Journalistiek: eindeloos op zoek naar de waarheid, maar nooit alwetend

We hebben het gevoel dat informatie van alle kanten op ons af komt: het is veel, het is snel en vol tegenstrijdigheden. Vaak is het onduidelijk waar de feiten ophouden en de meningen beginnen. 

Neem de coronacrisis. Dag na dag worden we overspoeld met informatie en vooral ook desinformatie, met meningen en tegenovergestelde opinies.

Hoe weet je als leek nog wat waar is, als de experts het al oneens zijn, de influencers de volgende dag hun boodschap intrekken om je niet aan de coronaregels te houden, de politici kibbelen over de beste strategie.

De afgelopen maand gaf ik een cursus journalistiek waarin we uitgebreid ingingen op wat nu eigenlijk goede journalistiek is. Mijn stelling was dat de kern van elke journalistieke activiteit berust op nieuwsgierigheid. De taak van journalisten is om te willen weten, te achterhalen hoe het zit en hoe het zo is gekomen. In essentie gaat het simpelweg om de wat, waar, wanneer, waarom en hoe.

Maar vaak zijn we vooral geïnteresseerd in de opinies, die meer opwindend, kleurrijk en sexy zijn dan de feiten.

Toch gaat journalistiek in de eerste plaats om die feiten. En uiteindelijk zijn het de feiten die er het meeste toe doen.

Ik heb het altijd een mooi, verheven vak gevonden: journalistiek. Een vak dat omschreven kan worden als een eindeloze zoektocht naar de waarheid.

Twee dagen na het einde van de cursus las ik een stuk van de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad, die het volgende schreef over het journalistieke zoeken naar de waarheid: 

“Onze lezers betalen ons, om met de vraag hoe het precies zit op pad te gaan. De oogst is nooit alwetendheid. Waarheidsvinding is het tegenovergestelde van de waarheid in pacht hebben. Er is altijd weer een volgende vraag…”

Na afloop van de cursus journalistiek kwam een van de deelnemers met het idee om een training “media weerbaarheid” te organiseren. Dat was voor mij een nieuw gezichtspunt. Ik had wel van sociale en digitale weerbaarheid gehoord, maar nog nooit van ‘media weerbaarheid’.

Maar ik snapte wel wat ze bedoelde. De media -en dan hebben we het over nieuwsmedia, publieke en commerciële media, talkshows, sociale media platforms als YouTube, Facebook, Twitter enzovoorts-, demedia bestoken ons met zo’n vloedgolf aan informatie dat we soms door de bomen het bos niet meer zien.

Dat betekent dat we moeten snappen hoe de media werken, hoe journalisten te werk gaan.

Hoe weten we zeker dat journalisten wel echt bezig zijn met waarheidsvinding? Of laten ze zich door andere motieven leiden? Welke zijn de bronnen van de journalist? Zijn deze betrouwbaar? Wat is waar, wat een beetje waar en wat is een pure leugen? Het zijn fascinerende, maar ook polariserende vragen. 

Er wordt in bepaalde kringen veel gescholden op de MSM, de Mainstream Media, zeg maar de gevestigde media. Toch blijkt uit onderzoek dat in Nederland het vertrouwen in die MSM en in de vaak bekritiseerde publieke omroep nog opvallend hoog is. Bij ons vertrouwt meer dan de helft van het publiek over het algemeen het nieuws wel, net als in Scandinavië, de Duitssprekende landen en in Vlaanderen. In Zuid-Europa en Groot-Brittannië is er veel minder vertrouwen in de journalistiek, om over de Verenigde Staten maar te zwijgen.  

Toch is het absoluut geen gek idee om ons weerbaar op te stellen ten opzichte van nepnieuws, propaganda, en die brei van meninkjes en opinies die 24/24 over ons heen wordt gestort. De antwoorden van sommige troebele alweters zijn vaak makkelijker te verteren en brengen grotere “zekerheid” dan het hinderlijke doorvragen van de journalisten. 

Maar dat doorvragen is onontbeerlijk om het kaf van het koren te kunnen scheiden, de feiten van de meningen, de waan van de werkelijkheid. Dat te snappen maakt ons media-weerbaar. 

Geschreven voor Oog op de Media, 29 september 2020 

De Berlusconi’s van de Lage Landen

Lang geleden, in 1980, waren er 25 uitgevers actief op de Nederlandse krantenmarkt.

Vijf jaar geleden was dat aantal gekrompen tot acht uitgevers. 

En nu, in september 2020, zijn de dagbladen in Nederland praktisch allemaal in handen van twee grote consortia.  

Ook de noordelijke media: het Dagblad van het Noorden, de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad, tientallen lokale advertentiebladen en stadsblog Sikom zijn sinds kort eigendom van het Belgische Mediahuis. Mediahuis heeft hiermee het respectabele aantal van 25 dagbladtitels in zijn bezit.

De Nederlandse krantenmarkt is een duopolie: twee grote Belgische bedrijven hebben praktisch alle dagbladen in ons land in bezit.

Dezelfde Belgische persbaronnen controleren ook de krantenmarkt in Vlaanderen en zijn in opmars in Ierland, Luxemburg en elders in Europa.

We hebben het dus echt over dagbladreuzen: de Berlusconi’s van de Lage Landen.

Mediahuis bezit de Telegraaf, NRC-Handelsblad en regionale dagbladen in Noord- en Zuid-Holland en Limburg. En nu dus ook meer dan 80% van de media in Groningen, Friesland, Drenthe en Noord-Overijssel.

De andere Belgische mediareus is de Persgroep, eigenaar van het AD, Volkskrant, Trouw, het Parool en een hele rits regionale kranten.

Wat moeten we van dit duopolie denken?

Journalisten in vaste dienst bij de kranten in het noorden zullen waarschijnlijk opgelucht zijn. De eigenaars van de NDC-groep deden niet voor niets de kranten in de etalage. De financiële nood was hoog. Het bedrijf stond “onder water”: er werd met groot verlies gedraaid. De overname geeft voor de komende tijd lucht en biedt weer enig perspectief.

Dat geldt ook voor de journalisten van het Friesch Dagblad, de kleinste van de drie noordelijke dagbladen, met een dagelijkse oplage van minder dan 10.000. Ook zij kunnen voorlopig even vooruit. In een interviewverzekerde Mediahuis-baas Gert Ijserbaert dat de noordelijke drie kranten in hun huidige vorm kunnen blijven bestaan. De oplage van het Friesch Dagblad, lijfblad van een krimpende groep orthodox-protestanten in Friesland, moet echter niet verder zakken. “Als de oplage daalt, dan wordt het kritischer. Maar als de krant voldoende mensen kan overtuigen om ze te blijven lezen, zie ik geen reden waarom deze niet zou kunnen blijven bestaan.”

De redacties van de noordelijke kanten moeten, onder het regime van Mediahuis, wel meer gaan samenwerken. “Het is goed om dingen samen te doen, zoals het delen van kopij”, zegt Ijserbaert. “Dat lijkt me ook logisch, dat je kijkt wat je binnen een groep kunt doen. Zeker bij dingen die uiteindelijk toch voor iedereen hetzelfde zijn: die kun je misschien beter delen.”

Ijserbaert zegt het diplomatiek maar duidelijk: voor het Friesch Dagblad is het op den duur een onhoudbare luxe om er bijvoorbeeld een eigen buitenlandredactie op na te houden. Dit gold overigens al langer voor de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Ook op andere deelterreinen zullen we binnenkort ongetwijfeld dezelfde kopij tegenkomen in de drie noordelijke kranten. 

Foto Koen Suyk, ANP

De persconcentratie leidt onherroepelijk tot redactionele verschraling: minder verschillende invalshoeken, minder pluriformiteit, minder diversiteit. Het is een proces dat al tientallen jaren gaande is maar de laatste jaren in een stroomversnelling terecht kwam. De advertentiemarkt is door de opkomst van internetgiganten als Google en Facebook ingestort. Mensen volgen het nieuws online, vaak via gratis websites van de publieke omroep. En dan is er de ontlezing: er wordt steeds minder gelezen. Minder boeken, tijdschriften en ook minder dagbladen. In onze media heerst steeds meer een beeldcultuur en weinigen kunnen de verleiding van de smartphone weerstaan.   

Betwijfeld mag worden of met die redactionele verschraling de redactionele onafhankelijkheid van de drie noordelijke kranten ook echt overeind kan blijven, zoals de heren van Mediahuis verzekeren. Waarschijnlijk wordt met de overname door Mediahuis het begin van het einde ingeluid voor de onafhankelijkheid van de Leeuwarder Courant, nota bene de oudste nog steeds verschijnende krant van Nederland. De Leeuwarder Courant dateert van 1752 en is wat dat betreft deel van het Fries en Nederlands cultureel erfgoed. 

De vraag is of er überhaupt een toekomst is voor papieren kranten. Sommige pessimisten geloven van niet. Derk Sauer, nota bene zelf een krantenuitgever in Rusland, denkt dat uiteindelijk de media over een paar jaar alleen nog uit nichepublicaties bestaat – zoals een yogasite of een site over voetbal of autosport – en uit wereldmerken – zoals The New York Times of de Guardian

Alles wat daartussen zit verdwijnt. Want aan advertenties valt niet genoeg meer te verdienen en het publiek is steeds minder bereid te betalen voor algemene media.

De Belgische persbaronnen geloven wel in de toekomst van de krant, maar dan vooral in de digitale krant. Uiteindelijk zal het publiek bereid zijn te betalen voor kwalitatief hoogstaande inhoud, voor content die ertoe doet, zo geloven zij.

Laten we hopen dat dat waar is. Het succes van de betaalmuur van NRC-Handelsblad is misschien bemoedigend, maar kranten als het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant hebben met hun premium artikelen nog lang niet genoeg betalende lezers weten binnen te hengelen. 

En dan is er nog iets. 

Bedrijven die ruwweg 90% van de dagbladenmarkt controleren hebben niet alleen veel economische macht, wat sneu is voor freelancejournalisten en fotografen die daarmee in een zwakke onderhandelingspositie verkeren om op te komen voor hun rechten. De bedrijven hebben in potentie ook veel politieke macht.

Bij Mediahuis en de Persgroep zitten nu misschien nette Vlaamse mijnheren die het beste voor hebben met onze kranten. Maar wat als de volgende generatie directieleden zich ontpopt tot de Berlusconi’s van de lage landen?