het echt zo, zoals Trouw stelt, dat activistische journalistiek in een democratisch land als Nederland wantrouwen verdient? Wellicht is het waar als we “activistisch” heel eng definiëren. Zoiets als: puur subjectief gedreven verslaggeving of journalistiek met een strikt (partij-)politieke agenda, met dedain voor waarheidsvinding. Dan klopt de stelling van Trouw.
Maar ik denk dat ook in een democratie we niet al te wantrouwig moeten zijn naar de activistisch ingestelde journalist. Veel onderzoeksjournalistiek heeft uiteindelijk een flinke activistische inslag. De goed onderbouwde onthullingen van Volkskrant-verslaggevers Frank Hendrickx en Tom Kreling over de miljoenen van Siewert waren uiteraard journalistiek vakwerk, maar waren er nooit gekomen zonder die extra drive om de waarheid te achterhalen en onrecht aan de kaak te stellen.
Journalistiek is er in de eerste plaats om ons zo eerlijk, objectief en duidelijk mogelijk te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Maar soms werkt journalistiek ook mee om de wereld (ietsje) te veranderen. Dat is haast altijd ongemakkelijk en vaak gevaarlijk. Daarom stoppen ze journalisten als Roman Protesevitsj in de gevangenis en worden brave collega’s in Nederland door populistische politici aangeduid als “tuig van de richel”.
Persfotograaf Bart Maat, die de notitie van mevrouw Ollongren met telelens vastlegde, zal niet hebben durven dromen van de politieke aardbeving die hij met zijn foto veroorzaakte. Het was een moment van politieke onvoorzichtigheid en journalistieke toevalligheid met grote gevolgen.
Ollongren verliet gehaast het Binnenhof met een stapel papieren onder haar arm, toen ze positief bleek te hebben getest op corona. Op de notitie onder haar arm waren onder andere de explosieve woorden Omtzigt functie elders duidelijk leesbaar. Ook het zinnetje linkse partijen houden elkaar niet echt vast was nieuwswaardig, na alle eerdere liefdesbuigingen van Jesse aan Lillianne en Lilian en vice versa.
Het ANP besloot een persalarm rond te zenden, een bericht waarmee het persbureau journalisten wijst op groot nieuws. Zonder uitzondering publiceerden de Nederlandse media over de notitie, die leek te suggereren dat Kamerlid Omtzigt op een zijspoor zou moeten worden gerangeerd. De vragen die de notitie opriep domineerden dagenlang niet alleen de media maar ook het politieke debat.
Sommige lezers van dagblad Trouw hadden moeite met het citeren uit wat zonder twijfel een vertrouwelijk stuk was, dat per ongeluk aan de openbaarheid was prijsgegeven. Hoofdredacteur Cees van der Laan laat weten dat er bij hem ‘geen spoor van twijfel’ was over de wenselijkheid de notitie te publiceren. ‘De aantekeningen zijn niet uit een tas gevist, onder een kopieermachine vandaan gehaald of op andere wijze aan Ollongren ontfutseld.’ Daar kwam bij dat het kattenbelletje politiek zo belangwekkend was dat ‘niet publiceren een journalistiek misdrijf zou zijn geweest’.
Van der Laan heeft gelijk: soms is niet publiceren, het achterhouden van informatie, simpelweg een journalistieke zonde. Vooral als het om informatie gaat die van algemeen publiek belang is. In tijden dat de media onder druk staan, te pas en vooral te onpas worden beschuldigd fake nieuws te brengen en zelfs bloot staan aan fysieke bedreigingen, is het goed je te realiseren dat journalistiek een professie is met duidelijk omlijnde do’s en don’ts. Bij journalistiek gaat het fundamenteel om te streven naar waarheidsvinding, je best te doen de waarheid te achterhalen.
Dat maakt journalisten niet altijd populair.
Het is een misverstand te denken dat journalistiek een soort mechanische bezigheid is; een handigheid in knippen en plakken en babbelen aan ‘de tafels’, ’s avonds op televisie. Door voorlichters en pr-medewerkers voorgekauwde informatie simpelweg reproduceren is geen koosjer journalistiek. Journalisten mogen het pr-materiaal natuurlijk als achtergrond gebruiken, maar het moet altijd worden getoetst. Check en dubbelcheck is een even fundamentele als essentiële grondregel van het vak.
Nieuws over bijvoorbeeld het witwassen van geld, belastingontduiking, corruptie en, ja, het wegpromoveren van een lastig Kamerlid, komt nooit zomaar aanwaaien. Misschien is er zo nu en dan een toevalstreffer, zoals met de Ollongren-foto het geval was, maar meestal is het verzamelen van informatie hard en langdurig werk. En zelfs in het geval van de foto van de verkenningsnotitie was de drive van persfotograaf Bart Maat om alles op het Binnenhof vast te leggen en de alertheid van de ANP-redactie vereist, om dit grote verhaal boven water te krijgen.
In veel landen zou het publiceren van een vertrouwelijk bedoelde notitie, met potentieel grote politieke gevolgen, uit den boze zijn. Het zou de fotograaf, hoofdredacteur en journalisten achter tralies kunnen doen belanden en tot de sluiting van media leiden. Denk aan Hongarije, Turkije of tientallen andere landen, waar het slecht gesteld is met de persvrijheid. Gezegend het land waar het in principe wėl mogelijk is de onderste steen boven te krijgen.
Daarmee is uiteraard niet gezegd dat journalisten in Nederland allemaal heilige boontjes zijn en nooit ‘zondigen’ tegen de ethische regels van het vak. Er zijn de nodige gevallen bekend van plagiaat, van verzonnen citaten en andere staaltjes van onzuivere journalistiek. Soms lokken journalisten een incident uit om een smeuïg verhaal te kunnen maken. Journalisten horen het nieuws te verslaan en natuurlijk niet hun eigen werkelijkheid te creëren.
De discussie over wat “een misdaad tegen de journalistiek” is, wat daarentegen juist goede journalistiek is en waartoe het dient, moeten we blijven voeren: binnenshuis als collega’s maar ook breder, met de krantenlezers en tv-kijkers, met de sceptici, met de twijfelaars en halve en hele complotdenkers.
De Ollongren-foto gaf ons een inkijkje in de keuken van de macht. Wat we zagen was zo nu en dan verwarrend, ontluisterend en verre van fraai. Maar het was wel zuiverend. Wat mij betreft heeft de journalistiek met Ollongren-gate Nederland een belangrijke dienst bewezen.
Duizenden mensen gingen deze week de straat op in Spanje na de arrestatie van rapper Pablo Hasél. Ze protesteerden tegen de straf van negen maanden gevangenis die Hasél kreeg voor zijn rapteksten en tweets. Een rapper hoort niet in de gevangenis, aldus de demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting: libertad, libertad, werd er geroepen, vrijheid voor Pablo.
Het ging er bij de demonstraties, die niet waren toegestaan, hard aan toe. De oproerpolitie hanteerde de wapenstok, schoot met rubberkogels en verrichtte tientallen arrestaties. Sommige demonstranten richtten vernielingen aan en vielen politiemannen aan. Er velen gewonden, zowel bij de demonstranten als bij de politie en journalisten die verslag deden van de rellen.
De woordvoerder in het parlement van Unidas Podemos, de kleinere en linksere regeringspartner in de coalitie met de sociaaldemocratische PSOE, liet op sociale media er geen twijfel over bestaan dat zijn sympathie lag bij ‘de jonge antifascisten die demonstreren voor rechtvaardigheid en vrijheid van meningsuiting’. Hij hekelde het harde, niet-proportionele optreden van de oproerpolitie. De politie moest volgens hem verantwoording afleggen voor het schieten met rubberkogels waarbij een van de demonstranten een oog had verloren.
De Spaanse twitter en facebook ontploften. Vooral de rechterflank roerde zich flink. Politiebonden spraken schande van de kritiek van de linkse parlementariër. Hoe was het mogelijk dat een vertegenwoordiger van een regeringspartij, die dus indirect ook het gezag vertegenwoordigde, de vrijlating van rapper Pablo Hasél eiste? En kritiek op de politie durfde te leveren? Die zogenaamde antifascisten waren niet meer dan relschoppers, jeugdige delinquenten die vernielingen aanrichtten. Hoezo vrijheid van meningsuiting?
De arrestatie van de rapper, het geweld op straat en het verbale geweld in de (sociale) media liet deze week zien hoe diep verdeeld Spanje nog steeds is. Voor de aanhangers van de rechtse Partido Popular en vooral van de sterk opkomende partij Vox, een soort Spaanse versie van de PVV, zijn de rapper Hasél en de jongeren die voor hem demonstreren, echt terroristen of criminelen.
Ik had een overweldigend gevoel van déjà vu bij de beelden van libertad libertad scanderende jongeren en erop los meppende dienders. In de jaren zeventig werkte ik enkele jaren in Madrid als beginnend journalist en maakte de transición mee van Franco-dictatuur naar een moderne, Europese democratie. Het was geen pijnloze bevalling maar de culminatie van jarenlange politieke en sociale strijd voor meer democratie. En de ellende was dat het nieuwgeboren Spanje weliswaar vrijer was dan het fascistische Spanje van Franco, maar perfect was het lang niet. De nieuwe grondwet herstelde bijvoorbeeld de monarchie en de door Franco voor het ambt van staatshoofd klaargestoomde Juan Carlos de Borbón werd koning.
Dat de Spaanse democratie nog niet perfect was merkte ik zelf aan den lijve in 1979 toen ik formeel het land werd uitgezet. Ik had een artikel geschreven in De Volkskrant over betrokkenheid van een aantal rechtse officieren bij een terroristische aanslag in Madrid. De top van het Spaanse leger was not amused over het artikel en als reden van mijn uitzetting werd opgegeven dat ik me schuldig had gemaakt aan “belediging van de Spaanse strijdkrachten”. En dat was een strafbaar feit.
Die herinnering kwam terug toen ik las waarvan de rapper Pablo Hasél werd beschuldigd. In zijn tweets zou hij de kroon -in Spanje geschreven als Corona met een hoofdletter- en de Spaanse staatsinstellingen, waaronder de strijdkrachten, hebben beledigd. Injuria of belediging van deze instellingen is, volgens het Spaanse wetboek van strafrecht, een misdrijf waar gevangenisstraf op staat.
Pablo Hasél rapt in een van zijn nummers dat de vroegere koning Juan Carlos een maffiabaas en hoerenloper is. Niet zulke fijnzinnige beschuldigingen natuurlijk, maar de ironie is dat er een grote kern van waarheid in schuilt. De vroegere vorst en vader van de huidige koning Felipe wordt daadwerkelijk beschuldigd van corruptie en schimmige deals, onder andere met Saoedi-Arabië. De totaal van zijn voetstuk gevallen Juan Carlos verblijft sinds vorig jaar in ballingschap in Abu Dhabi.
Maar dat betekent nog niet dat je in Spanje de kroon als instelling zomaar kunt bekritiseren of bespotten. Of de eenheid van het land in twijfel kunt trekken. Of kritisch kunt zijn over de kerkelijke hiërarchie of katholieke symbolen. Volgens de politieke analist Germán Gorraiz López speelt de erfenis van generaal Franco wel degelijk een rol bij de repressieve wetten en “het uitsterven van de vrijheid van meningsuiting in Spanje”. De repressie, aangescherpt door een wet ingevoerd in 2015 onder de vroegere premier Rajoy, heeft als doel “weerspannige personen, groepen en entiteiten die ingaan tegen de belangen van het Spaanse establishment te criminaliseren”.
De zaak van rapper Hasél staat niet op zichzelf. Volgens Amnesty International werden in 2018-’19 zeventig personen veroordeeld op basis van de Rajoy-wet. Een andere rapper vluchtte naar België nadat hij tot drie-en-een-half jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Ook hij zou de monarchie hebben beledigd en terroristische groepen hebben geprezen.
Spanje scoort binnen Europa slecht op het gebied van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Volgens de RSF-persvrijheidsindex van 2020 staat Spanje op de 29e plaats, ver achter Nederland (5e) maar ver achter ook Portugal (10e).
Om de situatie in Spanje te vergelijken met die in Turkije of Marokko, zoals sommige Spaanse persvrijheidsactivisten doen, gaat wat ver, maar er is nog wel erg veel werk aan de winkel. De huidige linkse regering wil af van de strenge Rajoy-wetten en van gevangenisstraffen voor ‘opiniemisdrijven’. Oproepen tot haat en geweld zouden wel strafbaar moeten blijven, conform de wetgeving in andere landen van de Europese Unie. De regering van premier Sanchez is echter nog niet met een concreet wetsvoorstel gekomen.
De enorme polarisatie die de zaak-Hasél in Spanje teweeg heeft gebracht toont aan dat er nog iets anders aan de hand is. Oude demonen steken hun kop weer op. Spanje blijft een verdeeld land, waar een tot voor kort vrij onbekende rapper voor de één een strijder voor het vrije woord is en voor de ander een crimineel die in de gevangenis thuishoort.
“Media bepalen met hun nieuwskeuze de empathie van kijkers” stelt een kop boven een artikel in Trouw van 12 december. Schrijfster Sahar Noor is verontwaardigd over het feit dat een aanslag op de campus van de Universiteit van Kaboel, waarbij 35 studenten en docenten omkwamen, niet tot grote artikelen leidde in de Nederlandse kranten. Ook werd het nieuws uit Afghanistan niet gemeld in het achtuurjournaal. Daarentegen werd wel aandacht besteed aan een terroristische steekpartij in Frankrijk, drie dagen ervoor, en aan een terreuraanslag in Oostenrijk op dezelfde dag.
“Of het nu gaat om één mensenleven of honderd, slachtoffers zijn slachtoffers. Op humanitaire gronden zou het niet mogen uitmaken waar de slachtoffers zijn geboren, welke kleur, etniciteit, religie of gebruiken zij hebben. De nieuwswaarde van een incident met burgerdoden zou niet afhankelijk moeten zijn van deze gronden (…). Toch is het zo.”
Eigenlijk beweert Sahar Noor hier dat de Nederlandse media discrimineren door minder aandacht te besteden aan een aanslag in Afghanistan dan aan een terreurdaad in Oostenrijk. Voor haar telt het argument niet dat het land ver weg ligt en dat de nieuwsconsumenten zich minder in de Afghaanse slachtoffers herkennen.
Maar klopt de redenering “slachtoffers zijn slachtoffers” wel?
In ieder geval niet in de journalistiek. In het befaamde Basisboek Journalistiek van Kussendrager, Van der Lugt en Rogmans, door generaties Nederlandse studenten-journalistiek gebruikt, wordt uitgelegd dat de vraag waar een gebeurtenis zich afspeelt wel degelijk belangrijk is voor het bepalen van de nieuwswaarde. Volgens het Basisboek hanteren redacteuren buitenland een ongeschreven, cynische formule die ongeveer als volgt luidt: “aantal doden gedeeld door de afstand tot Nederland”. Veel slachtoffers in een ver en onbekend land zijn minder nieuwswaardig dan een slachtoffer om de hoek. Met andere woorden: het ene slachtoffer is het andere niet.
De afstand Amsterdam-Kaboel is meer dan 7.000 kilometer. Er waren daar 35 doden. In Wenen waren “slechts” vier doden te betreuren, plus vijftien gewonden. Maar Wenen ligt zeven keer dichter bij Nederland dan Kaboel, ligt in de Europese Unie en is bekend terrein voor veel Nederlandse toeristen. En inderdaad: de Weense slachtoffers lijken meer op ons dan de Afghaanse slachtoffers. Nederlandse toeristen hadden onder de doden en gewonden kunnen zijn. Inleven met de Weens slachtoffers is relatief simpel, met die in Kaboel is meer gecompliceerd.
De vraag is of het mechanisme van “hogere nabijheid, hogere nieuwswaarde” in wezen wel zo wrang, pijnlijk en cynisch is als Sahar Noor beweert en of die berichtgeving automatisch tot een fout soort selectieve verontwaardiging leidt.
Een geliefd familielid dat overlijdt of het sterven van een goede vriend of buur grijpt meer aan dan het overlijden van een voor jou anonieme persoon verderop in de straat, aan de andere kant van Nederland of aan de andere kant van de wereld. “Het komt wel erg dichtbij”, zeggen we als we een onheilstijding ontvangen, bijvoorbeeld over een coronabesmetting van een bekende. Het nieuws van een naaste die zwaar ziek is boeit meer dan de abstracte statistieken en dagkoersen van doden en besmettingen in het land. We zeggen “het raakt ons” of “ik ben aangedaan”, daarmee nabijheid aangevend, zelfs een zo grote nabijheid dat het ons fysiek en psychisch beroert.
Dat het nabije nieuws ons meer raakt, soms zelfs bij de keel grijpt, is op zich niet vreemd of afkeurenswaardig. Het leidt ook niet automatisch tot selectieve empathie. Met journalisten die daar professioneel op inspelen is niets mis. Ze doen gewoon hun werk. Een van de kerntaken van de journalist is immers de lezer of kijker betrouwbare, controleerbare, en voor hem/haar relevante informatie verschaffen. Dingen die dichtbij gebeuren zijn vaker relevant.
Het zijn niet de media die de empathie van kijkers bepalen. Het zijn de empathische gevoelens van kijkers die bepalen hoe journalisten hun werk moeten doen. Aan berichtgeving over dichtbij worden daarbij in veel opzichten hogere eisen gesteld dan aan verslaggeving vanuit een ver-van-m’n-bed land. De kijker kent immers de situatie van z’n eigen buurt, stad of vaderland. Details kunnen worden getoetst, feiten gecontroleerd.
Als buitenlandcorrespondent met vele jaren in het Midden-Oosten ben ik meer dan eens in een wrange situatie geweest, waarbij ik in mijn berichtgeving voorrang moest geven aan de interessesfeer van mijn lezers, ten koste van accuraat over elke gruwelijke oorlogsdaad te berichten. Er was bijvoorbeeld buitenproportioneel veel belangstelling voor “onze jongens” van het Nederlandse UNIFIL-bataljon in Libanon. Sahar Noor constateert eenzelfde soort overdreven aandacht voor “onze jongens” in Uruzgan tussen 2006 en 2010, toen elk waterputje dat door Nederlandse militairen werd geslagen door de media in de schijnwerpers werd gezet.
Dat kan inderdaad gekmakend zijn, dat ben ik eens met Sahar Noor. Vooral als je weet dat er veel heftiger dingen gebeuren waar minder aandacht aan wordt besteed.
Maar het is niet, zoals zij suggereert, vanwege “financiële winst” dat de Nederlandse media nalaten radicaal inclusief te berichten over crisissituaties, waarbij elk slachtoffer “gelijk” is aan de ander. De media werken niet expres selectieve verontwaardiging in de hand. Oprechte verontwaardiging is trouwens altijd selectief. Het is -menselijk gesproken- onmogelijk over alles even verontwaardigd te zijn.
Journalisten zijn geen kruideniers die alle ellende gram voor gram moeten afwegen en gelijkelijk verwerken in hun nieuwsgaring en -verwerking. Journalisten en media bedienen een specifiek publiek, om dit te voorzien van voor hen relevant nieuws en informatie. En daar komt onverbiddelijk een selectie aan te pas.
Dat wil niet zeggen dat goede journalisten “ver nieuws” niet interessant en relevant kunnen en soms moeten maken. Misschien is het dichterbij brengen van dat “verre nieuws”, dat overigens ook uit Amsterdam-Oost of Molenbeek kan worden gehaald, wel een van de grootste uitdagingen van de journalistiek. Maar het kweken van begrip en inclusiviteit zijn niet gediend met alle nieuwsfeiten over één kam te scheren, uit naam van een vaag soort universeel humanisme.
23 december 2020, geschreven voor Media Trainingscentrum Noord-Nederland
Ik hoor mensen klagen over quarantaine. Tien dagen isolatie, thuis zitten, tv-kijken, online je werk doen, de boodschappen aan de deur afgeleverd krijgen. Het zijn sombere coronatijden…
Onwillekeurig moest ik deze dagen veel aan Gaza denken.
Gaza is al dertien jaar in quarantaine, met de landsgrenzen afgesloten en de kust gecontroleerd door Israël. In de hemel zoemen Israëlische drones. Geen ontsnappen mogelijk. Een openluchtgevangenis. De haven is gesloten, het vliegveld kapot gebombardeerd. Zo’n tweemiljoen mensen zitten opgesloten in een gebied kleiner dan ons Waddeneiland Tessel.
In het bekroonde Gaza van de Ierse documentairemakers Andrew McConnell en Garry Keane, onlangs in het Groninger Forum vertoond, worden de inwoners van de Palestijnse kustenclave op indringende wijze tot leven gewekt. Mensen van vlees en bloed, gevangen in een uitzichtloze situatie.
De veertienjarige Ahmed woont in een vluchtelingenkamp dat grenst aan het strand. ‘Ik ben geboren vlak bij de zee, ik woon bij de zee en zal sterven bij de zee’, hoor je hem zeggen.
Hij droomt ervan net als zijn vader visser te worden. Een moeilijk en gevaarlijk beroep, zeker nu je van de Israëli’s maar een paar mijl uit de kust mag vissen.
Karma is een paar jaar ouder dan Ahmed. Ze komt uit een middenklasse gezin en speelt prachtig cello, geen alledaagse hobby in Gaza. Haar dromen en frustraties brengt ze pijnlijk precies onder woorden. Uitkijkend over de Middellandse Zee vertelt ze hoe ze zich opgesloten voelt in Gaza. Ze verlangt ernaar om die zee over te steken en naar het buitenland te gaan om politieke wetenschappen te studeren. Haar doel: bijdragen aan een vrij en welvarend Palestina.
De verhalen van Ahmed, Karma en de andere personages in de film, waaronder een theatermaker, een vrolijke taxichauffeur, een kleermaker en een wedding planner, brengen het leven in Gaza scherp in beeld. Als journalist die Gaza vaak heeft bezocht weet ik hoe moeilijk dat is. Hoe breng je de contradicties, het onrecht, maar ook de kleur, geur en menselijkheid van Gaza realistisch in focus, zonder dat het beeld wordt vervormd, of verwrongen door ideologische vooroordelen?
Het bekijken van Gaza, met een afstand van anderhalve meter tussen de bioscoopstoelen, maakte bij mij tegenstrijdige gevoelens los.
Ik werd niet vrolijk van een scene waarbij de naaimachine van de kleermaker plotseling stopt en de lichten uitgaan, omdat -zoals elke dag- de elektriciteit wordt afgesloten. Het is de schuld van Israël dat de stroom gerantsoeneerd wordt, weet de kleermaker en het plotseling gedompeld worden in duisternis is een metafoor voor het donkere Gaza, afgesneden van de rest van de wereld.
Sommige scenes gaan door merg en been: Israëlische soldaten die lafhartig “prijsschieten” op jonge Palestijnse demonstranten, die in hun Mars voor de Terugkeer opkomen voor hun rechten als vluchtelingen.
Maar het is niet alleen maar boosheid en depressies. De film laat vooral ook mensen zien die hun humor en moed niet hebben verloren, die geen verliezers zijn, die blijven dromen over de toekomst. Dat is hoopgevend en louterend. En je denkt ook: wat klagen wij bij een paar weken lockdown? De inwoners van Gaza leven al jaren in een crisissituatie.
De vroegere premier Rabin verzuchtte in 1992 te hopen dat hij op een dag wakker zou worden en zou ontdekken dat Gaza opgeslokt was door de zee. Dat is niet gebeurd. Wie er ook aan de macht is, wat er ook gebeurt: de zee is een constante geografische factor, die je wel weg kunt denken, maar daarmee niet weg zal gaan.
In de documentaire Gaza is de zee alomtegenwoordig. Het is een symbool voor zowel de isolatie -je kunt immers niet ontsnappen via de kust- als contact met de buitenwereld. Aan de overkant van die zee lokt de vrijheid, het normale leven, de hoop op een toekomst die ooit zal komen.
Net als de geografische werkelijkheid is ook de demografische realiteit niet weg te denken.
De tweemiljoen Palestijnen in Gaza, waarvan 1,3-miljoen vluchtelingen, zullen niet van de ene dag op de andere door de zee worden verzwolgen. Ze worden weliswaar vernederd en opgesloten, maar de Palestijnen van Gaza, veelal nakomelingen van vluchtelingen, zijn van vlees en bloed, zoals de film Gaza zo doeltreffend en poëtisch laat zien.
De Handel en Ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties UNCTAD publiceerde eind november het rapport ‘De economische kosten van de Israëlische bezetting voor het Palestijnse volk: De Gazastrook met afsluiting en restricties’. De economische schade door de blokkade en Israëls militaire operaties in Gaza bedroeg in de periode 2007-2018 haast 14-miljard euro. Meer dan de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens, het gebied wordt hoe langer hoe meer onbewoonbaar. Gaza laat een ongekend staaltje zien van door mensen veroorzaakte on-ontwikkeling; een met opzet gecreëerde ramp.
De UNCTAD riep op onmiddellijk een einde te maken aan de afsluiting van Gaza. De inwoners moeten weer vrij kunnen reizen, handeldrijven met de buitenwereld en contact hebben met hun familie en vrienden buiten Gaza, aldus de UNCTAD.
Hopelijk verdwijnt het zoveelste rapport van een VN-organisatie over Gaza niet in een la en komt de buitenwereld in actie. Al was het alleen maar vanwege de moed om te dromen, van Ahmed en Karma.
We hebben het gevoel dat informatie van alle kanten op ons af komt: het is veel, het is snel en vol tegenstrijdigheden. Vaak is het onduidelijk waar de feiten ophouden en de meningen beginnen.
Neem de coronacrisis. Dag na dag worden we overspoeld met informatie en vooral ook desinformatie, met meningen en tegenovergestelde opinies.
Hoe weet je als leek nog wat waar is, als de experts het al oneens zijn, de influencers de volgende dag hun boodschap intrekken om je niet aan de coronaregels te houden, de politici kibbelen over de beste strategie.
De afgelopen maand gaf ik een cursus journalistiek waarin we uitgebreid ingingen op wat nu eigenlijk goede journalistiek is. Mijn stelling was dat de kern van elke journalistieke activiteit berust op nieuwsgierigheid. De taak van journalisten is om te willen weten, te achterhalen hoe het zit en hoe het zo is gekomen. In essentie gaat het simpelweg om de wat, waar, wanneer, waarom en hoe.
Maar vaak zijn we vooral geïnteresseerd in de opinies, die meer opwindend, kleurrijk en sexy zijn dan de feiten.
Toch gaat journalistiek in de eerste plaats om die feiten. En uiteindelijk zijn het de feiten die er het meeste toe doen.
Ik heb het altijd een mooi, verheven vak gevonden: journalistiek. Een vak dat omschreven kan worden als een eindeloze zoektocht naar de waarheid.
Twee dagen na het einde van de cursus las ik een stuk van de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad, die het volgende schreef over het journalistieke zoeken naar de waarheid:
“Onze lezers betalen ons, om met de vraag hoe het precies zit op pad te gaan. De oogst is nooit alwetendheid. Waarheidsvinding is het tegenovergestelde van de waarheid in pacht hebben. Er is altijd weer een volgende vraag…”
Na afloop van de cursus journalistiek kwam een van de deelnemers met het idee om een training “media weerbaarheid” te organiseren. Dat was voor mij een nieuw gezichtspunt. Ik had wel van sociale en digitale weerbaarheid gehoord, maar nog nooit van ‘media weerbaarheid’.
Maar ik snapte wel wat ze bedoelde. De media -en dan hebben we het over nieuwsmedia, publieke en commerciële media, talkshows, sociale media platforms als YouTube, Facebook, Twitter enzovoorts-, demedia bestoken ons met zo’n vloedgolf aan informatie dat we soms door de bomen het bos niet meer zien.
Dat betekent dat we moeten snappen hoe de media werken, hoe journalisten te werk gaan.
Hoe weten we zeker dat journalisten wel echt bezig zijn met waarheidsvinding? Of laten ze zich door andere motieven leiden? Welke zijn de bronnen van de journalist? Zijn deze betrouwbaar? Wat is waar, wat een beetje waar en wat is een pure leugen? Het zijn fascinerende, maar ook polariserende vragen.
Er wordt in bepaalde kringen veel gescholden op de MSM, de Mainstream Media, zeg maar de gevestigde media. Toch blijkt uit onderzoek dat in Nederland het vertrouwen in die MSM en in de vaak bekritiseerde publieke omroep nog opvallend hoog is. Bij ons vertrouwt meer dan de helft van het publiek over het algemeen het nieuws wel, net als in Scandinavië, de Duitssprekende landen en in Vlaanderen. In Zuid-Europa en Groot-Brittannië is er veel minder vertrouwen in de journalistiek, om over de Verenigde Staten maar te zwijgen.
Toch is het absoluut geen gek idee om ons weerbaar op te stellen ten opzichte van nepnieuws, propaganda, en die brei van meninkjes en opinies die 24/24 over ons heen wordt gestort. De antwoorden van sommige troebele alweters zijn vaak makkelijker te verteren en brengen grotere “zekerheid” dan het hinderlijke doorvragen van de journalisten.
Maar dat doorvragen is onontbeerlijk om het kaf van het koren te kunnen scheiden, de feiten van de meningen, de waan van de werkelijkheid. Dat te snappen maakt ons media-weerbaar.
Geschreven voor Oog op de Media, 29 september 2020
Lang geleden, in 1980, waren er 25 uitgevers actief op de Nederlandse krantenmarkt.
Vijf jaar geleden was dat aantal gekrompen tot acht uitgevers.
En nu, in september 2020, zijn de dagbladen in Nederland praktisch allemaal in handen van twee grote consortia.
Ook de noordelijke media: het Dagblad van het Noorden, de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad, tientallen lokale advertentiebladen en stadsblog Sikom zijn sinds kort eigendom van het Belgische Mediahuis. Mediahuis heeft hiermee het respectabele aantal van 25 dagbladtitels in zijn bezit.
De Nederlandse krantenmarkt is een duopolie: twee grote Belgische bedrijven hebben praktisch alle dagbladen in ons land in bezit.
Dezelfde Belgische persbaronnen controleren ook de krantenmarkt in Vlaanderen en zijn in opmars in Ierland, Luxemburg en elders in Europa.
We hebben het dus echt over dagbladreuzen: de Berlusconi’s van de Lage Landen.
Mediahuis bezit de Telegraaf, NRC-Handelsblad en regionale dagbladen in Noord- en Zuid-Holland en Limburg. En nu dus ook meer dan 80% van de media in Groningen, Friesland, Drenthe en Noord-Overijssel.
De andere Belgische mediareus is de Persgroep, eigenaar van het AD, Volkskrant, Trouw, het Parool en een hele rits regionale kranten.
Wat moeten we van dit duopolie denken?
Journalisten in vaste dienst bij de kranten in het noorden zullen waarschijnlijk opgelucht zijn. De eigenaars van de NDC-groep deden niet voor niets de kranten in de etalage. De financiële nood was hoog. Het bedrijf stond “onder water”: er werd met groot verlies gedraaid. De overname geeft voor de komende tijd lucht en biedt weer enig perspectief.
Dat geldt ook voor de journalisten van het Friesch Dagblad, de kleinste van de drie noordelijke dagbladen, met een dagelijkse oplage van minder dan 10.000. Ook zij kunnen voorlopig even vooruit. In een interviewverzekerde Mediahuis-baas Gert Ijserbaert dat de noordelijke drie kranten in hun huidige vorm kunnen blijven bestaan. De oplage van het Friesch Dagblad, lijfblad van een krimpende groep orthodox-protestanten in Friesland, moet echter niet verder zakken. “Als de oplage daalt, dan wordt het kritischer. Maar als de krant voldoende mensen kan overtuigen om ze te blijven lezen, zie ik geen reden waarom deze niet zou kunnen blijven bestaan.”
De redacties van de noordelijke kanten moeten, onder het regime van Mediahuis, wel meer gaan samenwerken. “Het is goed om dingen samen te doen, zoals het delen van kopij”, zegt Ijserbaert. “Dat lijkt me ook logisch, dat je kijkt wat je binnen een groep kunt doen. Zeker bij dingen die uiteindelijk toch voor iedereen hetzelfde zijn: die kun je misschien beter delen.”
Ijserbaert zegt het diplomatiek maar duidelijk: voor het Friesch Dagblad is het op den duur een onhoudbare luxe om er bijvoorbeeld een eigen buitenlandredactie op na te houden. Dit gold overigens al langer voor de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Ook op andere deelterreinen zullen we binnenkort ongetwijfeld dezelfde kopij tegenkomen in de drie noordelijke kranten.
Foto Koen Suyk, ANP
De persconcentratie leidt onherroepelijk tot redactionele verschraling: minder verschillende invalshoeken, minder pluriformiteit, minder diversiteit. Het is een proces dat al tientallen jaren gaande is maar de laatste jaren in een stroomversnelling terecht kwam. De advertentiemarkt is door de opkomst van internetgiganten als Google en Facebook ingestort. Mensen volgen het nieuws online, vaak via gratis websites van de publieke omroep. En dan is er de ontlezing: er wordt steeds minder gelezen. Minder boeken, tijdschriften en ook minder dagbladen. In onze media heerst steeds meer een beeldcultuur en weinigen kunnen de verleiding van de smartphone weerstaan.
Betwijfeld mag worden of met die redactionele verschraling de redactionele onafhankelijkheid van de drie noordelijke kranten ook echt overeind kan blijven, zoals de heren van Mediahuis verzekeren. Waarschijnlijk wordt met de overname door Mediahuis het begin van het einde ingeluid voor de onafhankelijkheid van de Leeuwarder Courant, nota bene de oudste nog steeds verschijnende krant van Nederland. De Leeuwarder Courant dateert van 1752 en is wat dat betreft deel van het Fries en Nederlands cultureel erfgoed.
De vraag is of er überhaupt een toekomst is voor papieren kranten. Sommige pessimisten geloven van niet. Derk Sauer, nota bene zelf een krantenuitgever in Rusland, denkt dat uiteindelijk de media over een paar jaar alleen nog uit nichepublicaties bestaat – zoals een yogasite of een site over voetbal of autosport – en uit wereldmerken – zoals The New York Times of de Guardian
Alles wat daartussen zit verdwijnt. Want aan advertenties valt niet genoeg meer te verdienen en het publiek is steeds minder bereid te betalen voor algemene media.
De Belgische persbaronnen geloven wel in de toekomst van de krant, maar dan vooral in de digitale krant. Uiteindelijk zal het publiek bereid zijn te betalen voor kwalitatief hoogstaande inhoud, voor content die ertoe doet, zo geloven zij.
Laten we hopen dat dat waar is. Het succes van de betaalmuur van NRC-Handelsblad is misschien bemoedigend, maar kranten als het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant hebben met hun premium artikelen nog lang niet genoeg betalende lezers weten binnen te hengelen.
En dan is er nog iets.
Bedrijven die ruwweg 90% van de dagbladenmarkt controleren hebben niet alleen veel economische macht, wat sneu is voor freelancejournalisten en fotografen die daarmee in een zwakke onderhandelingspositie verkeren om op te komen voor hun rechten. De bedrijven hebben in potentie ook veel politieke macht.
Bij Mediahuis en de Persgroep zitten nu misschien nette Vlaamse mijnheren die het beste voor hebben met onze kranten. Maar wat als de volgende generatie directieleden zich ontpopt tot de Berlusconi’s van de lage landen?
De hypocrisie spat ervan af als de Marokkaanse regering gebruik maakt van seksuele taboes en ‘gele’ media inzet om niet welgevallige journalistieke en andere stemmen tot zwijgen te brengen
Er zijn landen in de Arabische wereld die nog slechter scoren dan Marokko op het gebied van persvrijheid. Denk aan Egypte of Saoedi-Arabië, die samen met China en Turkije op een oneervolle lijst staan van landen met een enorm aantal journalisten in de gevangenis. Ook Algerije doet het niet veel beter dan buurland Marokko, met voortdurend arrestaties van journalisten en websites die worden geblokkeerd.
Maar in Marokko is iets bijzonders aan de hand. Het land pretendeert persvrijheid te hebben, maar in werkelijkheid wordt kritische journalisten het zwijgen opgelegd doordat justitie en de sensatiepers hen aan de schandpaal nagelen. Lasterlijke beschuldigingen, vaak met een flinke scheut controversiële seks, moet van de journalisten een soort liederlijke monsters maken.
Neem de zaak van onderzoeksjournalist Omar Radi, die woensdag voor de zoveelste maal werd gearresteerd en nu door de openbare aanklager wordt beschuldigd van “spionage en gewelddadige verkrachting”. Radi kwam eind juni in het nieuws toen Amnesty International een rapport publiceerde waaruit blijkt dat alle communicatie met Radi’s mobiele telefoon gemonitord werd met behulp van Pegasus spyware van de Israëlische firma NSO. Het rapport was schadelijk voor de Marokkaanse overheid. Er werd immers vastgesteld dat de autoriteiten een van Marokko’s meest prominente onderzoeksjournalisten onder digitale surveillance hadden gesteld. Amnesty International had overigens ook al eerder vastgesteld dat in Marokko kritische journalisten, YouTubers en rappers hinderlijk werden gevolgd door de overheid.
Marokko ontkende het Amnesty-rapport in alle toonaarden en pro-regering trolls voerden een campagne op sociale media waarbij Amnesty International in diskrediet werd gebracht. De mensenrechtenorganisatie werd onder andere uitgemaakt voor een op geldbeluste, gewetenloze “bende huurlingen”.
Minstens net zo erg was dat journalist Omar Radi het slachtoffer werd van -wat internationale mensenrechtenorganisaties noemden- “gerechtelijke intimidatie”. Bij die intimidatie leek duidelijk sprake te zijn van vergelding voor Radi’s contacten met Amnesty en voor zijn journalistieke onderzoekswerk. Radi werd vanaf eind juni negen keer gesommeerd voor verhoor door de politie “in verband met het aannemen van buitenlands geld en contacten met buitenlandse diensten”. Op 29 juli werd Radi vastgezet in de gevangenis, waar hij zijn proces op 22 september moet afwachten.
De intimidatie door politie en justitie gaat gepaard met karaktermoord in de sensatiemedia. Die “gele” bladen en tv-stations blijken inzage te hebben in politiedossiers en op de hoogte te zijn van allerlei, al of niet fictieve, persoonlijke details van de “criminele” journalist. De nieuwswebsite AtlasInfo publiceerde donderdag het relaas van een vrouwelijke collega van Omar Radi die door hem op gewelddadige wijze zou zijn verkracht.
Eerder al had een andere Marokkaanse pro-regering website gehoord van “bronnen die het dossier kennen” dat de journalist geld zou hebben ontvangen van “een Nederlandse agent”. Radi zou geregeld contact hebben gehad met “de politieke secretaris van de Nederlandse ambassade” en genereus betaald zijn voor zijn diensten. Als de rechtbank verkrachting en spionage bewezen acht kan Omar Radi voor lange tijd de bak in gaan.
Dat is precies wat in 2018 gebeurde met de hoofdredacteur en oprichter van het veelgelezen kritische dagblad Akhbar Al Yaoum. Taoufic Bouachrine werd tot 12 jaar veroordeeld wegens “mensensmokkel, machtsmisbruik met seksueel oogmerk, poging tot verkrachting en verkrachting”. Toen Bouachrine vorig jaar in hoger beroep ging kreeg hij er nog eens drie jaar bij, in een proces dat door de VN en mensenrechtenorganisaties als oneerlijk en niet-transparant werd bestempeld. Getuigen werden geïntimideerd en bedreigd.
Vier vrouwen die tijdens het proces door de Openbare Aanklager werden aangemerkt als verkrachtingsslachtoffers, ontkenden dit in alle toonaarden. Een van de vrouwen die later de politie beschuldigde haar verklaringen te hebben vervalst, werd zelf zes maanden vastgezet wegens belediging van de politie.
Ook de journalist die hem als hoofdredacteur van Akhbar Al Yaoum opvolgde, Sulaiman Raissouni, kreeg dit jaar de beproefde behandeling van justitiële intimidatie en karaktermoord in de gezagsgetrouwe gele media. Raissouni werd op 22 mei vlakbij zijn huis gearresteerd door een groep van 15 politiemensen in burger. Enkele dagen eerder had een LGTB-activist Raissouni op zijn Facebookpagina ervan beschuldigd “gebruik te hebben gemaakt van zijn zwakte en hem te hebben gebruikt om zijn seksuele behoeftes te bevredigen”.
In de maanden voorafgaand aan Raissouni’s arrestatie hadden zijn kritische artikelen in Al Akhbar Al Yaoum over het optreden van politie en justitie en de aanpak van de coronacrisis in Marokko al tot woedende reacties geleid bij de pro-regeringspers. De met veel details uitgemeten verhalen over de seksuele uitspatting van Raissouni, nog wel met een man, maakten de karaktermoord in het homofobe Marokko compleet.
In Marokko zijn homoseks en seks buiten het huwelijk formeel strafbaar en afpersing, chantage en bedreiging van vermeende gays zijn aan de orde van de dag. Er zijn, vanwege het sociale stigma dat slachtoffers riskeren, weinig rechtszaken in Marokko over verkrachting. Als het om kritische journalisten gaat, blijkt de beschuldiging van verkrachting echter een effectieve manier om hen in diskrediet te brengen.
En dan zijn er nog de internationale mensenrechtenorganisaties en watch dogs. Als een prominente Saoedische journalist wordt vermoord en in een consulaat in stukken wordt gezaagd, bestaat er geen twijfel over recht en onrecht. In de groezelige sfeer van beschuldigingen van verkrachting en spionage ligt dat, zeker in tijden van #MeToo, niet zo zwart-wit. De internationale verdedigers van persvrijheid zijn toch niet tegen vrouwenrechten of tegen de rechten van de onderdrukte LGTB-gemeenschap in Marokko?
De hypocrisie spat ervan af als de Marokkaanse regering gebruik maakt van seksuele taboes en ‘gele’ media inzet om niet welgevallige journalistieke en andere stemmen tot zwijgen te brengen. Uiteindelijk zijn de affaires van Omar, Taoufic, Sulaiman en van andere moedige collega-journalisten, die gevoelige onderwerpen durven aan te snijden, een teken aan de wand: het gaat niet goed met de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in Marokko.
Omar Radi wordt ook beschuldigd van verkrachting. Die beschuldiging is gebaseerd op een verklaring van Radi’s collega Hafsa Boutalar op sociale media. Het Marokkaans feministisch collectief Hounna reageerde op 1 augustus daarop met een verklaring “tegen het kapen door de Marokkaanse staat van de strijd tegen seksueel geweld”. De feministen zetten de zogenaamde “verkrachting” door Omar Radi in een verduidelijkende context.
Groningen heeft een speciale band met het vluchtelingenkamp Jabalya in de Gazastrook. In de Palestijnse gebieden neemt de onrust toe over de dreigende annexatie van Palestijns grondgebied door Israël.
Demonstratie in Gaza ten de gedeeltelijke annexatie van de Westelijke Jordaanoever eind juni 2020
De Verenigde Naties, de Wereldraad van Kerken, meer dan duizend Europese parlementsleden, honderden Israëlische intellectuelen en – last but not least – de Palestijnen zelf hebben krachtig gewaarschuwd tegen de dreigende annexatie van delen van de Palestijnse gebieden. Als premier Netanyahu zijn plan op de aangekondigde datum van 1 juli doorzet, zou dat een flagrante schending van het internationaal recht betekenen.
De Westelijke Jordaanoever werd al in 1967 door Israël bezet. Er werden Israëlische nederzettingen gebouwd en inmiddels wonen er zo’n half miljoen kolonisten, te midden van drie miljoen Palestijnen. Tot dusver beschouwde Israël het gebied niet als formeel onderdeel van zijn grondgebied. Maar nadat de Amerikaanse president Donald Trump een omstreden vredesplan voor de regio lanceerde, gelooft de Israëlische regering dat het licht op groen staat om ongeveer een derde van de Westelijke Jordaanoever als deel van Israël te beschouwen.
Apartheidsstelsel
Met deze drastische stap is een levensvatbare Palestijnse staat, naast Israël, feitelijk onmogelijk geworden. Onderhandelen over een twee-staten-oplossing heeft dus geen zin meer. Onderhandelen over een vredesregeling heeft evenmin veel zin. Israël heeft de Palestijnen immers weinig meer te bieden dan beperkte autonomie in hun, van elkaar afgesloten, geïsoleerde enclaves. Gelijke burgerrechten voor de Palestijnen zitten er, volgens Netanyahu, ook niet in. Het heilige land lijkt dus af te koersen op een situatie die onaangenaam veel gelijkenis vertoont met een apartheidsstelsel.
Band met Groningen
Wat betekent dit voor de twee miljoen Palestijnen in de kustenclave Gaza? Veel mensen in Groningen voelen zich op de een of andere manier verbonden met Gaza. In het noorden van de Gazastrook, vlakbij het vluchtelingenkamp Jabalya, staat een door Groningse architecten ontworpen gebouw dat in 2005 werd opgeleverd als jeugdcentrum en nu dienstdoet als school. Dit mooie gebouw werd destijds gefinancierd door de gemeente Groningen. Al meer dan twintig jaar zet de Stichting Groningen-Jabalya zich met succes in voor contacten, vriendschap en begrip tussen Stadjers en de inwoners van Gaza, die voor een groot deel vluchteling en straatarm zijn.
Te mooi om waar te zijn
Het ‘vredesplan’ van president Trump voorziet gouden bergen voor Gaza: een industriële zone in de aangrenzende Negev-woestijn, een ferme impuls voor de economie en vrij verkeer met de Westelijke Jordaanoever via een corridor. Te mooi om waar te zijn. Er hangt dan ook een prijskaartje aan: de islamitische organisatie Hamas moet zich ontwapenen, het gebied wordt gedemilitariseerd en Gaza moet zich schikken naar het visioen van Trump en Netanyahu van een verbrokkelde Palestijnse ‘staat’ zonder soevereiniteit en zonder Jeruzalem als hoofdstad.
Voor de 1,2 miljoen vluchtelingen in Gaza, nazaten van de Arabische bevolking die voor 1948 in Israël woonde, komt daar dan nog bij dat het Trump-plan niet voorziet in een rechtvaardige oplossing voor hen.
Hek
De VS en Israël hebben uiteraard nooit serieus verwacht dat Hamas en andere groeperingen in Gaza de witte vlag buiten zouden hangen. Israël heeft met de afsluiting van Gaza een situatie gecreëerd waarbij het gebied volledig in de tang gehouden wordt. En dat zal voorlopig niet veranderen. Er staat een groot hek tussen Israël en Gaza. Maar dit hek is geen echte grens. Gaza valt volledig binnen de Israëlische invloedssfeer. De afsluiting past in een patroon dat vroeger ook in Zuid-Afrika werd toegepast: reservaten creëren voor bevolkingsgroepen die als minderwaardig en ongewenst worden beschouwd.
Schietpartijen
De wekelijkse demonstraties van de inwoners van Gaza bij het hek werden de afgelopen jaren met geweld beantwoord. Meer dan tweehonderd demonstranten werden doodgeschoten door Israëlische militairen. De schietpartijen gaven een duidelijke boodschap af aan de bevolking van Gaza: vergeet het recht op terugkeer en blijf waar je bent; blijf in je hok.
De dreigende formele annexatie en de verdere isolering van de Palestijnse enclaves, waaronder Gaza, zijn twee kanten van dezelfde medaille: de grenzeloze Israëlische ambitie om het gehele gebied in bezit te nemen. De kolonisering van Palestina is in een nieuwe fase terechtgekomen die voor Gaza weinig goeds belooft.
De inwoners van Gaza blijven de sympathie en steun van Groningers nodig houden.
Jan Keulen en Lejo Siepe, mede namens het bestuur van Stichting Groningen-Jabalya. Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 29 juni 2020