‘In oude kippen zit het vet’

Interview uit 2007 met Kees Wagtendonk

Door Jacqueline de Bruijn

Zaterdag 31 december overleed Kees Wagtendonk (89). Wagtendonk is medeoprichter van het Nederlands Palestina Komitee. In 2007 werd hij geïnterviewd door Jacqueline de Bruijn. Hij sjouwde nog tot op hoge leeftijd met spandoeken, regelde demonstraties en stond jarenlang elke twee weken voor de Albert Heijn te demonstreren tegen de verkoop van Israëlische producten. Kortom, hij zette zich decennia in voor het Palestijnse volk. Het is allemaal begonnen met een motorrit, die hij in 1958 maakte door het Midden-Oosten.

Waarom bent u in 1958 op de motor naar het Midden- Oosten gegaan?
Ik ben in 1953 theologie gaan studeren. Tijdens mijn kandidaats kwam ik erachter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van mijn vader was. Ik heb het toen omgebogen naar Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvakken Arabisch en Hebreeuws. Na een klein jaar wilde ik die moslims wel ontmoeten, dat was in die tijd heel moeilijk. Die zaten ver weg. Ik was 25 jaar en ik zocht natuurlijk ook het avontuur en de romantiek van het Oosten. Om de tocht te financieren had ik met de ANWB afgesproken om reisverhalen met foto’s per post te sturen. Met mijn DKW 200 cc ging ik dwars door Europa naar het Midden-Oosten.

Wat was de reisroute?

Joegoslavië, noord Griekenland, door Turkije. In het Europese deel van Turkije lag er opeens een laag van 8 cm mul zand op de weg en ik ging om. Ik had niks maar hield per ongeluk de motor tegen mijn been. Enorme brandpiek, ik denk dat je hem nog steeds kan zien. Naar de Nederlandse vertegenwoordiging gegaan en die zeiden:” Direct naar het ziekenhuis.” Daar heb ik een week gelegen met bloedvergiftiging. Daarna ben ik doorgereisd naar Syrië.

Hoe reageerden mensen op u?

Ik had een baard laten staan, een mooie zwarte baard. In Aleppo kwam ik met veel jongeren in contact en die zeiden: “Die baard moet je meteen afscheren. Je bent toch geen geestelijke?” Dat wilde ik nou juist niet worden dus dat deed ik. Overal heb ik interessante gesprekken gevoerd. Ik kwam ook bij mensen thuis. Een Syrische jongen reed bijvoorbeeld achterop met mij mee naar zijn oom, die woonde op een boerderij in de buurt van Aleppo. Deze jongeman kwam van een jongerenfestival in Moskou. Syrië was, het was de tijd van de koude oorlog, erg gericht op de Sovjet-Unie. Ik heb 30 jaar met hem gecorrespondeerd. Hij is later minister geworden. Soms krijg ik van een Nederlander nog een telefoontje dat hij de ex-minister heeft ontmoet en dat hij naar mij vroeg.

Hoe lang was u in Syrië

Ik heb een week in Aleppo gezeten. Daarna ben ik naar Damascus gegaan waar ik een Palestijnse vluchtelingen- kamp heb bezocht. Hoe je daar terecht komt, dat weet ik echt niet meer. Dat zijn van die toevalligheden die gebeuren. De Palestijnen vertelden over hun achtergrond. Het was tien jaar na de stichting van de staat Israël en de herinneringen waren nog vers. Dat waren aangrijpende verhalen die ik te horen kreeg. Ik herinner mij een jongen die vertelde dat ze uit Ramle en Lydda kwamen en dat ze daar gewoon waren weggejaagd ‘at the point ofthe gun’.

Ze spraken allemaal Engels?

Ja, wij Nederlanders kloppen ons vaak op de borst over onze geweldige talenkennis. Maar het is mij opgevallen dat mensen in het Midden-Oosten vaak beter Engels spreken dan wij.

Was u verbaasd toen u die verhalen hoorde in het vluchtelingenkamp?
Ja, dat was nieuw voor mij. Ik ben betrekkelijk naïef aan die reis begonnen. Natuurlijk wist ik van de verhouding van Israël met de omringende Arabische staten. Maar ik had de verhalen over Israël klakkeloos aanvaard. De bekende verhalen, ‘De woestijn is door de Israëliërs groen gemaakt’, ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ en ‘Als je niet in wonderen gelooft dan ben je geen realist.’ enzovoort. Ik stond er vrij neutraal tegenover en was niet echt een bewonderaar van Israël, mijn vader was dat meer.

U kwam voor het eerst in aanraking met Palestijnen, maar uw reis ging weer verder.
Ik ben naar Amman doorgereisd, en daar heb ik gelogeerd bij familie van een Palestijn in Nederland, Elias Rantisi, een christen Palestijn uit Jaffa. Om gesproken Arabisch te leren had ik van de Nederlands-Arabische Kring zijn naam gekregen. In Oost-Jeruzalem logeerde ik bij mevrouw Antonius, de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Door haar ben ik opnieuw met Palestijnse vluchtelingen in contact gekomen. Ze deed vrijwilligerswerk in een vluchtelingenkamp in Oost- Jeruzalem en nam mij mee.

Bent u ook naar Israël gegaan?

Nee, toen niet, dat was onmogelijk. (Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever stond tot 1967 onder Jordaans bestuur.) Ik ben teruggereisd via Syrië naar Libanon. Het was een spannende tijd, de tijd van de Egyptische president Nasser en het Arabisch nationalisme. De stichting van de Verenigde Arabische Republiek was net gerealiseerd. Je kon zonder visum van Syrië naar Egypte. De hele sfeer in die dagen was zeer optimistisch. De Suez-oorlog was net achter de rug, die politiek gezien gewonnen was door Nasser. Die oorlog was het antwoord van Engeland, Frankrijk en Israël op de nationalisatie van het Suez-kanaal door Nasser in 1956. Het Westen vreesde dat de VAR zich zou uitbreiden. In de tijd dat ik in Libanon zat kwamen er Amerikaanse soldaten vanuit zee binnen om te voorkomen dat Libanon zich zou aansluiten. Ik had een legerbroek aan en ik kreeg de raad om die maar niet te dragen omdat mensen konden denken dat ik een soldaat was. In Jordanië, voormalige Engelse kolonie, zaten de Engelsen. Ik heb Engelse soldaten in Oost-Jeruzalem zien lopen. Jordanië werd door Nasser voortdurend op de korrel genomen. Nasser noemde koning Hoessein “de hoer van het imperialisme”. Toen ik op 14juli naar Irak wilde gaan brak daar de revolutie uit. Het was een heftige geschiedenis, de koning en de zeer pro-westerse premier Nuri es-Said werden vermoord.

Hoe lang bent u totaal weggeweest?

Ik denk een maand of vier. In Beiroet heb ik bij een agentschap van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) gevraagd of ik mee kon als ‘matroos onder de gage’. Dat kon en ik moest de hondenwacht doen. De hondenwacht betekende aan het roer staan van twee tot zes uur ‘s nachts. Het schip ging naar allerlei Middellandse zeehavens en deed bijna een maand over de reis naar Rotterdam. Na een week werd ik ziek. Toen was het afgelopen met de hondenwacht en moest ik naar de ziekenboeg. Speciaal voor mij hebben ze nog Algiers aangedaan, waar op dat moment al twee jaar een bevrijdingsoorlog tegen de Franse overheersing werd gevoerd. Bij de dokter bleek dat ik geelzucht had.

Wat heeft u na uw reis gedaan?

Daarna heb ik mijn studie afgemaakt. Als ik opnieuw mocht kiezen zou ik Arabisch hebben gekozen met Islam als bijvak. Het Arabisch is een fantastisch mooie taal. Ik zou het goed willen spreken en niet alleen kunnen lezen. De hoogleraar godsdienstwetenschap, bij wie ik afstudeerde, was lid van de Rotary. Toevallig had de nationale rotaryclub in 1960 een beurs te vergeven voor een jaar studie in een ontwikkelingsland waar je dan heen ging als “ambassador of goodwill”. Na een kleine competitie viel de keuze op mij. Het maakte veel indruk dat ik had verklaard, hoewel van origine theoloog, niet als zendeling te willen gaan. Ik wilde naar de Amerikaanse universiteit in Beiroet om beter Arabisch te leren spreken. In Beiroet moest ik elke week een rotary bijeenkomst bezoeken in het King George hotel en met mensen in het Frans converseren, een kleine ramp.

Hoe heeft u het gehad in Beiroet?

In Beiroet kwam ik in contact met studenten uit India, Pakistan, Filipijnen, Ethiopië en uit Arabische landen. Er waren ook veel Palestijnen. De politieke sfeer van die tijd, 1960/1961, was vergelijkbaar met de periode van mijn reis. Het was de tijd van de Algerijnse bevrijdingsoorlog en er waren veel demonstraties. Ik had een leraar Arabisch voor het vak kranten-Arabisch, dan lazen we stukjes uit de krant. Hij was een Palestijn en nodigde mij een keer uit in zijn huis in Beiroet. Daar woonde hij heel bescheiden. Hij liet mij de sleutel en een foto zien van zijn huis in Nazareth dat zij hadden moeten verlaten in 1948. Dat zijn van die vluchtige ontmoetingen die later blijken dieper te zijn gegaan dan je op dat moment realiseert. Toen ik, terug in Nederland, sprak over Palestijnse vluchtelingen, reageerde men daarop met veel onbegrip “Wat nou Palestijnse vluchtelingen? Ze gingen vrijwillig. Hun leiders hebben ze daartoe aangespoord.” Door deze reacties werd ik toch nog een zendeling, maar dan naar het Westen toe. Mijn vader heb ik tenslotte nog kunnen bekeren. Veel later zei hij “Je hebt toch gelijk gehad”.

Wanneer heeft u uw vrouw Nora ontmoet?

In 1959, een halfjaar voordat ik naar Beiroet vertrok, heb ik Nora ontmoet. Eén voorwaarde van de Rotary was dat je niet getrouwd mocht zijn. Dat was wel even afzien. We schreven veel brieven. In die tijd kon je moeilijk bellen. Daarom ben ik kort na afsluiting van het Academisch jaar naar Amsterdam teruggegaan. Ik was haar trouw gebleven. Dat was een goede beslissing en ik ben nog steeds heel gelukkig met Nora. Een paar maanden later zijn we getrouwd. Al snel kregen we een dochter en daarna een zoon.

Wat heeft u met uw studie gedaan? Tenslotte was, zeker in die tijd, een studie van Islam en Arabisch behoorlijk ver van het bed.
Ik werd docent bij de vakgroep godsdienstwetenschap van de theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde ik op de oorsprong van het vasten in de Koran. Een buitengewoon interessant, maar moeilijk onderwerp. Er zijn weinig concrete historische gegevens, het werd een ware these. Het gaat om de onderlinge verwantschap tussen de drie religies. Het historisch en vergelijkend onderzoek hierover heeft mij altijd gefascineerd. Ik gaf o.a. het vak ‘inleiding in de islam’, een verplicht vak voor theologiestudenten. Bij het IMNO, Instituut Moderne Nabije Oosten, nam ik les in het gesproken Arabisch. Daar leerde ik Musa Suudi kennen, de vader van Radi Suudi. Die was actief voor wat hij noemde “the cause”, de Palestijnse zaak. Hij kwam oorspronkelijk uit Jeruzalem en via Londen, waar hij bij de BBC had gewerkt, was hij terecht gekomen in Amsterdam. Hij gaf na de Juni- oorlog veel lezingen en dan ging ik soms mee om zijn Engels te vertalen. Dan had ie natuurlijk ook nog Mahmud Rabbani, een Palestijnse student uit Haifa. Die heb ik later leren kennen. Hij is zakenman geworden en honorair consul van Koeweit.

Hoe ontstond de oprichting van het Palestina Komitee?

De oprichting is vooral te danken aan Mahmud Rabbani en Piet Nak. Piet Nak stond in die tijd bekend als de organisator van enkele grote Vietnam-demonstraties. Maar hij was ook de man die in de Tweede Wereldoorlog heel nauw betrokken was bij de Februaristaking. De Israëlische ambassade probeerde hem te winnen voor een demonstratie na de Juni-oorlog. Maar Rabbani was ze voor. Piet Nak was onder de indruk van diens weergave op tv van het lot van de Palestijnen. Hij is eigenlijk omgeslagen. Van Israël had hij een onderscheiding gekregen voor zijn moedige verzet tegen de jodenvervolging. Die onderscheiding stuurde hij terug. Hij was een geweldige aanwinst. Piet Nak was een eenvoudig man die zijn hart op de juiste plaats had al kwam hij vaak niet al te diplomatiek uit de hoek.

Wat was uw functie bij de oprichting?

Ik raakte er bij betrokken via het Midden-Oosten Bulletin waaraan ik had meegewerkt samen met Gerrit Jan Harbers, buitenland secretaris van de PSP. Wij hielden ons bezig met de beginselverklaring van het komitee in oprichting. 0p 14 mei 1969 was de oprichting een feit via een teach-in. Ik meen in de Brakke Grond in Amsterdam, gevolgd door een informatieweek met een tentoonstelling en films. At van Praag van Cineclub-Vrijheidsschool had daarin een groot aandeel. De verklaring die we lanceerden werd ondertekend door 60 personen uit progressieve partijen, vredesorganisaties, studentenbeweging en Midden-Oosten deskundigen. De verklaring gaat eigenlijk maar om één ding: het recht van terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen. Tot 1967 was dat het probleem geweest ,’etnische zuivering’ zeggen we tegenwoordig. Israël was al twee jaar de bezetter maar de bezetting was geen issue. Aan de orde was de oorsprong van het conflict en dat was het recht van terugkeer. Wij baseerden ons op twee punten, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op resolutie 194 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties.

De dag na de oprichting kwamen er grote stukken in de kranten. De ‘bekering’ van Piet Nak stond erin centraal. Van de kant van het Joodse Kerkgenootschap en de Zionistenbond kwam zware kritiek. We werden meteen beschuldigd van antisemitisme.

Bent u al die jaren aan het NPK verbonden gebleven?

Ja, al heel snel veranderde het NPK van karakter. Vooral omdat de PLO een onafhankelijke Organisatie werd. De PLO was opgericht in 1964 door de Arabische Liga. In 1969 maakte het zich daarvan los en werd Yasser Arafat voorzitter. De PLO stond vanaf dat moment voor een seculiere staat met gelijke rechten voor joden, christenen en moslims. Het NPK schaarde zich achter het PLO-standpunt maar niet iedereen kon die stap maken. Met die nieuwe doelstelling moesten mensen zich schriftelijk akkoord verklaren. Het Komitee werd als het ware opnieuw opgericht en ging een andere visie uitdragen. In 1972 begonnen we met de Nieuwsbrief Palestina Komitee, dat is nu de Soemoed geworden. De Nieuwsbrief was anti-imperialistisch, het ging over Palestina en over de reactionaire politiek van de Arabische staten. We kregen dankzij de gemeente een kantoor op de zolder van de Lauriergracht. In de hoogtij-dagen hadden we twee vaste krachten. Eén volledig en twee halve krachten. Ik ben jarenlang penningmeester geweest en ik heb bijna altijd in de redactie van het blad gezeten.

Na mijn pensioen ben ik opnieuw in het bestuur van het NPK gekomen. Tijdens de eerste Intifada was er weer een opleving van het Komitee, Maar de Oslo-akkoorden hebben het Komitee geen goed gedaan. Er haakten mensen af. Men dacht dat er vrede zou komen en ik dacht dat aanvankelijk zelf ook. Tijdens de tweede Intifada werd de sfeer heftiger. Palestijnen beschikten nu over wapens. Het NPK heeft toen twee demonstratie georganiseerd, eind 2000 en een hele grote in april 2002. We zijn ook begonnen met boycotflyer-acties voor de Albert Heijn, eerst in Rotterdam en vanaf december 2001 in Amsterdam. Het ging om een boycot van alle Israëlische producten. Het was geen absolute boycot, doch zolang Israël de resoluties van de VN negeert. Op sandwichborden stonden de namen van producten als Jaffa, Tivall, Carmel en de leus “Leven, land, toekomst voor de Palestijnen”. Voor de meeste van de 50 Albert Heijnwinkels in Amsterdam hebben we gestaan, ook voor enkele Natuurwinkels zoals die op de Elandsgracht. De eigenaar daarvan kwam altijd boos zijn winkel uitgerend dat we moesten ophoepelen. We hebben het zo’n 70 keer volgehouden tot november 2005.

Hoe waren de reacties?

Heel verschillend, vooral oudere mensen deden alsof ze je niet zagen en zeiden dan half in het voorbijgaan “antisemieten”. Anderen zeiden: “Bent u wel eens in Israël geweest?”of “Waar twee kijven hebben twee schuld”en “Palestijnen zijn ook geen lieverdjes”.

Het is opvallend hoe snel de meningen veranderd zijn in de loop van de laatste jaren. Steeds vaker hoorde je “Wat goed dat jullie dit doen.” of “Ik koop al jaren geen Israëlische producten.” Enkele reacties van joodse kant wil ik speciaal noemen. Ik herinner mij dat iemand zei: “Als u niet ogenblikkelijk ophoudt dan word ik vreselijk boos op u. Mijn naam is Cohen.” “Nou en?” hadden we kunnen antwoorden, maar we zwegen. Een vrouw uit de Watergraafsmeer zei: “Hoe durven jullie? Mijn hele familie is in de oorlog uitgemoord.” Dan weetje niet watje moet zeggen. Achteraf weet je het wel. Ik had moeten zeggen: “Wat hebben de Palestijnen daar mee te maken?” Je wordt altijd gefrustreerd met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet afgelopen. Het is pas echt afgelopen als de Palestijnse kwestie in billijkheid geregeld wordt. Rechtvaardigheid kan al bijna niet meer geëist worden. Er zijn nu ook rechten aan de andere kant ontstaan.

De laatste tijd merk ik pas dat mensen het een goede actie vonden. Maar het was niet vol te houden elke twee weken. De organisatie was zwaar. Pamfletten moesten steeds vernieuwd worden en ik vroeg mij afofhet wel zoden aan de dijk zette. Maar na de Tweede Intifada moesten we gewoon iets doen. Nu is het op een veel breder vlak opgepakt. Vooral in Engeland zijn o.a. vakbonden en kerken bezig met boycotacties, desinvesteren en sancties. Het Komitee is daar ook druk mee bezig. De bedoeling is dat we via het publiek bewustwording creëren. We willen het koopgedrag van het publiek beïnvloeden en daarmee een signaal afgeven aan Israël dat die zijn politiek moet wijzigen en VN resolutie 242 (beëindiging van de bezetting van 1967), VN resolutie over de muur en de VN resolutie 194 over de Palestijnse vluchtelingen moet uitvoeren. De Palestijnse vluchtelingen hebben het recht op terugkeer naar hun huizen en akkers. Voor mij is het dan pas voorbij. Maar er moet nog heel veel water door de Jordaan vloeien voordat het zo ver is.

Tot het zover is blijft u strijdbaar?

(Hij slaakt een zucht) Ik doe mijn best.

Dun maar essentieel draadje van solidariteit

Dit is alweer de vijftigste aflevering van onze Jabalya Nieuwsbrief. Er zijn van die mijlpalen waarvan je niet weet wat je er mee moet. Echte vreugde voel ik eerlijk gezegd niet. Wel verdriet, omdat de geschiedenis van Gaza er een is van geweld, onderdrukking en onrecht. We moeten dat verhaal -en welke impact dat heeft op de jongeren in Gaza- blijven vertellen. Maar het is niet altijd gemakkelijk weer een hoofdstuk toe te voegen aan een op het oog never ending story, waarbij een goede afloop niet in zicht komt. 

Toch ben ik eigenlijk wel trots. Niet alleen op die vijftig Nieuwsbrieven maar ook op de andere activiteiten van Groningen-Jabalya. Jaar in jaar uit zijn we aandacht blijven besteden aan onze vrienden in Jabalya. De bevolking in Gaza bestaat voor een groot gedeelte uit nakomelingen van vluchtelingen die hun geboorteland Palestina in 1948 moesten verlaten. De dorpen en steden waar ze vandaan kwamen bestaan niet meer of zijn inmiddels onherkenbaar veranderd. De stichting van de staat Israël ging met veel geweld gepaard: geweld dat voor de inwoners van Gaza nooit is opgehouden. 

In onze vijftig Nieuwsbrieven en bij onze andere activiteiten zijn wij er altijd aan blijven herinneren dat het verhaal van Gaza eigenlijk het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen is. De Gazanen organiseerden in 2018-’19 de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ om de wereld eraan te herinneren dat het probleem van de Palestijnse vluchtelingen sinds 1948 onopgelost blijft. Het ‘recht op terugkeer’ is niet alleen verankerd in het internationaal recht maar, in het geval van de Palestijnse vluchtelingen, ook nog eens bekrachtigd door VN-resolutie 194. 

 Tienduizenden Palestijnen trokken naar het grenshek met Israël om te demonstreren voor het recht op terugkeer en opheffing van de blokkade van Gaza, die sinds 2006 van kracht is. De overgrote meerderheid demonstreerde vreedzaam hoewel er ook enkele tientallen jongeren waren die met stenen of Molotovcocktails gooiden. De jongeren zien de Israëlische militairen niet alleen als bezetters van hun land maar ook als gevangenisbewakers. Het van de buitenwereld afgesloten Gaza is immers één grote open lucht gevangenis.

De zwaarbewapende Israëlische soldaten liepen nauwelijks fysiek gevaar door de massa van vreedzame demonstranten of de rellende jongeren. Maar het antwoord was excessief gewelddadig. Er werd gericht geschoten en er vielen, volgens VN-statistieken, 214 doden waarvan 46 kinderen. Meer dan 36.100 mensen raakten gewond, waarvan 8.800 kinderen. Bij meer dan 150 demonstranten, die getroffen werden door Israëlische kogels moest een been worden geamputeerd. 

De reactie van Israël op de demonstraties was niet zomaar over de top.  Alles wat met het vluchtelingenvraagstuk te maken heeft ligt super gevoelig in Israël. Ook toen Israëli’s en Palestijnen nog rechtstreeks praatten (wat ze sinds 2014 niet meer doen) was de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks of niet bespreekbaar.

Erkenning van het vluchtelingenprobleem raakt de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict. In 1992 verzuchtte de vroegere premier Yitzhak Rabin dat hij graag op een ochtend wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza verzwolgen was door de zee. Veel Israëli’s worden niet graag herinnerd aan de ellendige situatie in Gaza, dat eigenlijk, als het eropaan komt, één groot vluchtelingenkamp is. Maar bij elke oorlog waarbij Israël probeert Hamas uit te schakelen, en we hebben er sinds 2008 vier gehad, komt Gaza terug op de voorpagina’s. 

Groningen heeft een informele maar unieke band met Jabalya in het noorden van Gaza. Het gaat vooral om menselijke kontakten, om mee leven met een bevolking in een uiterst moeilijke situatie en om de mensen hier te informeren over de penibele situatie en het onrecht daar. Als we een beetje kunnen helpen, doen we het. Bijvoorbeeld via de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) maar er zijn ook een aantal andere projecten. Voor de details lees deze Nieuwsbrief of bekijk de website

Waarom we al deze jaren solidair zijn gebleven met Jabalya en de Groningers zijn blijven informeren en soms ook mobiliseren? ‘Hebben jullie niets beters te doen?’, wordt ons soms gevraagd?

Nee, eigenlijk niet.

We geloven in de kracht van kontakten tussen mensen, zelfs al wonen ze duizenden kilometers uit elkaar. De veerkracht van veel mensen in Gaza inspireert ons.

Neem het verhaal van Zainab al Qolaq, een jonge vrouw die onlangs in het nieuws kwam doordat haar kunst internationaal de aandacht trok. Haar schilderijen werden ten toon gesteld in het kantoor van Euro-Med Human Rights Monitor in Gaza. 

Zainab verloor 22 van haar familieleden toen Israël in mei 2021 een bombardement uitvoerde op Wehde Straat in het centrum van Gaza Stad. Onder hen waren haar moeder, haar enige zus en twee broers. Zelf lag ze uren onder het puin totdat ze uitgegraven werd door reddingswerkers.

Op sommige van haar schilderijen zijn alleen de kleren van dode familieleden te zien, niet hun lichamen. Het zijn indringende beelden van dood en oorlog, maar voor Zainab was het nodig dit werk te maken om met haar verlies en verdriet te leren leven en haar trauma’s te verwerken.

Als je naar Zainabs beelden kijkt, als je de verhalen hoort van de mensen in Jabalya en elders in Gaza, is het onmogelijk om niets te doen, om je schouders op te halen.

Vandaar dat we doorgaan met Groningen-Jabalya: een dun maar essentieel draadje van solidariteit.  

Schilderij van Zainab al Qolaq

Gaza: een apart geval van misdaden tegen de menselijkheid

Een Groninger hoef je niet uit te leggen waar Wadapartja voor staat. Nee, het is geen Javaans restaurant of winkel met Nepalese nepantiek. Wadapartja is de Groningse benaming voor een uitzonderlijke –aparte– eet- en drinkgelegenheid, waar ook aparte spulletjes kunnen worden gekocht. 

In het Groninger dialect heeft apart zijn oorspronkelijke betekenis behouden van origineel, uitzonderlijk. In het aan het Nederlands verwante Afrikaans hebben apart en apartheid een meer sinistere betekenis gekregen. Apartheid in Zuid-Afrika groeide uit tot een perverse vorm van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding. Aan die segregatie tussen zwarten, kleurlingen en blanken lag het waanidee ten grondslag dat de laatsten superieur waren. Het zogenaamde baasskap, ook al zo’n Afrikaans woord wat we in Nederland maar al te goed begrijpen. 

Gelukkig werd in 1994 het apartheidssysteem in Zuid-Afrika, na jaren van binnenlandse strijd, mondiale protesten en diplomatieke druk, formeel opgeheven. In 1973 werd het Internationaal Verdrag voor de Bestrijding en Bestraffing van de Misdaad van Apartheid gesloten, de zogenaamde Apartheidsconventie. Dit verdrag, dat in 1976 van kracht werd, maakte apartheid volgens het internationaal recht een misdaad. In 1998 werd in het Statuut van Rome, dat ten grondslag ligt aan de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC), eveneens bepaald dat apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid.

In november publiceerde de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, die gevestigd is in Gaza, een document onder de titel The Gaza Bantustan—Israeli Apartheid in the Gaza Strip’. In het rapport, gebaseerd op het werk van Palestijnse, Israëlische en internationale mensenrechtenexperts, wordt duidelijk in hoeverre Gaza op zo’n Zuid-Afrikaans Bantustan lijkt. 

Het gaat om een door het Israëlische leger nu al veertien jaar geïsoleerd gebied, hermetisch afgesloten van Israël en de rest van de bezette Palestijnse gebieden. De tweemiljoen inwoners van Gaza worden blootgesteld aan herhaaldelijk excessief geweld. Duizenden burgers werden gedood, hun huizen verwoest en kinderen, patiënten en vissers werden arbitrair gearresteerd en gevangengezet.  

Al Mezan concludeert dat het Israëlisch beleid ten aanzien van Gaza neerkomt op de “onmenselijke daden”, zoals die gedefinieerd zijn in de Apartheidsconventie. Het gaat om moord, het toebrengen van psychisch en lichamelijk letsel, illegale arrestaties, strafmaatregelen en het ontnemen van het recht om vrijelijk het gebied te verlaten en ernaar terug te keren. 

Deze onmenselijke politiek van de Staat Israël is er, volgens Al Mezan, op gericht de overheersing van één etnische groep, Israëlische joden, ten opzichte van een andere etnische groep, de Palestijnen, te vestigen en te bestendigen. Een soort Israëlische baasskap dus, onder het voorwendsel van veiligheid maar in feite vanuit een misplaatst idee van superioriteit. 

In het rapport wordt eraan herinnerd dat de staat Israël de levens van ongeveer zeven miljoen joodse Israëli’s controleert en van zeven miljoen Palestijnen, in Israël zelf en in de bezette Palestijnse gebieden. De staat Israël maakt gebruik van allerlei wetten en maatregelen die erop gericht zijn de Palestijnse bevolking te onderdrukken en territoriaal te verdelen en te scheiden, om het ‘joodse karakter’ en superioriteit van Israël te waarborgen. 

Al Mezan roept de internationale gemeenschap op zijn verplichtingen na te komen en een einde te maken aan Israëls onrechtvaardige apartheidsregime, zoals ook gebeurde met de apartheid in Zuid-Afrika. Herinnerd wordt aan een uitspraak van Nelson Mandela in 1997: “De Verenigde Naties hebben een duidelijk standpunt ingenomen tegen apartheid. Er ontstond een internationale consensus die hielp om een einde te maken aan het onrecht. Maar we weten heel goed dat onze vrijheid onvolledig is zonder de vrijheid van de Palestijnen”. 

De muur rond Gaza. Foto: Israëlisch Ministerie van Defensie

Enkele dagen na publicatie van het rapport van Al Mezan leidden de Israëlische minister van defensie Benny Gantz en opperbevelhebber generaal Aviv Kochavi een plechtigheid om de gereedkoming te vieren van de ijzeren afscheidingsmuur. Kosten noch moeite waren gespaard om de muur, volgens de Israëli’s ‘enig in zijn soort in de wereld’, te bouwen en van Gaza definitief een Bantustan te maken. Of erger…

Drie en een half jaar was eraan gewerkt, 140.000 ton ijzer en staal was ervoor verwerkt en de monstermuur had haast een miljard euro gekost. Het bouwwerk is 65 kilometer lang, zes meter hoog en nog enkele meters ondergronds. Overal op de fortificatie werd elektronische apparatuur aangebracht. Antennes, sensoren, radars en camera’s moeten ervoor zorgen dat Gaza rigoureus en tot nader order afgescheiden is van Israël, Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de rest van de wereld.  

De rechtvaardiging voor de afscheidingsmuren is onveranderlijk dat ze voor Israëls veiligheid nodig zijn. Zo werd triomfantelijk aangekondigd dat Israël in de naaste toekomst ook langs de grens met Libanon een muur met technologische hoogstandjes wil bouwen. Maar de vraag is of op den duur muren en apartheid echt voor veiligheid zullen zorgen. 

Het is een cliché Gaza een openluchtgevangenis te noemen, maar dat is helaas in 2021 meer dan ooit een feit. De Gaza-muur doodt de hoop, maakt dat jongeren geen perspectieven zien en is, deep down, een symbool van arrogantie, ongelijkheid en onrecht.

Wadapartja dat vandaag de dag nog steeds muren worden gebouwd om mensen van elkaar te scheiden…

Geschreven voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, december 2021 (https://www.groningen-jabalya.com/?p=5675)

Palingtrekken, coronachaos en ‘betrouwbare bronnen’ 

Op 25 en 26 juli 1886 liep het helemaal uit de hand aan de Lindegracht in Amsterdam. De politie probeerde een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waarbij mannen in wankele bootjes op de gracht, moesten proberen een levende paling van een touw te trekken. Een weliswaar dieronvriendelijk en daarom verboden maar hilarisch en populair schouwspel, vooral bij de arme Amsterdamse stadsbevolking.

Het socialistische blad Recht voor Allen vroeg zich een paar weken later af of het levend koken van garnalen of paardenrennen soms minder dieronvriendelijk was. Bij wedrennen, heel populair bij de elite, werden paarden immers beestachtig afgebeuld. En werden palingen niet levend gestroopt en stuk gesneden “om de tong der rijken te strelen”? Het verbod van palingtrekken was dus al met al behoorlijk hypocriet. 

Het palingoproer leidde in eerste instantie tot geweld tussen “opgeschoten knapen” en politieagenten die werden bekogeld met stenen en vuurwerk. Op een gegeven moment moesten de dienders zich zelfs uit de voeten maken, op de vlucht voor de dreiging van de oproerkraaiers. Hoe bekend komt dit alles ons voor… Op de tweede dag van de onlusten werd het leger ingezet dat met scherp schoot. Er waren 25 doden te betreuren.

De essentie van het palingoproer in de Jordaan werd goed samengevat door de Belgische krant Réforme. De ontevredenheid van de Amsterdamse bevolking had verschillende oorzaken. “Men heeft het de kermis ontnomen; met heeft een zeer strengen wet op de sterken drank en om haar toe te passen een stelsel van geheime verklikkers in de kroegen.”

Al die maatregelen troffen dus “het gewone volk” en vonden plaats in een context van bittere armoede en repressie, waarin arbeiders in het algemeen en socialisten en anarchisten in het bijzonder het moesten ontgelden.

Die kregen trouwens ook direct de schuld van het Palingoproer in de schoenen geschoven door de grote kranten in die tijd. Een vroeg staaltje van fake news dat sindsdien door historici onderuit is gehaald. Ondanks de tendentieuze berichtgeving verbood de burgemeester van Amsterdam op 2 augustus 1886 “den verkoop van nieuwsbladen op de openbare straat omdat zij het volk ophitsen gedurende de laatste oproeren”. De combinatie van volkswoede en media is een giftige, zoals ook bleek na de rellen in Rotterdam en elders in Nederlandse steden in november 2021. 

Er zijn uiteraard veel verschillen met de situatie van 135 jaar geleden, maar toch moest ik denken aan het Palingoproer toen ik de beelden zag van een politieauto in vlammen en etalageruiten die sneuvelden aan de Coolsingel. Was de volkswoede politiek protest? Ja en nee. Het had in ieder geval te maken met boosheid over het coronabeleid, over een overheid die het onmogelijk maakte een avondje als vanouds te stappen. En nu pakten ze het volk met een vuurwerkverbod ook nog z’n laatste lolletje af. 

De vlam sloeg in de pan. Het oproerige Nederland was zelfs een paar dagen wereldnieuws. Covid riots: Fireworks and chaos on the streets in the Netherlands, kopte bijvoorbeeld de BBC. Net als ten tijde van het Palingoproer was de berichtgeving en duiding in de buitenlandse media vaak iets afstandelijker en objectiever dan in de binnenlandse waar, vooral aan de talkshowtafels, moralisten en zedepredikers wel erg sterk vertegenwoordigd waren. 

Ja, de rellen waren erg, maar wat was er precies gebeurd? Op internet was een filmpje te zien waarbij een bloedende man op de Coolsingel lag. “Iemand gaat hier dóód”, klinkt het commentaar. En in de camera zegt de activistische burgerjournalist: “De eerste dode is gevallen door politiekogels, bij het handhaven van dit waanzinnige beleid.”

Volgens het online platform Onrecht TV, dat kritisch is over de mainstream media had de Rotterdams politie een shoot to kill opdracht. Volgens “betrouwbare bronnen” van Onrecht TV waren er drie doden gevallen in Rotterdam. 

De politie en het Openbaar Ministerie ontkenden in alle toonaarden. Er waren echt geen doden gevallen bij het oproer in Rotterdam. Er was weliswaar gericht geschoten en er waren een aantal gewonden, ook onder de politie, maar géén doden. Ook de gehate mainstream media in binnen- en buitenland meldden geen doden. 

Hoofdredacteur Paul van den Bosch van het Algemeen Dagblad schreef onlangs over de “gecompliceerde band” tussen politie en journalisten. “Het korps moet orde en veiligheid handhaven en mag daarvoor geweldsmiddelen inzetten. Tegelijk moeten agenten zich aan regels houden. De politie moet en mag gecontroleerd worden door de media.” Daarnaast zijn journalisten ook weer afhankelijk van politiewoordvoering om te berichten over misdaad, ongelukken en rellen. 

In het Nieuws van den Dag van juli 1886, de mainstream media van de 19e eeuw, wordt uitvoerig en op het oog heel precies verslag gedaan van de tragische gebeurtenissen in Amsterdam. Alle namen en leeftijden van de dodelijke slachtoffers worden bijvoorbeeld genoemd, zelfs met hun adres erbij, en hun begrafenissen worden uitgebreid beschreven. Ook in Recht voor Allen, dat beslist niet tot de mainstream gerekend kon worden, vinden we heel feitelijke verslagen van de gebeurtenissen.

Of journalistiek wordt bedreven door mainstream of alternatieve media is uiteindelijk van ondergeschikt belang, waar het om gaat is dat het vak professioneel wordt uitgeoefend. En dat betekent het hebben van een diep ontzag voor de feiten, doen aan bronvermelding, het raadplegen van liefst meerdere bronnen en hoor en wederhoor plegen. Het betekent ook onafhankelijk en (zelf-)kritisch je vak uitoefenen. Er is niet zoiets als mainstream journalistiek naast alternatieve journalistiek, er is alleen goeie journalistiek. 

Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam: “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing.”

Dat media daarnaast een breed scala van opinies kunnen vertegenwoordigen en dat hun interpretatie en analyse van de feiten en gebeurtenissen vaak diametraal verschillend zijn, is een kwestie van gezonde pluriformiteit. Maar het tast de essentie en geloofwaardigheid van het journalistieke vak niet aan. 

Wat dat betreft is het plan van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb om mensen die rellen live verslaan via sociale media aan te pakken met een noodverordening of spoedwet, geen goed idee. “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing”, aldus de burgemeester. De irritatie van Aboutaleb over bepaalde sociale media en het nepnieuws dat ze brengen, is begrijpelijk. Maar is het aan de autoriteiten om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele journalisten? Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn, die de persvrijheid in gevaar zou brengen. Nu al trekt de politie, in het heetst van een zware rel, zich vaak weinig aan of een verslaggever of fotograaf een politieperskaart heeft. Daar komt bij dat zo’n noodverordening geen eind zal maken aan het ‘volksgericht per sociale media’ of onsmakelijke opruiing achter de laptop op zolderkamertjes. Dat zijn trouwens activiteiten die niets maar dan ook niets te maken hebben met journalistiek.

Dit stuk werd geschreven voor het Media Trainingscentrum Noord-Nederland: https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen/

(27 november 2021) en op Joop.nl: https://joop.bnnvara.nl/opinies/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen

Gaza kan niet wachten

Het is als een film die telkens wordt herhaald en die we zo langzamerhand wel kunnen dromen. In 2008-’09, 2012, 2014 en mei 2021 kwam het tot grootscheepse Israëlische aanvallen op Gaza. De tol was hoog. Meer dan 4.000 mensen verloren hun leven, waarvan 260 in mei; een kwart miljoen woningen werd beschadigd, waarvan 4.000 dit jaar en de totale schade loopt in de miljarden euro’s.

Dat is niet niks.

Het is ook geen kleinigheid om zo’n tweemiljoen mensen in een gebied van 365 vierkante kilometer jarenlang te onderwerpen aan een land-, zee- en luchtblokkade. Ter vergelijking: de gemeente Emmen in Drenthe beslaat 346 vierkante kilometer en heeft 20 keer minder inwoners. En Emmen wordt uiteraard niet afgesloten van de rest van de wereld.  

De rigoureuze Israëlische politiek heeft niet geresulteerd in machtsverlies laat staan de vernietiging van Hamas, de islamitische beweging die Gaza sinds 2007 bestuurt. De leefomstandigheden zijn er inmiddels mensonwaardig, de humanitaire situatie onacceptabel, maar het lijkt onmogelijk de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. 

Tussen de grootscheepse militaire confrontaties door blijft het pijnlijk rommelen aan de grens met Gaza. Ondanks het wankele staakt-het-vuren waarmee de confrontaties in mei werden afgesloten, wordt er geregeld gedemonstreerd bij het grenshek en worden ‘brandbalonnen’ opgelaten, uit protest tegen het niet-doorlaten van bouwmaterialen en het afknijpen van humanitaire hulp. Israël “antwoordt” dan weer steevast op deze acties met luchtbombardementen. De partijen lijken op een onafwendbare vijfde ronde van dood en verderf af te stevenen. 

De nieuwe Israëlische premier Naftali Bennett bezocht in augustus het Witte Huis en in een persconferentie met de Amerikaanse media had Bennett het over Iran, de vriendschap tussen Israël en de VS en de bestrijding van corona, maar niet over Gaza. Als je Bennett hoort praten lijken de Palestijnen en Gaza niet te bestaan. 

Bennett is een havik en wil geen enkele politieke concessie doen aan de Palestijnen, hij blijft faliekant tegen de tweestaten-oplossing. Hij denkt dat als Israël het leven voor de Palestijnen wat dragelijker maakt, vooral in economisch opzicht, dat dan het vredesproces kan worden “geparkeerd”.

Wat deze opvatting voor Gaza betekent blijft vooralsnog onduidelijk.

De Zweedse politicus en diplomaat Carl Bildt schreef na de oorlog in mei een artikel waarin hij pleitte voor vier moedige stappen om de impasse van Gaza te doorbreken.

In de eerste plaats moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. De blokkade heeft Gaza’s economie vernield en buitenlandse handel praktisch onmogelijk gemaakt. De blokkade heeft smokkel in hand gewerkt, die weer voor een groot deel wordt gecontroleerd door Hamas. In dat opzicht heeft de blokkade Hamas eerder versterkt dan verzwakt.

In de tweede plaats moet Israëli’s in veiligheid kunnen leven. Geen enkel land accepteert willekeurige raketbeschietingen. Maar Israël moet ook erkennen dat zijn huidige defensiepolitiek heeft gefaald.

Ten derde moet Gaza weer onder internationaal erkend Palestijns bestuur geplaatst worden. Geen hulp voor Gaza en geen wederopbouwfondsen zonder vrije en eerlijke verkiezingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.

Tenslotte vereist een oplossing op de lange duur dat de toekomstige staat Palestina Gaza kan gebruiken voor toegang tot de Middellandse Zee en daarmee tot de rest van de wereld. Gaza heeft een eigen haven en vliegveld nodig en een veilige verbinding met de Westelijke Jordaanoever. 

De Palestijnse journalist Daoud Kuttab wees er onlangs op dat zelfs als Bennett geen politieke vooruitgang wil in het Israëlisch-Palestijnse vredesproces, Israël wel gehouden is aan de Oslo-akkoorden. In die akkoorden wordt gesproken over een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever. Volgens het door beide partijen ondertekende akkoord zijn Gaza en de Westoever “een territoriale eenheid”. 

Drie jaar geleden stelden de Nederlandse parlementariërs Sjoerd Sjoerdsma (D66) en Joel Voordewind (ChristenUnie) voor een internationale Gaza-conferentie te organiseren, waar het plan voor een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever besproken zou moeten worden. Een veilige route om medische zorg, familiehereniging en handel makkelijker gemakkelijker te maken en de ‘geweldsspiraal te doorbreken’.

Het plan verdween, zoals zoveel pogingen om uit de Gaza-impasse te komen, in een zwart gat. Het duo Netanyahu-Trump had andere opvattingen over vrede in het Midden-Oosten. En Nederland en de EU hadden niet de politieke wil of daadkracht om zich  echt hard te maken voor een oplossing in Gaza.

Het zal duidelijk zijn dat voor Carl Bildts vier stappen politieke druk nodig is, vooral vanuit de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit en Hamas moeten daarnaast tot een akkoord komen over verkiezingen en Naftali Bennett moet ervan overtuigd worden dat Israël ook andere opties heeft dan de militaire. 

De vier stappen zijn ondenkbaar zonder dat Israël en de Palestijnen weer aan de onderhandelingstafel plaatsnemen en dat is precies het laatste wat Bennett wil.

De kans dat er straks een reprise komt van de Gaza-horrorfilm en een vijfde ‘ronde’ van raketten en bombardementen, is dus groot. Niemand lijkt uit te kijken naar wederom hartverscheurende beelden uit Gaza, maar geen van de hoofdrolspelers in het drama maakt haast om zelfs maar tot een begin van een oplossing te komen. Alleen de inwoners van Gaza: zij kunnen niet wachten op een verbetering van hun situatie. Geen dag langer. 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, september 2021: https://www.groningen-jabalya.com/wp-content/uploads/2021/09/Jabalya-nieuwsbrief-48.pdf?fbclid=IwAR23BwMav4JxgAJPzS8Na0eZ58ak_cgqIvZd2_2HobEAvgy2gtHl7eIw0hc

Ook gepubliceerd op https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/

Ton van Dijk: empathisch en nieuwsgierig tot op het bot

Ik leerde Ton kennen in 1998. Hij werkte als docent journalistieke vaardigheden bij de Opleiding Journalistiek aan de Universiteit van Groningen. Ik kwam dat jaar terug uit het Midden-Oosten en werd een van Tons collega’s. 

We waren beide in de eerste plaats journalist en moesten nog een papiertje halen van de universiteit dat aan zou tonen dat we didactische kwaliteiten hadden. Ik herinner me van die cursus vooral de langdurige lunches met Ton na afloop, in een café om de hoek, met nep-Perzische kleedjes op tafel en goedkope uitsmijters met een pilsje erbij. Hij bezwoer mij de bonnetjes te bewaren want die waren aftrekbaar voor de belastingen. 

Ton zat altijd vol vragen; geïnteresseerd in mijn vroegere werk als correspondent in een gebied waar hij verder niet zoveel mee had. Hij was nieuwsgierig en empathisch tot op het bot, twee eigenschappen die hem waarschijnlijk ook tot zo’n goeie journalist maakten. Tegelijkertijd had hij een gezonde afkeer van autoriteiten en kon, als het nodig was, heerlijk grof zijn. Want journalistiek is ook een hard vak, laat je niets wijs maken.

Ton was voor mij een vriend en gids na jarenlang in het buitenland te hebben gewoond. Ik was na meer dan twintig jaar terug in Groningen en moest de draad weer zien op te pakken. Ton vroeg me hoe ik in mijn onderhoud kon voorzien, want Ik had maar een kleine aanstelling van twee dagen in de week bij de universiteit. Hij hielp mij aan verschillende freelance opdrachten, die me uiteindelijk door een moeilijke periode sleepten.

Mijn laatste onderneming samen met Ton was een studiereis naar Denemarken, zo’n zestien jaar geleden. We gingen kijken hoe de opleidingen journalistiek het daar aanpakten met het praktijkonderwijs en de studenten in het diepe werden gegooid in een newsroom voorzien van de nieuwste snufjes.

Maar voor Ton bleven de fundamenten van journalistiek dezelfde, hoe de media zich verder ook ontwikkelen: dóórvragen, inlevingsvermogen en oog voor het detail. En de lezer aan de hand nemen bij je ontdekkingstocht, in een taal die begrijpelijk is en klinkt als een klok.

Dag Ton. Ook ik heb veel van je geleerd. 

Ton van Dijk (staand, links) bij een redactievergadering van tijdschrift Nieuwe Revu in 1976.Foto Berry Stokvis / Hollandse Hoogte 

Ton van Dijk is overleden op 7 juni 2021, hij is 77 jaar geworden

Activist, journalist of gewoon ‘tuig van de richel’?

De ombudsman van dagblad Trouw brak zich onlangs het hoofd over de juiste benaming van Roman Protesevitsj, de man die de Wit-Russische autoriteiten zó graag wilden arresteren dat ze er een lijnvliegtuig voor dwongen een tussenlanding te maken in Minsk. Moet je hem nu een dissident noemen, een activist of journalist? Of alle drie?

Vast staat dat Protesevitsj actief was als nieuwsfotograaf en, belangrijker nog, hoofdredacteur van Nexta, een kanaal op berichtendienst Telegram en op YouTube. Via Nexta kwam een stroom belangrijke informatie naar buiten over de protestacties na de presidentsverkiezingen van augustus vorig jaar, die dictator Lukashenko valselijk claimde gewonnen te hebben.

Nexta werd in de woelige augustusdagen immens populair in Wit-Rusland. Terwijl de aan de regering gelieerde media het publiek nauwelijks of niet informeerden over wat er aan de hand was, doorbrak Nexta de nieuws blackout met een stroom aan berichten, onthullende foto’s en video’s. En ja inderdaad, Nexta gaf ook aanwijzingen aan actievoerders om een bepaalde straat te mijden omdat de mobiele brigade daar klaar stond, of publiceerde adressen van advocaten die konden helpen in het geval van arrestatie. Van de 9,5 miljoen Wit-Russen namen anderhalf miljoen mensen een abonnement op Nexta.

Deed Nexta aan journalistiek en kan Roman Protesevitsj dus met recht journalist worden genoemd, of gaat het hier om een vorm van activisme dat handig gebruik maakt van de mobiele telefoontechnologie? Werden de berichten wel grondig gecheckt? En hoe staat het met de onafhankelijkheid van Nexta? Was de organisatie niet te veel gelieerd aan de oppositiebeweging tegen Lukashenko?

Het zijn legitieme vragen en Trouw herinnert eraan dat “activist en journalist, een combinatie is die in Nederland snel wantrouwen zou opwekken”. “Een journalist voert geen actie”, stelt de krant vast, “dat gaat ten koste van de objectiviteit”. 

Maar, als Protesevitsj politiegeweld tegen burgers laat zien, dan is dat wel degelijk journalistiek, constateert de krant ook. Het is immers: laten zien wat er gebeurt? Blijft het feit dat Protesevitsj een “journalist met een agenda” is en daar kijken we in Nederland kritisch naar.

Uiteindelijk komt Trouw tot de conclusie dat Protesevitsj het beste “dissident en journalist” genoemd kan worden, in die volgorde. Eventueel is ook de term oppositieblogger bruikbaar maar het blijft, vindt de Trouw-ombudsman ook, onbevredigend. 

Is het echt zo, zoals Trouw stelt, dat activistische journalistiek in een democratisch land als Nederland wantrouwen verdient? Wellicht is het waar als we “activistisch” heel eng definiëren. Zoiets als: puur subjectief gedreven verslaggeving of journalistiek met een strikt (partij-)politieke agenda, met dedain voor waarheidsvinding. Dan klopt de stelling van Trouw. 

Maar ik denk dat ook in een democratie we niet al te wantrouwig moeten zijn naar de activistisch ingestelde journalist. Veel onderzoeksjournalistiek heeft uiteindelijk een flinke activistische inslag. De goed onderbouwde onthullingen van Volkskrant-verslaggevers Frank Hendrickx en Tom Kreling over de miljoenen van Siewert waren uiteraard journalistiek vakwerk, maar waren er nooit gekomen zonder die extra drive om de waarheid te achterhalen en onrecht aan de kaak te stellen.

Journalistiek is er in de eerste plaats om ons zo eerlijk, objectief en duidelijk mogelijk te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Maar soms werkt journalistiek ook mee om de wereld (ietsje) te veranderen. Dat is haast altijd ongemakkelijk en vaak gevaarlijk. Daarom stoppen ze journalisten als Roman Protesevitsj in de gevangenis en worden brave collega’s in Nederland door populistische politici aangeduid als “tuig van de richel”. 

De journalistiek en Ollongren-gate

Persfotograaf Bart Maat, die de notitie van mevrouw Ollongren met telelens vastlegde, zal niet hebben durven dromen van de politieke aardbeving die hij met zijn foto veroorzaakte. Het was een moment van politieke onvoorzichtigheid en journalistieke toevalligheid met grote gevolgen. 

Ollongren verliet gehaast het Binnenhof met een stapel papieren onder haar arm, toen ze positief bleek te hebben getest op corona. Op de notitie onder haar arm waren onder andere de explosieve woorden Omtzigt functie elders duidelijk leesbaar. Ook het zinnetje linkse partijen houden elkaar niet echt vast was nieuwswaardig, na alle eerdere liefdesbuigingen van Jesse aan Lillianne en Lilian en vice versa. 

Het ANP besloot een persalarm rond te zenden, een bericht waarmee het persbureau journalisten wijst op groot nieuws. Zonder uitzondering publiceerden de Nederlandse media over de notitie, die leek te suggereren dat Kamerlid Omtzigt op een zijspoor zou moeten worden gerangeerd. De vragen die de notitie opriep domineerden dagenlang niet alleen de media maar ook het politieke debat. 

Sommige lezers van dagblad Trouw hadden moeite met het citeren uit wat zonder twijfel een vertrouwelijk stuk was, dat per ongeluk aan de openbaarheid was prijsgegeven. Hoofdredacteur Cees van der Laan laat weten dat er bij hem ‘geen spoor van twijfel’ was over de wenselijkheid de notitie te publiceren. ‘De aantekeningen zijn niet uit een tas gevist, onder een kopieermachine vandaan gehaald of op andere wijze aan Ollongren ontfutseld.’ Daar kwam bij dat het kattenbelletje politiek zo belangwekkend was dat ‘niet publiceren een journalistiek misdrijf zou zijn geweest’. 

Van der Laan heeft gelijk: soms is niet publiceren, het achterhouden van informatie, simpelweg een journalistieke zonde. Vooral als het om informatie gaat die van algemeen publiek belang is. In tijden dat de media onder druk staan, te pas en vooral te onpas worden beschuldigd fake nieuws te brengen en zelfs bloot staan aan fysieke bedreigingen, is het goed je te realiseren dat journalistiek een professie is met duidelijk omlijnde do’s en don’ts. Bij journalistiek gaat het fundamenteel om te streven naar waarheidsvinding, je best te doen de waarheid te achterhalen.

Dat maakt journalisten niet altijd populair. 

Het is een misverstand te denken dat journalistiek een soort mechanische bezigheid is; een handigheid in knippen en plakken en babbelen aan ‘de tafels’, ’s avonds op televisie. Door voorlichters en pr-medewerkers voorgekauwde informatie simpelweg reproduceren is geen koosjer journalistiek. Journalisten mogen het pr-materiaal natuurlijk als achtergrond gebruiken, maar het moet altijd worden getoetst. Check en dubbelcheck is een even fundamentele als essentiële grondregel van het vak. 

Nieuws over bijvoorbeeld het witwassen van geld, belastingontduiking, corruptie en, ja, het wegpromoveren van een lastig Kamerlid, komt nooit zomaar aanwaaien. Misschien is er zo nu en dan een toevalstreffer, zoals met de Ollongren-foto het geval was, maar meestal is het verzamelen van informatie hard en langdurig werk. En zelfs in het geval van de foto van de verkenningsnotitie was de drive van persfotograaf Bart Maat om alles op het Binnenhof vast te leggen en de alertheid van de ANP-redactie vereist, om dit grote verhaal boven water te krijgen. 

In veel landen zou het publiceren van een vertrouwelijk bedoelde notitie, met potentieel grote politieke gevolgen, uit den boze zijn. Het zou de fotograaf, hoofdredacteur en journalisten achter tralies kunnen doen belanden en tot de sluiting van media leiden. Denk aan Hongarije, Turkije of tientallen andere landen, waar het slecht gesteld is met de persvrijheid. Gezegend het land waar het in principe wėl mogelijk is de onderste steen boven te krijgen.

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat journalisten in Nederland allemaal heilige boontjes zijn en nooit ‘zondigen’ tegen de ethische regels van het vak. Er zijn de nodige gevallen bekend van plagiaat, van verzonnen citaten en andere staaltjes van onzuivere journalistiek. Soms lokken journalisten een incident uit om een smeuïg verhaal te kunnen maken. Journalisten horen het nieuws te verslaan en natuurlijk niet hun eigen werkelijkheid te creëren. 

De discussie over wat “een misdaad tegen de journalistiek” is, wat daarentegen juist goede journalistiek is en waartoe het dient, moeten we blijven voeren: binnenshuis als collega’s maar ook breder, met de krantenlezers en tv-kijkers, met de sceptici, met de twijfelaars en halve en hele complotdenkers. 

De Ollongren-foto gaf ons een inkijkje in de keuken van de macht. Wat we zagen was zo nu en dan verwarrend, ontluisterend en verre van fraai. Maar het was wel zuiverend. Wat mij betreft heeft de journalistiek met Ollongren-gate Nederland een belangrijke dienst bewezen.

Gepubliceerd 2 april 2021 op https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl

Spaanse rapper naar gevangenis wegens “misdadig” beledigen

Duizenden mensen gingen deze week de straat op in Spanje na de arrestatie van rapper Pablo Hasél. Ze protesteerden tegen de straf van negen maanden gevangenis die Hasél kreeg voor zijn rapteksten en tweets. Een rapper hoort niet in de gevangenis, aldus de demonstranten. Ze eisten vrijheid van meningsuiting: libertad, libertad, werd er geroepen, vrijheid voor Pablo.

Het ging er bij de demonstraties, die niet waren toegestaan, hard aan toe. De oproerpolitie hanteerde de wapenstok, schoot met rubberkogels en verrichtte tientallen arrestaties. Sommige demonstranten richtten vernielingen aan en vielen politiemannen aan. Er velen gewonden, zowel bij de demonstranten als bij de politie en journalisten die verslag deden van de rellen. 

De woordvoerder in het parlement van Unidas Podemos, de kleinere en linksere regeringspartner in de coalitie met de sociaaldemocratische PSOE, liet op sociale media er geen twijfel over bestaan dat zijn sympathie lag bij ‘de jonge antifascisten die demonstreren voor rechtvaardigheid en vrijheid van meningsuiting’. Hij hekelde het harde, niet-proportionele optreden van de oproerpolitie. De politie moest volgens hem verantwoording afleggen voor het schieten met rubberkogels waarbij een van de demonstranten een oog had verloren. 

De Spaanse twitter en facebook ontploften. Vooral de rechterflank roerde zich flink. Politiebonden spraken schande van de kritiek van de linkse parlementariër. Hoe was het mogelijk dat een vertegenwoordiger van een regeringspartij, die dus indirect ook het gezag vertegenwoordigde, de vrijlating van rapper Pablo Hasél eiste? En kritiek op de politie durfde te leveren? Die zogenaamde antifascisten waren niet meer dan relschoppers, jeugdige delinquenten die vernielingen aanrichtten. Hoezo vrijheid van meningsuiting?

De arrestatie van de rapper, het geweld op straat en het verbale geweld in de (sociale) media liet deze week zien hoe diep verdeeld Spanje nog steeds is. Voor de aanhangers van de rechtse Partido Popular en vooral van de sterk opkomende partij Vox, een soort Spaanse versie van de PVV, zijn de rapper Hasél en de jongeren die voor hem demonstreren, echt terroristen of criminelen. 

Ik had een overweldigend gevoel van déjà vu bij de beelden van libertad libertad scanderende jongeren en erop los meppende dienders. In de jaren zeventig werkte ik enkele jaren in Madrid als beginnend journalist en maakte de transición mee van Franco-dictatuur naar een moderne, Europese democratie. Het was geen pijnloze bevalling maar de culminatie van jarenlange politieke en sociale strijd voor meer democratie. En de ellende was dat het nieuwgeboren Spanje weliswaar vrijer was dan het fascistische Spanje van Franco, maar perfect was het lang niet. De nieuwe grondwet herstelde bijvoorbeeld de monarchie en de door Franco voor het ambt van staatshoofd klaargestoomde Juan Carlos de Borbón werd koning.   

Dat de Spaanse democratie nog niet perfect was merkte ik zelf aan den lijve in 1979 toen ik formeel het land werd uitgezet. Ik had een artikel geschreven in De Volkskrant over betrokkenheid van een aantal rechtse officieren bij een terroristische aanslag in Madrid. De top van het Spaanse leger was not amused over het artikel en als reden van mijn uitzetting werd opgegeven dat ik me schuldig had gemaakt aan “belediging van de Spaanse strijdkrachten”. En dat was een strafbaar feit. 

Die herinnering kwam terug toen ik las waarvan de rapper Pablo Hasél werd beschuldigd. In zijn tweets zou hij de kroon -in Spanje geschreven als Corona met een hoofdletter- en de Spaanse staatsinstellingen, waaronder de strijdkrachten, hebben beledigd. Injuria of belediging van deze instellingen is, volgens het Spaanse wetboek van strafrecht, een misdrijf waar gevangenisstraf op staat. 

Pablo Hasél rapt in een van zijn nummers dat de vroegere koning Juan Carlos een maffiabaas en hoerenloper is. Niet zulke fijnzinnige beschuldigingen natuurlijk, maar de ironie is dat er een grote kern van waarheid in schuilt. De vroegere vorst en vader van de huidige koning Felipe wordt daadwerkelijk beschuldigd van corruptie en schimmige deals, onder andere met Saoedi-Arabië. De totaal van zijn voetstuk gevallen Juan Carlos verblijft sinds vorig jaar in ballingschap in Abu Dhabi.  

Maar dat betekent nog niet dat je in Spanje de kroon als instelling zomaar kunt bekritiseren of bespotten. Of de eenheid van het land in twijfel kunt trekken. Of kritisch kunt zijn over de kerkelijke hiërarchie of katholieke symbolen. Volgens de politieke analist Germán Gorraiz López speelt de erfenis van generaal Franco wel degelijk een rol bij de repressieve wetten en “het uitsterven van de vrijheid van meningsuiting in Spanje”. De repressie, aangescherpt door een wet ingevoerd in 2015 onder de vroegere premier Rajoy, heeft als doel “weerspannige personen, groepen en entiteiten die ingaan tegen de belangen van het Spaanse establishment te criminaliseren”. 

De zaak van rapper Hasél staat niet op zichzelf. Volgens Amnesty International werden in 2018-’19 zeventig personen veroordeeld op basis van de Rajoy-wet. Een andere rapper vluchtte naar België nadat hij tot drie-en-een-half jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Ook hij zou de monarchie hebben beledigd en terroristische groepen hebben geprezen.  

Spanje scoort binnen Europa slecht op het gebied van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Volgens de RSF-persvrijheidsindex van 2020 staat Spanje op de 29e plaats, ver achter Nederland (5e) maar ver achter ook Portugal (10e).

Om de situatie in Spanje te vergelijken met die in Turkije of Marokko, zoals sommige Spaanse persvrijheidsactivisten doen, gaat wat ver, maar er is nog wel erg veel werk aan de winkel. De huidige linkse regering wil af van de strenge Rajoy-wetten en van gevangenisstraffen voor ‘opiniemisdrijven’. Oproepen tot haat en geweld zouden wel strafbaar moeten blijven, conform de wetgeving in andere landen van de Europese Unie. De regering van premier Sanchez is echter nog niet met een concreet wetsvoorstel gekomen. 

De enorme polarisatie die de zaak-Hasél in Spanje teweeg heeft gebracht toont aan dat er nog iets anders aan de hand is. Oude demonen steken hun kop weer op. Spanje blijft een verdeeld land, waar een tot voor kort vrij onbekende rapper voor de één een strijder voor het vrije woord is en voor de ander een crimineel die in de gevangenis thuishoort.

Ook gepubliceerd op Joop 19 februari 2021: https://joop.bnnvara.nl/opinies/oude-demonen-steken-de-kop-op-bij-arrestatie-spaanse-rapper

Hoe dichterbij, hoe hoger de nieuwswaarde

“Media bepalen met hun nieuwskeuze de empathie van kijkers” stelt een kop boven een artikel in Trouw van 12 december. Schrijfster Sahar Noor is verontwaardigd over het feit dat een aanslag op de campus van de Universiteit van Kaboel, waarbij 35 studenten en docenten omkwamen, niet tot grote artikelen leidde in de Nederlandse kranten. Ook werd het nieuws uit Afghanistan niet gemeld in het achtuurjournaal. Daarentegen werd wel aandacht besteed aan een terroristische steekpartij in Frankrijk, drie dagen ervoor, en aan een terreuraanslag in Oostenrijk op dezelfde dag.

“Of het nu gaat om één mensenleven of honderd, slachtoffers zijn slachtoffers. Op humanitaire gronden zou het niet mogen uitmaken waar de slachtoffers zijn geboren, welke kleur, etniciteit, religie of gebruiken zij hebben. De nieuwswaarde van een incident met burgerdoden zou niet afhankelijk moeten zijn van deze gronden (…). Toch is het zo.”

Eigenlijk beweert Sahar Noor hier dat de Nederlandse media discrimineren door minder aandacht te besteden aan een aanslag in Afghanistan dan aan een terreurdaad in Oostenrijk. Voor haar telt het argument niet dat het land ver weg ligt en dat de nieuwsconsumenten zich minder in de Afghaanse slachtoffers herkennen.

Maar klopt de redenering “slachtoffers zijn slachtoffers” wel?

In ieder geval niet in de journalistiek. In het befaamde Basisboek Journalistiek van Kussendrager, Van der Lugt en Rogmans, door generaties Nederlandse studenten-journalistiek gebruikt, wordt uitgelegd dat de vraag waar een gebeurtenis zich afspeelt wel degelijk belangrijk is voor het bepalen van de nieuwswaarde. Volgens het Basisboek hanteren redacteuren buitenland een ongeschreven, cynische formule die ongeveer als volgt luidt: “aantal doden gedeeld door de afstand tot Nederland”. Veel slachtoffers in een ver en onbekend land zijn minder nieuwswaardig dan een slachtoffer om de hoek. Met andere woorden: het ene slachtoffer is het andere niet.

De afstand Amsterdam-Kaboel is meer dan 7.000 kilometer. Er waren daar 35 doden. In Wenen waren “slechts” vier doden te betreuren, plus vijftien gewonden. Maar Wenen ligt zeven keer dichter bij Nederland dan Kaboel, ligt in de Europese Unie en is bekend terrein voor veel Nederlandse toeristen. En inderdaad: de Weense slachtoffers lijken meer op ons dan de Afghaanse slachtoffers. Nederlandse toeristen hadden onder de doden en gewonden kunnen zijn. Inleven met de Weens slachtoffers is relatief simpel, met die in Kaboel is meer gecompliceerd.

De vraag is of het mechanisme van “hogere nabijheid, hogere nieuwswaarde” in wezen wel zo wrang, pijnlijk en cynisch is als Sahar Noor beweert en of die berichtgeving automatisch tot een fout soort selectieve verontwaardiging leidt.

Een geliefd familielid dat overlijdt of het sterven van een goede vriend of buur grijpt meer aan dan het overlijden van een voor jou anonieme persoon verderop in de straat, aan de andere kant van Nederland of aan de andere kant van de wereld. “Het komt wel erg dichtbij”, zeggen we als we een onheilstijding ontvangen, bijvoorbeeld over een coronabesmetting van een bekende. Het nieuws van een naaste die zwaar ziek is boeit meer dan de abstracte statistieken en dagkoersen van doden en besmettingen in het land. We zeggen “het raakt ons” of “ik ben aangedaan”, daarmee nabijheid aangevend, zelfs een zo grote nabijheid dat het ons fysiek en psychisch beroert. 

Dat het nabije nieuws ons meer raakt, soms zelfs bij de keel grijpt, is op zich niet vreemd of afkeurenswaardig. Het leidt ook niet automatisch tot selectieve empathie. Met journalisten die daar professioneel op inspelen is niets mis. Ze doen gewoon hun werk. Een van de kerntaken van de journalist is immers de lezer of kijker betrouwbare, controleerbare, en voor hem/haar relevante informatie verschaffen. Dingen die dichtbij gebeuren zijn vaker relevant.

Het zijn niet de media die de empathie van kijkers bepalen. Het zijn de empathische gevoelens van kijkers die bepalen hoe journalisten hun werk moeten doen. Aan berichtgeving over dichtbij worden daarbij in veel opzichten hogere eisen gesteld dan aan verslaggeving vanuit een ver-van-m’n-bed land. De kijker kent immers de situatie van z’n eigen buurt, stad of vaderland. Details kunnen worden getoetst, feiten gecontroleerd. 

Als buitenlandcorrespondent met vele jaren in het Midden-Oosten ben ik meer dan eens in een wrange situatie geweest, waarbij ik in mijn berichtgeving voorrang moest geven aan de interessesfeer van mijn lezers, ten koste van accuraat over elke gruwelijke oorlogsdaad te berichten. Er was bijvoorbeeld buitenproportioneel veel belangstelling voor “onze jongens” van het Nederlandse UNIFIL-bataljon in Libanon. Sahar Noor constateert eenzelfde soort overdreven aandacht voor “onze jongens” in Uruzgan tussen 2006 en 2010, toen elk waterputje dat door Nederlandse militairen werd geslagen door de media in de schijnwerpers werd gezet.

Dat kan inderdaad gekmakend zijn, dat ben ik eens met Sahar Noor. Vooral als je weet dat er veel heftiger dingen gebeuren waar minder aandacht aan wordt besteed. 

Maar het is niet, zoals zij suggereert, vanwege “financiële winst” dat de Nederlandse media nalaten radicaal inclusief te berichten over crisissituaties, waarbij elk slachtoffer “gelijk” is aan de ander. De media werken niet expres selectieve verontwaardiging in de hand. Oprechte verontwaardiging is trouwens altijd selectief. Het is -menselijk gesproken- onmogelijk over alles even verontwaardigd te zijn. 

Journalisten zijn geen kruideniers die alle ellende gram voor gram moeten afwegen en gelijkelijk verwerken in hun nieuwsgaring en -verwerking. Journalisten en media bedienen een specifiek publiek, om dit te voorzien van voor hen relevant nieuws en informatie. En daar komt onverbiddelijk een selectie aan te pas. 

Dat wil niet zeggen dat goede journalisten “ver nieuws” niet interessant en relevant kunnen en soms moeten maken. Misschien is het dichterbij brengen van dat “verre nieuws”, dat overigens ook uit Amsterdam-Oost of Molenbeek kan worden gehaald, wel een van de grootste uitdagingen van de journalistiek. Maar het kweken van begrip en inclusiviteit zijn niet gediend met alle nieuwsfeiten over één kam te scheren, uit naam van een vaag soort universeel humanisme. 

23 december 2020, geschreven voor Media Trainingscentrum Noord-Nederland