Corona: kan zorg om gezondheid brug slaan tussen Israëli’s en Palestijnen?

Zowel Israëli’s als Palestijnen worden getroffen door corona. Draagt de gemeenschappelijke wil de epidemie te overleven bij aan wederzijds begrip? In Ik zal niet haten (uitgegeven door Kritak) zegt de Palestijnse dokter Izzeldin Abuelaish dat hij de geneeskunde als brug tussen de twee volken ziet. Too good to be true? 

Of je nu zwart of wit bent, rijk of arm, vriend of vijand, Israëli of Palestijn: voor God en corona zijn alle mensen gelijk. Aan God kun je wellicht twijfelen, maar niet aan de rol van corona. Het is een ellendig virus, dat het leven van miljoenen mensen beheerst, ontwricht en verwoest. Daarbij is één ding zeker: corona discrimineert niet en laat zich niet tegenhouden door checkpoints en grenzen.

Daarentegen is de nationale soevereiniteit juist wel een discriminerende factor als het om de bestrijding van het virus gaat. Elk land heeft zijn eigen strategie om besmettingen te voorkomen en de ziekte de kop in te drukken. Plotseling werd bijvoorbeeld onze landsgrens weer zichtbaar, met haastig door de Belgen opgeworpen grenscontroles, toen daar strengere quarantainemaatregelen van kracht werden dan in Nederland. Politieke verschillen en machtsverhoudingen worden zichtbaar bij de bestrijding van het coronavirus.

In sommige delen van de wereld toont de coronacrisis, of de dreiging daarvan, extra schrijnend situaties van onrecht en discriminatie. Hulporganisatie OxfamNovib liet deze week een noodkreet horen over een mogelijke uitbraak van het coronavirus onder mensen in een crisissituatie, zoals conflictgebieden en vluchtelingenkampen. Op deze plekken is geen adequate gezondheidszorg, leven mensen vaak dicht op elkaar en hebben ze weinig tot geen toegang tot schoon drinkwater.

Ook minister Sigrid Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wees onlangs op de noodzaak tot een internationale aanpak van de coronacrisis, om verdere instabiliteit en onveiligheid in arme delen van de wereld te voorkomen. Dat is, volgens haar, ook in ons “verlichte eigenbelang”. Die uitspraak kwam haar op de nodige hoon te staan van uiterst-rechts, maar op haar theorie dat je ook “de zwakste schakel” moet versterken in een wereld waar we, door werk, handel en reizen zo verweven zijn, valt weinig af te dingen.

Als de coronacrisis de risico’s van ongelijkheid en onrecht scherper in beeld brengt, dan biedt de situatie in Israël en Palestijnse gebieden verhelderende inzichten. Tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan wonen grofweg evenveel joodse Israëli’s als Palestijnen. Van deze ruim veertienmiljoen individuen wonen er een ruime negenmiljoen mensen in Israël en vijfmiljoen op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. 

Medisch gezien zijn al die mensen, of ze nu joods of niet-joods zijn, vergelijkbaar kwetsbaar en even vatbaar voor virussen. In die zin zou het existentiële streven naar gezondheid kansen kunnen bieden voor wederzijds begrip, misschien zelfs een startpunt kunnen zijn van dialoog. Of je wilt of niet, je komt elkaar tegen als het om kwesties van gezondheid gaat. Je ontkomt niet aan de noodzaak naar elkaar te luisteren en beter te communiceren.

Dat is precies de theorie die de Palestijnse arts Izzeldin Abuelaish krachtig uiteenzet in zijn boek I shall not hate, dat vorig jaar in een nieuwe Nederlandse vertaling werd gepubliceerd als ‘Ik zal niet haten’. 

“Als we de politiek even buiten beschouwing laten, leek de gezondheidszorg me het ideale terrein om vrede tot stand te brengen” schrijft dr. Abuelaish. “Ik beschouw al mijn patiënten als familie. Ik maak geen enkel onderscheid tussen Israëli’s, Palestijnen, Arabische, nieuwe immigranten of Bedoeïenen. Het is mijn taak ervoor te zorgen dat elke baby een zo groot mogelijke kans krijgt gezond ter wereld te komen. Maar kijk eens wat er gebeurt als die onschuldige kinderen groot worden. Wie vertelt ze al die verhalen waardoor ze elkaars vijanden in plaats van vrienden worden?”

Dr. Abuelaish, die in maart een aantal lezingen in Nederland zou houden, moest zijn reis in verband met de coronacrisis afzeggen. Ik zou hem op een openbare bijeenkomst in Groningen interviewen over zijn boek, zijn bewogen leven en over de rol van de gezondheidszorg in Israel/Palestina. Groningen heeft een informele stedenband met Jabalya, het vluchtelingenkamp in de Gazastrook waar Abuelaish werd geboren en lange tijd woonde en werkte. We keken er erg naar uit de “Palestijnse Luther King”, die nu in Canada woont, te ontmoeten en naar zijn verhalen te luisteren.

Het pleidooi van de Palestijnse arts voor vrede, zelfopoffering en verzoening is des te meer indrukwekkend omdat hijzelf het slachtoffer is van een enorme tragedie: drie van zijn dochters en een nichtje kwamen om het leven bij een Israëlische beschieting van Gaza in 2009. Hoewel Israël erkende dat de beschieting een “vergissing” was, werden nooit verontschuldigingen aangeboden. 

Is Abuelaish’ discours over dialoog en niet haten too good to be true? 

Ik zou het hem zeker gevraagd hebben. 

In epidemische tijden dringen vragen zich op naar de rol van de gedeelde gezondheid, zelfs in een gespleten samenleving, geteisterd door haat en vijandschap. De relatie tussen Israëli en Palestijnen wordt niet alleen gekenmerkt door ongelijke rechten en apartheid. Er is ook sprake van verregaande vervlechting van beide samenlevingen en economieën. In zekere zin is er in Israël/Palestina op minischaal sprake van het door Kaag genoemde “verlicht eigenbelang”: Israëli’s en Palestijnen zijn gedwongen samen te werken. 

Israël heeft de Palestijnse werkers nodig. Vandaar dat na het uitbreken van de coronacrisis in eerste instantie Palestijnen die in vitale sectoren zoals de gezondheidszorg, de landbouw en de bouw werken, speciale verblijfvergunningen van een of twee maanden werd aangeboden. Dit om heen en weer gereis daarmee verspreiding van het virus te voorkomen. Voor de Palestijnse economie en voor individuele Palestijnen, die gemiddeld een dagloon van nog geen 60 euro verdienen, is het werken in Israël ook van levensbelang. Beide partijen hebben verder alleen maar te verliezen bij een verdere opmars van Covid-19. 

Voor de rond 200.000 Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever die in Israël of in de illegale joodse nederzettingen werken, bleek de corona-coördinatie tussen de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit in de praktijk uiteindelijk van weinig waarde.

Nadat het virus zich verder verspreidde in Israël in de derde week van maart en er binnenlands steeds meer reisrestricties van kracht werden, riep de Palestijnse Autoriteit alle Palestijnse werkers terug naar de Westoever. Aan die oproep werd massaal gehoor gegeven, ook al omdat Palestijnse werknemers in Israël vaak geen behoorlijk onderkomen werd geboden. Van al die duizenden werkers die terugkwamen naar de Palestijnse gebieden werd, volgens een reportage op Al Jazeera, praktisch niemand op corona getest.  

Hoewel enerzijds de noodzaak om samen te werken duidelijk werd aangetoond blijkt anderzijds, zeker op korte termijn, het hemd toch nader dan de rok.

Dit geldt al helemaal voor Gaza waar een kleine tweemiljoen Palestijnen zeer dicht op elkaar wonen, met slechte sanitaire voorzieningen, geen schoon drinkwater en grote tekorten in de gezondheidszorg. Israël heeft tot dusver geweigerd de illegale blokkade die sinds 2007 van kracht is, te verzachten of op te heffen en meer (medische) hulpgoederen binnen te laten.

Een uitbraak van het coronavirus in Gaza is een horrorscenario waar inmiddels mensenrechtenorganisaties in binnen- en buitenland voor hebben gewaarschuwd. Een explosie van de epidemie in Gaza zou daar een onvoorstelbare humanitaire ravage kunnen aanrichten en ook voor Israël verregaande levensbedreigende gevolgen kunnen hebben.

Izzeldin Abuelaish, die als eerste medicus uit Gaza in een Israëlisch ziekenhuis werkte, blijft ondanks alles hopen dat de geneeskunde een brug kan slaan tussen Israëli’s en Palestijnen. “Wie houdt de barrière in stand? We moeten contact met elkaar vinden door elkaars werkelijkheid te aanvaarden, door signalen van tolerantie in plaats van intolerantie en van genezing in plaats van haat te geven.”

Het is ironisch dat tijdens de huidige coronacrisis de levens van talrijke Israëli’s worden gered door Palestijns medisch personeel. In Israël zijn 17% van alle doctoren, 24% van de verpleging en 47% van de apothekers Arabisch. In de medische centra is over het algemeen sprake van respect voor alle werkers in de gezondheidszorg, of ze nu joods of niet-joods zijn. Maar, zoals de krant Haaretz opmerkte, buiten het ziekenhuis zijn eersteklas Palestijnse doctoren plotseling tweedeklas burgers. 

De coronacrisis heeft de contouren van het Israëlisch-Palestijns conflict op andere manieren uitgelicht. Epidemieën zijn, in tegenstelling tot mensen, nu eenmaal immuun voor racisme, haat en bezetting. 

Abuelaish, Izzeldin, Ik zal niet haten. Tielt: Kritak, 2019

Dit stuk werd eerder gepubliceerd op Joop.nl (1 april 2020): https://joop.bnnvara.nl/opinies/corona-kan-zorg-om-gezondheid-brug-slaan-tussen-israelis-en-palestijnen en op de website van The Rights Forum: https://rightsforum.org/opinie/corona-kan-zorg-om-gezondheid-brug-slaan-tussen-israelis-en-palestijnen/

Zie ook ‘The Arab medics battling coronavirus in Israel’s segregated society’ in de Financial Times, 17 April 2020

https://www.ft.com/content/f193a9b9-c3a0-4da2-9a26-be4a92f99006

Loop naar de hel in Gaza: de ramp is al begonnen

Al in 2012 waarschuwde de Verenigde Naties voor de ramp die Gaza in 2020 zou overkomen als er niet snel op grote schaal meer hulp geboden zou worden. Gebrek aan water, elektriciteit, infrastructuur, middelen van bestaan, voldoende gezondheidszorg, en aan communicatie met de buitenwereld zouden het gebied onleefbaar maken. Die voorspelling is, op de drempel van 2020, inmiddels allang realiteit geworden. Gaza is -volgens de criteria van de VN en Wereld Gezondheid Organisatie (WHO)- al onleefbaar. Een waardig bestaan is er eigenlijk onmogelijk. 

Layan Abu Atan

Het Israëlische leger, dat sinds 13 jaar het gebied hermetisch afsluit, voert met de regelmaat van de klok militaire operaties uit met pseudo-poëtische namen als Regenboog, Actief Schild, Dagen van Boetedoening, Hof van de Koning, Herfstwind, Zomerregen, Zuidelijke Pijl, Hete Winter en Beschermende Rand. Op de drempel van het voorziene rampjaar 2020 werd in november opnieuw een operatie uitgevoerd, deze keer met de naam Zwarte Riem. Het is veilig om te voorspellen dat het niet de laatste Israëlische operatie zal zijn. 

In de in Israël massaal gebezigde propagandistische retoriek wordt Gaza ontdaan van elke menselijkheid. Het wordt geassocieerd met angstaanjagende terreurorganisaties en met bloeddorstige en wraakzuchtige hordes Arabieren, die elke vrijdag demonstreren bij het grenshek om, zodra ze kunnen, de grens over te steken en een slachtpartij aan te richten onder de joodse bevolking van Israël. 

Het gecultiveerde vijanddenken is de Hebreeuwse taal van Israël binnengeslopen. In plaats van de verwensing “loop naar de hel” (lekh leazazel) hoor je “loop naar Gaza” (lekh le’aza). Rabin verzuchtte in 1992 dat hij hoopte op een ochtend wakker te worden met het nieuws dat Gaza in de zee was weggezonken. In een Israëlisch radiodebat over de vraag “wat te doen met Gaza” stelde iemand voor het gebiedje volledig plat te gooien en er een groot parkeerterrein aan te leggen. De luchtmacht inzetten in Gaza wordt in Israëlische journalistieke en militaire kringen eufemistisch “het gras maaien” (mowing the lawn) genoemd.

In het heersende Israëlische discours zijn het de Palestijnen van Gaza en “Judea en Samaria” die Israël van de kaart willen vegen. In een recente column in The Jerusalem Post wordt gesproken over “de nooit eindigende oorlog van de Palestijnen tegen de Joodse staat”. Die oorlog wordt ingegeven -als men Israëlische media mag geloven- door Jodenhaat, de islam of propaganda uit Iran. De wortels van het conflict -onteigening, verdrijving en ontkenning van de fundamentele rechten van Palestijnen- worden verdrongen of ontkend. 

De Palestijnen en zeker de Palestijnen uit Gaza worden dusdanig van hun menselijkheid ontdaan dat zelfs het afschieten van demonstranten niet op breed verzet bij de Israëlische publieke opinie stuit. Sinds de protestmarsen op 30 maart 2018 begonnen tot eind 2019 documenteerde het Palestijnse Centrum voor Mensenrechten in Gaza 215 burgerdoden en 14,759 gewonden. Onder de slachtoffers waren een groot aantal kinderen, hulpverleners en journalisten. 

Ook van targeted killings waarbij veel onschuldige burgers worden getroffen als “nevenschade” ligt men niet meer wakker. Op 12 november voerde Israël een luchtaanval uit op het huis van Bahaa Abu al-Ata, leider van de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) in het noorden van de Gazastrook. Israël had al twee jaar geleden besloten dat Bahaa Abu al-Ata uit de weg geruimd moest worden, maar besloot pas nu om intern-politieke redenen tot actie over te gaan. 

Tegelijkertijd met de operatie in Gaza werd in Damascus het huis van een andere PIJ-leider getroffen door een luchtaanval. Het beoogde slachtoffer daarvan, Akram al-Ajouri, was niet thuis en ontsprong de dans. Zijn zoon en een buur werden wel gedood in de aanval. Het offensief tegen de, door Iran gesteunde, PIJ heeft alles te maken met de zich voortslepende kabinetsformatie in Israël. Doel lijkt te zijn de positie van de demissionaire en in staat van beschuldiging gestelde premier Netanyahu, die aanstuurt op een rechtser-dan-rechtse regering onder zijn leiding, te verstevigen.

De cynische politieke berekeningen bij het liquideren van “terroristenleiders” waren niet besteed aan Layan Abu al-Ata (11). Zij verloor haar beide ouders tijdens het bombardement op haar ouderlijk huis. Het gebeurde op de dag dat ze jarig was. “We zagen onze vader haast nooit”, vertelde Laylan de Palestine Chronicle. “Gewoonlijk slaapt hij niet thuis omdat de Israëli’s achter hem aan zitten. Ik wachtte het hele jaar op mijn verjaardag, want dan zou ik mijn vader zien. Mijn vader wilde me verrassen op m’n verjaardag.” 

Achteraf blijkt dat de Israëli’s hem al drie dagen intensief volgden. Hij was net thuis  gekomen en zijn slaapkamer binnengegaan toen de Israëlische luchtmacht toesloeg. Bij de aanval kwam ook zijn vrouw Asmaa om het leven en werden drie van zijn zonen en vijf buren gewond. De Palestijnse Islamitische Jihad reageerde op de aanslag met raketvuur richting Israël, waarop weer Israëlische luchtaanvallen op Gaza volgden waarbij 34 Palestijnse burgers werden gedood. 

De episode volgt het bekende patroon van aanvallen, beschuldigingen van terrorisme, tegenaanvallen staakt-het-vuren, beloftes van versoepeling van de blokkade van Gaza die dan ook weer worden ingetrokken en het verbreken van het staakt het vuren. Ondertussen zakt Gaza, met z’n twee miljoen verpauperde inwoners steeds verder in het moeras

Gaza is overbevolkt. De bevolkingsdichtheid in Gaza bedroeg in 2019 5,453 personen per vierkante kilometer. Ter vergelijking: in Nederland wonen 411 personen per vierkante kilometer. Meer dan 60% van de inwoners is vluchteling uit het gebied dat nu Israël is. Maar het “recht van terugkeer”, in 1948 vastgelegd in VN-resolutie 194, blijft nog steeds dode letter. De dorpen en steden waar de vluchtelingen in Gaza en nakomelingen oorspronkelijk vandaan komen liggen soms maar op enkele kilometers afstand maar zijn onbereikbaar. Het overgrote deel van de bevolking kan Gaza niet uit. Zelfs niet voor familiebezoek, om te werken, te studeren of voor medische verzorging. 

Dat is wellicht ook de essentie van het drama in Gaza: de ontheemding en verjaging uit je eigen land. Het koloniale project van de staat Israël is zoveel mogelijk territorium van het historische mandaatgebied Palestina te controleren met zo weinig mogelijk Palestijnse bewoners. Ander element van dat beleid is het concentreren van een maximaal aantal Palestijnen op zo klein mogelijke, gefragmenteerde stukjes grond. Nog liever zien de Israëlische beleidsmakers de Palestijnen vertrekken naar het buitenland: Israël is pas af als Joodse staat als het af is van de oorspronkelijke Palestijnse bewoners. 

Op de Westelijke Jordaanoever worden deze doelen nagestreefd door een politiek van onteigening, het tegengaan van economische ontwikkeling en concentratie van de Palestijnse bevolking in zes, los van elkaar staande, stadseilanden: Hebron, Bethlehem, Ramallah, Nabloes, Tulkarm en Kalkilya. Oost-Jeruzalem is geannexeerd en wordt hoe langer hoe meer van zijn Palestijnse karakter en bewoners ontdaan. 

En Gaza? Gaza is een omheinde enclave met twee miljoen Palestijnen die het mogen uitzoeken zolang ze tenminste niet dromen van en strijden voor terugkeer. Dat is echter ijdele hoop. De “Grote Mars voor de Terugkeer” zal ook in 2020 worden voortgezet. Er is weinig te verliezen.

Zijn er oplossingen voor Gaza?

Behalve het doorbreken van de internationale onverschilligheid en het verlenen van humanitaire hulp als verlichting van de pijn op de korte termijn, zijn de oplossingen vooral politiek. Zo zou het opheffen van de illegale Israëlische blokkade van Gaza al een enorme stap in de goede richting zijn. Ook is nodig dat de Palestijnse organisaties Fatah en Hamas hun conflicten beëindigen. 

Gaza raakt het hart van de kwestie Israël-Palestina. Als er een oplossing komt voor de Palestijnse vluchtelingen, komt er letterlijk en figuurlijk ruimte voor een beter leven in Gaza. 

Eerder verschenen in de Nieuwsbrief Groningen-Jabalya december 2019

Click to access Jabalya-nieuwsbrief-44-kleur.pdf

Over de PvdA, antisemitisme en ossenworst etende vegetariërs

De Partij van de Arbeid heeft de antisemitisme-definitie van de International Holocaust Remembrance Association (IHRA) omarmd. De partij lijkt gezwicht voor druk van de Israël-lobby.

Stemming tijdens een PvdA-congres. Of de draai van de PvdA met betrekking tot de IHRA-definitie op steun van de leden kan rekenen, mag worden betwijfeld. Rozenetwerk PvdA 

Met haar plotse besluit heeft de PvdA namelijk een ommezwaai gemaakt van 180 graden. In november vorig jaar stemde de Tweede Kamerfractie nog tegen een SGP-motie waarin de regering werd opgeroepen steun te verlenen aan het hanteren van de IHRA-werkdefinitie. PvdA-Kamerleden lieten zich destijds juist kritisch uit over de definitie en uitten de vrees dat deze de vrijheid van meningsuiting zou inperken.

Die vrees is nu terzijde geschoven. Volgens de PvdA is ‘er meer nodig’ vanwege de toename van het antisemitisme. En dat ‘meer’ bestaat uit het ‘onderschrijven van de IHRA-definitie als onderdeel van een effectieve aanpak van hedendaags antisemitisme’.

Broodje ossenworst

Voor de PvdA is de werkdefinitie een hulpmiddel dat ‘in geen geval gezien kan worden als een politiek instrument om de vrijheid van meningsuiting in te perken’. In de verklaring wordt er op gewezen dat het voor de PvdA vanzelf spreekt ‘dat iedereen vrij is en blijft om kritiek te uiten op de politiek van elke staat. Ook op de politiek van de staat Israël’.

The Rights Forum heeft een en andermaal betoogd dat die ‘werkdefinitie’ uitblinkt door vaag taalgebruik, niet deugt en dat het wel degelijk een politiek instrument is om kritiek op Israëls Palestinapolitiek als ‘antisemitisch’ de kop in te kunnen drukken. Met de definitie is niet zozeer de bescherming van joden, maar bovenal die van Israëls politiek van bezetting, kolonisering en overheersing gediend. Aan de definitie hangen voorbeelden van wat wordt genoemd ‘hedendaags antisemitisme’. Een aantal daarvan heeft duidelijk betrekking op een kritische bejegening van de staat Israël.

Zeggen dat je de IHRA-definitie onderschrijft en tegelijkertijd opkomt voor de vrijheid om de Israëlische politiek te bekritiseren, lijkt verdacht veel op een vegetariër die zegt geen probleem te hebben met het consumeren van een dagelijks broodje ossenworst.

‘Indringende gesprekken’

In de PvdA-verklaring wordt onthuld dat de onderschrijving van de IHRA-definitie volgt op een periode waarin de PvdA ‘indringende gesprekken heeft gevoerd met joodse Nederlanders’. Dat roept vragen op. Welke ‘joodse Nederlanders’? Wie praatte met wie? Wanneer? Waarom waren organisaties als Een Ander Joods Geluid en The Rights Forum, waar ook ‘joodse Nederlanders’ intensief bij betrokken zijn, niet uitgenodigd voor deelname aan die gesprekken?

Het is niet vergezocht te vermoeden dat deze niet nader genoemde ‘joodse Nederlanders’ vertegenwoordigers van het CIDI en andere pro-Israël lobbygroepen waren. Deze organisaties hebben de afgelopen jaren een niet-aflatende lobby gevoerd voor de invoering van de IHRA-definitie. Was dat werkelijk om het antisemitisme beter te kunnen bestrijden? Was dat om de ‘alle joden aan het gas’-spreekkoren bij voetbalwedstrijden tegen te gaan? Was dat om de vrijheid af te dwingen om met een keppeltje over straat te gaan?

Nee.

Dat was om critici van de bezetting te kunnen diffameren en uiteindelijk mogelijk ook te criminaliseren. Om aanhangers van economische sancties tegen Israël en boycot van producten uit de nederzettingen weg te zetten als Israël-haters en vervolgens als Jodenhaters en antisemieten.

GroenLinks op het hakblok

Dit is niet overdreven, zo blijkt bijvoorbeeld uit de lawine van verbale stront die GroenLinks Europarlementariër Judith Sargentini het afgelopen weekend over zich heen kreeg toen zij tweette dat het GroenLinks-congres een resolutie had aangenomen die stelde ‘dat BDS een geoorloofd middel is om de Palestijnen te helpen in hun strijd voor rechtvaardigheid’.

De lobbyisten van CIDI c.s. beperkten zich tot kwalificaties als ‘verbijsterend’ en ‘schandalig’ en maakten, aan duidelijkheid overigens niets te wensen overlatende, associaties van BDS met terrorisme en antisemitisme. De schare, vaak uiterst rechtse, volgers van deze pro-Israël lobbyisten deden er online in hun scheldpartijen en haatorgiën nog een aantal schepjes bovenop en schrokken er niet voor terug mevrouw Sargentini en GroenLinks zonder meer als antisemitisch te bestempelen.

Inhoudelijk debat onmogelijk

The Rights Forum is de afgelopen tijd overigens gewend geraakt aan de dagelijkse beschuldigingen van antisemitisme.

Wij maken ons, met de PvdA, zorgen over racisme en discriminatie en antisemitisme. Ook wij vinden dat joodse mensen vrij en veilig in ons land moeten kunnen leven.

Tegelijkertijd maken we ons ook zorgen over de toon van het politieke debat. De kwestie-Israël/Palestina is, om een scala aan redenen, een ‘open zenuw’ in de Nederlandse politiek, maatschappij en media. We snappen de gevoeligheden maar al te goed. Tegelijkertijd haten we de polarisatie die een inhoudelijk gesprek onmogelijk lijkt te maken.

Hulpmiddel voor haatzaaiers

Eerlijk gezegd zijn er aan onze kant ook gevoeligheden. De beschuldigingen van antisemitisme raken ons diep.  We zien antisemitisme als iets verderfelijk. Tegen discriminatie en racistische behandeling van joden op basis van hun etniciteit of religie moet inderdaad worden opgetreden.

Maar als we protest laten horen tegen discriminatie en racistische behandeling van Palestijnen in Israël, tegen de schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten door Israël, dan moeten we dat in Nederland in volle vrijheid kunnen doen. De IHRA-definitie als hulpmiddel helpt ons echter van de wal in de sloot. Het is, ironisch genoeg, in veel gevallen vooral een hulpmiddel voor haatzaaiers, verspreiders van vals nieuws en pro-Israël lobbygroepen.

The Rights Forum 18 februari 2019 / Joop.nl 19 februari 2019

=

Joods Akkoord: definitie antisemitisme beperkt vrijheid van meningsuiting

Geen weldenkend mens zal tegen bestrijding van het antisemitisme zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste politieke partijen in Amsterdam deze week het Joods Akkoord onderschreven. Het is immers onverdraaglijk dat in deze stad van tolerantie en vrijheid joodse medeburgers het gevoel hebben bedreigd te worden.

cartoon antisemitism

Veel van de in het Joods Akkoord genoemde afspraken en voornemens zijn dan ook toe te juichen. Toch schuilt er een adder onder het gras. Want wat is precies antisemitisme? In de tekst van het Joods Akkoord heet het: “de door de Europese Unie aangenomen definitie van antisemitisme”.

Dat is misleidend want de Europese Commissie heeft nimmer een antisemitisme-definitie aangenomen. In mei omarmde het Europees Parlement wel de “werkdefinitie” van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Deze werkdefinitie is door een aantal Europese landen (Groot-Brittannië, Duitsland en Oostenrijk) overgenomen, maar heeft geen juridische status.

Na vragen uit de Kamer liet de Nederlandse regering -bij monde van de ministers Asscher en Koenders- vorig jaar weten de IHRA-werkdefinitie niet wettelijk te verankeren omdat de huidige Nederlandse wetgeving genoeg ruimte biedt voor bestrijding van antisemitisme en andere vormen van discriminatie.

Dat was verstandig want de “werkdefinitie” is juridisch en politiek omstreden. Hij laat ruimte voor een inperking van de vrijheid van meningsuiting als het om kritiek op Israël gaat. Zo zou, volgens de werkdefinitie, iemand die het bestaan van Israël als “joodse staat” afwijst, als antisemitisch kunnen worden bestempeld. Antisemitisch zou ook zijn als aan Israël eisen worden gesteld, die niet ook aan andere landen worden gesteld. Dat betekent dat Israël pas bekritiseerd mag worden, als andere landen met vergelijkbaar gedrag eerder zijn aangesproken. De IHRA-definitie kan dusdanig geïnterpreteerd worden dat voorstanders van een Israël-boycot het label “antisemitisch” krijgen opgeplakt.

Pro-Israël organisaties als het CIDI en het Centraal Joods Overleg hebben de afgelopen tijd een stevige lobby gevoerd om de IHRA-definitie officieel aangenomen te krijgen in Nederland. Waarom eigenlijk? Is het een onontbeerlijk instrument om het antisemitisme effectief op straat en in scholen tegen te gaan? Nee, naar onze mening gaat het vooral om het stigmatiseren van democratisch en geweldloos verzet tegen het illegale beleid van de staat Israël. Onder het mom van ‘de strijd tegen het antisemitisme’ worden degenen die de bezettings- en annexatiepolitiek van de Israëlische regering aan de kaak stellen, in diskrediet gebracht als “antisemitisch”.

In het Joods Akkoord wordt de IHRA-definitie niet met name genoemd, maar wel gerefereerd aan de “werkdefinitie” uit 2005 van het, overigens niet langer bestaande, Europese Monitoring Center on Racism and Xenophobia. De bezwaren die gelden voor deze werkdefinitie zijn echter dezelfde als de, in veel opzichten, identieke IHRA-definitie. Het lijkt erop dat, onder het mom van strijd tegen antisemitisme, de controversiële en polariserende IHRA-definitie via een Amsterdamse achterdeur Nederland alsnog wordt binnengehaald.

Is dit geneuzel over woorden? Niet als degenen die ijveren voor het aannemen van de IHRA-definitie, je in publicaties en op sociale media nu al geregeld associëren met antisemitisme. Niet als je kritisch in het debat over Israël en Palestina staat, zoals The Rights Forum.

Het hanteren van een gepolitiseerde en “flexibele” definitie van antisemitisme in Amsterdam opent de deur voor verdere verharding van dat debat. Het gaat daarbij helaas vaak niet langer over de feiten, maar het wordt gekenmerkt door verdachtmakingen en karaktermoord.

Het is goed dat Amsterdam optreedt tegen antisemitisme en andere vormen van discriminatie. Goed ook om extra aandacht in het onderwijs aan de Shoah te besteden. Maar laat er dan ook open gesproken kunnen worden over de illegale bezetting van Palestijns gebied en over de onacceptabele manier waarop de Palestijnen worden behandeld.

7 maart 2018 (aangeboden aan Het Parool, niet geplaatst)

Bittere herdenkingen in 2017: rouwen en vieren

Als een conflict maar lang genoeg duurt zijn er genoeg historische hoogte- en dieptepunten om te herdenken. Dat geldt zeker voor het conflict om Palestina.

Ga maar na: 2017 was het jaar dat het honderd jaar geleden was dat de Britse minister Arthur Balfour de zionistische beweging een “joods tehuis” in Palestina beloofde. Het was 70 jaar geleden dat de Verenigde Naties het Britse mandaat over Palestina beëindigde en het “verdelingsplan” aannam, waarbij het land opgedeeld zou worden in een Joodse en een Arabische staat. En 50 jaar geleden, in 1967, bezette het Israëlische leger de laatste stukken Palestina: de Westoever inclusief Oost-Jeruzalem en Gaza.

Er viel dit jaar veel te vieren en veel te rouwen. Ik heb gemengde gevoelens over dit jaar. Het herdenken betrof immers geen afgesloten historische gebeurtenissen maar een nog steeds doorgaand proces van koloniseren en verdringing van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking. Het vieren werd vooral verricht door de Israëlische regering en haar achterban en bondgenoten. Ondertussen rouwde het Palestijnse volk, dat slachtoffer blijft van jarenlange (en voortgaande) verjaging, onteigening, bezetting en apartheid.

Er was nog een mijlpaal die in 2017 herdacht moest worden. Op 9 december 1987 botste een Israëlisch militair voertuig met een auto in het Jabâliyah-vluchtelingenkamp in Gaza. Bij het ongeluk kwamen vier Palestijnse burgers om het leven. Het incident leidde tot wijdverbreide protesten tegen de Israëlische bezetting: stakingen, demonstraties, burgerlijke ongehoorzaamheid, boycot van de Israëlische autoriteiten (“Civil Administration”) en het gooien van stenen naar Israëlische militairen. De eerste intifada was geboren.

De intifada van dertig jaar geleden leidde uiteindelijk naar de conferentie van Madrid in 1991 en naar het “vredesproces”, inclusief de Oslo-akkoorden. Maar het einde van het conflict is nog niet in zicht.

Ik vrees dat we ook de komende jaren nog vele commemoraties op ons bord zullen krijgen. Er was een tweede, veel gewelddadiger, intifada van 2000-2005. Er waren drie dodelijke, verwoestende Gaza-oorlogen. De bouw van illegale nederzettingen op de Westoever en in Oost-Jeruzalem ging onverminderd door. Voor het Israëlische koloniseringsproject was 2017 een waar kroonjaar met Netanyahu’s beste maat Trump in het Witte Huis en Jeruzalem erkend door de Verenigde Staten als hoofdstad van Israël. Genoeg om te vieren of om te rouwen de komende jaren.

Welke mening je ook toegedaan bent over de kwestie Israël/Palestina, één ding is duidelijk: het internationaal recht en de mensenrechten worden in het conflict op grote schaal geschonden. Nu het vredesproces op een dood spoor is beland en van de “ultimate deal” van de regering-Trump weinig te verwachten valt, zou het wellicht hoop geven op z’n minst die schendingen te benoemen en er iets tegen te doen.

Neem Gaza. Dit jaar kon de bittere verjaardag worden herdacht van tien jaar blokkade. Het gebied is vanuit zee, lucht en land afgesloten met desastreuse humanitaire gevolgen. Mensen en goederen kunnen Gaza niet vrijelijk in en uit. Een van de gevolgen is het gebrek aan elektriciteit: in sommige delen van Gaza beperkt tot vier tot zes uur per dag. Wat dat betekent voor de economie, de landbouw, de gezondheidszorg en het dagelijks leven laat zich raden. De situatie is des te nijpender omdat Gaza nog steeds kampt met de gevolgen van Israëls militaire offensief in 2014. Duizenden zijn drie jaar later nog steeds ontheemd in een klein gebied dat toch al een enorm tekort aan woningen en bouwmaterialen heeft.

De regering-Netanyahu reageert altijd zeer afwijzend op de constatering dat Israël het internationaal recht schendt. De Verenigde Naties, de VN-Veiligheidsraad, de VN-Mensenrechtenraad en UNESCO worden beschuldigd “bevooroordeeld te zijn ten opzichte van Israël” of erger: “antisemitisch” of “aanzettend tot terrorisme”. Terwijl er geen twijfel over kan bestaan dat Israël voortdurend en op grote schaal de internationale normen en legaliteit aan zijn laars lapt, gedraagt het land zich alsof het een “status aparte” heeft en zich niets hoeft aan te trekken van het internationaal recht, VN-Veiligheidsraadresoluties of de universele mensenrechten.

Het collectief straffen van twee miljoen mensen is duidelijk in strijd met het internationaal recht, evenals het gebrek aan bewegingsvrijheid voor de Gazanen en beperking van het recht je land te verlaten en er terug te keren. Om over het recht om te leven en tal van andere fundamentele rechten nog maar te zwijgen.

Waarom wordt de cynische cyclus van herdenkingen van de overwinnaars en verliezers niet doorbroken door een internationale campagne om een einde te maken aan de illegale Israëlische praktijken? Wat stelt de internationale rechtsorde voor als de internationale gemeenschap de andere kant opkijkt bij consistente schendingen door een van de VN-lidstaten? Voor de goede orde: Israël is lang niet het enige land dat in strijd handelt met het internationaal recht. Alleen: Israël is een bevriende natie van Nederland en de EU, een belangrijke handelspartner en geniet bij delen van de publieke opinie en media nog altijd veel sympathie.

Dat is reden genoeg om er bij de Nederlandse en Europese politiek op aan te dringen Israël niet voortdurend weg te laten komen met illegale bezetting, afsluiting, huisvernielingen, nederzettingen en agressie tegen de burgerbevolking.

Wat zou het heerlijk zijn om over een aantal jaren een herdenking te hebben -niet van Balfour, mislukte vredesplannen, intifadas en een bezetting- maar van effectieve sancties tegen partijen die het internationaal recht schenden. Wat zou het fijn zijn als er eindelijk verantwoording moet worden afgelegd; dat we op een dag feestelijk kunnen herdenken dat het gedaan is met de straffeloosheid.

 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, nr. 40, december 2017

door Jan Keulen