Over de PvdA, antisemitisme en ossenworst etende vegetariërs

De Partij van de Arbeid heeft de antisemitisme-definitie van de International Holocaust Remembrance Association (IHRA) omarmd. De partij lijkt gezwicht voor druk van de Israël-lobby.

Stemming tijdens een PvdA-congres. Of de draai van de PvdA met betrekking tot de IHRA-definitie op steun van de leden kan rekenen, mag worden betwijfeld. Rozenetwerk PvdA 

Met haar plotse besluit heeft de PvdA namelijk een ommezwaai gemaakt van 180 graden. In november vorig jaar stemde de Tweede Kamerfractie nog tegen een SGP-motie waarin de regering werd opgeroepen steun te verlenen aan het hanteren van de IHRA-werkdefinitie. PvdA-Kamerleden lieten zich destijds juist kritisch uit over de definitie en uitten de vrees dat deze de vrijheid van meningsuiting zou inperken.

Die vrees is nu terzijde geschoven. Volgens de PvdA is ‘er meer nodig’ vanwege de toename van het antisemitisme. En dat ‘meer’ bestaat uit het ‘onderschrijven van de IHRA-definitie als onderdeel van een effectieve aanpak van hedendaags antisemitisme’.

Broodje ossenworst

Voor de PvdA is de werkdefinitie een hulpmiddel dat ‘in geen geval gezien kan worden als een politiek instrument om de vrijheid van meningsuiting in te perken’. In de verklaring wordt er op gewezen dat het voor de PvdA vanzelf spreekt ‘dat iedereen vrij is en blijft om kritiek te uiten op de politiek van elke staat. Ook op de politiek van de staat Israël’.

The Rights Forum heeft een en andermaal betoogd dat die ‘werkdefinitie’ uitblinkt door vaag taalgebruik, niet deugt en dat het wel degelijk een politiek instrument is om kritiek op Israëls Palestinapolitiek als ‘antisemitisch’ de kop in te kunnen drukken. Met de definitie is niet zozeer de bescherming van joden, maar bovenal die van Israëls politiek van bezetting, kolonisering en overheersing gediend. Aan de definitie hangen voorbeelden van wat wordt genoemd ‘hedendaags antisemitisme’. Een aantal daarvan heeft duidelijk betrekking op een kritische bejegening van de staat Israël.

Zeggen dat je de IHRA-definitie onderschrijft en tegelijkertijd opkomt voor de vrijheid om de Israëlische politiek te bekritiseren, lijkt verdacht veel op een vegetariër die zegt geen probleem te hebben met het consumeren van een dagelijks broodje ossenworst.

‘Indringende gesprekken’

In de PvdA-verklaring wordt onthuld dat de onderschrijving van de IHRA-definitie volgt op een periode waarin de PvdA ‘indringende gesprekken heeft gevoerd met joodse Nederlanders’. Dat roept vragen op. Welke ‘joodse Nederlanders’? Wie praatte met wie? Wanneer? Waarom waren organisaties als Een Ander Joods Geluid en The Rights Forum, waar ook ‘joodse Nederlanders’ intensief bij betrokken zijn, niet uitgenodigd voor deelname aan die gesprekken?

Het is niet vergezocht te vermoeden dat deze niet nader genoemde ‘joodse Nederlanders’ vertegenwoordigers van het CIDI en andere pro-Israël lobbygroepen waren. Deze organisaties hebben de afgelopen jaren een niet-aflatende lobby gevoerd voor de invoering van de IHRA-definitie. Was dat werkelijk om het antisemitisme beter te kunnen bestrijden? Was dat om de ‘alle joden aan het gas’-spreekkoren bij voetbalwedstrijden tegen te gaan? Was dat om de vrijheid af te dwingen om met een keppeltje over straat te gaan?

Nee.

Dat was om critici van de bezetting te kunnen diffameren en uiteindelijk mogelijk ook te criminaliseren. Om aanhangers van economische sancties tegen Israël en boycot van producten uit de nederzettingen weg te zetten als Israël-haters en vervolgens als Jodenhaters en antisemieten.

GroenLinks op het hakblok

Dit is niet overdreven, zo blijkt bijvoorbeeld uit de lawine van verbale stront die GroenLinks Europarlementariër Judith Sargentini het afgelopen weekend over zich heen kreeg toen zij tweette dat het GroenLinks-congres een resolutie had aangenomen die stelde ‘dat BDS een geoorloofd middel is om de Palestijnen te helpen in hun strijd voor rechtvaardigheid’.

De lobbyisten van CIDI c.s. beperkten zich tot kwalificaties als ‘verbijsterend’ en ‘schandalig’ en maakten, aan duidelijkheid overigens niets te wensen overlatende, associaties van BDS met terrorisme en antisemitisme. De schare, vaak uiterst rechtse, volgers van deze pro-Israël lobbyisten deden er online in hun scheldpartijen en haatorgiën nog een aantal schepjes bovenop en schrokken er niet voor terug mevrouw Sargentini en GroenLinks zonder meer als antisemitisch te bestempelen.

Inhoudelijk debat onmogelijk

The Rights Forum is de afgelopen tijd overigens gewend geraakt aan de dagelijkse beschuldigingen van antisemitisme.

Wij maken ons, met de PvdA, zorgen over racisme en discriminatie en antisemitisme. Ook wij vinden dat joodse mensen vrij en veilig in ons land moeten kunnen leven.

Tegelijkertijd maken we ons ook zorgen over de toon van het politieke debat. De kwestie-Israël/Palestina is, om een scala aan redenen, een ‘open zenuw’ in de Nederlandse politiek, maatschappij en media. We snappen de gevoeligheden maar al te goed. Tegelijkertijd haten we de polarisatie die een inhoudelijk gesprek onmogelijk lijkt te maken.

Hulpmiddel voor haatzaaiers

Eerlijk gezegd zijn er aan onze kant ook gevoeligheden. De beschuldigingen van antisemitisme raken ons diep.  We zien antisemitisme als iets verderfelijk. Tegen discriminatie en racistische behandeling van joden op basis van hun etniciteit of religie moet inderdaad worden opgetreden.

Maar als we protest laten horen tegen discriminatie en racistische behandeling van Palestijnen in Israël, tegen de schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten door Israël, dan moeten we dat in Nederland in volle vrijheid kunnen doen. De IHRA-definitie als hulpmiddel helpt ons echter van de wal in de sloot. Het is, ironisch genoeg, in veel gevallen vooral een hulpmiddel voor haatzaaiers, verspreiders van vals nieuws en pro-Israël lobbygroepen.

The Rights Forum 18 februari 2019 / Joop.nl 19 februari 2019

=

Joods Akkoord: definitie antisemitisme beperkt vrijheid van meningsuiting

Geen weldenkend mens zal tegen bestrijding van het antisemitisme zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste politieke partijen in Amsterdam deze week het Joods Akkoord onderschreven. Het is immers onverdraaglijk dat in deze stad van tolerantie en vrijheid joodse medeburgers het gevoel hebben bedreigd te worden.

cartoon antisemitism

Veel van de in het Joods Akkoord genoemde afspraken en voornemens zijn dan ook toe te juichen. Toch schuilt er een adder onder het gras. Want wat is precies antisemitisme? In de tekst van het Joods Akkoord heet het: “de door de Europese Unie aangenomen definitie van antisemitisme”.

Dat is misleidend want de Europese Commissie heeft nimmer een antisemitisme-definitie aangenomen. In mei omarmde het Europees Parlement wel de “werkdefinitie” van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Deze werkdefinitie is door een aantal Europese landen (Groot-Brittannië, Duitsland en Oostenrijk) overgenomen, maar heeft geen juridische status.

Na vragen uit de Kamer liet de Nederlandse regering -bij monde van de ministers Asscher en Koenders- vorig jaar weten de IHRA-werkdefinitie niet wettelijk te verankeren omdat de huidige Nederlandse wetgeving genoeg ruimte biedt voor bestrijding van antisemitisme en andere vormen van discriminatie.

Dat was verstandig want de “werkdefinitie” is juridisch en politiek omstreden. Hij laat ruimte voor een inperking van de vrijheid van meningsuiting als het om kritiek op Israël gaat. Zo zou, volgens de werkdefinitie, iemand die het bestaan van Israël als “joodse staat” afwijst, als antisemitisch kunnen worden bestempeld. Antisemitisch zou ook zijn als aan Israël eisen worden gesteld, die niet ook aan andere landen worden gesteld. Dat betekent dat Israël pas bekritiseerd mag worden, als andere landen met vergelijkbaar gedrag eerder zijn aangesproken. De IHRA-definitie kan dusdanig geïnterpreteerd worden dat voorstanders van een Israël-boycot het label “antisemitisch” krijgen opgeplakt.

Pro-Israël organisaties als het CIDI en het Centraal Joods Overleg hebben de afgelopen tijd een stevige lobby gevoerd om de IHRA-definitie officieel aangenomen te krijgen in Nederland. Waarom eigenlijk? Is het een onontbeerlijk instrument om het antisemitisme effectief op straat en in scholen tegen te gaan? Nee, naar onze mening gaat het vooral om het stigmatiseren van democratisch en geweldloos verzet tegen het illegale beleid van de staat Israël. Onder het mom van ‘de strijd tegen het antisemitisme’ worden degenen die de bezettings- en annexatiepolitiek van de Israëlische regering aan de kaak stellen, in diskrediet gebracht als “antisemitisch”.

In het Joods Akkoord wordt de IHRA-definitie niet met name genoemd, maar wel gerefereerd aan de “werkdefinitie” uit 2005 van het, overigens niet langer bestaande, Europese Monitoring Center on Racism and Xenophobia. De bezwaren die gelden voor deze werkdefinitie zijn echter dezelfde als de, in veel opzichten, identieke IHRA-definitie. Het lijkt erop dat, onder het mom van strijd tegen antisemitisme, de controversiële en polariserende IHRA-definitie via een Amsterdamse achterdeur Nederland alsnog wordt binnengehaald.

Is dit geneuzel over woorden? Niet als degenen die ijveren voor het aannemen van de IHRA-definitie, je in publicaties en op sociale media nu al geregeld associëren met antisemitisme. Niet als je kritisch in het debat over Israël en Palestina staat, zoals The Rights Forum.

Het hanteren van een gepolitiseerde en “flexibele” definitie van antisemitisme in Amsterdam opent de deur voor verdere verharding van dat debat. Het gaat daarbij helaas vaak niet langer over de feiten, maar het wordt gekenmerkt door verdachtmakingen en karaktermoord.

Het is goed dat Amsterdam optreedt tegen antisemitisme en andere vormen van discriminatie. Goed ook om extra aandacht in het onderwijs aan de Shoah te besteden. Maar laat er dan ook open gesproken kunnen worden over de illegale bezetting van Palestijns gebied en over de onacceptabele manier waarop de Palestijnen worden behandeld.

7 maart 2018 (aangeboden aan Het Parool, niet geplaatst)

Bittere herdenkingen in 2017: rouwen en vieren

Als een conflict maar lang genoeg duurt zijn er genoeg historische hoogte- en dieptepunten om te herdenken. Dat geldt zeker voor het conflict om Palestina.

Ga maar na: 2017 was het jaar dat het honderd jaar geleden was dat de Britse minister Arthur Balfour de zionistische beweging een “joods tehuis” in Palestina beloofde. Het was 70 jaar geleden dat de Verenigde Naties het Britse mandaat over Palestina beëindigde en het “verdelingsplan” aannam, waarbij het land opgedeeld zou worden in een Joodse en een Arabische staat. En 50 jaar geleden, in 1967, bezette het Israëlische leger de laatste stukken Palestina: de Westoever inclusief Oost-Jeruzalem en Gaza.

Er viel dit jaar veel te vieren en veel te rouwen. Ik heb gemengde gevoelens over dit jaar. Het herdenken betrof immers geen afgesloten historische gebeurtenissen maar een nog steeds doorgaand proces van koloniseren en verdringing van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking. Het vieren werd vooral verricht door de Israëlische regering en haar achterban en bondgenoten. Ondertussen rouwde het Palestijnse volk, dat slachtoffer blijft van jarenlange (en voortgaande) verjaging, onteigening, bezetting en apartheid.

Er was nog een mijlpaal die in 2017 herdacht moest worden. Op 9 december 1987 botste een Israëlisch militair voertuig met een auto in het Jabâliyah-vluchtelingenkamp in Gaza. Bij het ongeluk kwamen vier Palestijnse burgers om het leven. Het incident leidde tot wijdverbreide protesten tegen de Israëlische bezetting: stakingen, demonstraties, burgerlijke ongehoorzaamheid, boycot van de Israëlische autoriteiten (“Civil Administration”) en het gooien van stenen naar Israëlische militairen. De eerste intifada was geboren.

De intifada van dertig jaar geleden leidde uiteindelijk naar de conferentie van Madrid in 1991 en naar het “vredesproces”, inclusief de Oslo-akkoorden. Maar het einde van het conflict is nog niet in zicht.

Ik vrees dat we ook de komende jaren nog vele commemoraties op ons bord zullen krijgen. Er was een tweede, veel gewelddadiger, intifada van 2000-2005. Er waren drie dodelijke, verwoestende Gaza-oorlogen. De bouw van illegale nederzettingen op de Westoever en in Oost-Jeruzalem ging onverminderd door. Voor het Israëlische koloniseringsproject was 2017 een waar kroonjaar met Netanyahu’s beste maat Trump in het Witte Huis en Jeruzalem erkend door de Verenigde Staten als hoofdstad van Israël. Genoeg om te vieren of om te rouwen de komende jaren.

Welke mening je ook toegedaan bent over de kwestie Israël/Palestina, één ding is duidelijk: het internationaal recht en de mensenrechten worden in het conflict op grote schaal geschonden. Nu het vredesproces op een dood spoor is beland en van de “ultimate deal” van de regering-Trump weinig te verwachten valt, zou het wellicht hoop geven op z’n minst die schendingen te benoemen en er iets tegen te doen.

Neem Gaza. Dit jaar kon de bittere verjaardag worden herdacht van tien jaar blokkade. Het gebied is vanuit zee, lucht en land afgesloten met desastreuse humanitaire gevolgen. Mensen en goederen kunnen Gaza niet vrijelijk in en uit. Een van de gevolgen is het gebrek aan elektriciteit: in sommige delen van Gaza beperkt tot vier tot zes uur per dag. Wat dat betekent voor de economie, de landbouw, de gezondheidszorg en het dagelijks leven laat zich raden. De situatie is des te nijpender omdat Gaza nog steeds kampt met de gevolgen van Israëls militaire offensief in 2014. Duizenden zijn drie jaar later nog steeds ontheemd in een klein gebied dat toch al een enorm tekort aan woningen en bouwmaterialen heeft.

De regering-Netanyahu reageert altijd zeer afwijzend op de constatering dat Israël het internationaal recht schendt. De Verenigde Naties, de VN-Veiligheidsraad, de VN-Mensenrechtenraad en UNESCO worden beschuldigd “bevooroordeeld te zijn ten opzichte van Israël” of erger: “antisemitisch” of “aanzettend tot terrorisme”. Terwijl er geen twijfel over kan bestaan dat Israël voortdurend en op grote schaal de internationale normen en legaliteit aan zijn laars lapt, gedraagt het land zich alsof het een “status aparte” heeft en zich niets hoeft aan te trekken van het internationaal recht, VN-Veiligheidsraadresoluties of de universele mensenrechten.

Het collectief straffen van twee miljoen mensen is duidelijk in strijd met het internationaal recht, evenals het gebrek aan bewegingsvrijheid voor de Gazanen en beperking van het recht je land te verlaten en er terug te keren. Om over het recht om te leven en tal van andere fundamentele rechten nog maar te zwijgen.

Waarom wordt de cynische cyclus van herdenkingen van de overwinnaars en verliezers niet doorbroken door een internationale campagne om een einde te maken aan de illegale Israëlische praktijken? Wat stelt de internationale rechtsorde voor als de internationale gemeenschap de andere kant opkijkt bij consistente schendingen door een van de VN-lidstaten? Voor de goede orde: Israël is lang niet het enige land dat in strijd handelt met het internationaal recht. Alleen: Israël is een bevriende natie van Nederland en de EU, een belangrijke handelspartner en geniet bij delen van de publieke opinie en media nog altijd veel sympathie.

Dat is reden genoeg om er bij de Nederlandse en Europese politiek op aan te dringen Israël niet voortdurend weg te laten komen met illegale bezetting, afsluiting, huisvernielingen, nederzettingen en agressie tegen de burgerbevolking.

Wat zou het heerlijk zijn om over een aantal jaren een herdenking te hebben -niet van Balfour, mislukte vredesplannen, intifadas en een bezetting- maar van effectieve sancties tegen partijen die het internationaal recht schenden. Wat zou het fijn zijn als er eindelijk verantwoording moet worden afgelegd; dat we op een dag feestelijk kunnen herdenken dat het gedaan is met de straffeloosheid.

 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, nr. 40, december 2017

door Jan Keulen