Hoe kijkt u naar deze eruptie van geweld in Israël en de Gazastrook?
,,Het is een enorme verrassing. Zoiets heb ik nog nooit gezien in Israël in al die jaren dat ik het Midden-Oostenconflict volg, zeg maar vanaf 1973. Op 6 oktober in dat jaar brak de Oktober- of de Jom Kipoer-oorlog uit, afgelopen weekend precies vijftig jaar geleden. Ook dat was een verrassingsoorlog. Israël werd aangevallen door Syrië en Egypte in een poging om hun in 1967 door Israël bezette gebieden te heroveren. Maar Egypte heeft die oorlog verloren. Er kwam een vredesproces op gang, dat in 1978 leidde tot de Camp Davidakkoorden.’’
Die hebben niet voor rust gezorgd in het Midden-Oosten.
,,Nee, er zijn veel schermutselingen en intifada’s (Palestijnse opstanden) geweest. Tot 2014, toen Obama president was, waren er ook diverse onderhandelingen. John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, heeft zich toen nog vreselijk ingespannen om een vredesakkoord tussen de Israëli’s en de Palestijnen tot stand te brengen. Daarna is dat niet meer gebeurd, dus ze spreken al tien jaar niet met elkaar.’’
Wat hebben die diplomatieke inspanningen uiteindelijk opgeleverd?
,,Eigenlijk alleen maar meer onrecht en repressie voor de Palestijnen. Zo’n 700.000 Israëli’s zijn in Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever gaan wonen. In feite hebben de Palestijnen daar alleen maar terrein verloren. Maar de grootste verliezers zijn de 2 miljoen Palestijnen in de Gazastrook. Die zitten daar al sinds 2006 opgesloten. Ze kunnen geen kant op. Door al die jaren van onderdrukking en vernedering krijgt Israël nu de rekening gepresenteerd voor het niet vinden van een oplossing van dit probleem.’’
Het ongeëvenaarde geweld van Hamas in Israël valt toch op geen enkele manier goed te praten?
,,Ook ik vind het vreselijk wat er gebeurt. Er zijn al meer dan zevenhonderd Israeli’s om het leven gekomen en dat getal wordt steeds hoger. Daaronder bevinden zich veel burgerslachtoffers. Dat is puur terrorisme. Aan de Palestijnse kant vallen natuurlijk ook veel burgerslachtoffers bij de bombardementen die Israël bij wijze van represaille uitvoert.’’
Dit slaat zo’n diepe wond bij beide partijen dat de vraag opdoemt of die ooit nog gaat genezen?
,,Bij eerdere geweldsuitbarstingen was het dodental altijd in het nadeel van de Palestijnen. Voor het eerst is dat nu niet zo. Onder Israëlische burgers zijn ontzettend veel doden gevallen. Dat is schokkend. Ik moest denken aan 1929 toen er in Hebron een slachtpartij is geweest onder Joden door Arabieren. Daar zijn 69 mensen bij omgekomen. Dat is haast honderd jaar geleden. Daar wordt nog steeds aan gerefereerd. Het zal heel lang duren voordat de wond die nu is geslagen, zal weggaan, vrees ik.’’
De strijd is nog niet voorbij. Bent u bang dat ook een partij als Hezbollah vanuit Libanon Israël gaat aanvallen?
,,Ik verwacht niet dat Hezbollah zich er op grote schaal mee gaat bemoeien. Hezbollah is tot over z’n oren betrokken bij de oorlog in Syrië. Bovendien is de situatie in Libanon zeer complex. Hezbollah is behalve een militaire groepering ook politiek een belangrijke speler in het land. Tegen die achtergrond lijkt het me uitermate onwaarschijnlijk dat ze zich in de strijd tegen Israël zullen storten.’’
Het kan niet anders of Hamas moet vanuit het buitenland steun hebben ontvangen voor deze grootscheepse aanvallen.
,,Ze zijn op 22 plaatsen de grens overgestoken, ook over zee en met paragliders. Tot nu toe werd dat voor onmogelijk gehouden. Deze operatie moet lang zijn voorbereid. Het is heel goed mogelijk dat Hamas assistentie heeft gehad van Hezbollah of misschien zelfs van Iran. Die duizenden raketten moeten ergens vandaan komen.’’
Kan het van Israëlische kant escaleren?
,,Er zijn in Israël havikken die ook al voor deze aanslagen het liefst Iran zouden aanvallen. Maar vergeet niet dat dit een enorme militaire slag is voor Israël. De eerste prioriteit van Israël is nu, en dat is ook al gezegd door Nethanyahu, het koud maken van Hamas. Dat zal moeilijk genoeg zijn. Ze zullen nu niet ook nog een ander land gaan aanvallen. Als ze dat wel zouden doen, dan heb je pas echt de poppen aan het dansen.’’
Waar moet dit heen? Er wordt nog volop gevochten, terwijl een vredesakkoord onmogelijk lijkt.
,,De vraag is hoe Israël Hamas denkt te bestrijden. Gaan militairen de Gazastrook in? Ik ben er vaak geweest. Het is een ontzettend dichtbevolkt gebied. Er zijn veel kleine straatjes. Straatgevechten van huis tot huis worden heel moeilijk voor Israëlische militairen. Vroeg of laten zullen ze moeten onderhandelen. Alle oorlogen eindigen. De gijzelaars die Hamas in handen heeft kunnen ze uitspelen als troefkaart. Zo kunnen ze Israël dwingen om aan tafel te gaan. Een ding moet voorop staan: het vredesproces moet serieus worden opgepakt, het liefst met steun van buitenaf. En er zal een oplossing moeten komen voor de Palestijnen in Gaza en de bezette gebieden.’’
Interview met Mannus van der Laan, gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 9 oktober 2023
Journalisten en media spelen een cruciale rol in tijden van crises. Betrouwbare en precieze informatie is van levensbelang voor de getroffen bevolking. Bij een zware aardbeving, zoals die van 8 september in Marokko, staat het leven van de getroffenen op z’n kop. Sommigen hebben alles verloren. Er is onzekerheid, verwarring, paniek.
Er zijn reddingswerkers nodig die eerste hulp kunnen verlenen. Er is behoefte aan voedsel, medicijnen en dekens voor de overlevenden die de nacht op straat doorbrengen. Maar even nodig is het tegengaan van fake news en geruchten. Duidelijke informatie is het onontbeerlijke tegengif voor de knagende onzekerheid, voor de eerste antwoorden op de vele vragen die onvermijdelijk worden gesteld als het noodlot toeslaat. En na de eerste vragen komen de vragen over de hulpverlening en de reactie van de autoriteiten. Hadden de gevolgen van de aardbeving minder rampzalig kunnen zijn als anders gehandeld was? Lag er een rampenplan klaar? Hoe gaat het straks met de wederopbouw?
Toen op vrijdagavond 8 september centraal-Marokko getroffen werd door een aardbeving was direct duidelijk dat er sprake was van een enorme ramp. Voor veel mensenlevens werd gevreesd.
Uit de hele wereld kwamen boodschappen van ontsteltenis, medeleven en solidariteit. Premier Rutte liet weten dat ‘zijn gedachten bij de slachtoffers en nabestaanden’ waren. Hij zei ook dat een team Nederlandse reddingwerkers klaarstond om hulp te bieden, net zoals dat ook bij de aardbeving in Turkije in februari was gebeurd. Macron, Biden en andere regeringsleiders lieten soortgelijke reacties horen.
Ondertussen bleef het stil in Rabat en in Frankrijk, waar op het moment van de ramp koning Mohammed VI zich in een van zijn kapitale buitenhuizen bevond. De koning heeft een sjieke herenwoning in hartje Parijs en bezit een kasteel in Betz, in het noorden van Frankrijk.
Pas 18 uur nadat het nieuws over de aardbeving bekend was liet de koning van zich horen. Of liever gezegd: hij liet zich zien in Rabat op een bijeenkomst met zijn regering, generaals en andere hoge functionarissen. De televisie zond stomme beelden uit van de door de koning voorgezeten vergadering. Met plechtige stem werd een communiqué voorgelezen waarin zijne majesteit liet weten ‘zijn zeer hoge instructies’ te hebben gegeven ‘met het oog op een snelle voortzetting van de hulpacties ter plaatse’.
Zonder een sein van de almachtige koning gebeurt er niets in Marokko en het is een protocollaire doodzonde voor de premier, kabinetsleden of andere hoogwaardigheidsbekleders om het rampgebied te bezoeken voordat de vorst zich daar heeft laten zien.
Dat gebeurde vier dagen later toen de koning een bezoek bracht aan het universitair ziekenhuis van Marrakech. Het was een bezoek van amper twee uur waarvoor het luchtruim boven Marrakech werd afgesloten en de wegen rond het ziekenhuis provisorisch werden opgeknapt. Het waren gênante details -temidden van de rampspoed en in de wetenschap dat nog lang niet alle lijken zijn geborgen- waarvan verschillende internationale media melding maakten.
Marokkaanse media daarentegen putten zich uit in loftuitingen voor de vorst die in Marrakech zelfs bloed had gedoneerd. Een kniesoor die erover valt dat de koning zelf niet erg gezond is en diverse medicamenten slikt. De koning kuste het voorhoofd van een gewond jongetje en werd met aanhoudend applaus begroet door het ziekenhuispersoneel. “De Marokkanen en hun koning: die bijzondere eenheid die Frankrijk maar niet begrijpt,” kopte de officieuze nieuwssite Le360.
Het onbegrip bij de buitenwereld over de autocratische bestuursstijl het land, de rol van de puissant rijke koning die een groot deel van zijn tijd buiten zijn koninkrijk pleegt door te brengen en over het maar mondjesmaat accepteren van buitenlandse hulp, wordt in Marokko beantwoord met irritatie en woede. Tenminste bij het “officiële” Marokko, dat banden heeft met het regime.
De officiële Marokkaanse journalistenvakbond SNMP betichtte deze week bijvoorbeeld Al Jazeera en de Franse media van “leugens” en “foute informatie”. De al even officiële Nationale Raad voor de Media (CNP) beschuldigde “bepaalde buitenlandse media” ervan heimwee te hebben naar het koloniale verleden en een vertekend beeld te geven van de reddingsoperaties.
Vooral Frankrijk en de Franse media moeten het ontgelden. Je kunt geen Marokkaanse nieuwssite aanklikken of krant openslaan of het oude koloniale moederland krijgt ervanlangs. De Franse berichtgeving wordt kortzichtig, slecht-geïnformeerd en beledigend genoemd. Een niet erg vleiende cartoon, in de Franse krant Libération, waarop de koning te zien is in zijn paleis in Frankrijk en zegt “persoonlijk geen aardbeving te hebben gevoeld”, zou collectief in het verkeerde keelgat zijn geschoten.
De haast hysterische reacties op de kritische berichtgeving in de Franse media, die uiteraard ook getriggerd werd door vragen over de Marokkaanse weigering Franse reddingswerkers te accepteren, zegt meer over de politieke crisis tussen Frankrijk en Marokko dan over de stand van de Franse (en internationale) journalistiek.
De hysterie nam nog toe toen de Franse president Macron zich op 12 september via X voorheen Twitter met een persoonlijke boodschap tot het Marokkaanse volk richtte. In de boodschap betuigde hij nog eens zijn diepe medeleven, maar stelde ook heel duidelijk dat het aan de koning en zijn regering was om de internationale hulp naar eigen soeverein goeddunken te organiseren.
Het twitter-toespraakje van Macron, bedoeld om de spanning te verminderen, gooide olie op het vuur. In de krant l’Opinion heette het in een verontwaardigd commentaar: Macron: Marokko is groter dan jij! Hoe durfde Macron dit te doen terwijl het Marokkaanse volk eendrachtig het hoofd bood aan de gevolgen van de aardbeving? De website Morocco World News publiceerde een vlammend artikel met als titel: Alleen de koning kan zijn volk toespreken: Marokkanen zetten Macron op zijn plaats. In het artikel wordt Macron stom en impulsief genoemd. Een andere krant vergeleek hem met een verwend kind.
Besef goed: de golf van kritiek op de internationale media en met name op Frankrijk komt van media die direct of indirect door de Marokkaanse autoriteiten worden gecontroleerd. Dezelfde media hebben tot dusver geen woord gespendeerd aan eventuele tekortkomingen in de hulpverlening, aan het feit dat er nog steeds doden onder het puin liggen en dorpen niet zijn bereikt. De reddingsoperaties verlopen, volgens de Marokkaanse pers, allemaal even efficiënt, goed gecoördineerd en onder de wijze instructies van zijne majesteit.
Als je echt wilt weten wat er gaande is ben je aangewezen op een aantal internationale nieuwskanalen. Ook via sociale media zijn snippers informatie te vinden, vooral van Marokkanen in het buitenland die het nieuws van familie en vrienden doorgeven.
De aardbeving in Haouz had als neveneffect dat plotseling de aandacht van de wereld op Marokko was gericht. Daarbij kwamen het gebrek aan vrijheid van meningsuiting en het archaïsche monarchale systeem onbarmhartig in de schijnwerpers te staan.
Dat Marokko abominabel scoort op het gebied van persvrijheid was al eerder bekend. In 2022 stond het land op de 144ste plaats in de ranglijst van Reporters Without Borders (RSF). Een aantal van Marokko’s meest bekwame en kritische journalisten zit jarenlange gevangenisstraffen uit na oneerlijke processen.
Het gebrek aan openheid wreekt zich in rampzalige situaties zoals een dodelijke aardbeving. Persvrijheid is geen luxe of een louter westers concept, laat staan een koloniale perversiteit. Onafhankelijke media die vrijelijk kunnen opereren zijn een levensnoodzaak.
Het bericht greep mij een jaar geleden bij de keel: de Palestijns-Amerikaanse journalist Shireen Abu Akleh was doodgeschoten. Ze was een sympathieke collega uit Doha met een aanstekelijke lach, een vertrouwd gezicht op nieuwszender Al Jazeera en de meest geliefde en prominente correspondent in de Palestijnse gebieden.
Er stond met grote letters ‘PRESS’ op de voor- en achterkant van haar kogelwerend vest en op haar helm. Maar daar had de scherpschutter geen boodschap aan.
‘In het harnas gestorven’, wordt gezegd als iemand bij de uitoefening van zijn vak overlijdt. Dat klinkt het geval van Shireen extra cynisch. De Israëlische militair wist precies de plek in haar achterhoofd te raken tussen haar helm en scherfvest. Ze was op slag dood.
Het was 11 mei 2022, ’s ochtends vroeg. Het team van Al Jazeera was in het vluchtelingenkamp van Jenin om een inval van het Israëlische leger te verslaan. Er was een schotenwisseling geweest tussen de Israëlische militairen en Palestijnse militanten in een ander deel van het kamp. Plotseling worden de journalisten van Al Jazeera beschoten. Verslaggever Ali Al-Samoudi wordt geraakt in zijn schouder. Het team probeert dekking te zoeken, maar voor Abu Akleh is het te laat. Ze wordt geraakt als een tweede serie schoten wordt afgevuurd.
Weinig incidenten waarbij journalisten omkwamen zijn zo precies onderzocht en gedocumenteerd als de dood van Shireen Abu Akleh. Misschien is dat logisch. Ze was tenslotte in het Midden-Oosten een journalistieke grootheid. Maar het komt ook door de evident lakse en ongeloofwaardige manier waarop de Israëlische autoriteiten met haar gewelddadige dood omgingen.
“Abu Akleh is waarschijnlijk getroffen door Palestijnse terroristen die wild om zich heen schoten”, verklaarde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in eerste instantie op sociale media. Het ministerie voegde een filmpje toe dat, zo bleek later, op een heel andere locatie was opgenomen. Ook premier Naftali Bennett zei direct na Abu Akleh’s dood dat er een ‘aanzienlijke kans’ was dat gewapende Palestijnen verantwoordelijk waren.
Het in de Verenigde Staten gevestigde Committee for the Protection of Journalists dringt in een afgelopen dinsdag verschenen rapport met klem aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Abu Akleh. Ook eerdere dodelijke incidenten, zoals het in 2018 doodschieten van fotojournalisten Ahmed Abu Hussein en Yasser Murtaja tijdens demonstraties bij het afscheidingshek in Gaza, zouden ‘onafhankelijk, transparant en strafrechtelijk’ moeten worden onderzocht.
Kort na de beschieting van het Al Jazeera-team draaide Israël bij. Nadat onderzoek van The New York Times, The Washington Post en onderzoekscollectief Bellingcat haarfijn had aangetoond dat een Israëlische militair het fatale schot had afgevuurd, had ontkennen weinig zin meer. Onderzoek van de CNN en van de in Londen gevestigde Forensic Architecture ging nog een stapje verder en concludeerden dat de schutter met opzet heeft geprobeerd Abu Akleh te doden. Ook Al Jazeera en Shireen’s familieleden en vrienden zijn ervan overtuigd: ze werd het zwijgen opgelegd omdat ze de Palestijnen een stem gaf.
De CPJ constateert in het rapport dat sprake is een ‘dodelijk patroon’. Deadly Patternis ook de titel van het rapport, over de wijze waarop Israël omgaat met gedode verslaggevers. Het gaat om twintig slachtoffers sinds 2001. Niemand is ooit verantwoordelijk gehouden, laat staan gestraft.
Dertien van de twintig journalisten waren, op het moment dat ze werden doodgeschoten, duidelijk te herkennen als journalisten met ‘PRESS’ op hun kleding. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Reuters cameraman Fadel Shana, die ook nog eens naast een auto met ‘TV’ erop geschilderd stond, toen hij in 2008 werd neergeschoten.
Het feit dat niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van journalisten in de bezette gebieden, heeft ertoe geleid dat verslaggevers – lokale zowel als buitenlandse – in een steeds gevaarlijker werkveld actief moeten zijn.
Guillaume Lavallée, voorzitter van de Foreign Press Association in Israël, zegt in het CPJ-rapport dat veel journalisten bang zijn: “Als een journalist met een Amerikaans paspoort gedood kan worden zonder juridische consequenties, dan zou dat hen in de toekomst ook kunnen overkomen. Het gevoel onbeschermd te zijn is vooral sterk bij onze Palestijnse collega’s. Sommigen van hen zijn zelfs bang dat er expres op hen wordt geschoten.”
Dat is geen rare gedachte. Behalve een Brit en een Italiaan waren de resterende achttien dodelijke slachtoffers allen Palestijns. Een aantal van hen werkte wel voor buitenlandse media en persbureaus. Opvallend is dat geen enkele Israëlische journalist onder de slachtoffers is.
Het CPJ-rapport beschrijft in detail hoe Israël omgaat met de dodelijke incidenten. Onderzoeken zijn ondoorzichtig, willekeurig en duren eindeloos. Bewijsmateriaal en getuigenverklaringen worden terzijde geschoven. Betrokken militairen gaan vrijuit terwijl het onderzoek, dat altijd vertrouwelijk wordt gehouden, nog gaande is. Er worden alternatieve versies van de toedracht verspreid. Fake news dus. En soms worden de getroffen journalisten voor terroristen uitgemaakt.
Wat dat betreft was de onverkwikkelijke gang van zaken rond het onderzoek naar de dood van Shireen Abu Akleh geen uitzondering. Er wordt simpelweg geen verantwoording afgelegd.
Het CPJ-rapport eindigt met een aantal aanbevelingen, de meeste aan het adres van Israël. Er is daarnaast een aantal aanbevelingen voor de internationale gemeenschap. Ze zijn ook van toepassing op Nederland.
CPJ roept bevriende regeringen op Israël te herinneren aan hun internationale plichten rondom mediaveiligheid. Ook moeten die regeringen druk uitoefenen op Israël om mee te werken aan internationale onderzoeken naar de dood van journalisten.
Tot dusver weigert Israel – tot grote frustratie van Shireens familie en bewonderaars – mee te werken aan Amerikaans FBI-onderzoek naar haar dood.
In juli 2019 werd de Global Media Freedom Coalition (GMFC) opgericht, een coalitie van regeringen die beloofden te zullen ijveren voor persvrijheid en de veiligheid van journalisten. “Alle mogelijke middelen” zouden worden ingezet om schendingen van mediavrijheid het hoofd te bieden. 51 landen ondertekenden de global pledge, de plechtige belofte om ook diplomatieke middelen in te zetten voor het nobele doel de persvrijheid overal ter wereld te verdedigen.
Maati Monjib
In 2022 vervulde Nederland, samen met Canada, het voorzitterschap van de coalitie. Op de jaarlijkse conferentie, in februari 2022 in Talinn, hield minister Hoekstra van Buitenlandse Zaken een vlammend betoog. Vrijheid van meningsuiting is een hoeksteen van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, aldus de minister. Hoekstra bepleitte het zoveel mogelijk gebruik maken van ‘de diplomatieke gereedschapskist’ om regeringen verantwoordelijk te stellen als ze persvrijheid schenden.
Op de Filippijnen was de coalitie actief op twitter met een bezorgde tweet over een vermoorde journalist en een positieve tweet over de vrijspraak van Nobelprijswinnaar Maria Ressa. Bij de Britse ambassade vond een receptie plaats met toespraken over persvrijheid.
In Bangladesh, waar de persvrijheid ernstig onder druk staat, hield de Zwitserse ambassadeur een exposé over de persvrijheid in Zwitserland tijdens een door de VN georganiseerd rondetafeldiscussie.
In Mexico, waar 14 journalisten werden vermoord in 2022, organiseerde de coalitie een seminar over het veranderen van de perswet. De Nederlandse ambassade tweette daarover.
In Slowakije hielpen de Canadese en Nederlandse ambassades met het organiseren van een TV-debat over de veiligheid van journalisten.
En dat was dat. Niet echt een overtuigende lijst met successen. Maar wie weet. Je hebt ook nog geheime diplomatie. Misschien dat hier en daar ook nog wat stille diplomatie werd bedreven. We zullen het nooit weten.
Zou de Nederlandse ambassade of een van de diplomatieke vertegenwoordigingen van andere GMFC-lidstaten vorige week in het geweer zijn gekomen voor de Marokkaanse journalist en mensenrechtenactivist Maati Monjib? Of voor een van de
Marokkaanse journalisten die na een schertsproces lange gevangenisstraffen uitzitten?
Monjib kondigde aan in hongerstaking te gaan nadat hij ontslagen werd als docent aan een universiteit in Rabat. Hij is al jarenlang het slachtoffer van politieke repressie, heeft een uitreisverbod en er loopt een proces tegen hem wegens het “witwassen van fondsen”. Het Europees Parlement en verschillende internationale mensenrechtenorganisaties hebben kritiek geleverd op de jarenlange “justitiële intimidatie” van Monjib.
De maatregel om Monjib te ontslaan kwam kort nadat hij en een groep andere Marokkaanse mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten een collectief vormden dat in België een civiele rechtszaak wil aanspannen tegen een aantal Europarlementariërs die ervan worden verdacht Marokkaanse steekpenningen te hebben aangenomen. Daardoor werd telkenmale verhinderd dat de belabberde situatie op het gebied van mensenrechten en persvrijheid in het Europees Parlement zelfs maar ter sprake gebracht kon worden, laat staan veroordeeld.
Pas na de onthullingen van het Qatargate-netwerk, waarbij ook Marokko nauw betrokken bleek, nam het Europarlement op 19 januari een kritische tekst aan over “de situatie van journalisten in Marokko”. De journalisten Maati Monjib, Omar Radi, Taoufic Bouachrine en Sulaiman Raissouni worden met name genoemd. Radi, een onderzoeksjournalist die berichtte over corruptie in de hoogste politieke kringen en Bouachrine en Raissouni, verbonden aan een populair dagblad dat veel kritiek leverde op de regering, zitten beide lange gevangenisstraffen uit. In de verklaring van het Europarlement wordt er fijntjes aan herinnerd dat die straffen werden opgelegd na processen die aan alle kanten rammelden.
De Nijmeegse arabist en Marokko-deskundige Jan Hoogland herinnerde er vorige week aan dat Maati Monjib jarenlang samenwerkte met de Nederlandse NGO Free Press Unlimited (FPU) bij het opleiden van Marokkaanse onderzoeksjournalisten. Hoogland kan het weten want hij was tussen 2009 en 2015 directeur van het NIMAR, het Nederlands Instituut in Marokko. Het programma voor de onderzoeksjournalisten werd uitgevoerd door Press Now, de organisatorische voorganger van FPU, en gefinancierd door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Kan Monjib nu ook rekenen op steun van dat ministerie of van de Nederlandse ambassade in Marokko, vroeg Hoogland zich af.
Het was wellicht een retorische vraag. Nederland en Marokko hebben immers een deal gesloten, in het officiële jargon ‘actieplan’ geheten. In dit Marokkaans-Nederlandse document, dat al in juli 2021 door beide landen werd getekend maar tot eind november 2022 geheimgehouden, staat dat beide landen zich niet zullen mengen in elkaars binnenlandse aangelegenheden. Den Haag zal melden bij de Marokkaanse autoriteiten als een Nederlandse NGO activiteiten in het land wil opzetten.
Voor Nederland zijn de belangrijkste onderdelen van de deal de samenwerking en coördinatie op het gebied van migratie en terrorismebestrijding. Er staan ook paragrafen in over onder andere sociale zekerheid, handel, klimaat en cultuur. Wat opvallend ontbreekt zijn termen als mensenrechten en persvrijheid.
Inmiddels is de Marokkaans-Nederlandse deal van verschillende kanten en op een groot aantal onderdelen bekritiseerd. Bottomline bij dit alles is natuurlijk de vraag of je wel moet willen samenwerken met autocratisch regimes zoals het Marokkaanse. Die vraag is des te meer prangend als we inzoomen op het thema persvrijheid.
Op maandag 19 juli 2021, elf dagen na ondertekening van het actieplan, werd journalist Omar Radi tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld wegen ‘verkrachting en spionage’. Human Rights Watch en andere mensenrechtenorganisaties hebben vernietigende kritiek geleverd op de procesgang en op de bewijsgronden voor deze zware straf. Let wel: Omar Radi, ooit ook deelnemer aan het programma van Press Now voor onderzoekjournalisten, werd ervan beschuldigd een Nederlandse spion te zijn.
Kamerleden Piri (PvdA) en Van der Lee (GroenLinks) stelden in februari Kamervragen over de inspanningen van Buitenlandse Zaken “om de aantijging te ontkrachten dat Radi een spion van Nederland zou zijn”. Hoekstra’s antwoord is ontluisterend. “Nederland heeft de ontwikkelingen in het proces van Omar Radi nauwgezet gevolgd. Voorafgaand aan de veroordeling is meermaals navraag gedaan naar de aanklacht en, na de veroordeling, ook naar het vonnis.”
Die navraag leverde kennelijk niets op. In de Marokkaanse media, die grotendeels door de overheid worden gecontroleerd, werd Radi al maandenlang gedemoniseerd als seksueel delinquent en Nederlands spion. Maar de ambassade hulde zich publiekelijk in stilzwijgen. Als enig wapenfeit kon Hoekstra aan de Kamerleden melden dat haast drie maanden na het vonnis Nederland “inzage kreeg in een werkvertaling van het vonnis”. Inzage. Een werkvertaling. En daarbij gaf Hoekstra aan teleurgesteld te zijn “daar waar het de aanklacht voor spionage voor Nederland betreft”.
Teleurgesteld, het zal, maar geen woord over het schertsproces. Geen woord over de tientallen journalisten en mensenrechtenactivisten die in Marokkaanse cellen zitten. De global pledge om de diplomatieke gereedschapskist in te zetten ten faveure van persvrijheid en journalisten in de verdrukking voor het gemak even vergeten. Hoekstra’s linkerhand weet voor het diplomatieke gemak even niet waar de rechterhand mee bezig is. Aan de ene kant miljoenen uitgeven voor conferenties en cocktailparty’s van het Global Media Freedom Coalition, aan de andere kant geen poot uitsteken voor de journalistiek en persvrijheid in Marokko.
Dit artikel werd op 14 maart 2023 gepubliceerd door VILLAMEDIA
In 1998 maakte ik een reportagereis naar Oost-Jeruzalem. Ik interviewde een aantal oudere Palestijnse inwoners om hen te vragen naar hun herinneringen. Het was vijftig jaar na de periode die in Israël wordt aangeduid als de onafhankelijkheidsoorlog. Hoe hadden zij als Palestijnen de geboorte van de staat Israël beleefd?
Eén van de geïnterviewden, Amin Majaj, was 27 jaar in 1948 en was net afgestudeerd als arts. Majaj herinnerde zich de slachtpartij in Deir Yassin nog als de dag van gisteren. Meer dan honderd inwoners van Deir Yassin, een dorpje vlakbij Jeruzalem, werden in koelen bloede afgemaakt door de extremistische joodse Stern-groep, geleid door de latere premier Menachem Begin.
‘Ik wil alleen maar praten over wat ik zelf gezien heb, en dan nog zeg je misschien dat ik gek ben. Ik praat er liever niet over,’ tekende ik op uit de mond van Amin Majaj. Toch vertelt hij dat hij in het American Baby Home als medisch vrijwilliger kinderen behandelde die geslagen waren door leden van de Stern-militie. Ook ontmoette hij vrouwelijke overlevenden van het bloedbad in Deir Yassin.
‘Eén vrouw had geen uitdrukking op haar gezicht, ik zie haar nog voor me. Ze vertelde me hoe de terroristen kinderen gedwongen hadden op straat te gaan liggen. De moeders moesten in een jeep liggen die over hun kinderen heen reed. Veel vrouwen werden verkracht en gedwongen zich helemaal uit te kleden. Ze werden naakt meegenomen op een vrachtwagen dwars door West-Jeruzalem heen. Een enorme vernedering voor die vrouwen, dat was de bedoeling ook natuurlijk.’
Vluchtende Palestijnen in 1948
Amin Majaj en mijn andere Palestijnse gesprekspartners van destijds hadden levendige herinneringen aan die voor hen zo rampzalige episode. De geboorte van de staat Israël ging gepaard ging met grof geweld tegen de autochtone Palestijnse bevolking. De historische feiten waren schokkend:
Tussen 1947 en 1949 vluchtten van een bevolking van 1,9-miljoen zo’n 750.000 Palestijnen naar de omliggende landen.
Israël nam in 1948 78 procent van historisch Palestina in. De resterende 22 procent, bestaande uit de Westelijke Jordaanoever, met Oost-Jeruzalem, en Gaza werd in 1967 bezet.
530 Palestijnse dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en etnisch gezuiverd.
Ongeveer 15.000 Palestijnen werden in 1948 gedood en er vonden meer dan dertig slachtpartijen plaats waarbij Palestijnse burgers om het leven kwamen.
Met de wapenstilstand van 1949 kwam geen einde aan de Palestijnse tragedie. Het werd de Palestijnse vluchtelingen verboden terug te keren naar hun geboorteland. Ze verloren hun huizen en andere bezittingen door de Absentees’ Properties Law. Toppunt van onrechtvaardigheid en absurditeit is de categorie van “aanwezige afwezige personen”. De inwoners van Saffuriyya verlieten in 1948 hun dorp om hun toevlucht te zoeken in het nabijgelegen Nazareth. Ze mogen, als “afwezige eigenaren” hun vernielde land en landerijen niet bezoeken ondanks dat ze Israëlische staatsburgers zijn.
In 1969 verscheen Ghassan Kanafani’s novelle Returning to Haifa. Het verhaal, dat verschillende malen werd verfilmd en bewerkt voor theater en televisie, gaat over de ontmoeting tussen een Israëlische en Palestijnse familie. Het Palestijnse echtpaar Said en Safeyya moest in 1948 hals over kop vluchten uit Haifa. Temidden van de chaos en het geweld van de oorlog vergaten ze hun vijf maanden oude baby Khaldun. Twintig jaar later krijgen ze de kans een bezoek te brengen aan Haifa en zoeken ze hun oude huis op.
Returning to Haifa van Ghassan Kanafani
Daar woont inmiddels een groep Holocaustoverlevers, waaronder de weduwe Miriam. Ze verloor haar vader in Auschwitz en zag met eigen ogen hoe haar tienjarige broertje werd vermoord. Miriam woont in het huis met haar twintigjarige aangenomen zoon Dov. Dov, soldaat in het Israëlische leger, is niemand minder dan hun zoon Khaldun.
Kanafani beschrijft op indringende wijze de ontmoeting van Dov met zijn biologische ouders. Dov weet inmiddels dat hij is geadopteerd, maar hij is in alles Israëliër geworden: hij spreekt Hebreeuws, eet koosjer en kijkt uit naar het moment dat hij in een oorlog zijn land kan verdedigen. Hij minacht het echtpaar, dat hem twintig jaar geleden heeft verlaten.
‘Jullie hadden nooit uit Haifa weg moeten gaan,’ werpt hij zijn biologische ouders voor. ‘Als dat niet mogelijk was hadden jullie nooit een zuigeling in de wieg moeten achterlaten. En als dat ook onmogelijk was, dan hadden jullie altijd moeten proberen terug te komen. Zeggen jullie dat ook dat onmogelijk was? Het is twintig jaar geleden, mijnheer. Twintig jaar! Wat hebben jullie in die twintig jaar uitgevoerd om je zoon terug te krijgen? Als ik jullie was geweest zou ik de wapens hebben opgenomen om je zoon terug te eisen. Wat kan een betere reden zijn dan dat? Jullie zijn slappelingen! Slappelingen! Jullie zijn achterlijk en lijken wel verlamd.. Vertel me nou niet dat jullie twintig jaar hebben zitten huilen. Tranen brengen echt de vermisten en het verloren land niet terug.’
Dov’s tirade laat zich lezen als Kanafani’s pleidooi voor de onvermijdelijke Palestijnse strijd voor terugkeer naar het vaderland. ‘Ontwaak uit je passiviteit,’ lijkt hij tegen de Palestijnse vluchtelingen te willen zeggen, ‘laat niet alle rampen zomaar over je heen komen’.
Interessant genoeg is het woord Nakba, Arabisch voor ‘catastrofe’, nog niet algemeen in zwang als Kanafani dit verhaal schrijft, nog geen twintig jaar na de stichting van de staat Israël. De Syrische schrijver en denker Constantin Zuraiq had de Palestijnse tragedie weliswaar al in 1948 aangeduid als nakba, maar het duurde tot in de jaren negentig dat Palestijnse inwoners van Israël de straat opgingen en in Terugkeer Marsen naar hun verlaten en vernielde dorpen de voor hen catastrofale gebeurtenissen rond 1948 als Nakba herdachten. Het woord nakba sloeg inmiddels niet alleen op de pijnlijke geschiedenis van verlies, ballingschap en trauma, maar ook op herwinnend zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en nationalisme onder de Palestijnse bevolking.
Eind jaren tachtig hadden Israëlische historici als Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé de geschiedenis van Israëls’ geboorte al drastisch herschreven. Israël was niet de underdog die met Gods’ zegen een onwaarschijnlijke overwinning behaalde. De ‘onafhankelijkheidsoorlog’ bleek een stuk minder heldhaftig geweest te zijn dan beschreven in de officiële geschiedschrijving en in de romans van Leon Uris en anderen. Er was bruut geweld gebruikt tegen Palestijnse burgers, misdaden begaan tegen de menselijkheid, er waren slachtpartijen geweest, getto’s voor de overblijvende Palestijnen opgezet, etnische zuiveringen… De Palestijnen bleken in 1948 het land helemaal niet vrijwillig te hebben verlaten of op instignatie van hun laffe leiders. Ze waren geïntimideerd en verjaagd. Het verhaal waar generaties mee waren opgegroeid, over Israël als land zonder volk voor een volk zonder land, begon te kantelen. Het droomland waar overlevenden van de Holocaust de woestijn tot bloei hadden gebracht, bleek eenvoudigweg niet te bestaan.
De lezing van de ‘nieuwe historici’ werd in de decennia daarna gevolgd door tal van nieuwe onthullingen. In 2000 publiceerde de Israëlische krant Maariv bijvoorbeeld een lang artikel over de moordpartij in Tantura. Het ging om het doodschieten van ongewapende Palestijnen nadat de zionistische strijdgroep Haganah de kustplaats in mei 1948 had ingenomen. Het onderzoek was gebaseerd op onderzoek van geschiedenisstudent Teddy Katz die een groot aantal Joodse en Palestijnse getuigen had geïnterviewd. Veteranen van de brigade die Tantura hadden ingenomen spanden een proces aan tegen Katz. De rechter gaf hun gelijk: het was laster.
Katz moest de proceskosten betalen en de universiteit eiste dat hij een nieuwe thesis zou schrijven. Dat deed hij en hij droeg zelfs nieuwe feiten aan voor de slachtpartij. De thesis kreeg een laag cijfer en werd geweerd uit de universiteitsbibliotheek. Katz zelf werd een paria in de kibboets waar hij woonde. Zijn onderzoek werd gezien als ontoelaatbare zelfbevlekking. Veel Israëli’s waren woedend.
Mijn Volkskrant-artikel met de interviews met de oudere inwoners van Jeruzalem wekte bij sommige Israël-sympathisanten in Nederland ook woede. Schrijfster Lisette Lewin schreef een opiniestuk onder de titel ‘Joodse gruwelen gaan er in het Westen nog altijd grif in’. Impliciet beschuldigde ze de Palestijnen en mij als journalist van antisemitisme. Ik refereer aan het incident in mijn boek ‘De oorlog van gisteren’.
Hoewel Lewin niet ontkent dat de slachtpartij in Deir Yassin een oorlogsmisdaad was, voert ze tal van excuses aan. De geluidswagen die de bewoners had moeten waarschuwen was in een greppel gereden. Veel bewoners renden het dorp uit. De rest verdedigde onverwacht hardnekkig hun huizen. De munitie van de joden raakte op en sommige van hun roestige stenguns begaven het. De ongeoefende Joodse strijders waren volgens Lewin ‘hysterisch van paniek’ en schoten tientallen mannen, vrouwen en kinderen dood. In haar artikel beweert Lewin verder dat de Arabieren het vluchtelingenprobleem in stand houden ‘om Israël te treffen’.
In 2011 werd de ‘Nakba-wet’ van kracht waarbij het in Israël verboden werd ‘acties te ondernemen die het bestaan van Israël als een Joodse en democratische staat ontkennen’ en ‘een rouwdag maken van de dag dat de staat werd uitgeroepen’. Op overtreding van de wet staan hoge geldboetes. Maar historische feiten laten zich niet met een wet uit het collectieve geheugen bannen.
De fase van Israëlische woede en Nakba-ontkenning werd gevolgd door een fase van rechtvaardiging. Rechtse Israëlische schrijvers en journalisten ontkenden niet langer de feiten, maar rechtvaardigden het verdrijven van 750.000 Palestijnen uit hun land. Was dat immers geen ‘legitieme en noodzakelijke actie om de stichting van de joodse staat mogelijk te maken’? Uri Misgav, columnist van de krant Haaretz, bekritiseerde de pro-Palestijnse houding van zijn eigen krant, en eindigde een opiniestuk met een sarcastisch ‘sorry, wij hebben gewonnen’.
De meest schokkende ontwikkeling en de schaamte voorbij is het dreigement, vooral van uiterst-rechtse Israëlische politici, van een ‘tweede Nakba’. Minister voor Energie Israël Katz hield als parlementslid in mei 2022 een toespraak een toespraak waarin hij dreigde met een nieuwe Nakba. Katz reageerde in de Knesset woedend op studenten die de Nakba hadden herdacht en met Palestijnse vlaggen hadden gezwaaid. “Herinner wat er in 1948 gebeurde, herinner je onze Onafhankelijkheidsoorlog, jullie Nakba. Vraag de ouderen onder jullie, jullie grootvaders en grootmoeders, en ze zullen uitleggen dat uiteindelijk de Joden wakker zullen worden en zichzelf en het idee van een Joodse staat zullen weten te verdedigen.”
De uitlatingen van Katz, lid van Netanyahu’s Likoed Partij, staan niet op zichzelf. Andere Likoed-politici, zoals minister van Defensie Yoav Galant, lieten zich op dezelfde manier uit. In het Israëlische politieke spectrum vertegenwoordigen Katz en Galant mainstream rechts. Daar weer ter rechterzijde van bevinden zich politici, zoals de ministers Smotrich en Ben Gvir, respectievelijk met de portefeuilles ‘burgerlijk bestuur’ op de bezette Westoever en ‘Nationale Veiligheid’, die nog een paar stapjes verder gaan en van de Nakba hun strijdkreet hebben gemaakt. Extreemrechts wil de Palestijnen voor de keus stellen: je volledige overgeven en nationale aspiraties vergeten of emigreren. De herinnering aan de Nakba wordt door extreemrechts omarmd om te worden ingezet als dreigement: de joodse suprematie in Groot Israël erkennen of vertrekken naar een Arabisch land of waar dan ook in de wereld. Een tweede Nakba, dus.
Extremistische ministers Itamar Ben Gvir (links) en Bezalel Smotrich roepen op tot een nieuwe nakba
Op loopafstand van waar ooit het Palestijnse dorp Deir Yassin lag, symbolische plaats voor de Nakba, ligt het Yad Vashem, het Holocaust-monument. Er is wel gezegd dat vrede in het heilige land mogelijk zou zijn als de Palestijnen het Joodse trauma zouden erkennen en Israëli’s het Palestijnse; wederzijdse erkenning dus van Holocaust en Nakba. Het erkennen van de feiten, waarheidsvinding, zou helend kunnen werken, smeerolie zijn voor een vastgelopen vredesproces.
De Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani brengt in Returning to Haifa Holocaust-slachtoffers en Nakba-slachtoffers tot leven en samen in één verhaal. Hij maakt beslist geen karikaturen van zijn Israëlische en Palestijnse hoofdrolspeler. De joodse Miriam wordt bijvoorbeeld afgeschilderd als een sympathieke, zorgzame vrouw.
Tegelijkertijd biedt Kanafani voor de Palestijnse ontheemden en onterfden geen alternatief dan te vechten voor het recht op terugkeer. Alleen als de Israëlische hegemonie over Palestina wordt gebroken kan recht worden gedaan. Het is geen toeval dat de briljante schrijver Kanafani door Israël gezien werd als een gevaarlijke politieke activist en in 1972 door de Mossad vermoord.
Ja, waarheidsvinding is essentieel voor verzoening en voor het doen van recht, maar Holocaust en Nakba staan in een problematische verhouding tot elkaar. De Holocaust werd door de zionistische beweging als rechtvaardiging gebruikt voor de stichting van de Joodse staat en die leidde op zijn beurt weer linea recta naar de Nakba. Het ‘kleine leed’ van de Palestijnen die in 1948 hun land moesten verlaten, waar ze volgens het discours van de Israëlische opinieleiders ook nog eens goeddeels zelf verantwoordelijk voor waren, leek in het niet te vallen bij het gigantische leed van de moord op zes miljoen Joden. Zonder het vertrek van de Arabische bevolking, die het recht voor altijd werd ontzegd om terug te keren, was het veilige toevluchtsoord voor alle Joden in de wereld er immers nooit gekomen.
Dat was het zionistische riedeltje dat decennia door een groot deel van de westerse wereld werd geslikt. Kritiek op Israël werd en wordt, vanuit deze perverse logica, daarom afgedaan als Jodenhaat en antisemitisch.
De Holocaust was een uiting van haast niet te bevatten kwaad, een massale moordpartij die door de hele mensheid voor altijd herinnerd moet worden als een waarschuwing tegen elke vorm van uitsluiting en etnisch waandenken.
De gebeurtenissen die in 1948 die leidden tot de verdrijving van honderdduizenden mensen van hun geboortegrond en de kolonisering van Palestina, zijn van een andere orde. Maar ze gaan nog steeds door. Het is nog elke dag Nakba in Palestina. De dreigende deportatie van duizend Palestijnen uit Masafir Yatta, het vernielen van Palestijnse huizen, het uitwissen van het Arabisch karakter van Jeruzalem en Hebron, het uitbreiden van de joodse nederzettingen, de geïnstitutionaliseerde apartheid op de Westelijke Jordaanoever…
Op sociale media zijn dagelijks foto’s en video’s te zien van Palestijnse olijfgaarden die worden vernield, huisuitzettingen, invallen in vluchtelingenkampen… De beelden die mij het meest schokten waren van een groep religieuze kolonisten, baarden, keppeltjes, uzi-mitrailleurs over de schouder, die door de Palestijnse wijk Silwan bij Jeruzalem trokken. Ze provoceerden de bevolking door plagerig ‘Nakba, Nakba’ te zingen.
Nakba is een beschamende strijdkreet geworden voor sommigen, een bittere gedachtenis en onverteerbare realiteit voor anderen. En de herinnering aan de Holocaust?
Zaterdag 31 december overleedKees Wagtendonk (89). Wagtendonk is medeoprichter van het Nederlands Palestina Komitee. In 2007 werd hij geïnterviewd door Jacqueline de Bruijn. Hij sjouwde nog tot op hoge leeftijd met spandoeken, regelde demonstraties en stond jarenlang elke twee weken voor de Albert Heijn te demonstreren tegen de verkoop van Israëlische producten. Kortom, hij zette zich decennia in voor het Palestijnse volk. Het is allemaal begonnen met een motorrit, die hij in 1958 maakte door het Midden-Oosten.
Waarom bent u in 1958 op de motor naar het Midden- Oosten gegaan? Ik ben in 1953 theologie gaan studeren. Tijdens mijn kandidaats kwam ik erachter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van mijn vader was. Ik heb het toen omgebogen naar Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvakken Arabisch en Hebreeuws. Na een klein jaar wilde ik die moslims wel ontmoeten, dat was in die tijd heel moeilijk. Die zaten ver weg. Ik was 25 jaar en ik zocht natuurlijk ook het avontuur en de romantiek van het Oosten. Om de tocht te financieren had ik met de ANWB afgesproken om reisverhalen met foto’s per post te sturen. Met mijn DKW 200 cc ging ik dwars door Europa naar het Midden-Oosten.
Wat was de reisroute?
Joegoslavië, noord Griekenland, door Turkije. In het Europese deel van Turkije lag er opeens een laag van 8 cm mul zand op de weg enik ging om. Ik had niks maar hield per ongeluk de motor tegen mijn been. Enorme brandpiek, ik denk dat je hem nog steeds kan zien. Naar de Nederlandse vertegenwoordiging gegaan en die zeiden:” Direct naar het ziekenhuis.” Daar heb ik een week gelegen met bloedvergiftiging. Daarna ben ik doorgereisd naar Syrië.
Hoe reageerden mensen op u?
Ik had een baard laten staan, een mooie zwarte baard. In Aleppo kwam ik met veel jongeren in contact en die zeiden: “Die baard moet je meteen afscheren. Je bent toch geen geestelijke?” Dat wilde ik nou juist niet worden dus dat deed ik. Overal heb ik interessante gesprekken gevoerd. Ik kwam ook bij mensen thuis. Een Syrische jongen reed bijvoorbeeld achterop met mij mee naar zijn oom, die woonde op een boerderij in de buurt van Aleppo. Deze jongeman kwam van een jongerenfestival in Moskou. Syrië was, het was de tijd van de koude oorlog, erg gericht op de Sovjet-Unie. Ik heb 30 jaar met hem gecorrespondeerd. Hij is later minister geworden. Soms krijg ik van een Nederlander nog een telefoontje dat hij de ex-minister heeft ontmoet en dat hij naar mij vroeg.
Hoe lang was u in Syrië
Ik heb een week in Aleppo gezeten. Daarna ben ik naar Damascus gegaan waar ik een Palestijnse vluchtelingen- kamp heb bezocht. Hoe je daar terecht komt, dat weet ik echt niet meer. Dat zijn van die toevalligheden die gebeuren. De Palestijnen vertelden over hun achtergrond. Het was tien jaar na de stichting van de staat Israël en de herinneringen waren nog vers. Dat waren aangrijpende verhalen die ik te horen kreeg. Ik herinner mij een jongen die vertelde dat ze uit Ramle en Lydda kwamen en dat ze daar gewoon waren weggejaagd ‘at the point ofthe gun’.
Ze spraken allemaal Engels?
Ja, wij Nederlanders kloppen ons vaak op de borst over onze geweldige talenkennis. Maar het is mij opgevallen dat mensen in het Midden-Oosten vaak beter Engels spreken dan wij.
Was u verbaasd toen u die verhalen hoorde in het vluchtelingenkamp? Ja, dat was nieuw voor mij. Ik ben betrekkelijk naïef aan die reis begonnen. Natuurlijk wist ik van de verhouding van Israël met de omringende Arabische staten. Maar ik had de verhalen over Israël klakkeloos aanvaard. De bekende verhalen, ‘De woestijn is door de Israëliërs groen gemaakt’, ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ en ‘Als je niet in wonderen gelooft dan ben je geen realist.’ enzovoort. Ik stond er vrij neutraal tegenover en was niet echt een bewonderaar van Israël, mijn vader was dat meer.
U kwam voor het eerst in aanraking met Palestijnen, maar uw reis ging weer verder. Ik ben naar Amman doorgereisd, en daar heb ik gelogeerd bij familie van een Palestijn in Nederland, Elias Rantisi, een christen Palestijn uit Jaffa. Om gesproken Arabisch te leren had ik van de Nederlands-Arabische Kring zijn naam gekregen. In Oost-Jeruzalem logeerde ik bij mevrouw Antonius, de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Door haar ben ik opnieuw met Palestijnse vluchtelingen in contact gekomen. Ze deed vrijwilligerswerk in een vluchtelingenkamp in Oost- Jeruzalem en nam mij mee.
Bent u ook naar Israël gegaan?
Nee, toen niet, dat was onmogelijk. (Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever stond tot 1967 onder Jordaans bestuur.) Ik ben teruggereisd via Syrië naar Libanon. Het was een spannende tijd, de tijd van de Egyptische president Nasser en het Arabisch nationalisme. De stichting van de Verenigde Arabische Republiek was net gerealiseerd. Je kon zonder visum van Syrië naar Egypte. De hele sfeer in die dagen was zeer optimistisch. De Suez-oorlog was net achter de rug, die politiek gezien gewonnen was door Nasser. Die oorlog was het antwoord van Engeland, Frankrijk en Israël op de nationalisatie van het Suez-kanaal door Nasser in 1956. Het Westen vreesde dat de VAR zich zou uitbreiden. In de tijd dat ik in Libanon zat kwamen er Amerikaanse soldaten vanuit zee binnen om te voorkomen dat Libanon zich zou aansluiten. Ik had een legerbroek aan en ik kreeg de raad om die maar niet te dragen omdat mensen konden denken dat ik een soldaat was. In Jordanië, voormalige Engelse kolonie, zaten de Engelsen. Ik heb Engelse soldaten in Oost-Jeruzalem zien lopen. Jordanië werd door Nasser voortdurend op de korrel genomen. Nasser noemde koning Hoessein “de hoer van het imperialisme”. Toen ik op 14juli naar Irak wilde gaan brak daar de revolutie uit. Het was een heftige geschiedenis, de koning en de zeer pro-westerse premier Nuri es-Said werden vermoord.
Hoe lang bent u totaal weggeweest?
Ik denk een maand of vier. In Beiroet heb ik bij een agentschap van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) gevraagd of ik mee kon als ‘matroos onder de gage’. Dat kon en ik moest de hondenwacht doen. De hondenwacht betekende aan het roer staan van twee tot zes uur ‘s nachts. Het schip ging naar allerlei Middellandse zeehavens en deed bijna een maand over de reis naar Rotterdam. Na een week werd ik ziek. Toen was het afgelopen met de hondenwacht en moest ik naar de ziekenboeg. Speciaal voor mij hebben ze nog Algiers aangedaan, waar op dat moment al twee jaar een bevrijdingsoorlog tegen de Franse overheersing werd gevoerd. Bij de dokter bleek dat ik geelzucht had.
Wat heeft u na uw reis gedaan?
Daarna heb ik mijn studie afgemaakt. Als ik opnieuw mocht kiezen zou ik Arabisch hebben gekozen met Islam als bijvak. Het Arabisch is een fantastisch mooie taal. Ik zou het goed willen spreken en niet alleen kunnen lezen. De hoogleraar godsdienstwetenschap, bij wie ik afstudeerde, was lid van de Rotary. Toevallig had de nationale rotaryclub in 1960 een beurs te vergeven voor een jaar studie in een ontwikkelingsland waar je dan heen ging als “ambassador of goodwill”. Na een kleine competitie viel de keuze op mij. Het maakte veel indruk dat ik had verklaard, hoewel van origine theoloog, niet als zendeling te willen gaan. Ik wilde naar de Amerikaanse universiteit in Beiroet om beter Arabisch te leren spreken. In Beiroet moest ik elke week een rotary bijeenkomst bezoeken in het King George hotel en met mensen in het Frans converseren, een kleine ramp.
Hoe heeft u het gehad in Beiroet?
In Beiroet kwam ik in contact met studenten uit India, Pakistan, Filipijnen, Ethiopië en uit Arabische landen. Er waren ook veel Palestijnen. De politieke sfeer van die tijd, 1960/1961, was vergelijkbaar met de periode van mijn reis. Het was de tijd van de Algerijnse bevrijdingsoorlog en er waren veel demonstraties. Ik had een leraar Arabisch voor het vak kranten-Arabisch, dan lazen we stukjes uit de krant. Hij was een Palestijn en nodigde mij een keer uit in zijn huis in Beiroet. Daar woonde hij heel bescheiden. Hij liet mij de sleutel en een foto zien van zijn huis in Nazareth dat zij hadden moeten verlaten in 1948. Dat zijn van die vluchtige ontmoetingen die later blijken dieper te zijn gegaan dan je op dat moment realiseert. Toen ik, terug in Nederland, sprak over Palestijnse vluchtelingen, reageerde men daarop met veel onbegrip “Wat nou Palestijnse vluchtelingen? Ze gingen vrijwillig. Hun leiders hebben ze daartoe aangespoord.” Door deze reacties werd ik toch nog een zendeling, maar dan naar het Westen toe. Mijn vader heb ik tenslotte nog kunnen bekeren. Veel later zei hij “Je hebt toch gelijk gehad”.
Wanneer heeft u uw vrouw Nora ontmoet?
In 1959, een halfjaar voordat ik naar Beiroet vertrok, heb ik Nora ontmoet. Eén voorwaarde van de Rotary was dat je niet getrouwd mocht zijn. Dat was wel even afzien. We schreven veel brieven. In die tijd kon je moeilijk bellen. Daarom ben ik kort na afsluiting van het Academisch jaar naar Amsterdam teruggegaan. Ik was haar trouw gebleven. Dat was een goede beslissing en ik ben nog steeds heel gelukkig met Nora. Een paar maanden later zijn we getrouwd. Al snel kregen we een dochter en daarna een zoon.
Wat heeft u met uw studie gedaan? Tenslotte was, zeker in die tijd, een studie van Islam en Arabisch behoorlijk ver van het bed. Ik werd docent bij de vakgroep godsdienstwetenschap van de theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde ik op de oorsprong van het vasten in de Koran. Een buitengewoon interessant, maar moeilijk onderwerp. Er zijn weinig concrete historische gegevens, het werd een ware these. Het gaat om de onderlinge verwantschap tussen de drie religies. Het historisch en vergelijkend onderzoek hierover heeft mij altijd gefascineerd. Ik gaf o.a. het vak ‘inleiding in de islam’, een verplicht vak voor theologiestudenten. Bij het IMNO, Instituut Moderne Nabije Oosten, nam ik les in het gesproken Arabisch. Daar leerde ik Musa Suudi kennen, de vader van Radi Suudi. Die was actief voor wat hij noemde “the cause”, de Palestijnse zaak. Hij kwam oorspronkelijk uit Jeruzalem en via Londen, waar hij bij de BBC had gewerkt, was hij terecht gekomen in Amsterdam. Hij gaf na de Juni- oorlog veel lezingen en dan ging ik soms mee om zijn Engels te vertalen. Dan had ie natuurlijk ook nog Mahmud Rabbani, een Palestijnse student uit Haifa. Die heb ik later leren kennen. Hij is zakenman geworden en honorair consul van Koeweit.
Hoe ontstond de oprichting van het Palestina Komitee?
De oprichting is vooral te danken aan Mahmud Rabbani en Piet Nak. Piet Nak stond in die tijd bekend als de organisator van enkele grote Vietnam-demonstraties. Maar hij was ook de man die in de Tweede Wereldoorlog heel nauw betrokken was bij de Februaristaking. De Israëlische ambassade probeerde hem te winnen voor een demonstratie na de Juni-oorlog. Maar Rabbani was ze voor. Piet Nak was onder de indruk van diens weergave op tv van het lot van de Palestijnen. Hij is eigenlijk omgeslagen. Van Israël had hij een onderscheiding gekregen voor zijn moedige verzet tegen de jodenvervolging. Die onderscheiding stuurde hij terug. Hij was een geweldige aanwinst. Piet Nak was een eenvoudig man die zijn hart op de juiste plaats had al kwam hij vaak niet al te diplomatiek uit de hoek.
Wat was uw functie bij de oprichting?
Ik raakte er bij betrokken via het Midden-Oosten Bulletin waaraan ik had meegewerkt samen met Gerrit Jan Harbers, buitenland secretaris van de PSP. Wij hielden ons bezig met de beginselverklaring van het komitee in oprichting. 0p 14 mei 1969 was de oprichting een feit via een teach-in. Ik meen in de Brakke Grond in Amsterdam, gevolgd door een informatieweek met een tentoonstelling en films. At van Praag van Cineclub-Vrijheidsschool had daarin een groot aandeel. De verklaring die we lanceerden werd ondertekend door 60 personen uit progressieve partijen, vredesorganisaties, studentenbeweging en Midden-Oosten deskundigen. De verklaring gaat eigenlijk maar om één ding: het recht van terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen. Tot 1967 was dat het probleem geweest ,’etnische zuivering’ zeggen we tegenwoordig. Israël was al twee jaar de bezetter maar de bezetting was geen issue. Aan de orde was de oorsprong van het conflict en dat was het recht van terugkeer. Wij baseerden ons op twee punten, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op resolutie 194 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties.
De dag na de oprichting kwamen er grote stukken in de kranten. De ‘bekering’ van Piet Nak stond erin centraal. Van de kant van het Joodse Kerkgenootschap en de Zionistenbond kwam zware kritiek. We werden meteen beschuldigd van antisemitisme.
Bent u al die jaren aan het NPK verbonden gebleven?
Ja, al heel snel veranderde het NPK van karakter. Vooral omdat de PLO een onafhankelijke Organisatie werd. De PLO was opgericht in 1964 door de Arabische Liga. In 1969 maakte het zich daarvan los en werd Yasser Arafat voorzitter. De PLO stond vanaf dat moment voor een seculiere staat met gelijke rechten voor joden, christenen en moslims. Het NPK schaarde zich achter het PLO-standpunt maar niet iedereen kon die stap maken. Met die nieuwe doelstelling moesten mensen zich schriftelijk akkoord verklaren. Het Komitee werd als het ware opnieuw opgericht en ging een andere visie uitdragen. In 1972 begonnen we met de Nieuwsbrief Palestina Komitee, dat is nu de Soemoed geworden. De Nieuwsbrief was anti-imperialistisch, het ging over Palestina en over de reactionaire politiek van de Arabische staten. We kregen dankzij de gemeente een kantoor op de zolder van de Lauriergracht. In de hoogtij-dagen hadden we twee vaste krachten. Eén volledig en twee halve krachten. Ik ben jarenlang penningmeester geweest en ik heb bijna altijd in de redactie van het blad gezeten.
Na mijn pensioen ben ik opnieuw in het bestuur van het NPK gekomen. Tijdens de eerste Intifada was er weer een opleving van het Komitee, Maar de Oslo-akkoorden hebben het Komitee geen goed gedaan. Er haakten mensen af. Men dacht dat er vrede zou komen en ik dacht dat aanvankelijk zelf ook. Tijdens de tweede Intifada werd de sfeer heftiger. Palestijnen beschikten nu over wapens. Het NPK heeft toen twee demonstratie georganiseerd, eind 2000 en een hele grote in april 2002. We zijn ook begonnen met boycotflyer-acties voor de Albert Heijn, eerst in Rotterdam en vanaf december 2001 in Amsterdam. Het ging om een boycot van alle Israëlische producten. Het was geen absolute boycot, doch zolang Israël de resoluties van de VN negeert. Op sandwichborden stonden de namen van producten als Jaffa, Tivall, Carmel en de leus “Leven, land, toekomst voor de Palestijnen”. Voor de meeste van de 50 Albert Heijnwinkels in Amsterdam hebben we gestaan, ook voor enkele Natuurwinkels zoals die op de Elandsgracht. De eigenaar daarvan kwam altijd boos zijn winkel uitgerend dat we moesten ophoepelen. We hebben het zo’n 70 keer volgehouden tot november 2005.
Hoe waren de reacties?
Heel verschillend, vooral oudere mensen deden alsof ze je niet zagen en zeiden dan half in het voorbijgaan “antisemieten”. Anderen zeiden: “Bent u wel eens in Israël geweest?”of “Waar twee kijven hebben twee schuld”en “Palestijnen zijn ook geen lieverdjes”.
Het is opvallend hoe snel de meningen veranderd zijn in de loop van de laatste jaren. Steeds vaker hoorde je “Wat goed dat jullie dit doen.” of “Ik koop al jaren geen Israëlische producten.” Enkele reacties van joodse kant wil ik speciaal noemen. Ik herinner mij dat iemand zei: “Als u niet ogenblikkelijk ophoudt dan word ik vreselijk boos op u. Mijn naam is Cohen.” “Nou en?” hadden we kunnen antwoorden, maar we zwegen. Een vrouw uit de Watergraafsmeer zei: “Hoe durven jullie? Mijn hele familie is in de oorlog uitgemoord.” Dan weetje niet watje moet zeggen. Achteraf weet je het wel. Ik had moeten zeggen: “Wat hebben de Palestijnen daar mee te maken?” Je wordt altijd gefrustreerd met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet afgelopen. Het is pas echt afgelopen als de Palestijnse kwestie in billijkheid geregeld wordt. Rechtvaardigheid kan al bijna niet meer geëist worden. Er zijn nu ook rechten aan de andere kant ontstaan.
De laatste tijd merk ik pas dat mensen het een goede actie vonden. Maar het was niet vol te houden elke twee weken. De organisatie was zwaar. Pamfletten moesten steeds vernieuwd worden en ik vroeg mij afofhet wel zoden aan de dijk zette. Maar na de Tweede Intifada moesten we gewoon iets doen. Nu is het op een veel breder vlak opgepakt. Vooral in Engeland zijn o.a. vakbonden en kerken bezig met boycotacties, desinvesteren en sancties. Het Komitee is daar ook druk mee bezig. De bedoeling is dat we via het publiek bewustwording creëren. We willen het koopgedrag van het publiek beïnvloeden en daarmee een signaal afgeven aan Israël dat die zijn politiek moet wijzigen en VN resolutie 242 (beëindiging van de bezetting van 1967), VN resolutie over de muur en de VN resolutie 194 over de Palestijnse vluchtelingen moet uitvoeren. De Palestijnse vluchtelingen hebben het recht op terugkeer naar hun huizen en akkers. Voor mij is het dan pas voorbij. Maar er moet nog heel veel water door de Jordaan vloeien voordat het zo ver is.
Dit is alweer de vijftigste aflevering van onze Jabalya Nieuwsbrief. Er zijn van die mijlpalen waarvan je niet weet wat je er mee moet. Echte vreugde voel ik eerlijk gezegd niet. Wel verdriet, omdat de geschiedenis van Gaza er een is van geweld, onderdrukking en onrecht. We moeten dat verhaal -en welke impact dat heeft op de jongeren in Gaza- blijven vertellen. Maar het is niet altijd gemakkelijk weer een hoofdstuk toe te voegen aan een op het oog never ending story, waarbij een goede afloop niet in zicht komt.
Toch ben ik eigenlijk wel trots. Niet alleen op die vijftig Nieuwsbrieven maar ook op de andere activiteiten van Groningen-Jabalya. Jaar in jaar uit zijn we aandacht blijven besteden aan onze vrienden in Jabalya. De bevolking in Gaza bestaat voor een groot gedeelte uit nakomelingen van vluchtelingen die hun geboorteland Palestina in 1948 moesten verlaten. De dorpen en steden waar ze vandaan kwamen bestaan niet meer of zijn inmiddels onherkenbaar veranderd. De stichting van de staat Israël ging met veel geweld gepaard: geweld dat voor de inwoners van Gaza nooit is opgehouden.
In onze vijftig Nieuwsbrieven en bij onze andere activiteiten zijn wij er altijd aan blijven herinneren dat het verhaal van Gaza eigenlijk het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen is. De Gazanen organiseerden in 2018-’19 de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ om de wereld eraan te herinneren dat het probleem van de Palestijnse vluchtelingen sinds 1948 onopgelost blijft. Het ‘recht op terugkeer’ is niet alleen verankerd in het internationaal recht maar, in het geval van de Palestijnse vluchtelingen, ook nog eens bekrachtigd door VN-resolutie 194.
Tienduizenden Palestijnen trokken naar het grenshek met Israël om te demonstreren voor het recht op terugkeer en opheffing van de blokkade van Gaza, die sinds 2006 van kracht is. De overgrote meerderheid demonstreerde vreedzaam hoewel er ook enkele tientallen jongeren waren die met stenen of Molotovcocktails gooiden. De jongeren zien de Israëlische militairen niet alleen als bezetters van hun land maar ook als gevangenisbewakers. Het van de buitenwereld afgesloten Gaza is immers één grote open lucht gevangenis.
De zwaarbewapende Israëlische soldaten liepen nauwelijks fysiek gevaar door de massa van vreedzame demonstranten of de rellende jongeren. Maar het antwoord was excessief gewelddadig. Er werd gericht geschoten en er vielen, volgens VN-statistieken, 214 doden waarvan 46 kinderen. Meer dan 36.100 mensen raakten gewond, waarvan 8.800 kinderen. Bij meer dan 150 demonstranten, die getroffen werden door Israëlische kogels moest een been worden geamputeerd.
De reactie van Israël op de demonstraties was niet zomaar over de top. Alles wat met het vluchtelingenvraagstuk te maken heeft ligt super gevoelig in Israël. Ook toen Israëli’s en Palestijnen nog rechtstreeks praatten (wat ze sinds 2014 niet meer doen) was de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks of niet bespreekbaar.
Erkenning van het vluchtelingenprobleem raakt de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict. In 1992 verzuchtte de vroegere premier Yitzhak Rabin dat hij graag op een ochtend wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza verzwolgen was door de zee. Veel Israëli’s worden niet graag herinnerd aan de ellendige situatie in Gaza, dat eigenlijk, als het eropaan komt, één groot vluchtelingenkamp is. Maar bij elke oorlog waarbij Israël probeert Hamas uit te schakelen, en we hebben er sinds 2008 vier gehad, komt Gaza terug op de voorpagina’s.
Groningen heeft een informele maar unieke band met Jabalya in het noorden van Gaza. Het gaat vooral om menselijke kontakten, om mee leven met een bevolking in een uiterst moeilijke situatie en om de mensen hier te informeren over de penibele situatie en het onrecht daar. Als we een beetje kunnen helpen, doen we het. Bijvoorbeeld via de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) maar er zijn ook een aantal andere projecten. Voor de details lees deze Nieuwsbrief of bekijk de website.
Waarom we al deze jaren solidair zijn gebleven met Jabalya en de Groningers zijn blijven informeren en soms ook mobiliseren? ‘Hebben jullie niets beters te doen?’, wordt ons soms gevraagd?
Nee, eigenlijk niet.
We geloven in de kracht van kontakten tussen mensen, zelfs al wonen ze duizenden kilometers uit elkaar. De veerkracht van veel mensen in Gaza inspireert ons.
Neem het verhaal van Zainab al Qolaq, een jonge vrouw die onlangs in het nieuws kwam doordat haar kunst internationaal de aandacht trok. Haar schilderijen werden ten toon gesteld in het kantoor van Euro-Med Human Rights Monitor in Gaza.
Zainab verloor 22 van haar familieleden toen Israël in mei 2021 een bombardement uitvoerde op Wehde Straat in het centrum van Gaza Stad. Onder hen waren haar moeder, haar enige zus en twee broers. Zelf lag ze uren onder het puin totdat ze uitgegraven werd door reddingswerkers.
Op sommige van haar schilderijen zijn alleen de kleren van dode familieleden te zien, niet hun lichamen. Het zijn indringende beelden van dood en oorlog, maar voor Zainab was het nodig dit werk te maken om met haar verlies en verdriet te leren leven en haar trauma’s te verwerken.
Als je naar Zainabs beelden kijkt, als je de verhalen hoort van de mensen in Jabalya en elders in Gaza, is het onmogelijk om niets te doen, om je schouders op te halen.
Vandaar dat we doorgaan met Groningen-Jabalya: een dun maar essentieel draadje van solidariteit.
Een Groninger hoef je niet uit te leggen waar Wadapartja voor staat. Nee, het is geen Javaans restaurant of winkel met Nepalese nepantiek. Wadapartja is de Groningse benaming voor een uitzonderlijke –aparte– eet- en drinkgelegenheid, waar ook aparte spulletjes kunnen worden gekocht.
In het Groninger dialect heeft apart zijn oorspronkelijke betekenis behouden van origineel, uitzonderlijk. In het aan het Nederlands verwante Afrikaans hebben apart en apartheid een meer sinistere betekenis gekregen. Apartheid in Zuid-Afrika groeide uit tot een perverse vorm van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding. Aan die segregatie tussen zwarten, kleurlingen en blanken lag het waanidee ten grondslag dat de laatsten superieur waren. Het zogenaamde baasskap, ook al zo’n Afrikaans woord wat we in Nederland maar al te goed begrijpen.
Gelukkig werd in 1994 het apartheidssysteem in Zuid-Afrika, na jaren van binnenlandse strijd, mondiale protesten en diplomatieke druk, formeel opgeheven. In 1973 werd het Internationaal Verdrag voor de Bestrijding en Bestraffing van de Misdaad van Apartheid gesloten, de zogenaamde Apartheidsconventie. Dit verdrag, dat in 1976 van kracht werd, maakte apartheid volgens het internationaal recht een misdaad. In 1998 werd in het Statuut van Rome, dat ten grondslag ligt aan de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC), eveneens bepaald dat apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid.
In november publiceerde de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, die gevestigd is in Gaza, een document onder de titel ‘The Gaza Bantustan—Israeli Apartheid in the Gaza Strip’. In het rapport, gebaseerd op het werk van Palestijnse, Israëlische en internationale mensenrechtenexperts, wordt duidelijk in hoeverre Gaza op zo’n Zuid-Afrikaans Bantustan lijkt.
Het gaat om een door het Israëlische leger nu al veertien jaar geïsoleerd gebied, hermetisch afgesloten van Israël en de rest van de bezette Palestijnse gebieden. De tweemiljoen inwoners van Gaza worden blootgesteld aan herhaaldelijk excessief geweld. Duizenden burgers werden gedood, hun huizen verwoest en kinderen, patiënten en vissers werden arbitrair gearresteerd en gevangengezet.
Al Mezan concludeert dat het Israëlisch beleid ten aanzien van Gaza neerkomt op de “onmenselijke daden”, zoals die gedefinieerd zijn in de Apartheidsconventie. Het gaat om moord, het toebrengen van psychisch en lichamelijk letsel, illegale arrestaties, strafmaatregelen en het ontnemen van het recht om vrijelijk het gebied te verlaten en ernaar terug te keren.
Deze onmenselijke politiek van de Staat Israël is er, volgens Al Mezan, op gericht de overheersing van één etnische groep, Israëlische joden, ten opzichte van een andere etnische groep, de Palestijnen, te vestigen en te bestendigen. Een soort Israëlische baasskap dus, onder het voorwendsel van veiligheid maar in feite vanuit een misplaatst idee van superioriteit.
In het rapport wordt eraan herinnerd dat de staat Israël de levens van ongeveer zeven miljoen joodse Israëli’s controleert en van zeven miljoen Palestijnen, in Israël zelf en in de bezette Palestijnse gebieden. De staat Israël maakt gebruik van allerlei wetten en maatregelen die erop gericht zijn de Palestijnse bevolking te onderdrukken en territoriaal te verdelen en te scheiden, om het ‘joodse karakter’ en superioriteit van Israël te waarborgen.
Al Mezan roept de internationale gemeenschap op zijn verplichtingen na te komen en een einde te maken aan Israëls onrechtvaardige apartheidsregime, zoals ook gebeurde met de apartheid in Zuid-Afrika. Herinnerd wordt aan een uitspraak van Nelson Mandela in 1997: “De Verenigde Naties hebben een duidelijk standpunt ingenomen tegen apartheid. Er ontstond een internationale consensus die hielp om een einde te maken aan het onrecht. Maar we weten heel goed dat onze vrijheid onvolledig is zonder de vrijheid van de Palestijnen”.
De muur rond Gaza. Foto: Israëlisch Ministerie van Defensie
Enkele dagen na publicatie van het rapport van Al Mezan leidden de Israëlische minister van defensie Benny Gantz en opperbevelhebber generaal Aviv Kochavi een plechtigheid om de gereedkoming te vieren van de ijzeren afscheidingsmuur. Kosten noch moeite waren gespaard om de muur, volgens de Israëli’s ‘enig in zijn soort in de wereld’, te bouwen en van Gaza definitief een Bantustan te maken. Of erger…
Drie en een half jaar was eraan gewerkt, 140.000 ton ijzer en staal was ervoor verwerkt en de monstermuur had haast een miljard euro gekost. Het bouwwerk is 65 kilometer lang, zes meter hoog en nog enkele meters ondergronds. Overal op de fortificatie werd elektronische apparatuur aangebracht. Antennes, sensoren, radars en camera’s moeten ervoor zorgen dat Gaza rigoureus en tot nader order afgescheiden is van Israël, Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de rest van de wereld.
De rechtvaardiging voor de afscheidingsmuren is onveranderlijk dat ze voor Israëls veiligheid nodig zijn. Zo werd triomfantelijk aangekondigd dat Israël in de naaste toekomst ook langs de grens met Libanon een muur met technologische hoogstandjes wil bouwen. Maar de vraag is of op den duur muren en apartheid echt voor veiligheid zullen zorgen.
Het is een cliché Gaza een openluchtgevangenis te noemen, maar dat is helaas in 2021 meer dan ooit een feit. De Gaza-muur doodt de hoop, maakt dat jongeren geen perspectieven zien en is, deep down, een symbool van arrogantie, ongelijkheid en onrecht.
Wadapartja dat vandaag de dag nog steeds muren worden gebouwd om mensen van elkaar te scheiden…
Op 25 en 26 juli 1886 liep het helemaal uit de hand aan de Lindegracht in Amsterdam. De politie probeerde een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waarbij mannen in wankele bootjes op de gracht, moesten proberen een levende paling van een touw te trekken. Een weliswaar dieronvriendelijk en daarom verboden maar hilarisch en populair schouwspel, vooral bij de arme Amsterdamse stadsbevolking.
Het socialistische blad Recht voor Allen vroeg zich een paar weken later af of het levend koken van garnalen of paardenrennen soms minder dieronvriendelijk was. Bij wedrennen, heel populair bij de elite, werden paarden immers beestachtig afgebeuld. En werden palingen niet levend gestroopt en stuk gesneden “om de tong der rijken te strelen”? Het verbod van palingtrekken was dus al met al behoorlijk hypocriet.
Het palingoproer leidde in eerste instantie tot geweld tussen “opgeschoten knapen” en politieagenten die werden bekogeld met stenen en vuurwerk. Op een gegeven moment moesten de dienders zich zelfs uit de voeten maken, op de vlucht voor de dreiging van de oproerkraaiers. Hoe bekend komt dit alles ons voor… Op de tweede dag van de onlusten werd het leger ingezet dat met scherp schoot. Er waren 25 doden te betreuren.
De essentie van het palingoproer in de Jordaan werd goed samengevat door de Belgische krant Réforme. De ontevredenheid van de Amsterdamse bevolking had verschillende oorzaken. “Men heeft het de kermis ontnomen; met heeft een zeer strengen wet op de sterken drank en om haar toe te passen een stelsel van geheime verklikkers in de kroegen.”
Al die maatregelen troffen dus “het gewone volk” en vonden plaats in een context van bittere armoede en repressie, waarin arbeiders in het algemeen en socialisten en anarchisten in het bijzonder het moesten ontgelden.
Die kregen trouwens ook direct de schuld van het Palingoproer in de schoenen geschoven door de grote kranten in die tijd. Een vroeg staaltje van fake news dat sindsdien door historici onderuit is gehaald. Ondanks de tendentieuze berichtgeving verbood de burgemeester van Amsterdam op 2 augustus 1886 “den verkoop van nieuwsbladen op de openbare straat omdat zij het volk ophitsen gedurende de laatste oproeren”. De combinatie van volkswoede en media is een giftige, zoals ook bleek na de rellen in Rotterdam en elders in Nederlandse steden in november 2021.
Er zijn uiteraard veel verschillen met de situatie van 135 jaar geleden, maar toch moest ik denken aan het Palingoproer toen ik de beelden zag van een politieauto in vlammen en etalageruiten die sneuvelden aan de Coolsingel. Was de volkswoede politiek protest? Ja en nee. Het had in ieder geval te maken met boosheid over het coronabeleid, over een overheid die het onmogelijk maakte een avondje als vanouds te stappen. En nu pakten ze het volk met een vuurwerkverbod ook nog z’n laatste lolletje af.
De vlam sloeg in de pan. Het oproerige Nederland was zelfs een paar dagen wereldnieuws. Covid riots: Fireworks and chaos on the streets in the Netherlands, kopte bijvoorbeeld de BBC. Net als ten tijde van het Palingoproer was de berichtgeving en duiding in de buitenlandse media vaak iets afstandelijker en objectiever dan in de binnenlandse waar, vooral aan de talkshowtafels, moralisten en zedepredikers wel erg sterk vertegenwoordigd waren.
Ja, de rellen waren erg, maar wat was er precies gebeurd? Op internet was een filmpje te zien waarbij een bloedende man op de Coolsingel lag. “Iemand gaat hier dóód”, klinkt het commentaar. En in de camera zegt de activistische burgerjournalist: “De eerste dode is gevallen door politiekogels, bij het handhaven van dit waanzinnige beleid.”
Volgens het online platform Onrecht TV, dat kritisch is over de mainstream media had de Rotterdams politie een shoot to kill opdracht. Volgens “betrouwbare bronnen” van Onrecht TV waren er drie doden gevallen in Rotterdam.
De politie en het Openbaar Ministerie ontkenden in alle toonaarden. Er waren echt geen doden gevallen bij het oproer in Rotterdam. Er was weliswaar gericht geschoten en er waren een aantal gewonden, ook onder de politie, maar géén doden. Ook de gehate mainstream media in binnen- en buitenland meldden geen doden.
Hoofdredacteur Paul van den Bosch van het Algemeen Dagblad schreef onlangs over de “gecompliceerde band” tussen politie en journalisten. “Het korps moet orde en veiligheid handhaven en mag daarvoor geweldsmiddelen inzetten. Tegelijk moeten agenten zich aan regels houden. De politie moet en mag gecontroleerd worden door de media.” Daarnaast zijn journalisten ook weer afhankelijk van politiewoordvoering om te berichten over misdaad, ongelukken en rellen.
In het Nieuws van den Dag van juli 1886, de mainstream media van de 19e eeuw, wordt uitvoerig en op het oog heel precies verslag gedaan van de tragische gebeurtenissen in Amsterdam. Alle namen en leeftijden van de dodelijke slachtoffers worden bijvoorbeeld genoemd, zelfs met hun adres erbij, en hun begrafenissen worden uitgebreid beschreven. Ook in Recht voor Allen, dat beslist niet tot de mainstream gerekend kon worden, vinden we heel feitelijke verslagen van de gebeurtenissen.
Of journalistiek wordt bedreven door mainstream of alternatieve media is uiteindelijk van ondergeschikt belang, waar het om gaat is dat het vak professioneel wordt uitgeoefend. En dat betekent het hebben van een diep ontzag voor de feiten, doen aan bronvermelding, het raadplegen van liefst meerdere bronnen en hoor en wederhoor plegen. Het betekent ook onafhankelijk en (zelf-)kritisch je vak uitoefenen. Er is niet zoiets als mainstream journalistiek naast alternatieve journalistiek, er is alleen goeie journalistiek.
Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam: “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing.”
Dat media daarnaast een breed scala van opinies kunnen vertegenwoordigen en dat hun interpretatie en analyse van de feiten en gebeurtenissen vaak diametraal verschillend zijn, is een kwestie van gezonde pluriformiteit. Maar het tast de essentie en geloofwaardigheid van het journalistieke vak niet aan.
Wat dat betreft is het plan van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb om mensen die rellen live verslaan via sociale media aan te pakken met een noodverordening of spoedwet, geen goed idee. “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing”, aldus de burgemeester. De irritatie van Aboutaleb over bepaalde sociale media en het nepnieuws dat ze brengen, is begrijpelijk. Maar is het aan de autoriteiten om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele journalisten? Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn, die de persvrijheid in gevaar zou brengen. Nu al trekt de politie, in het heetst van een zware rel, zich vaak weinig aan of een verslaggever of fotograaf een politieperskaart heeft. Daar komt bij dat zo’n noodverordening geen eind zal maken aan het ‘volksgericht per sociale media’ of onsmakelijke opruiing achter de laptop op zolderkamertjes. Dat zijn trouwens activiteiten die niets maar dan ook niets te maken hebben met journalistiek.
Het is als een film die telkens wordt herhaald en die we zo langzamerhand wel kunnen dromen. In 2008-’09, 2012, 2014 en mei 2021 kwam het tot grootscheepse Israëlische aanvallen op Gaza. De tol was hoog. Meer dan 4.000 mensen verloren hun leven, waarvan 260 in mei; een kwart miljoen woningen werd beschadigd, waarvan 4.000 dit jaar en de totale schade loopt in de miljarden euro’s.
Dat is niet niks.
Het is ook geen kleinigheid om zo’n tweemiljoen mensen in een gebied van 365 vierkante kilometer jarenlang te onderwerpen aan een land-, zee- en luchtblokkade. Ter vergelijking: de gemeente Emmen in Drenthe beslaat 346 vierkante kilometer en heeft 20 keer minder inwoners. En Emmen wordt uiteraard niet afgesloten van de rest van de wereld.
De rigoureuze Israëlische politiek heeft niet geresulteerd in machtsverlies laat staan de vernietiging van Hamas, de islamitische beweging die Gaza sinds 2007 bestuurt. De leefomstandigheden zijn er inmiddels mensonwaardig, de humanitaire situatie onacceptabel, maar het lijkt onmogelijk de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken.
Tussen de grootscheepse militaire confrontaties door blijft het pijnlijk rommelen aan de grens met Gaza. Ondanks het wankele staakt-het-vuren waarmee de confrontaties in mei werden afgesloten, wordt er geregeld gedemonstreerd bij het grenshek en worden ‘brandbalonnen’ opgelaten, uit protest tegen het niet-doorlaten van bouwmaterialen en het afknijpen van humanitaire hulp. Israël “antwoordt” dan weer steevast op deze acties met luchtbombardementen. De partijen lijken op een onafwendbare vijfde ronde van dood en verderf af te stevenen.
De nieuwe Israëlische premier Naftali Bennett bezocht in augustus het Witte Huis en in een persconferentie met de Amerikaanse media had Bennett het over Iran, de vriendschap tussen Israël en de VS en de bestrijding van corona, maar niet over Gaza. Als je Bennett hoort praten lijken de Palestijnen en Gaza niet te bestaan.
Bennett is een havik en wil geen enkele politieke concessie doen aan de Palestijnen, hij blijft faliekant tegen de tweestaten-oplossing. Hij denkt dat als Israël het leven voor de Palestijnen wat dragelijker maakt, vooral in economisch opzicht, dat dan het vredesproces kan worden “geparkeerd”.
Wat deze opvatting voor Gaza betekent blijft vooralsnog onduidelijk.
De Zweedse politicus en diplomaat Carl Bildt schreef na de oorlog in mei een artikel waarin hij pleitte voor vier moedige stappen om de impasse van Gaza te doorbreken.
In de eerste plaats moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. De blokkade heeft Gaza’s economie vernield en buitenlandse handel praktisch onmogelijk gemaakt. De blokkade heeft smokkel in hand gewerkt, die weer voor een groot deel wordt gecontroleerd door Hamas. In dat opzicht heeft de blokkade Hamas eerder versterkt dan verzwakt.
In de tweede plaats moet Israëli’s in veiligheid kunnen leven. Geen enkel land accepteert willekeurige raketbeschietingen. Maar Israël moet ook erkennen dat zijn huidige defensiepolitiek heeft gefaald.
Ten derde moet Gaza weer onder internationaal erkend Palestijns bestuur geplaatst worden. Geen hulp voor Gaza en geen wederopbouwfondsen zonder vrije en eerlijke verkiezingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.
Tenslotte vereist een oplossing op de lange duur dat de toekomstige staat Palestina Gaza kan gebruiken voor toegang tot de Middellandse Zee en daarmee tot de rest van de wereld. Gaza heeft een eigen haven en vliegveld nodig en een veilige verbinding met de Westelijke Jordaanoever.
De Palestijnse journalist Daoud Kuttab wees er onlangs op dat zelfs als Bennett geen politieke vooruitgang wil in het Israëlisch-Palestijnse vredesproces, Israël wel gehouden is aan de Oslo-akkoorden. In die akkoorden wordt gesproken over een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever. Volgens het door beide partijen ondertekende akkoord zijn Gaza en de Westoever “een territoriale eenheid”.
Drie jaar geleden stelden de Nederlandse parlementariërs Sjoerd Sjoerdsma (D66) en Joel Voordewind (ChristenUnie) voor een internationale Gaza-conferentie te organiseren, waar het plan voor een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever besproken zou moeten worden. Een veilige route om medische zorg, familiehereniging en handel makkelijker gemakkelijker te maken en de ‘geweldsspiraal te doorbreken’.
Het plan verdween, zoals zoveel pogingen om uit de Gaza-impasse te komen, in een zwart gat. Het duo Netanyahu-Trump had andere opvattingen over vrede in het Midden-Oosten. En Nederland en de EU hadden niet de politieke wil of daadkracht om zich echt hard te maken voor een oplossing in Gaza.
Het zal duidelijk zijn dat voor Carl Bildts vier stappen politieke druk nodig is, vooral vanuit de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit en Hamas moeten daarnaast tot een akkoord komen over verkiezingen en Naftali Bennett moet ervan overtuigd worden dat Israël ook andere opties heeft dan de militaire.
De vier stappen zijn ondenkbaar zonder dat Israël en de Palestijnen weer aan de onderhandelingstafel plaatsnemen en dat is precies het laatste wat Bennett wil.
De kans dat er straks een reprise komt van de Gaza-horrorfilm en een vijfde ‘ronde’ van raketten en bombardementen, is dus groot. Niemand lijkt uit te kijken naar wederom hartverscheurende beelden uit Gaza, maar geen van de hoofdrolspelers in het drama maakt haast om zelfs maar tot een begin van een oplossing te komen. Alleen de inwoners van Gaza: zij kunnen niet wachten op een verbetering van hun situatie. Geen dag langer.