Identitair drama tussen de zee en de rivier

De massale demonstraties tegen de plannen van de regering Netanyahu om de rechterlijke macht te hervormen, brengen als nooit tevoren de diepe verdeeldheid aan het licht in Israël. Voor de honderdduizenden demonstranten staat niets meer of minder op het spel dan de democratie, de rechtstaat en uiteindelijk ook de identiteit van Israël.

De regeringscoalitie, de meest extreemrechtse in de Israëlische geschiedenis, wil het rechtssysteem drastisch hervormen. Het parlement moet in de toekomst de benoeming van rechters controleren en het Hooggerechtshof kan niet langer aangenomen wetten toetsen en afkeuren. Andere, inmiddels aangenomen wetten, maken het afzetten van een zittend premier praktisch onmogelijk en staan politici met een strafblad toe openbare functies te bekleden.

De coalitie, bestaande uit de rechtse Likoed-partij, ultra-orthodoxen en religieus-nationalisten, heeft 64 van de 120 zetels in de Knesset. Israël kent geen Senaat of Eerste Kamer en de door de regering-Netanyahu voorgestelde hervormingen komen inderdaad neer op een soort dictatuur van de (krappe) meerderheid.

Maar er staat meer op het spel. De hoofdzakelijk seculiere oppositie is bang dat de orthodoxe en religieus-nationalistische krachten, die nu de dienst uitmaken in regering en parlement, Israël veranderen in een theocratie, waar de halacha -de joodse religieuze wetgeving- leidend is. Dat zou niet alleen fnuikend zijn voor de tijdens de demonstraties ostentatief aanwezige LGTBQ-gemeenschap, maar voor alle joodse Israëli’s die er een seculier-liberale levensstijl op na houden.

Opvallend is de aanwezigheid van militaire reservisten bij de demonstraties. Piloten van gevechtsvliegtuigen, die tot de elite van het Israëlische leger horen, kondigden aan niet meer te willen trainen zolang de hervormingen niet van de baan zijn. Het zijn dezelfde piloten die met hun bombardementen op Gaza en eerder op Libanon voor onnoemelijk veel ellende zorgden, maar zich nu de Israëlische democratie willen redden.

Ook oppositieleider Benny Gantz, als bevelhebber van het leger een van de hoofdverantwoordelijken voor de aanval op Gaza in 2014, sloot zich aan bij de protestbeweging. In een toespraak in februari verdedigde hij het Hoog Gerechtshof door eraan te herinneren dat hij zich tientallen jaren had ingespannen voor de veiligheid van Israël, en dat het Hoog Gerechtshof op zijn beurt hèm had verdedigd.

Gantz is niet de enige politicus of (ex-) generaal die ervoor waarschuwde dat het ontmantelen van het Israëlische rechtssysteem militairen zou blootstellen aan vervolging door het Internationaal Strafhof (ICC). Een goede reden voor het ICC om in actie te komen om mensenrechtenschendingen of misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken en eventueel te vervolgen, is immers als het eigen nationale rechtssysteem daar niet toe in staat is.

Wellicht heeft de verrassende onthulling in de gelekte Pentagondocumenten eerder dit jaar, dat inlichtingendienst Mossad de protesten tegen Netanyahu’s hervormingen aanmoedigt, met dezelfde angst voor ICC-vervolging te maken. De Mossad wordt van talrijke mensenrechtenschendingen beschuldigd. De Israëlische regering reageerde fel op de ‘leugenachtige’ onthulling’ en ontkende de betrokkenheid van de Mossad bij de protesten. Hoe het zij, de Pentagon-documenten zelf zijn authentieke top secret Amerikaanse inlichtingenrapporten en veel, hoewel niet alles, van de informatie blijkt tot dusver wel degelijk te kloppen.  

Praktisch afwezig bij de protesten zijn zowel de Palestijnen uit Israël, als de Palestijnen uit de bezette gebieden. Ook het Israëlische vredeskamp, dat zich verzet tegen de bezettingspolitiek en de discriminatie van Palestijnen, is minimaal vertegenwoordigd. In een klein hoekje van de massademonstraties wordt met wat Palestijnse vlaggen gezwaaid. De groep die borden bij zich heeft met opschriften als ‘democratie en apartheid gaan niet samen’ valt in het niet te midden van de zee van blauw-witte Israëlische vlaggen.

Het Hooggerechtshof is jarenlang een trouwe partner geweest van de Israëlische overheid bij het onderdrukken van Palestijnen. Zo gaf het Hof in 2018 toestemming aan het leger om met scherp op Palestijnse demonstranten te schieten bij het afscheidingshek in Gaza. Het Hof gaf het groene licht om ‘staatsgevaarlijke’ Palestijnen te folteren. Geen enkel verzoek van de overheid om Palestijnen in administratieve detentie te nemen -dus zonder proces vast te zetten- werd ooit afgewezen. Het Hof gaf toestemming Palestijns eigendom te confisqueren in Oost-Jeruzalem, Masafer Yatta en andere plaatsen in bezet gebied. Enzovoorts.

Palestijnen en antibezetting-activisten hebben geen reden om op te komen voor het Hooggerechtshof en zien de protesten tegen de plannen van de ultranationalistische regering eerder als een strijd tussen de oude, witte Ashkenazi elite en de nieuwe, steeds machtiger elite van kolonisten en religieuze zionisten. Beide kampen geloven in een staat met joodse suprematie en zijn verantwoordelijk voor de bezettingspolitiek sinds 1967.

In joodse liberaal-seculiere kringen zijn stemmen opgegaan voor een grondwet. Hoewel Israël een aantal basiswetten heeft die dienen als constitutioneel kader, is het een van de weinige landen ter wereld zonder grondwet. In 1947-’48 werden een aantal pogingen gedaan om tot overeenstemming te komen over een constitutie, maar de eerste generatie politici van de staat Israël kon het niet eens worden.

Ook 75 jaar geleden stond Israël voor de vraag: een seculiere democratie of moest de Torah leidend zijn. Dan was er de vraag wat een ‘joodse staat’ precies inhield? De meeste Joden in de wereld woonden buiten Israël en binnen Israël bevond zich een grote Arabische bevolkingsgroep. Israël ontstond vanuit een gewapend conflict met de Palestijnen en de Arabische buurlanden. Daar kwam bij: wat waren de grenzen van de staat? Tot de dag van vandaag heeft Israël geen wettelijk vastgestelde grenzen. Men was, en is in het geval van Libanon en Syrië, immers in oorlog met de buurlanden en de staat is grotendeels gesticht op bezet gebied.

Israëls eerste premier Ben Gurion besloot dat een grondwet strijdig was met zijn visie van een permanente zionistische revolutie: Israël had helemaal geen grondwet nodig. Volgens Ben Gurion berustte het bestaan van de staat op drie pijlers: veiligheid, aliyah (massa immigratie naar Israël) en kolonisering. Dat zijn inderdaad de drie constante elementen gebleven in Israëls conflictieve bestaan van de afgelopen vijfenzeventig jaar.

In het gebied tussen de Middellandse Zee en de rivier Jordaan, dat gecontroleerd wordt door Israël, wonen in 2023 14,8 miljoen mensen. De joden vormen een minderheid van 48%. De Palestijnen, verspreid over de Palestijnse bevolking in Israël en de bezette gebieden, maken meer dan de helft uit van de bevolking. Nu de agressieve Israëlische kolonisering een tweestatenoplossing onmogelijk heeft gemaakt, tekent zich een toekomst af van een land met een joodse minderheid en een grotendeels rechteloze, steeds groter wordende Palestijnse meerderheid.

Die Palestijnen hebben de afgelopen decennia praktisch alle politieke en militaire confrontaties met Israël verloren. Maar het verlies van hun land heeft de Palestijnen niet beroofd hun collectieve herinnering en hun Arabische identiteit.

Het conflict tussen Israël en de Palestijnen gaat steeds minder over veiligheid en territorium, steeds meer over identiteit. Het Israëlische extreem religieus-nationalistische narratief ruimt voor de Palestijnen in Israël geen enkele plaats in. ‘Dood aan de Arabieren,’ is een geaccepteerde slogan geworden. Tegelijkertijd zorgt dit extreme gedachtengoed bij gematigde joden binnen en buiten Israël voor afschuw en verwarring.

De onlangs overleden TV-producent Harry de Winter bracht de dubbele gevoelens treffend onder woorden in de documentaireserie ‘Het Beloofde Land’. ‘Het feit dat er een plek op aarde is waar – als het erop aankomt – Joden naartoe kunnen, vind ik een reden voor een feest. Hoe ze het huis ingericht hebben en de versieringen aangebracht hebben…’ De Winter schudt zijn hoofd. ‘Daar doe ik niet aan mee. Ik vind het een drama.’

‘De joden leven niet op zichzelf, zelfs niet in hun eigen staat,’ schreef journalist Gideon Levy in een column die gepubliceerd werd op Israëls 75e Onafhankelijkheidsdag. ‘Het is onmogelijk om onze onafhankelijkheid te vieren, zonder te praten over de Nakba. Het is onmogelijk te rouwen voor de doden zonder te vragen waarom ze werden gedood. Het is onmogelijk de andere doden te negeren, onze slachtoffers; we kunnen en moeten de gevoelens te respecteren van de degenen die voor hen rouwen en hen als helden zien’.

Levy is een van de weinigen die probeert de ‘grote verhalen’ van Israël en Palestina aan elkaar te spiegelen en uiteindelijk te verzoenen. Het vooruitzicht van een uitzichtloze identitaire strijd tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, is immers -om met De Winter te spreken- een groot drama.

Voor Vredesmagazine, juni 2023, Jaargang 16, nr. 3

Voor info over mijn boek ‘De oorlog van gisteren’ zie: https://oorlog.blog/about/

.

Een jaar na de dood van Shireen Abu Akleh nog geen gerechtigheid

Het bericht greep mij een jaar geleden bij de keel: de Palestijns-Amerikaanse journalist Shireen Abu Akleh was doodgeschoten. Ze was een sympathieke collega uit Doha met een aanstekelijke lach, een vertrouwd gezicht op nieuwszender Al Jazeera en de meest geliefde en prominente correspondent in de Palestijnse gebieden. 

Er stond met grote letters ‘PRESS’ op de voor- en achterkant van haar kogelwerend vest en op haar helm. Maar daar had de scherpschutter geen boodschap aan.  

‘In het harnas gestorven’, wordt gezegd als iemand bij de uitoefening van zijn vak overlijdt. Dat klinkt het geval van Shireen extra cynisch. De Israëlische militair wist precies de plek in haar achterhoofd te raken tussen haar helm en scherfvest. Ze was op slag dood. 

Het was 11 mei 2022, ’s ochtends vroeg. Het team van Al Jazeera was in het vluchtelingenkamp van Jenin om een inval van het Israëlische leger te verslaan. Er was een schotenwisseling geweest tussen de Israëlische militairen en Palestijnse militanten in een ander deel van het kamp. Plotseling worden de journalisten van Al Jazeera beschoten. Verslaggever Ali Al-Samoudi wordt geraakt in zijn schouder. Het team probeert dekking te zoeken, maar voor Abu Akleh is het te laat. Ze wordt geraakt als een tweede serie schoten wordt afgevuurd. 

Weinig incidenten waarbij journalisten omkwamen zijn zo precies onderzocht en gedocumenteerd als de dood van Shireen Abu Akleh. Misschien is dat logisch. Ze was tenslotte in het Midden-Oosten een journalistieke grootheid. Maar het komt ook door de evident lakse en ongeloofwaardige manier waarop de Israëlische autoriteiten met haar gewelddadige dood omgingen. 

“Abu Akleh is waarschijnlijk getroffen door Palestijnse terroristen die wild om zich heen schoten”, verklaarde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in eerste instantie op sociale media. Het ministerie voegde een filmpje toe dat, zo bleek later, op een heel andere locatie was opgenomen. Ook premier Naftali Bennett zei direct na Abu Akleh’s dood dat er een ‘aanzienlijke kans’ was dat gewapende Palestijnen verantwoordelijk waren.

Het in de Verenigde Staten gevestigde Committee for the Protection of Journalists dringt in een afgelopen dinsdag verschenen rapport met klem aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Abu Akleh. Ook eerdere dodelijke incidenten, zoals het in 2018 doodschieten van fotojournalisten Ahmed Abu Hussein en Yasser Murtaja tijdens demonstraties bij het afscheidingshek in Gaza, zouden ‘onafhankelijk, transparant en strafrechtelijk’ moeten worden onderzocht. 

Kort na de beschieting van het Al Jazeera-team draaide Israël bij. Nadat onderzoek van The New York Times, The Washington Post en onderzoekscollectief Bellingcat haarfijn had aangetoond dat een Israëlische militair het fatale schot had afgevuurd, had ontkennen weinig zin meer. Onderzoek van de CNN en van de in Londen gevestigde Forensic Architecture ging nog een stapje verder en concludeerden dat de schutter met opzet heeft geprobeerd Abu Akleh te doden. Ook Al Jazeera en Shireen’s familieleden en vrienden zijn ervan overtuigd: ze werd het zwijgen opgelegd omdat ze de Palestijnen een stem gaf.  

De CPJ constateert in het rapport dat sprake is een ‘dodelijk patroon’. Deadly Patternis ook de titel van het rapport, over de wijze waarop Israël omgaat met gedode verslaggevers. Het gaat om twintig slachtoffers sinds 2001. Niemand is ooit verantwoordelijk gehouden, laat staan gestraft.

Dertien van de twintig journalisten waren, op het moment dat ze werden doodgeschoten, duidelijk te herkennen als journalisten met ‘PRESS’ op hun kleding. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Reuters cameraman Fadel Shana, die ook nog eens naast een auto met ‘TV’ erop geschilderd stond, toen hij in 2008 werd neergeschoten. 

Het feit dat niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van journalisten in de bezette gebieden, heeft ertoe geleid dat verslaggevers – lokale zowel als buitenlandse – in een steeds gevaarlijker werkveld actief moeten zijn.

Guillaume Lavallée, voorzitter van de Foreign Press Association in Israël, zegt in het CPJ-rapport dat veel journalisten bang zijn: “Als een journalist met een Amerikaans paspoort gedood kan worden zonder juridische consequenties, dan zou dat hen in de toekomst ook kunnen overkomen. Het gevoel onbeschermd te zijn is vooral sterk bij onze Palestijnse collega’s. Sommigen van hen zijn zelfs bang dat er expres op hen wordt geschoten.”

Dat is geen rare gedachte. Behalve een Brit en een Italiaan waren de resterende achttien dodelijke slachtoffers allen Palestijns. Een aantal van hen werkte wel voor buitenlandse media en persbureaus. Opvallend is dat geen enkele Israëlische journalist onder de slachtoffers is.  

Het CPJ-rapport beschrijft in detail hoe Israël omgaat met de dodelijke incidenten. Onderzoeken zijn ondoorzichtig, willekeurig en duren eindeloos. Bewijsmateriaal en getuigenverklaringen worden terzijde geschoven. Betrokken militairen gaan vrijuit terwijl het onderzoek, dat altijd vertrouwelijk wordt gehouden, nog gaande is. Er worden alternatieve versies van de toedracht verspreid. Fake news dus. En soms worden de getroffen journalisten voor terroristen uitgemaakt. 

Wat dat betreft was de onverkwikkelijke gang van zaken rond het onderzoek naar de dood van Shireen Abu Akleh geen uitzondering. Er wordt simpelweg geen verantwoording afgelegd. 

Het CPJ-rapport eindigt met een aantal aanbevelingen, de meeste aan het adres van Israël. Er is daarnaast een aantal aanbevelingen voor de internationale gemeenschap. Ze zijn ook van toepassing op Nederland.

CPJ roept bevriende regeringen op Israël te herinneren aan hun internationale plichten rondom mediaveiligheid. Ook moeten die regeringen druk uitoefenen op Israël om mee te werken aan internationale onderzoeken naar de dood van journalisten.

Tot dusver weigert Israel – tot grote frustratie van Shireens familie en bewonderaars – mee te werken aan Amerikaans FBI-onderzoek naar haar dood.

Committee for the Protection of Journalists: Deadly Pattern

Gepubliceerd op 11 mei 2023 op VillaMedia

https://www.villamedia.nl/artikel/een-jaar-na-de-dood-van-shireen-abu-akleh-nog-geen-gerechtigheid

International Federation of Journalists demands Justice for Shireen

The Arab Reporters for Investigative Journalism (ARIJ): De dood neemt de stem van de waarheid niet weg, kogels kunnen de waarheid niet vermoorden

Muurschildering in Gaza

Het is nog elke dag nakba in Palestina

In 1998 maakte ik een reportagereis naar Oost-Jeruzalem. Ik interviewde een aantal oudere Palestijnse inwoners om hen te vragen naar hun herinneringen. Het was vijftig jaar na de periode die in Israël wordt aangeduid als de onafhankelijkheidsoorlog. Hoe hadden zij als Palestijnen de geboorte van de staat Israël beleefd?

Eén van de geïnterviewden, Amin Majaj, was 27 jaar in 1948 en was net afgestudeerd als arts. Majaj herinnerde zich de slachtpartij in Deir Yassin nog als de dag van gisteren. Meer dan honderd inwoners van Deir Yassin, een dorpje vlakbij Jeruzalem, werden in koelen bloede afgemaakt door de extremistische joodse Stern-groep, geleid door de latere premier Menachem Begin.

‘Ik wil alleen maar praten over wat ik zelf gezien heb, en dan nog zeg je misschien dat ik gek ben. Ik praat er liever niet over,’ tekende ik op uit de mond van Amin Majaj. Toch vertelt hij dat hij in het American Baby Home als medisch vrijwilliger kinderen behandelde die geslagen waren door leden van de Stern-militie. Ook ontmoette hij vrouwelijke overlevenden van het bloedbad in Deir Yassin.

‘Eén vrouw had geen uitdrukking op haar gezicht, ik zie haar nog voor me. Ze vertelde me hoe de terroristen kinderen gedwongen hadden op straat te gaan liggen. De moeders moesten in een jeep liggen die over hun kinderen heen reed. Veel vrouwen werden verkracht en gedwongen zich helemaal uit te kleden. Ze werden naakt meegenomen op een vrachtwagen dwars door West-Jeruzalem heen. Een enorme vernedering voor die vrouwen, dat was de bedoeling ook natuurlijk.’

Vluchtende Palestijnen in 1948

Amin Majaj en mijn andere Palestijnse gesprekspartners van destijds hadden levendige herinneringen aan die voor hen zo rampzalige episode. De geboorte van de staat Israël ging gepaard ging met grof geweld tegen de autochtone Palestijnse bevolking. De historische feiten waren schokkend:

  • Tussen 1947 en 1949 vluchtten van een bevolking van 1,9-miljoen zo’n 750.000 Palestijnen naar de omliggende landen.
  • Israël nam in 1948 78 procent van historisch Palestina in. De resterende 22 procent, bestaande uit de Westelijke Jordaanoever, met Oost-Jeruzalem, en Gaza werd in 1967 bezet.
  • 530 Palestijnse dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en etnisch gezuiverd.
  • Ongeveer 15.000 Palestijnen werden in 1948 gedood en er vonden meer dan dertig slachtpartijen plaats waarbij Palestijnse burgers om het leven kwamen.

Met de wapenstilstand van 1949 kwam geen einde aan de Palestijnse tragedie. Het werd de Palestijnse vluchtelingen verboden terug te keren naar hun geboorteland. Ze verloren hun huizen en andere bezittingen door de Absentees’ Properties Law. Toppunt van onrechtvaardigheid en absurditeit is de categorie van “aanwezige afwezige personen”. De inwoners van Saffuriyya verlieten in 1948 hun dorp om hun toevlucht te zoeken in het nabijgelegen Nazareth. Ze mogen, als “afwezige eigenaren” hun vernielde land en landerijen niet bezoeken ondanks dat ze Israëlische staatsburgers zijn.

In 1969 verscheen Ghassan Kanafani’s novelle Returning to Haifa.  Het verhaal, dat verschillende malen werd verfilmd en bewerkt voor theater en televisie, gaat over de ontmoeting tussen een Israëlische en Palestijnse familie. Het Palestijnse echtpaar Said en Safeyya moest in 1948 hals over kop vluchten uit Haifa. Temidden van de chaos en het geweld van de oorlog vergaten ze hun vijf maanden oude baby Khaldun. Twintig jaar later krijgen ze de kans een bezoek te brengen aan Haifa en zoeken ze hun oude huis op.

Returning to Haifa van Ghassan Kanafani

Daar woont inmiddels een groep Holocaustoverlevers, waaronder de weduwe Miriam. Ze verloor haar vader in Auschwitz en zag met eigen ogen hoe haar tienjarige broertje werd vermoord. Miriam woont in het huis met haar twintigjarige aangenomen zoon Dov. Dov, soldaat in het Israëlische leger, is niemand minder dan hun zoon Khaldun.

Kanafani beschrijft op indringende wijze de ontmoeting van Dov met zijn biologische ouders. Dov weet inmiddels dat hij is geadopteerd, maar hij is in alles Israëliër geworden: hij spreekt Hebreeuws, eet koosjer en kijkt uit naar het moment dat hij in een oorlog zijn land kan verdedigen. Hij minacht het echtpaar, dat hem twintig jaar geleden heeft verlaten.

‘Jullie hadden nooit uit Haifa weg moeten gaan,’ werpt hij zijn biologische ouders voor. ‘Als dat niet mogelijk was hadden jullie nooit een zuigeling in de wieg moeten achterlaten. En als dat ook onmogelijk was, dan hadden jullie altijd moeten proberen terug te komen. Zeggen jullie dat ook dat onmogelijk was? Het is twintig jaar geleden, mijnheer. Twintig jaar! Wat hebben jullie in die twintig jaar uitgevoerd om je zoon terug te krijgen? Als ik jullie was geweest zou ik de wapens hebben opgenomen om je zoon terug te eisen. Wat kan een betere reden zijn dan dat? Jullie zijn slappelingen! Slappelingen! Jullie zijn achterlijk en lijken wel verlamd.. Vertel me nou niet dat jullie twintig jaar hebben zitten huilen. Tranen brengen echt de vermisten en het verloren land niet terug.’

Dov’s tirade laat zich lezen als Kanafani’s pleidooi voor de onvermijdelijke Palestijnse strijd voor terugkeer naar het vaderland. ‘Ontwaak uit je passiviteit,’ lijkt hij tegen de Palestijnse vluchtelingen te willen zeggen, ‘laat niet alle rampen zomaar over je heen komen’.  

Interessant genoeg is het woord Nakba, Arabisch voor ‘catastrofe’, nog niet algemeen in zwang als Kanafani dit verhaal schrijft, nog geen twintig jaar na de stichting van de staat Israël. De Syrische schrijver en denker Constantin Zuraiq had de Palestijnse tragedie weliswaar al in 1948 aangeduid als nakba, maar het duurde tot in de jaren negentig dat Palestijnse inwoners van Israël de straat opgingen en in Terugkeer Marsen naar hun verlaten en vernielde dorpen de voor hen catastrofale gebeurtenissen rond 1948 als Nakba herdachten. Het woord nakba sloeg inmiddels niet alleen op de pijnlijke geschiedenis van verlies, ballingschap en trauma, maar ook op herwinnend zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en nationalisme onder de Palestijnse bevolking.

Eind jaren tachtig hadden Israëlische historici als Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé de geschiedenis van Israëls’ geboorte al drastisch herschreven. Israël was niet de underdog die met Gods’ zegen een onwaarschijnlijke overwinning behaalde. De ‘onafhankelijkheidsoorlog’ bleek een stuk minder heldhaftig geweest te zijn dan beschreven in de officiële geschiedschrijving en in de romans van Leon Uris en anderen. Er was bruut geweld gebruikt tegen Palestijnse burgers, misdaden begaan tegen de menselijkheid, er waren slachtpartijen geweest, getto’s voor de overblijvende Palestijnen opgezet, etnische zuiveringen… De Palestijnen bleken in 1948 het land helemaal niet vrijwillig te hebben verlaten of op instignatie van hun laffe leiders. Ze waren geïntimideerd en verjaagd. Het verhaal waar generaties mee waren opgegroeid, over Israël als land zonder volk voor een volk zonder land, begon te kantelen. Het droomland waar overlevenden van de Holocaust de woestijn tot bloei hadden gebracht, bleek eenvoudigweg niet te bestaan.

De lezing van de ‘nieuwe historici’ werd in de decennia daarna gevolgd door tal van nieuwe onthullingen. In 2000 publiceerde de Israëlische krant Maariv bijvoorbeeld een lang artikel over de moordpartij in Tantura. Het ging om het doodschieten van ongewapende Palestijnen nadat de zionistische strijdgroep Haganah de kustplaats in mei 1948 had ingenomen. Het onderzoek was gebaseerd op onderzoek van geschiedenisstudent Teddy Katz die een groot aantal Joodse en Palestijnse getuigen had geïnterviewd. Veteranen van de brigade die Tantura hadden ingenomen spanden een proces aan tegen Katz. De rechter gaf hun gelijk: het was laster.

Katz moest de proceskosten betalen en de universiteit eiste dat hij een nieuwe thesis zou schrijven. Dat deed hij en hij droeg zelfs nieuwe feiten aan voor de slachtpartij. De thesis kreeg een laag cijfer en werd geweerd uit de universiteitsbibliotheek. Katz zelf werd een paria in de kibboets waar hij woonde. Zijn onderzoek werd gezien als ontoelaatbare zelfbevlekking. Veel Israëli’s waren woedend.

Mijn Volkskrant-artikel met de interviews met de oudere inwoners van Jeruzalem wekte bij sommige Israël-sympathisanten in Nederland ook woede. Schrijfster Lisette Lewin schreef een opiniestuk onder de titel ‘Joodse gruwelen gaan er in het Westen nog altijd grif in’. Impliciet beschuldigde ze de Palestijnen en mij als journalist van antisemitisme. Ik refereer aan het incident in mijn boek ‘De oorlog van gisteren’.

Hoewel Lewin niet ontkent dat de slachtpartij in Deir Yassin een oorlogsmisdaad was, voert ze tal van excuses aan. De geluidswagen die de bewoners had moeten waarschuwen was in een greppel gereden. Veel bewoners renden het dorp uit. De rest verdedigde onverwacht hardnekkig hun huizen. De munitie van de joden raakte op en sommige van hun roestige stenguns begaven het. De ongeoefende Joodse strijders waren volgens Lewin ‘hysterisch van paniek’ en schoten tientallen mannen, vrouwen en kinderen dood. In haar artikel beweert Lewin verder dat de Arabieren het vluchtelingenprobleem in stand houden ‘om Israël te treffen’.

In 2011 werd de ‘Nakba-wet’ van kracht waarbij het in Israël verboden werd ‘acties te ondernemen die het bestaan van Israël als een Joodse en democratische staat ontkennen’ en ‘een rouwdag maken van de dag dat de staat werd uitgeroepen’. Op overtreding van de wet staan hoge geldboetes. Maar historische feiten laten zich niet met een wet uit het collectieve geheugen bannen.

De fase van Israëlische woede en Nakba-ontkenning werd gevolgd door een fase van rechtvaardiging. Rechtse Israëlische schrijvers en journalisten ontkenden niet langer de feiten, maar rechtvaardigden het verdrijven van 750.000 Palestijnen uit hun land. Was dat immers geen ‘legitieme en noodzakelijke actie om de stichting van de joodse staat mogelijk te maken’? Uri Misgav, columnist van de krant Haaretz, bekritiseerde de pro-Palestijnse houding van zijn eigen krant, en eindigde een opiniestuk met een sarcastisch ‘sorry, wij hebben gewonnen’.

De meest schokkende ontwikkeling en de schaamte voorbij is het dreigement, vooral van uiterst-rechtse Israëlische politici, van een ‘tweede Nakba’. Minister voor Energie Israël Katz hield als parlementslid in mei 2022 een toespraak een toespraak waarin hij dreigde met een nieuwe Nakba. Katz reageerde in de Knesset woedend op studenten die de Nakba hadden herdacht en met Palestijnse vlaggen hadden gezwaaid. “Herinner wat er in 1948 gebeurde, herinner je onze Onafhankelijkheidsoorlog, jullie Nakba. Vraag de ouderen onder jullie, jullie grootvaders en grootmoeders, en ze zullen uitleggen dat uiteindelijk de Joden wakker zullen worden en zichzelf en het idee van een Joodse staat zullen weten te verdedigen.”

De uitlatingen van Katz, lid van Netanyahu’s Likoed Partij, staan niet op zichzelf. Andere Likoed-politici, zoals minister van Defensie Yoav Galant, lieten zich op dezelfde manier uit. In het Israëlische politieke spectrum vertegenwoordigen Katz en Galant mainstream rechts. Daar weer ter rechterzijde van bevinden zich politici, zoals de ministers Smotrich en Ben Gvir, respectievelijk met de portefeuilles ‘burgerlijk bestuur’ op de bezette Westoever en ‘Nationale Veiligheid’, die nog een paar stapjes verder gaan en van de Nakba hun strijdkreet hebben gemaakt. Extreemrechts wil de Palestijnen voor de keus stellen: je volledige overgeven en nationale aspiraties vergeten of emigreren. De herinnering aan de Nakba wordt door extreemrechts omarmd om te worden ingezet als dreigement: de joodse suprematie in Groot Israël erkennen of vertrekken naar een Arabisch land of waar dan ook in de wereld. Een tweede Nakba, dus.

Extremistische ministers Itamar Ben Gvir (links) en Bezalel Smotrich roepen op tot een nieuwe nakba

Op loopafstand van waar ooit het Palestijnse dorp Deir Yassin lag, symbolische plaats voor de Nakba, ligt het Yad Vashem, het Holocaust-monument. Er is wel gezegd dat vrede in het heilige land mogelijk zou zijn als de Palestijnen het Joodse trauma zouden erkennen en Israëli’s het Palestijnse; wederzijdse erkenning dus van Holocaust en Nakba. Het erkennen van de feiten, waarheidsvinding, zou helend kunnen werken, smeerolie zijn voor een vastgelopen vredesproces.

De Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani brengt in Returning to Haifa Holocaust-slachtoffers en Nakba-slachtoffers tot leven en samen in één verhaal. Hij maakt beslist geen karikaturen van zijn Israëlische en Palestijnse hoofdrolspeler. De joodse Miriam wordt bijvoorbeeld afgeschilderd als een sympathieke, zorgzame vrouw.

Tegelijkertijd biedt Kanafani voor de Palestijnse ontheemden en onterfden geen alternatief dan te vechten voor het recht op terugkeer. Alleen als de Israëlische hegemonie over Palestina wordt gebroken kan recht worden gedaan. Het is geen toeval dat de briljante schrijver Kanafani door Israël gezien werd als een gevaarlijke politieke activist en in 1972 door de Mossad vermoord.

Ja, waarheidsvinding is essentieel voor verzoening en voor het doen van recht, maar Holocaust en Nakba staan in een problematische verhouding tot elkaar. De Holocaust werd door de zionistische beweging als rechtvaardiging gebruikt voor de stichting van de Joodse staat en die leidde op zijn beurt weer linea recta naar de Nakba. Het ‘kleine leed’ van de Palestijnen die in 1948 hun land moesten verlaten, waar ze volgens het discours van de Israëlische opinieleiders ook nog eens goeddeels zelf verantwoordelijk voor waren, leek in het niet te vallen bij het gigantische leed van de moord op zes miljoen Joden. Zonder het vertrek van de Arabische bevolking, die het recht voor altijd werd ontzegd om terug te keren, was het veilige toevluchtsoord voor alle Joden in de wereld er immers nooit gekomen.

Dat was het zionistische riedeltje dat decennia door een groot deel van de westerse wereld werd geslikt. Kritiek op Israël werd en wordt, vanuit deze perverse logica, daarom afgedaan als Jodenhaat en antisemitisch.

De Holocaust was een uiting van haast niet te bevatten kwaad, een massale moordpartij die door de hele mensheid voor altijd herinnerd moet worden als een waarschuwing tegen elke vorm van uitsluiting en etnisch waandenken.

De gebeurtenissen die in 1948 die leidden tot de verdrijving van honderdduizenden mensen van hun geboortegrond en de kolonisering van Palestina, zijn van een andere orde. Maar ze gaan nog steeds door. Het is nog elke dag Nakba in Palestina. De dreigende deportatie van duizend Palestijnen uit Masafir Yatta, het vernielen van Palestijnse huizen, het uitwissen van het Arabisch karakter van Jeruzalem en Hebron, het uitbreiden van de joodse nederzettingen, de geïnstitutionaliseerde apartheid op de Westelijke Jordaanoever…

Op sociale media zijn dagelijks foto’s en video’s te zien van Palestijnse olijfgaarden die worden vernield, huisuitzettingen, invallen in vluchtelingenkampen…  De beelden die mij het meest schokten waren van een groep religieuze kolonisten, baarden, keppeltjes, uzi-mitrailleurs over de schouder, die door de Palestijnse wijk Silwan bij Jeruzalem trokken. Ze provoceerden de bevolking door plagerig ‘Nakba, Nakba’ te zingen.

Nakba is een beschamende strijdkreet geworden voor sommigen, een bittere gedachtenis en onverteerbare realiteit voor anderen. En de herinnering aan de Holocaust?

Een verkorte versie van dit artikel verscheen in maart 2022 in het VredesMagazine: https://www.vredesmagazine.nl/index.php

‘In oude kippen zit het vet’

Interview uit 2007 met Kees Wagtendonk

Door Jacqueline de Bruijn

Zaterdag 31 december overleed Kees Wagtendonk (89). Wagtendonk is medeoprichter van het Nederlands Palestina Komitee. In 2007 werd hij geïnterviewd door Jacqueline de Bruijn. Hij sjouwde nog tot op hoge leeftijd met spandoeken, regelde demonstraties en stond jarenlang elke twee weken voor de Albert Heijn te demonstreren tegen de verkoop van Israëlische producten. Kortom, hij zette zich decennia in voor het Palestijnse volk. Het is allemaal begonnen met een motorrit, die hij in 1958 maakte door het Midden-Oosten.

Waarom bent u in 1958 op de motor naar het Midden- Oosten gegaan?
Ik ben in 1953 theologie gaan studeren. Tijdens mijn kandidaats kwam ik erachter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van mijn vader was. Ik heb het toen omgebogen naar Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvakken Arabisch en Hebreeuws. Na een klein jaar wilde ik die moslims wel ontmoeten, dat was in die tijd heel moeilijk. Die zaten ver weg. Ik was 25 jaar en ik zocht natuurlijk ook het avontuur en de romantiek van het Oosten. Om de tocht te financieren had ik met de ANWB afgesproken om reisverhalen met foto’s per post te sturen. Met mijn DKW 200 cc ging ik dwars door Europa naar het Midden-Oosten.

Wat was de reisroute?

Joegoslavië, noord Griekenland, door Turkije. In het Europese deel van Turkije lag er opeens een laag van 8 cm mul zand op de weg en ik ging om. Ik had niks maar hield per ongeluk de motor tegen mijn been. Enorme brandpiek, ik denk dat je hem nog steeds kan zien. Naar de Nederlandse vertegenwoordiging gegaan en die zeiden:” Direct naar het ziekenhuis.” Daar heb ik een week gelegen met bloedvergiftiging. Daarna ben ik doorgereisd naar Syrië.

Hoe reageerden mensen op u?

Ik had een baard laten staan, een mooie zwarte baard. In Aleppo kwam ik met veel jongeren in contact en die zeiden: “Die baard moet je meteen afscheren. Je bent toch geen geestelijke?” Dat wilde ik nou juist niet worden dus dat deed ik. Overal heb ik interessante gesprekken gevoerd. Ik kwam ook bij mensen thuis. Een Syrische jongen reed bijvoorbeeld achterop met mij mee naar zijn oom, die woonde op een boerderij in de buurt van Aleppo. Deze jongeman kwam van een jongerenfestival in Moskou. Syrië was, het was de tijd van de koude oorlog, erg gericht op de Sovjet-Unie. Ik heb 30 jaar met hem gecorrespondeerd. Hij is later minister geworden. Soms krijg ik van een Nederlander nog een telefoontje dat hij de ex-minister heeft ontmoet en dat hij naar mij vroeg.

Hoe lang was u in Syrië

Ik heb een week in Aleppo gezeten. Daarna ben ik naar Damascus gegaan waar ik een Palestijnse vluchtelingen- kamp heb bezocht. Hoe je daar terecht komt, dat weet ik echt niet meer. Dat zijn van die toevalligheden die gebeuren. De Palestijnen vertelden over hun achtergrond. Het was tien jaar na de stichting van de staat Israël en de herinneringen waren nog vers. Dat waren aangrijpende verhalen die ik te horen kreeg. Ik herinner mij een jongen die vertelde dat ze uit Ramle en Lydda kwamen en dat ze daar gewoon waren weggejaagd ‘at the point ofthe gun’.

Ze spraken allemaal Engels?

Ja, wij Nederlanders kloppen ons vaak op de borst over onze geweldige talenkennis. Maar het is mij opgevallen dat mensen in het Midden-Oosten vaak beter Engels spreken dan wij.

Was u verbaasd toen u die verhalen hoorde in het vluchtelingenkamp?
Ja, dat was nieuw voor mij. Ik ben betrekkelijk naïef aan die reis begonnen. Natuurlijk wist ik van de verhouding van Israël met de omringende Arabische staten. Maar ik had de verhalen over Israël klakkeloos aanvaard. De bekende verhalen, ‘De woestijn is door de Israëliërs groen gemaakt’, ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ en ‘Als je niet in wonderen gelooft dan ben je geen realist.’ enzovoort. Ik stond er vrij neutraal tegenover en was niet echt een bewonderaar van Israël, mijn vader was dat meer.

U kwam voor het eerst in aanraking met Palestijnen, maar uw reis ging weer verder.
Ik ben naar Amman doorgereisd, en daar heb ik gelogeerd bij familie van een Palestijn in Nederland, Elias Rantisi, een christen Palestijn uit Jaffa. Om gesproken Arabisch te leren had ik van de Nederlands-Arabische Kring zijn naam gekregen. In Oost-Jeruzalem logeerde ik bij mevrouw Antonius, de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Door haar ben ik opnieuw met Palestijnse vluchtelingen in contact gekomen. Ze deed vrijwilligerswerk in een vluchtelingenkamp in Oost- Jeruzalem en nam mij mee.

Bent u ook naar Israël gegaan?

Nee, toen niet, dat was onmogelijk. (Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever stond tot 1967 onder Jordaans bestuur.) Ik ben teruggereisd via Syrië naar Libanon. Het was een spannende tijd, de tijd van de Egyptische president Nasser en het Arabisch nationalisme. De stichting van de Verenigde Arabische Republiek was net gerealiseerd. Je kon zonder visum van Syrië naar Egypte. De hele sfeer in die dagen was zeer optimistisch. De Suez-oorlog was net achter de rug, die politiek gezien gewonnen was door Nasser. Die oorlog was het antwoord van Engeland, Frankrijk en Israël op de nationalisatie van het Suez-kanaal door Nasser in 1956. Het Westen vreesde dat de VAR zich zou uitbreiden. In de tijd dat ik in Libanon zat kwamen er Amerikaanse soldaten vanuit zee binnen om te voorkomen dat Libanon zich zou aansluiten. Ik had een legerbroek aan en ik kreeg de raad om die maar niet te dragen omdat mensen konden denken dat ik een soldaat was. In Jordanië, voormalige Engelse kolonie, zaten de Engelsen. Ik heb Engelse soldaten in Oost-Jeruzalem zien lopen. Jordanië werd door Nasser voortdurend op de korrel genomen. Nasser noemde koning Hoessein “de hoer van het imperialisme”. Toen ik op 14juli naar Irak wilde gaan brak daar de revolutie uit. Het was een heftige geschiedenis, de koning en de zeer pro-westerse premier Nuri es-Said werden vermoord.

Hoe lang bent u totaal weggeweest?

Ik denk een maand of vier. In Beiroet heb ik bij een agentschap van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) gevraagd of ik mee kon als ‘matroos onder de gage’. Dat kon en ik moest de hondenwacht doen. De hondenwacht betekende aan het roer staan van twee tot zes uur ‘s nachts. Het schip ging naar allerlei Middellandse zeehavens en deed bijna een maand over de reis naar Rotterdam. Na een week werd ik ziek. Toen was het afgelopen met de hondenwacht en moest ik naar de ziekenboeg. Speciaal voor mij hebben ze nog Algiers aangedaan, waar op dat moment al twee jaar een bevrijdingsoorlog tegen de Franse overheersing werd gevoerd. Bij de dokter bleek dat ik geelzucht had.

Wat heeft u na uw reis gedaan?

Daarna heb ik mijn studie afgemaakt. Als ik opnieuw mocht kiezen zou ik Arabisch hebben gekozen met Islam als bijvak. Het Arabisch is een fantastisch mooie taal. Ik zou het goed willen spreken en niet alleen kunnen lezen. De hoogleraar godsdienstwetenschap, bij wie ik afstudeerde, was lid van de Rotary. Toevallig had de nationale rotaryclub in 1960 een beurs te vergeven voor een jaar studie in een ontwikkelingsland waar je dan heen ging als “ambassador of goodwill”. Na een kleine competitie viel de keuze op mij. Het maakte veel indruk dat ik had verklaard, hoewel van origine theoloog, niet als zendeling te willen gaan. Ik wilde naar de Amerikaanse universiteit in Beiroet om beter Arabisch te leren spreken. In Beiroet moest ik elke week een rotary bijeenkomst bezoeken in het King George hotel en met mensen in het Frans converseren, een kleine ramp.

Hoe heeft u het gehad in Beiroet?

In Beiroet kwam ik in contact met studenten uit India, Pakistan, Filipijnen, Ethiopië en uit Arabische landen. Er waren ook veel Palestijnen. De politieke sfeer van die tijd, 1960/1961, was vergelijkbaar met de periode van mijn reis. Het was de tijd van de Algerijnse bevrijdingsoorlog en er waren veel demonstraties. Ik had een leraar Arabisch voor het vak kranten-Arabisch, dan lazen we stukjes uit de krant. Hij was een Palestijn en nodigde mij een keer uit in zijn huis in Beiroet. Daar woonde hij heel bescheiden. Hij liet mij de sleutel en een foto zien van zijn huis in Nazareth dat zij hadden moeten verlaten in 1948. Dat zijn van die vluchtige ontmoetingen die later blijken dieper te zijn gegaan dan je op dat moment realiseert. Toen ik, terug in Nederland, sprak over Palestijnse vluchtelingen, reageerde men daarop met veel onbegrip “Wat nou Palestijnse vluchtelingen? Ze gingen vrijwillig. Hun leiders hebben ze daartoe aangespoord.” Door deze reacties werd ik toch nog een zendeling, maar dan naar het Westen toe. Mijn vader heb ik tenslotte nog kunnen bekeren. Veel later zei hij “Je hebt toch gelijk gehad”.

Wanneer heeft u uw vrouw Nora ontmoet?

In 1959, een halfjaar voordat ik naar Beiroet vertrok, heb ik Nora ontmoet. Eén voorwaarde van de Rotary was dat je niet getrouwd mocht zijn. Dat was wel even afzien. We schreven veel brieven. In die tijd kon je moeilijk bellen. Daarom ben ik kort na afsluiting van het Academisch jaar naar Amsterdam teruggegaan. Ik was haar trouw gebleven. Dat was een goede beslissing en ik ben nog steeds heel gelukkig met Nora. Een paar maanden later zijn we getrouwd. Al snel kregen we een dochter en daarna een zoon.

Wat heeft u met uw studie gedaan? Tenslotte was, zeker in die tijd, een studie van Islam en Arabisch behoorlijk ver van het bed.
Ik werd docent bij de vakgroep godsdienstwetenschap van de theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde ik op de oorsprong van het vasten in de Koran. Een buitengewoon interessant, maar moeilijk onderwerp. Er zijn weinig concrete historische gegevens, het werd een ware these. Het gaat om de onderlinge verwantschap tussen de drie religies. Het historisch en vergelijkend onderzoek hierover heeft mij altijd gefascineerd. Ik gaf o.a. het vak ‘inleiding in de islam’, een verplicht vak voor theologiestudenten. Bij het IMNO, Instituut Moderne Nabije Oosten, nam ik les in het gesproken Arabisch. Daar leerde ik Musa Suudi kennen, de vader van Radi Suudi. Die was actief voor wat hij noemde “the cause”, de Palestijnse zaak. Hij kwam oorspronkelijk uit Jeruzalem en via Londen, waar hij bij de BBC had gewerkt, was hij terecht gekomen in Amsterdam. Hij gaf na de Juni- oorlog veel lezingen en dan ging ik soms mee om zijn Engels te vertalen. Dan had ie natuurlijk ook nog Mahmud Rabbani, een Palestijnse student uit Haifa. Die heb ik later leren kennen. Hij is zakenman geworden en honorair consul van Koeweit.

Hoe ontstond de oprichting van het Palestina Komitee?

De oprichting is vooral te danken aan Mahmud Rabbani en Piet Nak. Piet Nak stond in die tijd bekend als de organisator van enkele grote Vietnam-demonstraties. Maar hij was ook de man die in de Tweede Wereldoorlog heel nauw betrokken was bij de Februaristaking. De Israëlische ambassade probeerde hem te winnen voor een demonstratie na de Juni-oorlog. Maar Rabbani was ze voor. Piet Nak was onder de indruk van diens weergave op tv van het lot van de Palestijnen. Hij is eigenlijk omgeslagen. Van Israël had hij een onderscheiding gekregen voor zijn moedige verzet tegen de jodenvervolging. Die onderscheiding stuurde hij terug. Hij was een geweldige aanwinst. Piet Nak was een eenvoudig man die zijn hart op de juiste plaats had al kwam hij vaak niet al te diplomatiek uit de hoek.

Wat was uw functie bij de oprichting?

Ik raakte er bij betrokken via het Midden-Oosten Bulletin waaraan ik had meegewerkt samen met Gerrit Jan Harbers, buitenland secretaris van de PSP. Wij hielden ons bezig met de beginselverklaring van het komitee in oprichting. 0p 14 mei 1969 was de oprichting een feit via een teach-in. Ik meen in de Brakke Grond in Amsterdam, gevolgd door een informatieweek met een tentoonstelling en films. At van Praag van Cineclub-Vrijheidsschool had daarin een groot aandeel. De verklaring die we lanceerden werd ondertekend door 60 personen uit progressieve partijen, vredesorganisaties, studentenbeweging en Midden-Oosten deskundigen. De verklaring gaat eigenlijk maar om één ding: het recht van terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen. Tot 1967 was dat het probleem geweest ,’etnische zuivering’ zeggen we tegenwoordig. Israël was al twee jaar de bezetter maar de bezetting was geen issue. Aan de orde was de oorsprong van het conflict en dat was het recht van terugkeer. Wij baseerden ons op twee punten, op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op resolutie 194 van de algemene vergadering van de Verenigde Naties.

De dag na de oprichting kwamen er grote stukken in de kranten. De ‘bekering’ van Piet Nak stond erin centraal. Van de kant van het Joodse Kerkgenootschap en de Zionistenbond kwam zware kritiek. We werden meteen beschuldigd van antisemitisme.

Bent u al die jaren aan het NPK verbonden gebleven?

Ja, al heel snel veranderde het NPK van karakter. Vooral omdat de PLO een onafhankelijke Organisatie werd. De PLO was opgericht in 1964 door de Arabische Liga. In 1969 maakte het zich daarvan los en werd Yasser Arafat voorzitter. De PLO stond vanaf dat moment voor een seculiere staat met gelijke rechten voor joden, christenen en moslims. Het NPK schaarde zich achter het PLO-standpunt maar niet iedereen kon die stap maken. Met die nieuwe doelstelling moesten mensen zich schriftelijk akkoord verklaren. Het Komitee werd als het ware opnieuw opgericht en ging een andere visie uitdragen. In 1972 begonnen we met de Nieuwsbrief Palestina Komitee, dat is nu de Soemoed geworden. De Nieuwsbrief was anti-imperialistisch, het ging over Palestina en over de reactionaire politiek van de Arabische staten. We kregen dankzij de gemeente een kantoor op de zolder van de Lauriergracht. In de hoogtij-dagen hadden we twee vaste krachten. Eén volledig en twee halve krachten. Ik ben jarenlang penningmeester geweest en ik heb bijna altijd in de redactie van het blad gezeten.

Na mijn pensioen ben ik opnieuw in het bestuur van het NPK gekomen. Tijdens de eerste Intifada was er weer een opleving van het Komitee, Maar de Oslo-akkoorden hebben het Komitee geen goed gedaan. Er haakten mensen af. Men dacht dat er vrede zou komen en ik dacht dat aanvankelijk zelf ook. Tijdens de tweede Intifada werd de sfeer heftiger. Palestijnen beschikten nu over wapens. Het NPK heeft toen twee demonstratie georganiseerd, eind 2000 en een hele grote in april 2002. We zijn ook begonnen met boycotflyer-acties voor de Albert Heijn, eerst in Rotterdam en vanaf december 2001 in Amsterdam. Het ging om een boycot van alle Israëlische producten. Het was geen absolute boycot, doch zolang Israël de resoluties van de VN negeert. Op sandwichborden stonden de namen van producten als Jaffa, Tivall, Carmel en de leus “Leven, land, toekomst voor de Palestijnen”. Voor de meeste van de 50 Albert Heijnwinkels in Amsterdam hebben we gestaan, ook voor enkele Natuurwinkels zoals die op de Elandsgracht. De eigenaar daarvan kwam altijd boos zijn winkel uitgerend dat we moesten ophoepelen. We hebben het zo’n 70 keer volgehouden tot november 2005.

Hoe waren de reacties?

Heel verschillend, vooral oudere mensen deden alsof ze je niet zagen en zeiden dan half in het voorbijgaan “antisemieten”. Anderen zeiden: “Bent u wel eens in Israël geweest?”of “Waar twee kijven hebben twee schuld”en “Palestijnen zijn ook geen lieverdjes”.

Het is opvallend hoe snel de meningen veranderd zijn in de loop van de laatste jaren. Steeds vaker hoorde je “Wat goed dat jullie dit doen.” of “Ik koop al jaren geen Israëlische producten.” Enkele reacties van joodse kant wil ik speciaal noemen. Ik herinner mij dat iemand zei: “Als u niet ogenblikkelijk ophoudt dan word ik vreselijk boos op u. Mijn naam is Cohen.” “Nou en?” hadden we kunnen antwoorden, maar we zwegen. Een vrouw uit de Watergraafsmeer zei: “Hoe durven jullie? Mijn hele familie is in de oorlog uitgemoord.” Dan weetje niet watje moet zeggen. Achteraf weet je het wel. Ik had moeten zeggen: “Wat hebben de Palestijnen daar mee te maken?” Je wordt altijd gefrustreerd met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet afgelopen. Het is pas echt afgelopen als de Palestijnse kwestie in billijkheid geregeld wordt. Rechtvaardigheid kan al bijna niet meer geëist worden. Er zijn nu ook rechten aan de andere kant ontstaan.

De laatste tijd merk ik pas dat mensen het een goede actie vonden. Maar het was niet vol te houden elke twee weken. De organisatie was zwaar. Pamfletten moesten steeds vernieuwd worden en ik vroeg mij afofhet wel zoden aan de dijk zette. Maar na de Tweede Intifada moesten we gewoon iets doen. Nu is het op een veel breder vlak opgepakt. Vooral in Engeland zijn o.a. vakbonden en kerken bezig met boycotacties, desinvesteren en sancties. Het Komitee is daar ook druk mee bezig. De bedoeling is dat we via het publiek bewustwording creëren. We willen het koopgedrag van het publiek beïnvloeden en daarmee een signaal afgeven aan Israël dat die zijn politiek moet wijzigen en VN resolutie 242 (beëindiging van de bezetting van 1967), VN resolutie over de muur en de VN resolutie 194 over de Palestijnse vluchtelingen moet uitvoeren. De Palestijnse vluchtelingen hebben het recht op terugkeer naar hun huizen en akkers. Voor mij is het dan pas voorbij. Maar er moet nog heel veel water door de Jordaan vloeien voordat het zo ver is.

Tot het zover is blijft u strijdbaar?

(Hij slaakt een zucht) Ik doe mijn best.

Oekraïne – Palestina: woorden doen ertoe

Thuis, op straat en zeker ook in de betrekkingen tussen landen doen woorden ertoe. Als president Poetin het heeft over zijn speciale militaire operatie in Oekraïne is onze reactie in Nederland meestal een meewarige glimlach. We weten wel beter. Sinds februari vorig jaar is immers een grootschalige Russische aanval gaande op Oekraïne.

Hoezo speciale militaire operatie? Als dit geen oorlog is wat is dan een oorlog? Als dit geen agressie is wat dan wel? Het is een schokkende schending van het internationaal recht, van de soevereiniteit van een buurland en van het zelfbeschikkingsrecht van het Oekraïense volk.

Aleksander Dugin, die wel wordt beschouwd als Poetins’ “huisfilosoof”, zegt dat de Russische waarheid niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als de Europese waarheid. Absolute waarheid bestaat volgens hem niet en dat valt moeilijk te weerleggen. Maar de notie dat je, al naar het jou uitkomt, van mening kunt verschillen over de betekenis van universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en soevereiniteit is angstaanjagend.

Toch gebeurt het. De Russische staatspropaganda heeft het over de dekolonisering van Oekraïne, over een strijd tegen de Westerse neoliberale hegemonie en een noodzakelijke stap om een einde te maken aan de unipolaire wereld, waar alleen de Verenigde Staten en bondgenoten het voor het zeggen hebben. Zelfs het bestaan van een Oekraïens volk met een eigen taal en cultuur wordt ontkend. Russische journalisten die het militaire geweld in Oekraïne toch een oorlog durven noemen lopen ze het gevaar hun baan te verliezen of -erger nog- de gevangenis in te draaien. Het droeve officiële Russische refrein is dat in Oekraïne nazi’s aan de macht zijn en dat het land ‘bevrijd’ moet worden.

Sympathisanten van de Palestijnse zaak in Nederland hebben er het afgelopen jaar veelvuldig op gewezen hoe verschillend er wordt gereageerd op de Russische agressie in Oekraïne en de Israëlische bezetting van Palestina. Oekraïne wordt grootscheeps gesteund door de Verenigde Staten en de Europese Unie, waaronder Nederland. Zonder de westerse wapensteun zou het grootste deel van Oekraïne ongetwijfeld al door Rusland zijn bezet.

Er zijn talrijke sancties afgekondigd tegen Rusland. Waarom geen sancties tegen Israël dat al decennia zich geen zier aantrekt van VN-resoluties en onverdroten doorgaat bezet Palestijns gebied te koloniseren?

De president van Oekraïne, Volodomyr Zelinkski, toonde zich -tot verbijstering van veel Palestijnen- bij verschillende gelegenheden een vriend van Israël. “We zijn verschillende landen en de omstandigheden verschillen totaal,” zei de president in een toespraak tot de Knesset in maart. “Maar de dreiging is dezelfde, voor jullie en voor ons: de totale vernietiging van ons volk, onze staat en cultuur.”

De Palestijnse schrijver en politicoloog Asad Ghanem schreef naar aanleiding van deze toespraak een open brief aan Zelinski. “Uw recente toespraak voor Knesset was een schande wat betreft de globale strijd voor vrijheid en bevrijding. U draait de rollen om van bezetter en bezette. U mist een gelegenheid om de rechtvaardigheid van uw zaak te laten zien.”

Dat de Oekraïense zaak een rechtvaardige is daaraan twijfelt Ghanem geen moment. Net als de meeste Palestijnen heeft hij absoluut geen sympathie voor de Russische agressie. “Ik ben kwaad en bedroefd dat Rusland probeert uw land te bezetten en de rechten van het Oekraïense volk op zelfbeschikking en vrijheid te vertrappen,” schrijft hij in zijn brief aan Zelinski. “Ik geloof dat Oekraïne al onze steun nodig heeft om zich te verzetten tegen deze barbaarse agressie.”

Ook filosoof Slavoj Žižek noemt Zelinskis’s vergelijking van de Oekraïne en Israël ‘totaal misplaatst’. Hij vindt dat de situatie van Oekraïners veel meer lijkt op die van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Israël ziet de Palestijnen niet als een natie die recht hebben op een eigen staat, net zoals Rusland ontkent dat Oekraïne het recht heeft zich een aparte natie te noemen. Rusland is, net als Israël, een nucleaire grootmacht, die de facto een kleiner, zwakkere land probeert te koloniseren. De Sloveen Žižek wijst er verder op dat Rusland in de bezette delen van Oekraïne een apartheidsbeleid voert, net als Israël ten aanzien van de Palestijnen.

Het is ironisch dat Israël tot dusver een dubbelzinnige positie inneemt ten aanzien van Oekraïne. Zo weigert Israël luchtafweergeschut en ander technologisch hoogontwikkeld wapentuig aan Oekraïne te leveren en doet het niet mee aan de sancties tegen Rusland. Zelfs nu Oekraïne praktisch dagelijks het slachtoffer is van aanvallen met in Iran vervaardigde drones, lijkt Israël zich op de vlakte te houden.

Israël wil Moskou niet tegen zich in het harnas jagen omdat het met de Russen samenwerkt in het Midden-Oosten. Israëlische en Russische gevechtsvliegtuigen zijn actief in hetzelfde Syrische luchtruim en coördineren hun operaties dagelijks. Israëls vroegere en toekomstige premier Benjamin Netanyahu gaat er prat op een goede persoonlijke band te hebben met Poetin. “Het is geen liefdesrelatie,” zegt hij er zelf over, het is een relatie in het belang van de ‘veiligheid van Israël’. Het valt niet te verwachten dat Netanyahu in de complexe driehoeksverhouding met Rusland en Oekraïne in de toekomst de balans zal laten doorslaan ten gunste van Oekraïne.

Žižek verdenkt de Oekraïense leiders ervan een ideologisch belang te hebben hun strijd voor te stellen als de verdediging van Europa en Europese waarden tegen een ‘barbaars en totalitair oosten’. Het is dezelfde ideologie die, bewust of onbewust, veel Nederlanders doet sympathiseren met de Oekraïense vrijheidsstrijd, terwijl ze onverschillig blijven voor het lot van de Palestijnen.

Woorden doen ertoe. Principes doen ertoe. Een ‘Europese waarheid’ bestaat niet, net zomin als een Russische of Israëlische waarheid. Universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en zelfbeschikking zijn nu eenmaal ondeelbaar.

Voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, 17 december 2022

Winter in Gaza: wateroverlast, kou, kapotte infrastructuur

Er stond midden januari zo’n vijftig, zestig centimeter water in veel straten en stegen van Gaza. De harde regen viel in januari dagen achtereen, het dagelijkse leven werd totaal ontwricht. Kinderen waadden tot hun knieen door het water om naar school te gaan. Sommige mensen timmerden een vlot om zich voort te kunnen bewegen. 

In de winter zijn de nachten koud in Gaza. Veel huizen die tijdens de Israelische beschietingen en bombardementen van mei werden beschadigd zijn nog niet hersteld. Door de scheuren en kieren in de muren is het onmogelijk het binnen warm te krijgen. Inwoners van Gaza slapen onder een extra paar dekens., kinderen kruipen dicht tegen elkaar aan. Maar als het regent wordt de hele boel kleddernat, vooral in vluchtelingenkampen waar veel woningen zwaar beschadigde zijn. 

Het lijkt of de overstromingen in Gaza elk jaar erger worden. De schijn bedriegt niet want de gemeentes hebben meestal geen geld om de wegen te repareren. En zelfs daar waar wel reparaties plaatsvonden is het voor de lokale autoriteiten geen doen om, na de nieuwe vernielingen van mei, opnieuw alles voor de winter in orde te hebben. Na vier rondes van geweld is Gaza zwaargehavend. Volgens cijfers van de Verenigde Naties werden in mei 56.000 woningen beschadigd en 2.100 werden compleet verwoest.

Volgens de Palestijnse autoriteiten en de Wereldbank hebben de bewoners van Gaza 479-miljoen dollar nodig voor het herstel van hun woningen en voor reparatie van de infrastructuur. Van dit bedrag is slechts 100-miljoen dollar inmiddels uitgekeerd. Het gaat hierbij vooral om geld uit Qatar en hulp uit Egypte. 

Wateroverlast in Jabalya vluchtelingenkamp

Israelische luchtbombardementen en beschietingen doodden in mei 250 Palestijnen, waaronder 66 kinderen. In Israel vielen, als gevolg van de raketbeschietingen door Hamas, 13 doden waaronder 2 kinderen. 

De winterellende in Gaza komt op een moment dat de gezondheidszorg in Gaza, die onder de “normale” omstandigheden van oorlog en beleg al onder enorme druk staat, het nog moeilijker heeft gekregen door corona. Volgens het Palestijnse Ministerie van Gezondheid zijn sinds het begin van de pandemie tot eind januari 1.725 mensen in Gaza gestorven aan de gevolgen van corona. Ongeveer een derde van de volwassen bevolking is volledig gevaccineerd, tegen 60% op de bezette Westoever. 

Help ons helpen!

De Stichting Groningen-Jabalya steunt de gezondheidszorg in Gaza via de Palestine Medical Relief Society (PMRS). Draag bij aan de medische zorg in Jabalya (Gaza) en doneer op NL92INGB0006687678 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya onder vermelding van ‘noodhulp PMRS’. 

Gaza: een apart geval van misdaden tegen de menselijkheid

Een Groninger hoef je niet uit te leggen waar Wadapartja voor staat. Nee, het is geen Javaans restaurant of winkel met Nepalese nepantiek. Wadapartja is de Groningse benaming voor een uitzonderlijke –aparte– eet- en drinkgelegenheid, waar ook aparte spulletjes kunnen worden gekocht. 

In het Groninger dialect heeft apart zijn oorspronkelijke betekenis behouden van origineel, uitzonderlijk. In het aan het Nederlands verwante Afrikaans hebben apart en apartheid een meer sinistere betekenis gekregen. Apartheid in Zuid-Afrika groeide uit tot een perverse vorm van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding. Aan die segregatie tussen zwarten, kleurlingen en blanken lag het waanidee ten grondslag dat de laatsten superieur waren. Het zogenaamde baasskap, ook al zo’n Afrikaans woord wat we in Nederland maar al te goed begrijpen. 

Gelukkig werd in 1994 het apartheidssysteem in Zuid-Afrika, na jaren van binnenlandse strijd, mondiale protesten en diplomatieke druk, formeel opgeheven. In 1973 werd het Internationaal Verdrag voor de Bestrijding en Bestraffing van de Misdaad van Apartheid gesloten, de zogenaamde Apartheidsconventie. Dit verdrag, dat in 1976 van kracht werd, maakte apartheid volgens het internationaal recht een misdaad. In 1998 werd in het Statuut van Rome, dat ten grondslag ligt aan de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC), eveneens bepaald dat apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid.

In november publiceerde de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, die gevestigd is in Gaza, een document onder de titel The Gaza Bantustan—Israeli Apartheid in the Gaza Strip’. In het rapport, gebaseerd op het werk van Palestijnse, Israëlische en internationale mensenrechtenexperts, wordt duidelijk in hoeverre Gaza op zo’n Zuid-Afrikaans Bantustan lijkt. 

Het gaat om een door het Israëlische leger nu al veertien jaar geïsoleerd gebied, hermetisch afgesloten van Israël en de rest van de bezette Palestijnse gebieden. De tweemiljoen inwoners van Gaza worden blootgesteld aan herhaaldelijk excessief geweld. Duizenden burgers werden gedood, hun huizen verwoest en kinderen, patiënten en vissers werden arbitrair gearresteerd en gevangengezet.  

Al Mezan concludeert dat het Israëlisch beleid ten aanzien van Gaza neerkomt op de “onmenselijke daden”, zoals die gedefinieerd zijn in de Apartheidsconventie. Het gaat om moord, het toebrengen van psychisch en lichamelijk letsel, illegale arrestaties, strafmaatregelen en het ontnemen van het recht om vrijelijk het gebied te verlaten en ernaar terug te keren. 

Deze onmenselijke politiek van de Staat Israël is er, volgens Al Mezan, op gericht de overheersing van één etnische groep, Israëlische joden, ten opzichte van een andere etnische groep, de Palestijnen, te vestigen en te bestendigen. Een soort Israëlische baasskap dus, onder het voorwendsel van veiligheid maar in feite vanuit een misplaatst idee van superioriteit. 

In het rapport wordt eraan herinnerd dat de staat Israël de levens van ongeveer zeven miljoen joodse Israëli’s controleert en van zeven miljoen Palestijnen, in Israël zelf en in de bezette Palestijnse gebieden. De staat Israël maakt gebruik van allerlei wetten en maatregelen die erop gericht zijn de Palestijnse bevolking te onderdrukken en territoriaal te verdelen en te scheiden, om het ‘joodse karakter’ en superioriteit van Israël te waarborgen. 

Al Mezan roept de internationale gemeenschap op zijn verplichtingen na te komen en een einde te maken aan Israëls onrechtvaardige apartheidsregime, zoals ook gebeurde met de apartheid in Zuid-Afrika. Herinnerd wordt aan een uitspraak van Nelson Mandela in 1997: “De Verenigde Naties hebben een duidelijk standpunt ingenomen tegen apartheid. Er ontstond een internationale consensus die hielp om een einde te maken aan het onrecht. Maar we weten heel goed dat onze vrijheid onvolledig is zonder de vrijheid van de Palestijnen”. 

De muur rond Gaza. Foto: Israëlisch Ministerie van Defensie

Enkele dagen na publicatie van het rapport van Al Mezan leidden de Israëlische minister van defensie Benny Gantz en opperbevelhebber generaal Aviv Kochavi een plechtigheid om de gereedkoming te vieren van de ijzeren afscheidingsmuur. Kosten noch moeite waren gespaard om de muur, volgens de Israëli’s ‘enig in zijn soort in de wereld’, te bouwen en van Gaza definitief een Bantustan te maken. Of erger…

Drie en een half jaar was eraan gewerkt, 140.000 ton ijzer en staal was ervoor verwerkt en de monstermuur had haast een miljard euro gekost. Het bouwwerk is 65 kilometer lang, zes meter hoog en nog enkele meters ondergronds. Overal op de fortificatie werd elektronische apparatuur aangebracht. Antennes, sensoren, radars en camera’s moeten ervoor zorgen dat Gaza rigoureus en tot nader order afgescheiden is van Israël, Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de rest van de wereld.  

De rechtvaardiging voor de afscheidingsmuren is onveranderlijk dat ze voor Israëls veiligheid nodig zijn. Zo werd triomfantelijk aangekondigd dat Israël in de naaste toekomst ook langs de grens met Libanon een muur met technologische hoogstandjes wil bouwen. Maar de vraag is of op den duur muren en apartheid echt voor veiligheid zullen zorgen. 

Het is een cliché Gaza een openluchtgevangenis te noemen, maar dat is helaas in 2021 meer dan ooit een feit. De Gaza-muur doodt de hoop, maakt dat jongeren geen perspectieven zien en is, deep down, een symbool van arrogantie, ongelijkheid en onrecht.

Wadapartja dat vandaag de dag nog steeds muren worden gebouwd om mensen van elkaar te scheiden…

Geschreven voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, december 2021 (https://www.groningen-jabalya.com/?p=5675)

Gaza kan niet wachten

Het is als een film die telkens wordt herhaald en die we zo langzamerhand wel kunnen dromen. In 2008-’09, 2012, 2014 en mei 2021 kwam het tot grootscheepse Israëlische aanvallen op Gaza. De tol was hoog. Meer dan 4.000 mensen verloren hun leven, waarvan 260 in mei; een kwart miljoen woningen werd beschadigd, waarvan 4.000 dit jaar en de totale schade loopt in de miljarden euro’s.

Dat is niet niks.

Het is ook geen kleinigheid om zo’n tweemiljoen mensen in een gebied van 365 vierkante kilometer jarenlang te onderwerpen aan een land-, zee- en luchtblokkade. Ter vergelijking: de gemeente Emmen in Drenthe beslaat 346 vierkante kilometer en heeft 20 keer minder inwoners. En Emmen wordt uiteraard niet afgesloten van de rest van de wereld.  

De rigoureuze Israëlische politiek heeft niet geresulteerd in machtsverlies laat staan de vernietiging van Hamas, de islamitische beweging die Gaza sinds 2007 bestuurt. De leefomstandigheden zijn er inmiddels mensonwaardig, de humanitaire situatie onacceptabel, maar het lijkt onmogelijk de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. 

Tussen de grootscheepse militaire confrontaties door blijft het pijnlijk rommelen aan de grens met Gaza. Ondanks het wankele staakt-het-vuren waarmee de confrontaties in mei werden afgesloten, wordt er geregeld gedemonstreerd bij het grenshek en worden ‘brandbalonnen’ opgelaten, uit protest tegen het niet-doorlaten van bouwmaterialen en het afknijpen van humanitaire hulp. Israël “antwoordt” dan weer steevast op deze acties met luchtbombardementen. De partijen lijken op een onafwendbare vijfde ronde van dood en verderf af te stevenen. 

De nieuwe Israëlische premier Naftali Bennett bezocht in augustus het Witte Huis en in een persconferentie met de Amerikaanse media had Bennett het over Iran, de vriendschap tussen Israël en de VS en de bestrijding van corona, maar niet over Gaza. Als je Bennett hoort praten lijken de Palestijnen en Gaza niet te bestaan. 

Bennett is een havik en wil geen enkele politieke concessie doen aan de Palestijnen, hij blijft faliekant tegen de tweestaten-oplossing. Hij denkt dat als Israël het leven voor de Palestijnen wat dragelijker maakt, vooral in economisch opzicht, dat dan het vredesproces kan worden “geparkeerd”.

Wat deze opvatting voor Gaza betekent blijft vooralsnog onduidelijk.

De Zweedse politicus en diplomaat Carl Bildt schreef na de oorlog in mei een artikel waarin hij pleitte voor vier moedige stappen om de impasse van Gaza te doorbreken.

In de eerste plaats moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. De blokkade heeft Gaza’s economie vernield en buitenlandse handel praktisch onmogelijk gemaakt. De blokkade heeft smokkel in hand gewerkt, die weer voor een groot deel wordt gecontroleerd door Hamas. In dat opzicht heeft de blokkade Hamas eerder versterkt dan verzwakt.

In de tweede plaats moet Israëli’s in veiligheid kunnen leven. Geen enkel land accepteert willekeurige raketbeschietingen. Maar Israël moet ook erkennen dat zijn huidige defensiepolitiek heeft gefaald.

Ten derde moet Gaza weer onder internationaal erkend Palestijns bestuur geplaatst worden. Geen hulp voor Gaza en geen wederopbouwfondsen zonder vrije en eerlijke verkiezingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.

Tenslotte vereist een oplossing op de lange duur dat de toekomstige staat Palestina Gaza kan gebruiken voor toegang tot de Middellandse Zee en daarmee tot de rest van de wereld. Gaza heeft een eigen haven en vliegveld nodig en een veilige verbinding met de Westelijke Jordaanoever. 

De Palestijnse journalist Daoud Kuttab wees er onlangs op dat zelfs als Bennett geen politieke vooruitgang wil in het Israëlisch-Palestijnse vredesproces, Israël wel gehouden is aan de Oslo-akkoorden. In die akkoorden wordt gesproken over een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever. Volgens het door beide partijen ondertekende akkoord zijn Gaza en de Westoever “een territoriale eenheid”. 

Drie jaar geleden stelden de Nederlandse parlementariërs Sjoerd Sjoerdsma (D66) en Joel Voordewind (ChristenUnie) voor een internationale Gaza-conferentie te organiseren, waar het plan voor een veilige verbinding tussen Gaza en de Westoever besproken zou moeten worden. Een veilige route om medische zorg, familiehereniging en handel makkelijker gemakkelijker te maken en de ‘geweldsspiraal te doorbreken’.

Het plan verdween, zoals zoveel pogingen om uit de Gaza-impasse te komen, in een zwart gat. Het duo Netanyahu-Trump had andere opvattingen over vrede in het Midden-Oosten. En Nederland en de EU hadden niet de politieke wil of daadkracht om zich  echt hard te maken voor een oplossing in Gaza.

Het zal duidelijk zijn dat voor Carl Bildts vier stappen politieke druk nodig is, vooral vanuit de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit en Hamas moeten daarnaast tot een akkoord komen over verkiezingen en Naftali Bennett moet ervan overtuigd worden dat Israël ook andere opties heeft dan de militaire. 

De vier stappen zijn ondenkbaar zonder dat Israël en de Palestijnen weer aan de onderhandelingstafel plaatsnemen en dat is precies het laatste wat Bennett wil.

De kans dat er straks een reprise komt van de Gaza-horrorfilm en een vijfde ‘ronde’ van raketten en bombardementen, is dus groot. Niemand lijkt uit te kijken naar wederom hartverscheurende beelden uit Gaza, maar geen van de hoofdrolspelers in het drama maakt haast om zelfs maar tot een begin van een oplossing te komen. Alleen de inwoners van Gaza: zij kunnen niet wachten op een verbetering van hun situatie. Geen dag langer. 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, september 2021: https://www.groningen-jabalya.com/wp-content/uploads/2021/09/Jabalya-nieuwsbrief-48.pdf?fbclid=IwAR23BwMav4JxgAJPzS8Na0eZ58ak_cgqIvZd2_2HobEAvgy2gtHl7eIw0hc

Ook gepubliceerd op https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/

Gaza can’t wait

It is like a movie that is repeated over and over again. In 2008-09, 2012, 2014 and May 2021, there were large-scale Israeli attacks on Gaza. More than 4,000 people lost their lives, 260 of them in May; a quarter of a million homes were damaged, of which 4,000 this year and the total damage is in the billions of euros.

The toll was enormous.

Ap infographic

It is also no small matter to subject some two million people in an area of ​​365 square kilometers to a land, sea and air blockade for years. In comparison: the municipality of Emmen in the province of Drenthe covers 346 square kilometers and has 20 times fewer inhabitants. And Emmen is of course not cut off from the rest of the world. The living conditions in Gaza are now inhumane, the humanitarian situation unacceptable. In fact a UN expert declared Gaza to have become unlivable “with an economy in free fall, 70 per cent youth unemployment, widely contaminated drinking water and a collapsed health care system”.

Why is it not possible to make an end to this disaster and to the vicious circle of violence? Rigorous Israeli policies have not resulted in a loss of power of Hamas, let alone the destruction of the Islamist movement, that has ruled Gaza since 2007. 

After the large-scale military confrontations in May, the border with Gaza is still not quiet. Despite the shaky ceasefire that ended the clashes in May, there are regular demonstrations at the border fence and “fire balloons” are released in protest against the Israeli blockage of construction materials and the throttling of humanitarian aid. Israel invariably “answers” to these actions with aerial bombardments. The parties seem to be heading for an inevitable fifth round of death and destruction.

New Israeli Prime Minister Naftali Bennett visited the White House in August and in a press conference with US media, Bennett talked about Iran, the friendship between Israel and the US and the fight against corona. But not about Gaza. When you hear Bennett talk, the Palestinians and Gaza don’t seem to exist.

Bennett is a hawk and does not want to make any political concessions to the Palestinians, he remains firmly against the two-state solution. But he does think that if Israel makes life a little more bearable for Palestinians, especially economically, then the peace process could be “parked”.

Swedish politician and diplomat Carl Bildt wrote an article after the May war in which he argued for four courageous steps to break the deadlock in Gaza.

What this view means for Gaza remains unclear for the time being.

Firstly, the blockade of Gaza must be lifted. The blockade has wrecked Gaza’s economy and made foreign trade practically impossible. Instead, the blockade has facilitated smuggling, which in turn is largely controlled by Hamas. In that regard, the blockade has strengthened rather than weakened Hamas.

Secondly, Israelis must be able to live in safety. No country accepts indiscriminate rocket fire. But Israel must also recognize that its current aggressive policy has failed.

Thirdly, Gaza must be returned to internationally recognized Palestinian rule. No aid for Gaza and no reconstruction funds without free and fair elections in Gaza and the West Bank, including East Jerusalem.

Finally, a long-term solution requires that the future state of Palestine be able to use Gaza for access to the Mediterranean and thus to the rest of the world. Gaza needs its own port and airport and a secure connection to the West Bank.

Palestinian journalist Daoud Kuttab recently pointed out that even if Bennett does not want political progress in the Israeli-Palestinian peace process, Israel is bound by the Oslo Accords. Those agreements include a secure connection between Gaza and the West Bank. According to the agreement signed by Israel and the PLO, Gaza and the West Bank are “one territorial unit”.

Three years ago, Dutch parliamentarians Sjoerd Sjoerdsma (D66) and Joel Voordewind (ChristenUnie) proposed organizing an international Gaza conference to discuss the plan for a secure connection between Gaza and the West Bank. A safe route to make medical care, family reunification and trade easier and to break the ‘spiral of violence’.

The plan, like so many attempts to break out of the Gaza stalemate, disappeared into a black hole. The Netanyahu-Trump duo had different views on Middle East peace. And the Netherlands and the EU did not have the political will or guts to really push for a solution in Gaza.

It will be clear that Carl Bildts four steps require foreign political pressure, especially from the EU and the US. The Palestinian Authority and Hamas must come to an agreement on elections and Naftali Bennett must be convinced that Israel also has other options than only the military option.

The four steps are inconceivable without Israel and the Palestinians sooner or later returning to the negotiating table, and that is exactly the last thing Bennett wants.

The chance that there will soon be a replay of the Gaza horror movie and a fifth ’round’ of rockets and bombings is therefore high. No one seems to be looking forward to yet again heartbreaking footage from Gaza, but none of the drama’s protagonists is in any rush to even begin working on a solution. Only the residents of Gaza: they cannot wait for their situation to improve. Not a day longer.

Dit artikel in het Nederlands: https://rightsforum.org/opinie/gaza-kan-niet-wachten/

Wat betekent het voor Gaza als annexatie doorgaat?

Groningen heeft een speciale band met het vluchtelingenkamp Jabalya in de Gazastrook. In de Palestijnse gebieden neemt de onrust toe over de dreigende annexatie van Palestijns grondgebied door Israël.

Demonstratie in Gaza ten de gedeeltelijke annexatie van de Westelijke Jordaanoever eind juni 2020

De Verenigde Naties, de Wereldraad van Kerken, meer dan duizend Europese parlementsleden, honderden Israëlische intellectuelen en – last but not least – de Palestijnen zelf hebben krachtig gewaarschuwd tegen de dreigende annexatie van delen van de Palestijnse gebieden. Als premier Netanyahu zijn plan op de aangekondigde datum van 1 juli doorzet, zou dat een flagrante schending van het internationaal recht betekenen.

De Westelijke Jordaanoever werd al in 1967 door Israël bezet. Er werden Israëlische nederzettingen gebouwd en inmiddels wonen er zo’n half miljoen kolonisten, te midden van drie miljoen Palestijnen. Tot dusver beschouwde Israël het gebied niet als formeel onderdeel van zijn grondgebied. Maar nadat de Amerikaanse president Donald Trump een omstreden vredesplan voor de regio lanceerde, gelooft de Israëlische regering dat het licht op groen staat om ongeveer een derde van de Westelijke Jordaanoever als deel van Israël te beschouwen. 

Apartheidsstelsel

Met deze drastische stap is een levensvatbare Palestijnse staat, naast Israël, feitelijk onmogelijk geworden. Onderhandelen over een twee-staten-oplossing heeft dus geen zin meer. Onderhandelen over een vredesregeling heeft evenmin veel zin. Israël heeft de Palestijnen immers weinig meer te bieden dan beperkte autonomie in hun, van elkaar afgesloten, geïsoleerde enclaves. Gelijke burgerrechten voor de Palestijnen zitten er, volgens Netanyahu, ook niet in. Het heilige land lijkt dus af te koersen op een situatie die onaangenaam veel gelijkenis vertoont met een apartheidsstelsel. 

Band met Groningen

Wat betekent dit voor de twee miljoen Palestijnen in de kustenclave Gaza? Veel mensen in Groningen voelen zich op de een of andere manier verbonden met Gaza. In het noorden van de Gazastrook, vlakbij het vluchtelingenkamp Jabalya, staat een door Groningse architecten ontworpen gebouw dat in 2005 werd opgeleverd als jeugdcentrum en nu dienstdoet als school. Dit mooie gebouw werd destijds gefinancierd door de gemeente Groningen. Al meer dan twintig jaar zet de Stichting Groningen-Jabalya zich met succes in voor contacten, vriendschap en begrip tussen Stadjers en de inwoners van Gaza, die voor een groot deel vluchteling en straatarm zijn. 

Te mooi om waar te zijn

Het ‘vredesplan’ van president Trump voorziet gouden bergen voor Gaza: een industriële zone in de aangrenzende Negev-woestijn, een ferme impuls voor de economie en vrij verkeer met de Westelijke Jordaanoever via een corridor. Te mooi om waar te zijn. Er hangt dan ook een prijskaartje aan: de islamitische organisatie Hamas moet zich ontwapenen, het gebied wordt gedemilitariseerd en Gaza moet zich schikken naar het visioen van Trump en Netanyahu van een verbrokkelde Palestijnse ‘staat’ zonder soevereiniteit en zonder Jeruzalem als hoofdstad.

Voor de 1,2 miljoen vluchtelingen in Gaza, nazaten van de Arabische bevolking die voor 1948 in Israël woonde, komt daar dan nog bij dat het Trump-plan niet voorziet in een rechtvaardige oplossing voor hen.

Hek

De VS en Israël hebben uiteraard nooit serieus verwacht dat Hamas en andere groeperingen in Gaza de witte vlag buiten zouden hangen. Israël heeft met de afsluiting van Gaza een situatie gecreëerd waarbij het gebied volledig in de tang gehouden wordt. En dat zal voorlopig niet veranderen. Er staat een groot hek tussen Israël en Gaza. Maar dit hek is geen echte grens. Gaza valt volledig binnen de Israëlische invloedssfeer. De afsluiting past in een patroon dat vroeger ook in Zuid-Afrika werd toegepast: reservaten creëren voor bevolkingsgroepen die als minderwaardig en ongewenst worden beschouwd.

Schietpartijen

De wekelijkse demonstraties van de inwoners van Gaza bij het hek werden de afgelopen jaren met geweld beantwoord. Meer dan tweehonderd demonstranten werden doodgeschoten door Israëlische militairen. De schietpartijen gaven een duidelijke boodschap af aan de bevolking van Gaza: vergeet het recht op terugkeer en blijf waar je bent; blijf in je hok.

De dreigende formele annexatie en de verdere isolering van de Palestijnse enclaves, waaronder Gaza, zijn twee kanten van dezelfde medaille: de grenzeloze Israëlische ambitie om het gehele gebied in bezit te nemen. De kolonisering van Palestina is in een nieuwe fase terechtgekomen die voor Gaza weinig goeds belooft.

De inwoners van Gaza blijven de sympathie en steun van Groningers nodig houden.

Jan Keulen en Lejo Siepe, mede namens het bestuur van Stichting Groningen-Jabalya. Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 29 juni 2020