‘In oude kippen zit het vet’

Interview uit 2007 met Kees Wagtendonk

Door Jacqueline de Bruijn

Zaterdag 31 december overleed Kees Wagtendonk (89). Wagtendonk is medeoprichter van het Nederlands Palestina Komitee. In 2007 werd hij geïnterviewd door Jacqueline de Bruijn. Hij sjouwde nog tot op hoge leeftijd met spandoeken, regelde demonstraties en stond jarenlang elke twee weken voor de Albert Heijn te demonstreren tegen de verkoop van Israëlische producten. Kortom, hij zette zich decennia in voor het Palestijnse volk. Het is allemaal begonnen met een motorrit, die hij in 1958 maakte door het Midden-Oosten.

Waarom bent u in 1958 op de motor naar het Midden- Oosten gegaan?
Ik ben in 1953 theologie gaan studeren. Tijdens mijn kandidaats kwam ik erachter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van mijn vader was. Ik heb het toen omgebogen naar Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvakken Arabisch en Hebreeuws. Na een klein jaar wilde ik die moslims wel ontmoeten, dat was in die tijd heel moeilijk. Die zaten ver weg. Ik was 25 jaar en ik zocht natuurlijk ook het avontuur en de romantiek van het Oosten. Om de tocht te financieren had ik met de ANWB afgesproken om reisverhalen met foto’s per post te sturen. Met mijn DKW 200 cc ging ik dwars door Europa naar het Midden-Oosten.

Wat was de reisroute?

Joegoslavië, noord Griekenland, door Turkije. In het Europese deel van Turkije lag er opeens een laag van 8 cm mul zand op de weg en ik ging om. Ik had niks maar hield per ongeluk de motor tegen mijn been. Enorme brandpiek, ik denk dat je hem nog steeds kan zien. Naar de Nederlandse vertegenwoordiging gegaan en die zeiden:” Direct naar het ziekenhuis.” Daar heb ik een week gelegen met bloedvergiftiging. Daarna ben ik doorgereisd naar Syrië.

Hoe reageerden mensen op u?

Ik had een baard laten staan, een mooie zwarte baard. In Aleppo kwam ik met veel jongeren in contact en die zeiden: “Die baard moet je meteen afscheren. Je bent toch geen geestelijke?” Dat wilde ik nou juist niet worden dus dat deed ik. Overal heb ik interessante gesprekken gevoerd. Ik kwam ook bij mensen thuis. Een Syrische jongen reed bijvoorbeeld achterop met mij mee naar zijn oom, die woonde op een boerderij in de buurt van Aleppo. Deze jongeman kwam van een jongerenfestival in Moskou. Syrië was, het was de tijd van de koude oorlog, erg gericht op de Sovjet-Unie. Ik heb 30 jaar met hem gecorrespondeerd. Hij is later minister geworden. Soms krijg ik van een Nederlander nog een telefoontje dat hij de ex-minister heeft ontmoet en dat hij naar mij vroeg.

Hoe lang was u in Syrië

Ik heb een week in Aleppo gezeten. Daarna ben ik naar Damascus gegaan waar ik een Palestijnse vluchtelingen- kamp heb bezocht. Hoe je daar terecht komt, dat weet ik echt niet meer. Dat zijn van die toevalligheden die gebeuren. De Palestijnen vertelden over hun achtergrond. Het was tien jaar na de stichting van de staat Israël en de herinneringen waren nog vers. Dat waren aangrijpende verhalen die ik te horen kreeg. Ik herinner mij een jongen die vertelde dat ze uit Ramle en Lydda kwamen en dat ze daar gewoon waren weggejaagd ‘at the point ofthe gun’.

Ze spraken allemaal Engels?

Ja, wij Nederlanders kloppen ons vaak op de borst over onze geweldige talenkennis. Maar het is mij opgevallen dat mensen in het Midden-Oosten vaak beter Engels spreken dan wij.

Was u verbaasd toen u die verhalen hoorde in het vluchtelingenkamp?
Ja, dat was nieuw voor mij. Ik ben betrekkelijk naïef aan die reis begonnen. Natuurlijk wist ik van de verhouding van Israël met de omringende Arabische staten. Maar ik had de verhalen over Israël klakkeloos aanvaard. De bekende verhalen, ‘De woestijn is door de Israëliërs groen gemaakt’, ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ en ‘Als je niet in wonderen gelooft dan ben je geen realist.’ enzovoort. Ik stond er vrij neutraal tegenover en was niet echt een bewonderaar van Israël, mijn vader was dat meer.

U kwam voor het eerst in aanraking met Palestijnen, maar uw reis ging weer verder.
Ik ben naar Amman doorgereisd, en daar heb ik gelogeerd bij familie van een Palestijn in Nederland, Elias Rantisi, een christen Palestijn uit Jaffa. Om gesproken Arabisch te leren had ik van de Nederlands-Arabische Kring zijn naam gekregen. In Oost-Jeruzalem logeerde ik bij mevrouw Antonius, de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Door haar ben ik opnieuw met Palestijnse vluchtelingen in contact gekomen. Ze deed vrijwilligerswerk in een vluchtelingenkamp in Oost- Jeruzalem en nam mij mee.

Bent u ook naar Israël gegaan?

Nee, toen niet, dat was onmogelijk. (Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever stond tot 1967 onder Jordaans bestuur.) Ik ben teruggereisd via Syrië naar Libanon. Het was een spannende tijd, de tijd van de Egyptische president Nasser en het Arabisch nationalisme. De stichting van de Verenigde Arabische Republiek was net gerealiseerd. Je kon zonder visum van Syrië naar Egypte. De hele sfeer in die dagen was zeer optimistisch. De Suez-oorlog was net achter de rug, die politiek gezien gewonnen was door Nasser. Die oorlog was het antwoord van Engeland, Frankrijk en Israël op de nationalisatie van het Suez-kanaal door Nasser in 1956. Het Westen vreesde dat de VAR zich zou uitbreiden. In de tijd dat ik in Libanon zat kwamen er Amerikaanse soldaten vanuit zee binnen om te voorkomen dat Libanon zich zou aansluiten. Ik had een legerbroek aan en ik kreeg de raad om die maar niet te dragen omdat mensen konden denken dat ik een soldaat was. In Jordanië, voormalige Engelse kolonie, zaten de Engelsen. Ik heb Engelse soldaten in Oost-Jeruzalem zien lopen. Jordanië werd door Nasser voortdurend op de korrel genomen. Nasser noemde koning Hoessein “de hoer van het imperialisme”. Toen ik op 14juli naar Irak wilde gaan brak daar de revolutie uit. Het was een heftige geschiedenis, de koning en de zeer pro-westerse premier Nuri es-Said werden vermoord.

Hoe lang bent u totaal weggeweest?

Ik denk een maand of vier. In Beiroet heb ik bij een agentschap van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) gevraagd of ik mee kon als ‘matroos onder de gage’. Dat kon en ik moest de hondenwacht doen. De hondenwacht betekende aan het roer staan van twee tot zes uur ‘s nachts. Het schip ging naar allerlei Middellandse zeehavens en deed bijna een maand over de reis naar Rotterdam. Na een week werd ik ziek. Toen was het afgelopen met de hondenwacht en moest ik naar de ziekenboeg. Speciaal voor mij hebben ze nog Algiers aangedaan, waar op dat moment al twee jaar een bevrijdingsoorlog tegen de Franse overheersing werd gevoerd. Bij de dokter bleek dat ik geelzucht had.

Wat heeft u na uw reis gedaan?

Daarna heb ik mijn studie afgemaakt. Als ik opnieuw mocht kiezen zou ik Arabisch hebben gekozen met Islam als bijvak. Het Arabisch is een fantastisch mooie taal. Ik zou het goed willen spreken en niet alleen kunnen lezen. De hoogleraar godsdienstwetenschap, bij wie ik afstudeerde, was lid van de Rotary. Toevallig had de nationale rotaryclub in 1960 een beurs te vergeven voor een jaar studie in een ontwikkelingsland waar je dan heen ging als “ambassador of goodwill”. Na een kleine competitie viel de keuze op mij. Het maakte veel indruk dat ik had verklaard, hoewel van origine theoloog, niet als zendeling te willen gaan. Ik wilde naar de Amerikaanse universiteit in Beiroet om beter Arabisch te leren spreken. In Beiroet moest ik elke week een rotary bijeenkomst bezoeken in het King George hotel en met mensen in het Frans converseren, een kleine ramp.

Hoe heeft u het gehad in Beiroet?

In Beiroet kwam ik in contact met studenten uit India, Pakistan, Filipijnen, Ethiopië en uit Arabische landen. Er waren ook veel Palestijnen. De politieke sfeer van die tijd, 1960/1961, was vergelijkbaar met de periode van mijn reis. Het was de tijd van de Algerijnse bevrijdingsoorlog en er waren veel demonstraties. Ik had een leraar Arabisch voor het vak kranten-Arabisch, dan lazen we stukjes uit de krant. Hij was een Palestijn en nodigde mij een keer uit in zijn huis in Beiroet. Daar woonde hij heel bescheiden. Hij liet mij de sleutel en een foto zien van zijn huis in Nazareth dat zij hadden moeten verlaten in 1948. Dat zijn van die vluchtige ontmoetingen die later blijken dieper te zijn gegaan dan je op dat moment realiseert. Toen ik, terug in Nederland, sprak over Palestijnse vluchtelingen, reageerde men daarop met veel onbegrip “Wat nou Palestijnse vluchtelingen? Ze gingen vrijwillig. Hun leiders hebben ze daartoe aangespoord.” Door deze reacties werd ik toch nog een zendeling, maar dan naar het Westen toe. Mijn vader heb ik tenslotte nog kunnen bekeren. Veel later zei hij “Je hebt toch gelijk gehad”.

Wanneer heeft u uw vrouw Nora ontmoet?

In 1959, een halfjaar voordat ik naar Beiroet vertrok, heb ik Nora ontmoet. Eén voorwaarde van de Rotary was dat je niet getrouwd mocht zijn. Dat was wel even afzien. We schreven veel brieven. In die tijd kon je moeilijk bellen. Daarom ben ik kort na afsluiting van het Academisch jaar naar Amsterdam teruggegaan. Ik was haar trouw gebleven. Dat was een goede beslissing en ik ben nog steeds heel gelukkig met Nora. Een paar maanden later zijn we getrouwd. Al snel kregen we een dochter en daarna een zoon.

Wat heeft u met uw studie gedaan? Tenslotte was, zeker in die tijd, een studie van Islam en Arabisch behoorlijk ver van het bed.
Ik werd docent bij de vakgroep godsdienstwetenschap van de theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde ik op de oorsprong van het vasten in de Koran. Een buitengewoon interessant, maar moeilijk onderwerp. Er zijn weinig concrete historische gegevens, het werd een ware these. Het gaat om de onderlinge verwantschap tussen de drie religies. Het historisch en vergelijkend onderzoek hierover heeft mij altijd gefascineerd. Ik gaf o.a. het vak ‘inleiding in de islam’, een verplicht vak voor theologiestudenten. Bij het IMNO, Instituut Moderne Nabije Oosten, nam ik les in het gesproken Arabisch. Daar leerde ik Musa Suudi kennen, de vader van Radi Suudi. Die was actief voor wat hij noemde “the cause”, de Palestijnse zaak. Hij kwam oorspronkelijk uit Jeruzalem en via Londen, waar hij bij de BBC had gewerkt, was hij terecht gekomen in Amsterdam. Hij gaf na de Juni- oorlog veel lezingen en dan ging ik soms mee om zijn Engels te vertalen. Dan had ie natuurlijk ook nog Mahmud Rabbani, een Palestijnse student uit Haifa. Die heb ik later leren kennen. Hij is zakenman geworden en honorair consul van Koeweit.

Hoe ontstond de oprichting van het Palestina Komitee?

De oprichting is vooral te danken aan Mahmud Rabbani en Piet Nak. Piet Nak stond in die tijd bekend als de organisator van enkele grote Vietnam-demonstraties. Maar hij was ook de man die in de Tweede Wereldoorlog heel nauw betrokken was bij de Februaristaking. De Israëlische ambassade probeerde hem te winnen voor een demonstratie na de Juni-oorlog. Maar Rabbani was ze voor. Piet Nak was onder de indruk van diens weergave op tv van het lot van de Palestijnen. Hij is eigenlijk omgeslagen. Van Israël had hij een onderscheiding gekregen voor zijn moedige verzet tegen de jodenvervolging. Die onderscheiding stuurde hij terug. Hij was een geweldige aanwinst. Piet Nak was een eenvoudig man die zijn hart op de juiste plaats had al kwam hij vaak niet al te diplomatiek uit de hoek.

Wat was uw functie bij de oprichting?

Ik raakte er bij betrokken via het Midden-Oosten Bulletin waaraan ik had meegewerkt samen met Gerrit Jan Harbers, buitenland secretaris van de PSP. Wij hielden ons bezig met de beginselverklaring van het komitee in oprichting. 0p 14 mei 1969 was de oprichting een feit via een teach-in. Ik meen in de Brakke Grond in Amsterdam, gevolgd door een informatieweek met een tentoonstelling en films. At van Praag van Cineclub-Vrijheidsschool had daarin een groot aandeel. De verklaring die we lanceerden werd ondertekend door 60 personen uit progressieve partijen, vredesorganisaties, studentenbeweging en Midden-Oosten deskundigen. De verklaring gaat eigenlijk maar om één ding: het recht van terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen. Tot 1967 was dat het probleem geweest ,’etnische zuivering’ zeggen we tegenwoordig. Israël was al twee jaar de bezetter maar de bezetting was geen issue. Aan de orde was de oorsprong van het conflict en dat was het recht van terugkeer. Wij baseerden ons op twee punten, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op resolutie 194 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties.

De dag na de oprichting kwamen er grote stukken in de kranten. De ‘bekering’ van Piet Nak stond erin centraal. Van de kant van het Joodse Kerkgenootschap en de Zionistenbond kwam zware kritiek. We werden meteen beschuldigd van antisemitisme.

Bent u al die jaren aan het NPK verbonden gebleven?

Ja, al heel snel veranderde het NPK van karakter. Vooral omdat de PLO een onafhankelijke Organisatie werd. De PLO was opgericht in 1964 door de Arabische Liga. In 1969 maakte het zich daarvan los en werd Yasser Arafat voorzitter. De PLO stond vanaf dat moment voor een seculiere staat met gelijke rechten voor joden, christenen en moslims. Het NPK schaarde zich achter het PLO-standpunt maar niet iedereen kon die stap maken. Met die nieuwe doelstelling moesten mensen zich schriftelijk akkoord verklaren. Het Komitee werd als het ware opnieuw opgericht en ging een andere visie uitdragen. In 1972 begonnen we met de Nieuwsbrief Palestina Komitee, dat is nu de Soemoed geworden. De Nieuwsbrief was anti-imperialistisch, het ging over Palestina en over de reactionaire politiek van de Arabische staten. We kregen dankzij de gemeente een kantoor op de zolder van de Lauriergracht. In de hoogtij-dagen hadden we twee vaste krachten. Eén volledig en twee halve krachten. Ik ben jarenlang penningmeester geweest en ik heb bijna altijd in de redactie van het blad gezeten.

Na mijn pensioen ben ik opnieuw in het bestuur van het NPK gekomen. Tijdens de eerste Intifada was er weer een opleving van het Komitee, Maar de Oslo-akkoorden hebben het Komitee geen goed gedaan. Er haakten mensen af. Men dacht dat er vrede zou komen en ik dacht dat aanvankelijk zelf ook. Tijdens de tweede Intifada werd de sfeer heftiger. Palestijnen beschikten nu over wapens. Het NPK heeft toen twee demonstratie georganiseerd, eind 2000 en een hele grote in april 2002. We zijn ook begonnen met boycotflyer-acties voor de Albert Heijn, eerst in Rotterdam en vanaf december 2001 in Amsterdam. Het ging om een boycot van alle Israëlische producten. Het was geen absolute boycot, doch zolang Israël de resoluties van de VN negeert. Op sandwichborden stonden de namen van producten als Jaffa, Tivall, Carmel en de leus “Leven, land, toekomst voor de Palestijnen”. Voor de meeste van de 50 Albert Heijnwinkels in Amsterdam hebben we gestaan, ook voor enkele Natuurwinkels zoals die op de Elandsgracht. De eigenaar daarvan kwam altijd boos zijn winkel uitgerend dat we moesten ophoepelen. We hebben het zo’n 70 keer volgehouden tot november 2005.

Hoe waren de reacties?

Heel verschillend, vooral oudere mensen deden alsof ze je niet zagen en zeiden dan half in het voorbijgaan “antisemieten”. Anderen zeiden: “Bent u wel eens in Israël geweest?”of “Waar twee kijven hebben twee schuld”en “Palestijnen zijn ook geen lieverdjes”.

Het is opvallend hoe snel de meningen veranderd zijn in de loop van de laatste jaren. Steeds vaker hoorde je “Wat goed dat jullie dit doen.” of “Ik koop al jaren geen Israëlische producten.” Enkele reacties van joodse kant wil ik speciaal noemen. Ik herinner mij dat iemand zei: “Als u niet ogenblikkelijk ophoudt dan word ik vreselijk boos op u. Mijn naam is Cohen.” “Nou en?” hadden we kunnen antwoorden, maar we zwegen. Een vrouw uit de Watergraafsmeer zei: “Hoe durven jullie? Mijn hele familie is in de oorlog uitgemoord.” Dan weetje niet watje moet zeggen. Achteraf weet je het wel. Ik had moeten zeggen: “Wat hebben de Palestijnen daar mee te maken?” Je wordt altijd gefrustreerd met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet afgelopen. Het is pas echt afgelopen als de Palestijnse kwestie in billijkheid geregeld wordt. Rechtvaardigheid kan al bijna niet meer geëist worden. Er zijn nu ook rechten aan de andere kant ontstaan.

De laatste tijd merk ik pas dat mensen het een goede actie vonden. Maar het was niet vol te houden elke twee weken. De organisatie was zwaar. Pamfletten moesten steeds vernieuwd worden en ik vroeg mij afofhet wel zoden aan de dijk zette. Maar na de Tweede Intifada moesten we gewoon iets doen. Nu is het op een veel breder vlak opgepakt. Vooral in Engeland zijn o.a. vakbonden en kerken bezig met boycotacties, desinvesteren en sancties. Het Komitee is daar ook druk mee bezig. De bedoeling is dat we via het publiek bewustwording creëren. We willen het koopgedrag van het publiek beïnvloeden en daarmee een signaal afgeven aan Israël dat die zijn politiek moet wijzigen en VN resolutie 242 (beëindiging van de bezetting van 1967), VN resolutie over de muur en de VN resolutie 194 over de Palestijnse vluchtelingen moet uitvoeren. De Palestijnse vluchtelingen hebben het recht op terugkeer naar hun huizen en akkers. Voor mij is het dan pas voorbij. Maar er moet nog heel veel water door de Jordaan vloeien voordat het zo ver is.

Tot het zover is blijft u strijdbaar?

(Hij slaakt een zucht) Ik doe mijn best.

Oekraïne – Palestina: woorden doen ertoe

Thuis, op straat en zeker ook in de betrekkingen tussen landen doen woorden ertoe. Als president Poetin het heeft over zijn speciale militaire operatie in Oekraïne is onze reactie in Nederland meestal een meewarige glimlach. We weten wel beter. Sinds februari vorig jaar is immers een grootschalige Russische aanval gaande op Oekraïne.

Hoezo speciale militaire operatie? Als dit geen oorlog is wat is dan een oorlog? Als dit geen agressie is wat dan wel? Het is een schokkende schending van het internationaal recht, van de soevereiniteit van een buurland en van het zelfbeschikkingsrecht van het Oekraïense volk.

Aleksander Dugin, die wel wordt beschouwd als Poetins’ “huisfilosoof”, zegt dat de Russische waarheid niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als de Europese waarheid. Absolute waarheid bestaat volgens hem niet en dat valt moeilijk te weerleggen. Maar de notie dat je, al naar het jou uitkomt, van mening kunt verschillen over de betekenis van universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en soevereiniteit is angstaanjagend.

Toch gebeurt het. De Russische staatspropaganda heeft het over de dekolonisering van Oekraïne, over een strijd tegen de Westerse neoliberale hegemonie en een noodzakelijke stap om een einde te maken aan de unipolaire wereld, waar alleen de Verenigde Staten en bondgenoten het voor het zeggen hebben. Zelfs het bestaan van een Oekraïens volk met een eigen taal en cultuur wordt ontkend. Russische journalisten die het militaire geweld in Oekraïne toch een oorlog durven noemen lopen ze het gevaar hun baan te verliezen of -erger nog- de gevangenis in te draaien. Het droeve officiële Russische refrein is dat in Oekraïne nazi’s aan de macht zijn en dat het land ‘bevrijd’ moet worden.

Sympathisanten van de Palestijnse zaak in Nederland hebben er het afgelopen jaar veelvuldig op gewezen hoe verschillend er wordt gereageerd op de Russische agressie in Oekraïne en de Israëlische bezetting van Palestina. Oekraïne wordt grootscheeps gesteund door de Verenigde Staten en de Europese Unie, waaronder Nederland. Zonder de westerse wapensteun zou het grootste deel van Oekraïne ongetwijfeld al door Rusland zijn bezet.

Er zijn talrijke sancties afgekondigd tegen Rusland. Waarom geen sancties tegen Israël dat al decennia zich geen zier aantrekt van VN-resoluties en onverdroten doorgaat bezet Palestijns gebied te koloniseren?

De president van Oekraïne, Volodomyr Zelinkski, toonde zich -tot verbijstering van veel Palestijnen- bij verschillende gelegenheden een vriend van Israël. “We zijn verschillende landen en de omstandigheden verschillen totaal,” zei de president in een toespraak tot de Knesset in maart. “Maar de dreiging is dezelfde, voor jullie en voor ons: de totale vernietiging van ons volk, onze staat en cultuur.”

De Palestijnse schrijver en politicoloog Asad Ghanem schreef naar aanleiding van deze toespraak een open brief aan Zelinski. “Uw recente toespraak voor Knesset was een schande wat betreft de globale strijd voor vrijheid en bevrijding. U draait de rollen om van bezetter en bezette. U mist een gelegenheid om de rechtvaardigheid van uw zaak te laten zien.”

Dat de Oekraïense zaak een rechtvaardige is daaraan twijfelt Ghanem geen moment. Net als de meeste Palestijnen heeft hij absoluut geen sympathie voor de Russische agressie. “Ik ben kwaad en bedroefd dat Rusland probeert uw land te bezetten en de rechten van het Oekraïense volk op zelfbeschikking en vrijheid te vertrappen,” schrijft hij in zijn brief aan Zelinski. “Ik geloof dat Oekraïne al onze steun nodig heeft om zich te verzetten tegen deze barbaarse agressie.”

Ook filosoof Slavoj Žižek noemt Zelinskis’s vergelijking van de Oekraïne en Israël ‘totaal misplaatst’. Hij vindt dat de situatie van Oekraïners veel meer lijkt op die van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Israël ziet de Palestijnen niet als een natie die recht hebben op een eigen staat, net zoals Rusland ontkent dat Oekraïne het recht heeft zich een aparte natie te noemen. Rusland is, net als Israël, een nucleaire grootmacht, die de facto een kleiner, zwakkere land probeert te koloniseren. De Sloveen Žižek wijst er verder op dat Rusland in de bezette delen van Oekraïne een apartheidsbeleid voert, net als Israël ten aanzien van de Palestijnen.

Het is ironisch dat Israël tot dusver een dubbelzinnige positie inneemt ten aanzien van Oekraïne. Zo weigert Israël luchtafweergeschut en ander technologisch hoogontwikkeld wapentuig aan Oekraïne te leveren en doet het niet mee aan de sancties tegen Rusland. Zelfs nu Oekraïne praktisch dagelijks het slachtoffer is van aanvallen met in Iran vervaardigde drones, lijkt Israël zich op de vlakte te houden.

Israël wil Moskou niet tegen zich in het harnas jagen omdat het met de Russen samenwerkt in het Midden-Oosten. Israëlische en Russische gevechtsvliegtuigen zijn actief in hetzelfde Syrische luchtruim en coördineren hun operaties dagelijks. Israëls vroegere en toekomstige premier Benjamin Netanyahu gaat er prat op een goede persoonlijke band te hebben met Poetin. “Het is geen liefdesrelatie,” zegt hij er zelf over, het is een relatie in het belang van de ‘veiligheid van Israël’. Het valt niet te verwachten dat Netanyahu in de complexe driehoeksverhouding met Rusland en Oekraïne in de toekomst de balans zal laten doorslaan ten gunste van Oekraïne.

Žižek verdenkt de Oekraïense leiders ervan een ideologisch belang te hebben hun strijd voor te stellen als de verdediging van Europa en Europese waarden tegen een ‘barbaars en totalitair oosten’. Het is dezelfde ideologie die, bewust of onbewust, veel Nederlanders doet sympathiseren met de Oekraïense vrijheidsstrijd, terwijl ze onverschillig blijven voor het lot van de Palestijnen.

Woorden doen ertoe. Principes doen ertoe. Een ‘Europese waarheid’ bestaat niet, net zomin als een Russische of Israëlische waarheid. Universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en zelfbeschikking zijn nu eenmaal ondeelbaar.

Voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, 17 december 2022

Dun maar essentieel draadje van solidariteit

Dit is alweer de vijftigste aflevering van onze Jabalya Nieuwsbrief. Er zijn van die mijlpalen waarvan je niet weet wat je er mee moet. Echte vreugde voel ik eerlijk gezegd niet. Wel verdriet, omdat de geschiedenis van Gaza er een is van geweld, onderdrukking en onrecht. We moeten dat verhaal -en welke impact dat heeft op de jongeren in Gaza- blijven vertellen. Maar het is niet altijd gemakkelijk weer een hoofdstuk toe te voegen aan een op het oog never ending story, waarbij een goede afloop niet in zicht komt. 

Toch ben ik eigenlijk wel trots. Niet alleen op die vijftig Nieuwsbrieven maar ook op de andere activiteiten van Groningen-Jabalya. Jaar in jaar uit zijn we aandacht blijven besteden aan onze vrienden in Jabalya. De bevolking in Gaza bestaat voor een groot gedeelte uit nakomelingen van vluchtelingen die hun geboorteland Palestina in 1948 moesten verlaten. De dorpen en steden waar ze vandaan kwamen bestaan niet meer of zijn inmiddels onherkenbaar veranderd. De stichting van de staat Israël ging met veel geweld gepaard: geweld dat voor de inwoners van Gaza nooit is opgehouden. 

In onze vijftig Nieuwsbrieven en bij onze andere activiteiten zijn wij er altijd aan blijven herinneren dat het verhaal van Gaza eigenlijk het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen is. De Gazanen organiseerden in 2018-’19 de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ om de wereld eraan te herinneren dat het probleem van de Palestijnse vluchtelingen sinds 1948 onopgelost blijft. Het ‘recht op terugkeer’ is niet alleen verankerd in het internationaal recht maar, in het geval van de Palestijnse vluchtelingen, ook nog eens bekrachtigd door VN-resolutie 194. 

 Tienduizenden Palestijnen trokken naar het grenshek met Israël om te demonstreren voor het recht op terugkeer en opheffing van de blokkade van Gaza, die sinds 2006 van kracht is. De overgrote meerderheid demonstreerde vreedzaam hoewel er ook enkele tientallen jongeren waren die met stenen of Molotovcocktails gooiden. De jongeren zien de Israëlische militairen niet alleen als bezetters van hun land maar ook als gevangenisbewakers. Het van de buitenwereld afgesloten Gaza is immers één grote open lucht gevangenis.

De zwaarbewapende Israëlische soldaten liepen nauwelijks fysiek gevaar door de massa van vreedzame demonstranten of de rellende jongeren. Maar het antwoord was excessief gewelddadig. Er werd gericht geschoten en er vielen, volgens VN-statistieken, 214 doden waarvan 46 kinderen. Meer dan 36.100 mensen raakten gewond, waarvan 8.800 kinderen. Bij meer dan 150 demonstranten, die getroffen werden door Israëlische kogels moest een been worden geamputeerd. 

De reactie van Israël op de demonstraties was niet zomaar over de top.  Alles wat met het vluchtelingenvraagstuk te maken heeft ligt super gevoelig in Israël. Ook toen Israëli’s en Palestijnen nog rechtstreeks praatten (wat ze sinds 2014 niet meer doen) was de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks of niet bespreekbaar.

Erkenning van het vluchtelingenprobleem raakt de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict. In 1992 verzuchtte de vroegere premier Yitzhak Rabin dat hij graag op een ochtend wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza verzwolgen was door de zee. Veel Israëli’s worden niet graag herinnerd aan de ellendige situatie in Gaza, dat eigenlijk, als het eropaan komt, één groot vluchtelingenkamp is. Maar bij elke oorlog waarbij Israël probeert Hamas uit te schakelen, en we hebben er sinds 2008 vier gehad, komt Gaza terug op de voorpagina’s. 

Groningen heeft een informele maar unieke band met Jabalya in het noorden van Gaza. Het gaat vooral om menselijke kontakten, om mee leven met een bevolking in een uiterst moeilijke situatie en om de mensen hier te informeren over de penibele situatie en het onrecht daar. Als we een beetje kunnen helpen, doen we het. Bijvoorbeeld via de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) maar er zijn ook een aantal andere projecten. Voor de details lees deze Nieuwsbrief of bekijk de website

Waarom we al deze jaren solidair zijn gebleven met Jabalya en de Groningers zijn blijven informeren en soms ook mobiliseren? ‘Hebben jullie niets beters te doen?’, wordt ons soms gevraagd?

Nee, eigenlijk niet.

We geloven in de kracht van kontakten tussen mensen, zelfs al wonen ze duizenden kilometers uit elkaar. De veerkracht van veel mensen in Gaza inspireert ons.

Neem het verhaal van Zainab al Qolaq, een jonge vrouw die onlangs in het nieuws kwam doordat haar kunst internationaal de aandacht trok. Haar schilderijen werden ten toon gesteld in het kantoor van Euro-Med Human Rights Monitor in Gaza. 

Zainab verloor 22 van haar familieleden toen Israël in mei 2021 een bombardement uitvoerde op Wehde Straat in het centrum van Gaza Stad. Onder hen waren haar moeder, haar enige zus en twee broers. Zelf lag ze uren onder het puin totdat ze uitgegraven werd door reddingswerkers.

Op sommige van haar schilderijen zijn alleen de kleren van dode familieleden te zien, niet hun lichamen. Het zijn indringende beelden van dood en oorlog, maar voor Zainab was het nodig dit werk te maken om met haar verlies en verdriet te leren leven en haar trauma’s te verwerken.

Als je naar Zainabs beelden kijkt, als je de verhalen hoort van de mensen in Jabalya en elders in Gaza, is het onmogelijk om niets te doen, om je schouders op te halen.

Vandaar dat we doorgaan met Groningen-Jabalya: een dun maar essentieel draadje van solidariteit.  

Schilderij van Zainab al Qolaq

Winter in Gaza: wateroverlast, kou, kapotte infrastructuur

Er stond midden januari zo’n vijftig, zestig centimeter water in veel straten en stegen van Gaza. De harde regen viel in januari dagen achtereen, het dagelijkse leven werd totaal ontwricht. Kinderen waadden tot hun knieen door het water om naar school te gaan. Sommige mensen timmerden een vlot om zich voort te kunnen bewegen. 

In de winter zijn de nachten koud in Gaza. Veel huizen die tijdens de Israelische beschietingen en bombardementen van mei werden beschadigd zijn nog niet hersteld. Door de scheuren en kieren in de muren is het onmogelijk het binnen warm te krijgen. Inwoners van Gaza slapen onder een extra paar dekens., kinderen kruipen dicht tegen elkaar aan. Maar als het regent wordt de hele boel kleddernat, vooral in vluchtelingenkampen waar veel woningen zwaar beschadigde zijn. 

Het lijkt of de overstromingen in Gaza elk jaar erger worden. De schijn bedriegt niet want de gemeentes hebben meestal geen geld om de wegen te repareren. En zelfs daar waar wel reparaties plaatsvonden is het voor de lokale autoriteiten geen doen om, na de nieuwe vernielingen van mei, opnieuw alles voor de winter in orde te hebben. Na vier rondes van geweld is Gaza zwaargehavend. Volgens cijfers van de Verenigde Naties werden in mei 56.000 woningen beschadigd en 2.100 werden compleet verwoest.

Volgens de Palestijnse autoriteiten en de Wereldbank hebben de bewoners van Gaza 479-miljoen dollar nodig voor het herstel van hun woningen en voor reparatie van de infrastructuur. Van dit bedrag is slechts 100-miljoen dollar inmiddels uitgekeerd. Het gaat hierbij vooral om geld uit Qatar en hulp uit Egypte. 

Wateroverlast in Jabalya vluchtelingenkamp

Israelische luchtbombardementen en beschietingen doodden in mei 250 Palestijnen, waaronder 66 kinderen. In Israel vielen, als gevolg van de raketbeschietingen door Hamas, 13 doden waaronder 2 kinderen. 

De winterellende in Gaza komt op een moment dat de gezondheidszorg in Gaza, die onder de “normale” omstandigheden van oorlog en beleg al onder enorme druk staat, het nog moeilijker heeft gekregen door corona. Volgens het Palestijnse Ministerie van Gezondheid zijn sinds het begin van de pandemie tot eind januari 1.725 mensen in Gaza gestorven aan de gevolgen van corona. Ongeveer een derde van de volwassen bevolking is volledig gevaccineerd, tegen 60% op de bezette Westoever. 

Help ons helpen!

De Stichting Groningen-Jabalya steunt de gezondheidszorg in Gaza via de Palestine Medical Relief Society (PMRS). Draag bij aan de medische zorg in Jabalya (Gaza) en doneer op NL92INGB0006687678 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya onder vermelding van ‘noodhulp PMRS’. 

Gaza: een apart geval van misdaden tegen de menselijkheid

Een Groninger hoef je niet uit te leggen waar Wadapartja voor staat. Nee, het is geen Javaans restaurant of winkel met Nepalese nepantiek. Wadapartja is de Groningse benaming voor een uitzonderlijke –aparte– eet- en drinkgelegenheid, waar ook aparte spulletjes kunnen worden gekocht. 

In het Groninger dialect heeft apart zijn oorspronkelijke betekenis behouden van origineel, uitzonderlijk. In het aan het Nederlands verwante Afrikaans hebben apart en apartheid een meer sinistere betekenis gekregen. Apartheid in Zuid-Afrika groeide uit tot een perverse vorm van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding. Aan die segregatie tussen zwarten, kleurlingen en blanken lag het waanidee ten grondslag dat de laatsten superieur waren. Het zogenaamde baasskap, ook al zo’n Afrikaans woord wat we in Nederland maar al te goed begrijpen. 

Gelukkig werd in 1994 het apartheidssysteem in Zuid-Afrika, na jaren van binnenlandse strijd, mondiale protesten en diplomatieke druk, formeel opgeheven. In 1973 werd het Internationaal Verdrag voor de Bestrijding en Bestraffing van de Misdaad van Apartheid gesloten, de zogenaamde Apartheidsconventie. Dit verdrag, dat in 1976 van kracht werd, maakte apartheid volgens het internationaal recht een misdaad. In 1998 werd in het Statuut van Rome, dat ten grondslag ligt aan de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC), eveneens bepaald dat apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid.

In november publiceerde de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, die gevestigd is in Gaza, een document onder de titel The Gaza Bantustan—Israeli Apartheid in the Gaza Strip’. In het rapport, gebaseerd op het werk van Palestijnse, Israëlische en internationale mensenrechtenexperts, wordt duidelijk in hoeverre Gaza op zo’n Zuid-Afrikaans Bantustan lijkt. 

Het gaat om een door het Israëlische leger nu al veertien jaar geïsoleerd gebied, hermetisch afgesloten van Israël en de rest van de bezette Palestijnse gebieden. De tweemiljoen inwoners van Gaza worden blootgesteld aan herhaaldelijk excessief geweld. Duizenden burgers werden gedood, hun huizen verwoest en kinderen, patiënten en vissers werden arbitrair gearresteerd en gevangengezet.  

Al Mezan concludeert dat het Israëlisch beleid ten aanzien van Gaza neerkomt op de “onmenselijke daden”, zoals die gedefinieerd zijn in de Apartheidsconventie. Het gaat om moord, het toebrengen van psychisch en lichamelijk letsel, illegale arrestaties, strafmaatregelen en het ontnemen van het recht om vrijelijk het gebied te verlaten en ernaar terug te keren. 

Deze onmenselijke politiek van de Staat Israël is er, volgens Al Mezan, op gericht de overheersing van één etnische groep, Israëlische joden, ten opzichte van een andere etnische groep, de Palestijnen, te vestigen en te bestendigen. Een soort Israëlische baasskap dus, onder het voorwendsel van veiligheid maar in feite vanuit een misplaatst idee van superioriteit. 

In het rapport wordt eraan herinnerd dat de staat Israël de levens van ongeveer zeven miljoen joodse Israëli’s controleert en van zeven miljoen Palestijnen, in Israël zelf en in de bezette Palestijnse gebieden. De staat Israël maakt gebruik van allerlei wetten en maatregelen die erop gericht zijn de Palestijnse bevolking te onderdrukken en territoriaal te verdelen en te scheiden, om het ‘joodse karakter’ en superioriteit van Israël te waarborgen. 

Al Mezan roept de internationale gemeenschap op zijn verplichtingen na te komen en een einde te maken aan Israëls onrechtvaardige apartheidsregime, zoals ook gebeurde met de apartheid in Zuid-Afrika. Herinnerd wordt aan een uitspraak van Nelson Mandela in 1997: “De Verenigde Naties hebben een duidelijk standpunt ingenomen tegen apartheid. Er ontstond een internationale consensus die hielp om een einde te maken aan het onrecht. Maar we weten heel goed dat onze vrijheid onvolledig is zonder de vrijheid van de Palestijnen”. 

De muur rond Gaza. Foto: Israëlisch Ministerie van Defensie

Enkele dagen na publicatie van het rapport van Al Mezan leidden de Israëlische minister van defensie Benny Gantz en opperbevelhebber generaal Aviv Kochavi een plechtigheid om de gereedkoming te vieren van de ijzeren afscheidingsmuur. Kosten noch moeite waren gespaard om de muur, volgens de Israëli’s ‘enig in zijn soort in de wereld’, te bouwen en van Gaza definitief een Bantustan te maken. Of erger…

Drie en een half jaar was eraan gewerkt, 140.000 ton ijzer en staal was ervoor verwerkt en de monstermuur had haast een miljard euro gekost. Het bouwwerk is 65 kilometer lang, zes meter hoog en nog enkele meters ondergronds. Overal op de fortificatie werd elektronische apparatuur aangebracht. Antennes, sensoren, radars en camera’s moeten ervoor zorgen dat Gaza rigoureus en tot nader order afgescheiden is van Israël, Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de rest van de wereld.  

De rechtvaardiging voor de afscheidingsmuren is onveranderlijk dat ze voor Israëls veiligheid nodig zijn. Zo werd triomfantelijk aangekondigd dat Israël in de naaste toekomst ook langs de grens met Libanon een muur met technologische hoogstandjes wil bouwen. Maar de vraag is of op den duur muren en apartheid echt voor veiligheid zullen zorgen. 

Het is een cliché Gaza een openluchtgevangenis te noemen, maar dat is helaas in 2021 meer dan ooit een feit. De Gaza-muur doodt de hoop, maakt dat jongeren geen perspectieven zien en is, deep down, een symbool van arrogantie, ongelijkheid en onrecht.

Wadapartja dat vandaag de dag nog steeds muren worden gebouwd om mensen van elkaar te scheiden…

Geschreven voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, december 2021 (https://www.groningen-jabalya.com/?p=5675)

Algerije en Marokko op oorlogspad?

De afgelopen maanden vond in Noord-Afrika een crescendo plaats van beschuldigingen, stappen en maatregelen die er geen twijfel over laten bestaan: Marokko en Algerije liggen op ramkoers. Grote vraag is of de koude oorlog in de Maghreb uitloopt op een gewapend conflict tussen. Beide buurlanden zijn tot de tanden bewapend en zijn, na Egypte, koplopers in Afrika wat betreft de miljarden die ze spenderen aan militaire aankopen. 

In augustus verbrak Algerije zijn diplomatieke betrekkingen met Marokko. Een maand later werd het Algerijnse luchtruim gesloten voor alle Marokkaanse luchtvaart en op 1 november werd de Europa-Maghreb gaspijp afgesloten, die het Algerijnse gas via Marokkaans grondgebied naar Spanje transporteert. 

De stappen werden genomen nadat de Marokkaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties in juli openlijk zijn steun had uitgesproken voor “het recht op zelfbeschikking voor het heldhaftige volk van Kabylië”. Eerder al hadden de Algerijnse autoriteiten Marokko ervan beschuldigd “tweedracht te zaaien onder de Algerijnse bevolking” door de MAK te steunen, de Mouvement pour l’autodétermination de la Kabylië.

Ook ontstond in Algiers grote irritatie nadat in juli een internationaal consortium van onderzoeksjournalisten in de Pegasus Papers onthulde dat de Marokkaanse inlichtingendienst, met behulp van de Israëlische NSO-software, duizenden Algerijnse politici, activisten, journalisten, diplomaten en legerofficieren had afgeluisterd. 

De grootste steen des aanstoots tussen Marokko en Algerije is echter de kwestie van de Westelijke Sahara, een immens woestijngebied ter grootte van het Verenigd Koninkrijk. Marokko controleert, sinds het eind van de jaren zeventig, zo’n 85% van het grondgebied van deze vroegere Spaanse kolonie. De Saharawi bevrijdingsbeweging, het Front Polisario, controleert het resterende gedeelte ten oosten van de Berm, de 2,700 kilometer lange ‘verdedigingsmuur’ die Marokko heeft opgeworpen om de Saharaanse onafhankelijkheidsstrijders buiten de deur te houden. 

Sinds 1991, toen Marokko en het Polisario akkoord gingen met een plan van de Verenigde Naties om een referendum te houden en een staakt-het-vuren van kracht werd, was het conflict min of meer slapende. Maar dat veranderde eind 2020 toen het staakt-het-vuren, dat dus haast dertig jaar had standgehouden, werd verbroken. Het in het VN-plan in het vooruitzicht gestelde referendum waarbij de Saharawi hun recht op zelfbeschikking konden uitoefenen was nooit gehouden en Marokko vestigde in zijn “zuidelijke provincies” steeds meer facts on the ground.

De genadeslag voor een diplomatieke oplossing van het conflict werd in december 2020 toegebracht door de Amerikaanse president Donald Trump. In een tweet kondigde hij aan dat de Verenigde Staten de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara erkende. Als tegenprestatie normaliseerde Marokko zijn diplomatieke betrekkingen met Israël. Trump sleepte ook een enorme wapendeal uit de overeenkomst ter waarde van een miljard dollar. De VS gingen drones en ander hoogwaardig militair materieel aan Marokko leveren. 

De Trump-deal betekende een grote diplomatieke overwinning voor Marokko. Geen enkel land van betekenis had tot dusver de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara erkend. Volgens het internationaal recht moest het gebied immers nog gedekoloniseerd worden en moest de lokale Saharawi bevolking een kans krijgen zelf te beschikken over zijn toekomst. 

Dat bleef, tot grote woede van Rabat, ook de mening van Europese landen en veroorzaakte in 2021 een reeks conflicten met Spanje, Duitsland en de EU. De opstelling van Marokko’s Europese bondgenoten, die naar de kwestie van de Westelijke Sahara bleven kijken door het prisma van het internationaal recht en zich niet aansloten bij de erkenning van de “Marokkaanse Sahara” door Trump, werd in Rabat gezien als een verstiering van het feestje. “Het was als een bruiloft waarbij geen van de vrienden en kennissen kwam opdagen”, zoals een medewerker van de International Crisis Group zei. 

In de Verenigde Staten werd de stap van Trump weliswaar bekritiseerd door zowel een flink aantal Democraten als Republikeinen, maar de erkenning werd niet teruggedraaid. De regering-Biden woog kennelijk de nauwe betrekkingen tussen Marokko en Israël zwaarder dan de letter van het internationaal recht en dan het zelfbeschikkingsrecht van de Saharawi. De Biden-regering wilde haar relaties met zowel Israël als Marokko niet in gevaar te brengen. 

Daar komt bij dat een intrekking van de erkenning van de Sahara als Marokkaans de deur zou kunnen openen naar de annulering van andere dubieuze Trump-beslissingen, zoals zijn erkenning dat de Golan en Oost-Jeruzalem Israëlisch zijn. Ook die Amerikaanse erkenningen druisten in tegen het internationaal recht. 

De door de regering-Trump gesmede formele band tussen Marokko en Israël had een aantal verstrekkende gevolgen, niet in de laatste plaats voor de betrekkingen tussen Marokko en Algerije.

Ten eerste versterkte het de internationale diplomatieke positie van Marokko dat nu kon steunen op de invloedrijke pro-Israël lobby, vooral in de Verenigde Staten. De assertieve, haast agressieve houding ten opzichte van Europa lijkt alles te maken te hebben met het door de Israellobby geschraagde Marokkaanse zelfbewustzijn. 

Ten tweede, en nog belangrijker, lanceerde de Trump-deal Israël als zwaargewicht-speler op het Noord-Afrikaanse schaakbord, zowel in politiek als militair opzicht. Ook de steeds hechtere samenwerking tussen de Israëlische en Marokkaanse inlichtingendiensten wordt door Algerije als bedreigend gezien. De Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Yair Lapid gooide bij zijn eerste officiële bezoek aan Marokko dit jaar, olie op het vuur door felle kritiek te leveren op Algerije. Volgens Lapid schurkt Algerije gevaarlijk dicht aan tegen Israëls aartsvijand Iran. Voor de Algerijnen was de maat vol: het was ongehoord dat een Israëlische minister hen bekritiseerde vanuit nota bene het Arabische buurland Marokko. 

De Israëlische factor heeft het wantrouwen tussen Algerije en Marokko doen toenemen en het wankele evenwicht in de Algerijns-Marokkaanse betrekkingen van de afgelopen decennia verstoord. Die relaties zijn vanaf de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 problematisch geweest.  De buurlanden vochten in 1963 een korte grensoorlog uit. Marokkaanse troepen vielen tijdens “zandoorlog” Algerije binnen en probeerden delen van Algerije’s westelijke provincies Bechar en Tindouf te veroveren. 

Uiteindelijk bleek de poging een deel van het historische groot Marokko met geweld in te nemen een politieke en militaire blunder van jewelste. Arabische landen en Cuba kwamen Algerije te hulp en de Algerijnse bevolking veroordeelde de Marokkaanse agressie. Ook bij Marokko’s traditionele bondgenoten Frankrijk en de Verenigde Staten bestond weinig begrip voor het expansionistische avontuur van de -toen jonge- koning Hassan II.  

Aan dit militaire avontuur van Marokko lag uiteindelijk hetzelfde irredentistisch waanidee ten grondslag van Groot Marokko, dat in de jaren zeventig zou leiden tot het conflict over de Spaanse Sahara. Nationalistische leiders zoals Allal al-Fassi waren niet tevreden met het territorium van het koninkrijk Marokko zoals dat in 1956 ontstond na de onafhankelijkheid van Frankrijk. Delen van ‘Groot Marokko’, waartoe Fassi ook de Sahara, delen van Algerije, Mauritanië en Mali rekende, waren immers nog bezet door de koloniale mogendheden. 

Dat de Westelijke Sahara ooit deel uitmaakte van het sultanaat Marokko is volgens onafhankelijke historici, een mythe. In 1975 stelde het Internationale Hof van Justitie vast dat een aantal stammen in het gebied weliswaar historische banden hadden met Marokko, maar dat er geen banden van territoriale soevereiniteit waren tussen de Westelijke Sahara en Marokko. 

Toen in 1960 Mauritanië onafhankelijkheid verwierf werd dat pas negen jaar later erkend door Marokko. Sindsdien zijn er de nodige ups en downs in de betrekkingen tussen Marokko en Mauritanië, niet in het minst omdat Nouakchott de Saharaanse Republiek van het Front Polisario erkent.  

Wat betreft Marokko en Algerije kan haast zestig jaar na de ‘zandoorlog’ worden vastgesteld dat het nooit echt goedgekomen is. Hoewel er periodes waren van relatieve ontspanning en er zelfs een vriendschapsverdrag in 1969 werd gesloten, bleef het wederzijdse wantrouwen bestaan en bleven de burenruzies oplaaien. Sinds 1994 is de Algerijns-Marokkaanse grens gesloten en de door de overheid gecontroleerde media van beide landen worden niet moe het regime aan de andere kant van de grens te beschimpen. 

De spanning in de Noord-Afrikaanse regio heeft inmiddels geleid tot een steeds intensere wapenwedloop. Behalve van de Verenigde Staten, Israël en Frankrijk heeft Marokko ook in Turkije grote militaire bestellingen geplaatst, onder andere van drones. Algerije is een grootafnemer van Russisch, Chinees en Duits wapentuig. De verwachting bestaat dat het strategische verstandshuwelijk tussen Marokko en Israël voor Algerije aanleiding zal zijn de militaire samenwerking met de Russische Federatie verder op te voeren. 

Als het echt tot een oorlog komt zou dat catastrofaal zijn voor de bevolking van beide landen. Oorlogen verwoestten in het afgelopen decennium de economieën van Libië, Syrië, Irak en Jemen. Marokko en Algerije zouden dan aan die infame lijst van Arabische landen kunnen worden toegevoegd. 

Oorlog zou ook perspectieven van de jongeren in de Maghreb verder onder druk zetten en leiden tot nog meer emigratie en braindrain. Nu al is de geopolitieke spanning een voorwendsel om burgerlijke vrijheden, waaronder persvrijheid, in te perken. Zo is het in de Marokkaanse media een taboe om kritisch te berichten over de Sahara-kwestie of over het koningshuis. In Algerije staat de Hirak-beweging, die het Algerijnse politieke systeem wil democratiseren, zwaar onder druk. 

Een oorlog in Noord-Afrika zou vooral verliezers opleveren. 

VredesMagazine december 2021, jaargang 14, nr. 5

https://www.vredesmagazine.nl/index.php

Palingtrekken, coronachaos en ‘betrouwbare bronnen’ 

Op 25 en 26 juli 1886 liep het helemaal uit de hand aan de Lindegracht in Amsterdam. De politie probeerde een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waarbij mannen in wankele bootjes op de gracht, moesten proberen een levende paling van een touw te trekken. Een weliswaar dieronvriendelijk en daarom verboden maar hilarisch en populair schouwspel, vooral bij de arme Amsterdamse stadsbevolking.

Het socialistische blad Recht voor Allen vroeg zich een paar weken later af of het levend koken van garnalen of paardenrennen soms minder dieronvriendelijk was. Bij wedrennen, heel populair bij de elite, werden paarden immers beestachtig afgebeuld. En werden palingen niet levend gestroopt en stuk gesneden “om de tong der rijken te strelen”? Het verbod van palingtrekken was dus al met al behoorlijk hypocriet. 

Het palingoproer leidde in eerste instantie tot geweld tussen “opgeschoten knapen” en politieagenten die werden bekogeld met stenen en vuurwerk. Op een gegeven moment moesten de dienders zich zelfs uit de voeten maken, op de vlucht voor de dreiging van de oproerkraaiers. Hoe bekend komt dit alles ons voor… Op de tweede dag van de onlusten werd het leger ingezet dat met scherp schoot. Er waren 25 doden te betreuren.

De essentie van het palingoproer in de Jordaan werd goed samengevat door de Belgische krant Réforme. De ontevredenheid van de Amsterdamse bevolking had verschillende oorzaken. “Men heeft het de kermis ontnomen; met heeft een zeer strengen wet op de sterken drank en om haar toe te passen een stelsel van geheime verklikkers in de kroegen.”

Al die maatregelen troffen dus “het gewone volk” en vonden plaats in een context van bittere armoede en repressie, waarin arbeiders in het algemeen en socialisten en anarchisten in het bijzonder het moesten ontgelden.

Die kregen trouwens ook direct de schuld van het Palingoproer in de schoenen geschoven door de grote kranten in die tijd. Een vroeg staaltje van fake news dat sindsdien door historici onderuit is gehaald. Ondanks de tendentieuze berichtgeving verbood de burgemeester van Amsterdam op 2 augustus 1886 “den verkoop van nieuwsbladen op de openbare straat omdat zij het volk ophitsen gedurende de laatste oproeren”. De combinatie van volkswoede en media is een giftige, zoals ook bleek na de rellen in Rotterdam en elders in Nederlandse steden in november 2021. 

Er zijn uiteraard veel verschillen met de situatie van 135 jaar geleden, maar toch moest ik denken aan het Palingoproer toen ik de beelden zag van een politieauto in vlammen en etalageruiten die sneuvelden aan de Coolsingel. Was de volkswoede politiek protest? Ja en nee. Het had in ieder geval te maken met boosheid over het coronabeleid, over een overheid die het onmogelijk maakte een avondje als vanouds te stappen. En nu pakten ze het volk met een vuurwerkverbod ook nog z’n laatste lolletje af. 

De vlam sloeg in de pan. Het oproerige Nederland was zelfs een paar dagen wereldnieuws. Covid riots: Fireworks and chaos on the streets in the Netherlands, kopte bijvoorbeeld de BBC. Net als ten tijde van het Palingoproer was de berichtgeving en duiding in de buitenlandse media vaak iets afstandelijker en objectiever dan in de binnenlandse waar, vooral aan de talkshowtafels, moralisten en zedepredikers wel erg sterk vertegenwoordigd waren. 

Ja, de rellen waren erg, maar wat was er precies gebeurd? Op internet was een filmpje te zien waarbij een bloedende man op de Coolsingel lag. “Iemand gaat hier dóód”, klinkt het commentaar. En in de camera zegt de activistische burgerjournalist: “De eerste dode is gevallen door politiekogels, bij het handhaven van dit waanzinnige beleid.”

Volgens het online platform Onrecht TV, dat kritisch is over de mainstream media had de Rotterdams politie een shoot to kill opdracht. Volgens “betrouwbare bronnen” van Onrecht TV waren er drie doden gevallen in Rotterdam. 

De politie en het Openbaar Ministerie ontkenden in alle toonaarden. Er waren echt geen doden gevallen bij het oproer in Rotterdam. Er was weliswaar gericht geschoten en er waren een aantal gewonden, ook onder de politie, maar géén doden. Ook de gehate mainstream media in binnen- en buitenland meldden geen doden. 

Hoofdredacteur Paul van den Bosch van het Algemeen Dagblad schreef onlangs over de “gecompliceerde band” tussen politie en journalisten. “Het korps moet orde en veiligheid handhaven en mag daarvoor geweldsmiddelen inzetten. Tegelijk moeten agenten zich aan regels houden. De politie moet en mag gecontroleerd worden door de media.” Daarnaast zijn journalisten ook weer afhankelijk van politiewoordvoering om te berichten over misdaad, ongelukken en rellen. 

In het Nieuws van den Dag van juli 1886, de mainstream media van de 19e eeuw, wordt uitvoerig en op het oog heel precies verslag gedaan van de tragische gebeurtenissen in Amsterdam. Alle namen en leeftijden van de dodelijke slachtoffers worden bijvoorbeeld genoemd, zelfs met hun adres erbij, en hun begrafenissen worden uitgebreid beschreven. Ook in Recht voor Allen, dat beslist niet tot de mainstream gerekend kon worden, vinden we heel feitelijke verslagen van de gebeurtenissen.

Of journalistiek wordt bedreven door mainstream of alternatieve media is uiteindelijk van ondergeschikt belang, waar het om gaat is dat het vak professioneel wordt uitgeoefend. En dat betekent het hebben van een diep ontzag voor de feiten, doen aan bronvermelding, het raadplegen van liefst meerdere bronnen en hoor en wederhoor plegen. Het betekent ook onafhankelijk en (zelf-)kritisch je vak uitoefenen. Er is niet zoiets als mainstream journalistiek naast alternatieve journalistiek, er is alleen goeie journalistiek. 

Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam: “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing.”

Dat media daarnaast een breed scala van opinies kunnen vertegenwoordigen en dat hun interpretatie en analyse van de feiten en gebeurtenissen vaak diametraal verschillend zijn, is een kwestie van gezonde pluriformiteit. Maar het tast de essentie en geloofwaardigheid van het journalistieke vak niet aan. 

Wat dat betreft is het plan van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb om mensen die rellen live verslaan via sociale media aan te pakken met een noodverordening of spoedwet, geen goed idee. “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing”, aldus de burgemeester. De irritatie van Aboutaleb over bepaalde sociale media en het nepnieuws dat ze brengen, is begrijpelijk. Maar is het aan de autoriteiten om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele journalisten? Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn, die de persvrijheid in gevaar zou brengen. Nu al trekt de politie, in het heetst van een zware rel, zich vaak weinig aan of een verslaggever of fotograaf een politieperskaart heeft. Daar komt bij dat zo’n noodverordening geen eind zal maken aan het ‘volksgericht per sociale media’ of onsmakelijke opruiing achter de laptop op zolderkamertjes. Dat zijn trouwens activiteiten die niets maar dan ook niets te maken hebben met journalistiek.

Dit stuk werd geschreven voor het Media Trainingscentrum Noord-Nederland: https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen/

(27 november 2021) en op Joop.nl: https://joop.bnnvara.nl/opinies/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen

Study: EU financier and accomplice to the illegal occupation of the Western Sahara

Morocco’s illegal exploitation of Western Sahara’s natural resources is being facilitated through contracts with EU-subsidised companies, according to a new study from The Left in the European Parliament.The study – ‘European companies and violation of International Law in Western Sahara’ – finds that the EU allocates millions of euros in subsidies and aid to Morocco, and to a multitude of European companies (mostly from Spain, France, and Germany) that invest in Western Sahara. This makes the EU a financier and accomplice to an illegal occupation, in contravention of the founding principles of the Union and international law.

The study – ‘European companies and violation of International Law in Western Sahara’ – finds that the EU allocates millions of euros in subsidies and aid to Morocco, and to a multitude of European companies (mostly from Spain, France, and Germany) that invest in Western Sahara. This makes the EU a financier and accomplice to an illegal occupation, in contravention of the founding principles of the Union and international law.

Systematic human rights abuses, police brutality, violations of fundamental rights, the Sahrawi people of Africa’s last colony, Western Sahara, have endured decades of repression at the hands of Moroccan occupying forces. Since 1975 Morocco has attempted to control a territory about the size of the UK using military force to suppress free speech and pro-independence protests. Europe has largely stood by watching a tragedy unfold on its doorstep.

Beyond that there is also the illegal border crossing at Guerguerat which is commonly used by European companies, and may constitute a violation of international law and international humanitarian law. This border crossing point is located on the border with Mauritania. It was opened by Morocco in 2001, even though the United Nations does not recognise any Moroccan sovereignty nor administrative jurisdiction on the territory. The border crossing contravenes the Military Agreement signed by MINURSO in 1997 and 1998 with the Polisario Front and Morocco respectively, as a complement to the peace and cease-fire agreement adopted by the UN Security Council Security Council in 1991.

MEP Miguel Urban will be presenting the report’s findings to the Saharawi Parliament on Sunday.

Speaking ahead of the presentation, Urban said: “The EU and these companies are in  flagrant violation of International Law and ‘crimes of colonisation’. The companies involved did not obtain the consent of either the people of Western Sahara or its sole representative, defined by the UN as the Polisario Front.”

“Meanwhile, the EU continues to ignore the constant violations of human rights and International Law that the Moroccan regime carries out on a daily basis.”

“The fate of the people of the Western Sahara are at stake. A people who endure, who just want to live their lives, enjoy basic rights free from violence, to be citizens of their own country. When will Europe stop ignoring these calls for fundamental rights and dignity? When will we stop facilitating repressive regimes and show some respect for the right of the Sahrawi people to self-determination?” Urban concluded.

Key findings: 

MOROCCO’S ILLEGAL OCCUPATION

The research confirms the legal consequences of the qualification of Western Sahara as a ‘Non-Self-Governing Territory pending decolonization’: the inalienable right to self-determination. It highlights Morocco’s status as an ‘Occupying Power’, which has control over a territory that it intends to annex illegally by the use of force, as declared by the doctrine of the United Nations and International Law.

EUROPEAN COMPLICITY IN WAR CRIMES

With reference to a 2019 report by the German Bundestag on Moroccan war crimes, the study sets out the case for the appropriation of the natural wealth of the occupied territory of Western Sahara, without the consent of the indigenous population and without the benefits going directly to them, to be treated as a war crime under Art. 47 of the IVth Geneva Convention.

EU FUNDING

The research details how the EU provision of millions of euros in subsidies to European companies that invest in Western Sahara violates international law.

Subscribe to my (free) North Africa Newsletter with news about Western Sahara, Morocco, Mauritania and Algeria; https://www.getrevue.co/profile/jan_keulen

Algeria and Morocco on collision course

In recent months, North Africa has seen a crescendo of accusations, moves and measures that leave no doubt: Morocco and Algeria are on a collision course. The big question is whether the cold war in the Maghreb will end in an armed conflict. Both neighboring countries have engaged in an arms race and are armed to the teeth.

In August, Algeria broke off diplomatic relations with Morocco. A month later, Algerian airspace was closed to all Moroccan aviation and on November 1, the Europa-Maghreb gas pipeline, which transports Algerian gas through Moroccan territory to Spain, was closed.

The steps were taken after the Moroccan ambassador to the United Nations publicly expressed his support for “the right of self-determination for the heroic people of Kabylie” in July. Earlier, the Algerian authorities had accused Morocco of “sowing discord among the Algerian population” by supporting the MAK, the Mouvement pour l’autodétermination de la Kabylie.

Algiers was not amused (to say the least) when in July an international consortium of investigative journalists revealed in the Pegasus Papers that the Moroccan intelligence service, using Israel’s NSO software, had bugged thousands of Algerian politicians, activists, journalists, diplomats and army officers.

Issue of the Western Sahara is biggest bone of contention between Morocco and Algeria

The biggest bone of contention between Morocco and Algeria, however, is the issue of Western Sahara, an immense desert area the size of the United Kingdom. Morocco has controlled about 85% of the territory of this former Spanish colony since the late 1970s. The Saharawi liberation movement, the Front Polisario, controls the remainder east of the Berm, the 2,700-kilometer-long “defensive wall” Morocco has erected to keep out the Saharawi independence fighters.

Since 1991, when Morocco and the Polisario Front agreed to a United Nations plan to hold a referendum and a ceasefire came into effect, the conflict has been more or less dormant. But that changed at the end of 2020 when the ceasefire, which had lasted for almost thirty years, was broken by the Moroccan army. 

The referendum envisaged in the UN plan whereby the Saharawi could exercise their right to self-determination was never held and Morocco established more and more facts on the ground in its “southern provinces”.

The final blow to a diplomatic solution to the conflict was inflicted in December 2020 by US President Donald Trump. In a tweet, he announced that the United States recognized Moroccan sovereignty over Western Sahara. In return, Morocco normalized its diplomatic relations with Israel and awarded a massive $1 billion arms deal to the US. The Americans were going to supply drones and other high-quality military equipment to Morocco.

The Trump deal marked a major diplomatic victory for Morocco. No significant country had so far recognized Moroccan sovereignty over Western Sahara. After all, according to international law, the area still had to be decolonized and the local Saharawi population had to be given a chance to determine its own future.

That, much to Rabat’s anger, also remained the view of European countries and sparked a series of conflicts with Spain, Germany and the EU in 2021. The stance of Morocco’s European allies, who continued to look at the issue of Western Sahara through the prism of international law and did not align themselves with Trump’s recognition of the “Moroccan Sahara”, was seen in Rabat as an insult. “It was like a wedding where none of the friends and acquaintances showed up,” said an observer.

While Trump’s move was criticized by quite a few Democrats and Republicans alike, his recognition of the “Moroccan” Sahara was not reversed after he left the presidency. The Biden administration did not want to jeopardize its relations with either Israel or Morocco.

These relations were apparently more important than the letter of international law and the Saharawi’s right to self-determination. 

In addition, a withdrawal of the recognition of the Sahara as Moroccan could open the door to the cancellation of other questionable Trump decisions, such as his recognition of the Israeli sovereignty over the occupied Golan and East Jerusalem. 

The formal ties between Morocco and Israel forged by the Trump administration had a number of far-reaching implications, not least for relations between Morocco

and Algeria.

First, it strengthened Morocco’s international diplomatic position, which could now rely on the influential pro-Israel lobby, especially in the United States. The assertive, almost aggressive attitude towards Europe seems to have everything to do with the Moroccan self-awareness supported by the Israel lobby.

Second, and more importantly, the Trump deal launched Israel as a heavyweight player on the North African chessboard, both politically and militarily. The ever-closer cooperation between the Israeli and Moroccan intelligence services is also seen as threatening by Algeria. Israeli Foreign Minister Yair Lapid added fuel to the fire on his first official visit to Morocco this year by strongly criticizing Algeria. According to Lapid, Algeria is dangerously close to Israel’s nemesis Iran. For the Algerians, enough was enough: it was unheard of for an Israeli minister to criticize them from their Arab neighbor Morocco.

The Israeli factor has heightened distrust between Algeria and Morocco and disturbed the precarious status-quo in Algerian-Moroccan relations of recent decades. Those relations have been problematic since Algerian independence in 1962. The neighboring countries fought a short border war in 1963. Moroccan troops invaded Algeria during the “sand war” and attempted to capture parts of Algeria’s western provinces of Bechar and Tindouf.

In the end, the attempt to take a part of “historic Morocco” by force turned out to be a huge political and military blunder. Arab countries and Cuba came to the aid of Algeria and the Algerian population condemned the Moroccan aggression. Morocco’s traditional allies France and the United States also had little understanding for the expansionist adventure of the then young King Hassan II.

This military adventure of Morocco was ultimately based on the same irredentist delusion of Greater Morocco, which would lead to the conflict over the Spanish Sahara in the 1970s. Nationalist leaders such as Allal al-Fassi were not satisfied with the territory of the Kingdom of Morocco as it emerged in 1956 after independence from France. Fassi included the Spanish Sahara, parts of Algeria, Mauritania and Mali in his Greater Morocco.

According to independent historians, it is a myth that the Western Sahara was once part of the sultanate of Morocco. In 1975, the International Court of Justice found that while a number of tribes in the area had historical ties to Morocco, there were no ties of territorial sovereignty between Western Sahara and Morocco.

Mauritania gained independence in 1960, but it was only recognized by Morocco nine years later. Since then, there have been ups and downs in Moroccan Mauritanian relations, not least because Nouakchott recognizes the Sahrawi Arab Democratic Republic, proclaimed by the Front Polisario.

Almost sixty years after the ‘sand war’, it can be concluded that things have never really worked out between Morocco and Algeria. Although there were periods of relative relaxation and even a friendship treaty was signed in 1969, mutual mistrust persisted, and neighbor disputes continued to flare up. The Algerian-Moroccan border has been closed since 1994 and the government-controlled media of both countries never tire of taunting the regime on the other side of the border.

The tension in the North African region has meanwhile led to an increasingly intense arms race. In addition to the United States, Israel and France, Morocco has also placed large military orders in Turkey, including drones. Algeria is a major buyer of Russian, Chinese and German weaponry. It is expected that the strategic marriage of convenience between Morocco and Israel will prompt Algeria to further increase military cooperation with the Russian Federation.

If it really comes to war, it will mostly produce losers. War would further strain the perspectives of young people in the Maghreb and lead to further emigration and brain drain. Already, the geopolitical tension is a pretext to curtail civil liberties, including freedom of expression and press freedom. For example, it is a taboo in the Moroccan media to report critically about the Sahara issue or about the royal family.  In Algeria, the Hirak movement, which aims to democratize the Algerian political system, is under heavy pressure.

An armed conflict would be catastrophic for the peoples of the region. Wars have ravaged the economies of Libya, Syria, Iraq and Yemen over the past decade. Morocco and Algeria could then be added to that infamous list of Arab countries.

https://www.getrevue.co/profile/jan_keulen?via=twitter-profile-webview

Gaza kan niet wachten

Het is als een film die telkens wordt herhaald en die we zo langzamerhand wel kunnen dromen. In 2008-’09, 2012, 2014 en mei 2021 kwam het tot grootscheepse Israëlische aanvallen op Gaza. De tol was hoog. Meer dan 4.000 mensen verloren hun leven, waarvan 260 in mei; een kwart miljoen woningen werd beschadigd, waarvan 4.000 dit jaar en de totale schade loopt in de miljarden euro’s.

Dat is niet niks.

Het is ook geen kleinigheid om zo’n tweemiljoen mensen in een gebied van 365 vierkante kilometer jarenlang te onderwerpen aan een land-, zee- en luchtblokkade. Ter vergelijking: de gemeente Emmen in Drenthe beslaat 346 vierkante kilometer en heeft 20 keer minder inwoners. En Emmen wordt uiteraard niet afgesloten van de rest van de wereld.  

De rigoureuze Israëlische politiek heeft niet geresulteerd in machtsverlies laat staan de vernietiging van Hamas, de islamitische beweging die Gaza sinds 2007 bestuurt. De leefomstandigheden zijn er inmiddels mensonwaardig, de humanitaire situatie onacceptabel, maar het lijkt onmogelijk de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. 

Tussen de grootscheepse militaire confrontaties door blijft het pijnlijk rommelen aan de grens met Gaza. Ondanks het wankele staakt-het-vuren waarmee de confrontaties in mei werden afgesloten, wordt er geregeld gedemonstreerd bij het grenshek en worden ‘brandbalonnen’ opgelaten, uit protest tegen het niet-doorlaten van bouwmaterialen en het afknijpen van humanitaire hulp. Israël “antwoordt” dan weer steevast op deze acties met luchtbombardementen. De partijen lijken op een onafwendbare vijfde ronde van dood en verderf af te stevenen. 

De nieuwe Israëlische premier Naftali Bennett bezocht in augustus het Witte Huis en in een persconferentie met de Amerikaanse media had Bennett het over Iran, de vriendschap tussen Israël en de VS en de bestrijding van corona, maar niet over Gaza. Als je Bennett hoort praten lijken de Palestijnen en Gaza niet te bestaan. 

Bennett is een havik en wil geen enkele politieke concessie doen aan de Palestijnen, hij blijft faliekant tegen de tweestaten-oplossing. Hij denkt dat als Israël het leven voor de Palestijnen wat dragelijker maakt, vooral in economisch opzicht, dat dan het vredesproces kan worden “geparkeerd”.

Wat deze opvatting voor Gaza betekent blijft vooralsnog onduidelijk.

De Zweedse politicus en diplomaat Carl Bildt schreef na de oorlog in mei een artikel waarin hij pleitte voor vier moedige stappen om de impasse van Gaza te doorbreken.

In de eerste plaats moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. De blokkade heeft Gaza’s economie vernield en buitenlandse handel praktisch onmogelijk gemaakt. De blokkade heeft smokkel in hand gewerkt, die weer voor een groot deel wordt gecontroleerd door Hamas. In dat opzicht heeft de blokkade Hamas eerder versterkt dan verzwakt.

In de tweede plaats moet Israëli’s in veiligheid kunnen leven. Geen enkel land accepteert willekeurige raketbeschietingen. Maar Israël moet ook erkennen dat zijn huidige defensiepolitiek heeft gefaald.

Ten derde moet Gaza weer onder internationaal erkend Palestijns bestuur geplaatst worden. Geen hulp voor Gaza en geen wederopbouwfondsen zonder vrije en eerlijke verkiezingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.

Tenslotte vereist een oplossing op de lange duur dat de toekomstige staat Palestina Gaza kan gebruiken voor toegang tot de Middellandse Zee en daarmee tot de rest van de wereld. Gaza heeft een eigen haven en vliegveld nodig en een veilige verbinding met de Westelijke Jordaanoever. 

De Palestijnse journalist Daoud Kuttab wees er onlangs op dat zelfs als Bennett geen politieke vooruitgang wil in het Israëlisch-Palestijnse vredesproces, Israël wel gehouden is aan de Oslo-akkoorden. In die akkoorden wordt gesproken over een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever. Volgens het door beide partijen ondertekende akkoord zijn Gaza en de Westoever “een territoriale eenheid”. 

Drie jaar geleden stelden de Nederlandse parlementariërs Sjoerd Sjoerdsma (D66) en Joel Voordewind (ChristenUnie) voor een internationale Gaza-conferentie te organiseren, waar het plan voor een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever besproken zou moeten worden. Een veilige route om medische zorg, familiehereniging en handel makkelijker gemakkelijker te maken en de ‘geweldsspiraal te doorbreken’.

Het plan verdween, zoals zoveel pogingen om uit de Gaza-impasse te komen, in een zwart gat. Het duo Netanyahu-Trump had andere opvattingen over vrede in het Midden-Oosten. En Nederland en de EU hadden niet de politieke wil of daadkracht om zich  echt hard te maken voor een oplossing in Gaza.

Het zal duidelijk zijn dat voor Carl Bildts vier stappen politieke druk nodig is, vooral vanuit de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit en Hamas moeten daarnaast tot een akkoord komen over verkiezingen en Naftali Bennett moet ervan overtuigd worden dat Israël ook andere opties heeft dan de militaire. 

De vier stappen zijn ondenkbaar zonder dat Israël en de Palestijnen weer aan de onderhandelingstafel plaatsnemen en dat is precies het laatste wat Bennett wil.

De kans dat er straks een reprise komt van de Gaza-horrorfilm en een vijfde ‘ronde’ van raketten en bombardementen, is dus groot. Niemand lijkt uit te kijken naar wederom hartverscheurende beelden uit Gaza, maar geen van de hoofdrolspelers in het drama maakt haast om zelfs maar tot een begin van een oplossing te komen. Alleen de inwoners van Gaza: zij kunnen niet wachten op een verbetering van hun situatie. Geen dag langer. 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, september 2021: https://www.groningen-jabalya.com/wp-content/uploads/2021/09/Jabalya-nieuwsbrief-48.pdf?fbclid=IwAR23BwMav4JxgAJPzS8Na0eZ58ak_cgqIvZd2_2HobEAvgy2gtHl7eIw0hc

Ook gepubliceerd op https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/