De vraag dient zich aan wat het einddoel is van het Israëlische offensief. Hoe ziet Gaza eruit op de dag dat Israël claimt de oorlog gewonnen te hebben? Hoe gaat het verder met de meer dan twee miljoen Palestijnen die in de enclave wonen, wie zal het gebied besturen? Is een vreedzame oplossing van de Palestijnse kwestie nog mogelijk?
Het gaat in het huidige conflict om meer dan wraak voor de terreurdaden van Hamas op 7 oktober. Premier Netanyahu had het over „onze tweede onafhankelijkheidsoorlog”. In de Arabische wereld vat het idee post dat we getuige zijn van een Israëlische aanval op het Palestijnse volk, misschien wel een genocidale aanval. De duizenden Palestijnse doden en het wegvagen van buurten en straten kunnen allang niet meer worden beschouwd als collateral damage.
Palestinians search for casualties at the site of Israeli strikes on houses in Jabalia refugee camp in the northern Gaza Strip, October 31, 2023. REUTERS/Fadi Whadi
Zowel Israëliërs als Palestijnen refereren deze dagen voortdurend aan de oorlog van 1948 en dat is niet toevallig. In die ‘onafhankelijkheidsoorlog’ werd Israël geboren. Ook de Gazastrook ontstond tijdens diezelfde oorlog. Voor de Palestijnen was hun nederlaag van 1948 een catastrofe, de Nakba: ze verloren niet alleen het grootste deel van hun land maar ook hun politieke rechten.
Veel inwoners van wat tijdens de Britse tijd het district Gaza was, vluchtten naar de kustenclave, die in handen was gevallen van het Egyptische leger. Het ging om zo’n 250.000 Palestijnen, een derde van het totaal aantal verdrevenen uit wat nu Israël is. De afbakening van de Gazastrook werd in februari 1949 vastgelegd toen Egypte en Israël een wapenstilstandsovereenkomst tekenden. Het grootste deel van de bevolking kwam terecht in een van de tien grote vluchtelingenkampen in de minuscule kuststrook.
Duistere keerzijde
Gaza werd in 1956 een aantal maanden bezet door Israël en vanaf de Arabisch-Israëlische oorlog van juni 1967 werd de bezetting permanent. In eerste instantie had Israël de bedoeling het gebied te annexeren en honderdduizenden Palestijnen uit Gaza te herhuisvesten in de Sinaï-woestijn en de Westelijke Jordaanoever. Deze plannen waren politiek niet haalbaar, al werden wel 40.000 Palestijnse vluchtelingen uit Gaza gedeporteerd naar Jordanië. Om de vluchtelingen van de autochtone Gazanen te scheiden bood Israël deze laatste groep het staatsburgerschap aan, maar praktisch iedereen weigerde.
Vanaf het begin was de grote vluchtelingenpopulatie in Gaza een steen des aanstoots voor Israël: een permanente herinnering aan de oorlog van 1948. Het was een voortdurend geconfronteerd worden met de duistere keerzijde van het ontstaan van de staat, namelijk de aanwezigheid van een grote massa Arabische ontheemden die ernaar verlangde terug naar huis te gaan, een ‘thuis’ dat hemelsbreed vaak maar enkele kilometers verwijderd lag, aan de onbereikbare andere kant van de bestandslijn.
Decennia vóór het ontstaan van Hamas laat de geschiedenis van Gaza zich lezen als een aaneenschakeling van protesten, verzet, repressie, deportatie van activisten en collectieve afstraffing van de bevolking. In de jaren zeventig hield generaal Ariel Sharon woest huis in Gaza. Duizenden Palestijnen werden dakloos. Hun huizen werden met bulldozers vernield om plaats te maken voor brede wegen zodat Sharons militaire voertuigen toegang kregen tot de vluchtelingenkampen.
Om te benadrukken dat Gaza deel van Israël moest worden werden Joodse nederzettingen tussen de vluchtelingenkampen gebouwd, die 31 procent van de kuststrook in beslag namen. Dat deze Israëlische politiek op verzet stuitte en dat bezettingsleger en nederzettingen vaak het doelwit werden van aanslagen laat zich raden.
Wijlen premier Yitzhak Rabin verzuchtte in 1992 dat hij graag op een dag wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza door de zee zou zijn verzwolgen.
Blokkade
Fast forward naar 2005. Premier Sharon laat de Joodse nederzettingen ontruimen. Hij is tot de conclusie gekomen dat deze onhoudbaar zijn en dat alle kaarten op de kolonisering van de Westelijke Jordaanoever moeten worden gezet. Gaza mag in zijn eigen sop gaarkoken.
Het jaar erop wint Hamas de Palestijnse parlementsverkiezingen, de spanningen tussen Hamas en de Palestijnse Autoriteit nemen toe en in juni 2007 neemt Hamas gewapenderhand de macht over in Gaza.
Israël reageert op de machtsovername met een blokkade. Alles wat Gaza in- en uitgaat wordt gecontroleerd door Israël. De Egyptische autoriteiten werken mee en Gaza wordt praktisch van de buitenwereld afgesloten. Het gros van de jonge mensen in Gaza is nooit buiten de enclave geweest. Israël controleert elektriciteit, waterleiding en riolering. Het luchtruim en de kust worden militair bewaakt.
Ratio van de blokkade, die zulke dramatische gevolgen had voor de burgerbevolking, was het voorkomen dat Hamas een terroristische infrastructuur kon opbouwen. Dat die politiek faalde werd op 7 oktober meer dan duidelijk, maar het was al jaren eerder bekend dat Hamas en andere strijdgroepen – ondanks de blokkade – beschikten over grote hoeveelheden wapentuig.
Militair gezien was de blokkade dus ineffectief, maar politiek kwam het Israël wel goed uit. De grip van het Hamas-bestuur op Gaza, gefaciliteerd door fondsen uit Qatar, werd in de loop van de jaren steeds sterker. Dit bemoeilijkte verzoening met de Palestijnse Autoriteit van president Mahmoud Abbas. Voor Hamas was er geen stok achter de deur om zijn machtspositie in Gaza op te geven. Integendeel.
Herbezetting van Gaza
Deze intern-Palestijnse verdeeldheid en zwakte kwam Israël uitstekend van pas. Een verenigd Palestijns leiderschap zou kunnen leiden tot hervatting van het vredesproces. Israël had juist belang bij politieke stagnatie om zijn territoriale ambities op de Westelijke Jordaanoever te realiseren.
Deze status quo is met de huidige oorlog doorbroken. De vraag is wie in de toekomst het kapotte Gaza gaat besturen. Het is onwaarschijnlijk dat de toch al in diskrediet gebrachte Palestijnse Autoriteit zich zal aandienen. Waarschijnlijker is een Israëlische herbezetting van Gaza. Maar dan ligt een reprise van verzet en repressie voor de hand, zoals we die sinds 1967 hebben gezien. Misschien met een Hamas 2.0. Of wordt het toch Netanyahu’s ‘tweede onafhankelijkheidsoorlog’, een nieuwe Nakba, met vluchtelingenkampen in de Sinaï?
Hoe kijkt u naar deze eruptie van geweld in Israël en de Gazastrook?
,,Het is een enorme verrassing. Zoiets heb ik nog nooit gezien in Israël in al die jaren dat ik het Midden-Oostenconflict volg, zeg maar vanaf 1973. Op 6 oktober in dat jaar brak de Oktober- of de Jom Kipoer-oorlog uit, afgelopen weekend precies vijftig jaar geleden. Ook dat was een verrassingsoorlog. Israël werd aangevallen door Syrië en Egypte in een poging om hun in 1967 door Israël bezette gebieden te heroveren. Maar Egypte heeft die oorlog verloren. Er kwam een vredesproces op gang, dat in 1978 leidde tot de Camp Davidakkoorden.’’
Die hebben niet voor rust gezorgd in het Midden-Oosten.
,,Nee, er zijn veel schermutselingen en intifada’s (Palestijnse opstanden) geweest. Tot 2014, toen Obama president was, waren er ook diverse onderhandelingen. John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, heeft zich toen nog vreselijk ingespannen om een vredesakkoord tussen de Israëli’s en de Palestijnen tot stand te brengen. Daarna is dat niet meer gebeurd, dus ze spreken al tien jaar niet met elkaar.’’
Wat hebben die diplomatieke inspanningen uiteindelijk opgeleverd?
,,Eigenlijk alleen maar meer onrecht en repressie voor de Palestijnen. Zo’n 700.000 Israëli’s zijn in Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever gaan wonen. In feite hebben de Palestijnen daar alleen maar terrein verloren. Maar de grootste verliezers zijn de 2 miljoen Palestijnen in de Gazastrook. Die zitten daar al sinds 2006 opgesloten. Ze kunnen geen kant op. Door al die jaren van onderdrukking en vernedering krijgt Israël nu de rekening gepresenteerd voor het niet vinden van een oplossing van dit probleem.’’
Het ongeëvenaarde geweld van Hamas in Israël valt toch op geen enkele manier goed te praten?
,,Ook ik vind het vreselijk wat er gebeurt. Er zijn al meer dan zevenhonderd Israeli’s om het leven gekomen en dat getal wordt steeds hoger. Daaronder bevinden zich veel burgerslachtoffers. Dat is puur terrorisme. Aan de Palestijnse kant vallen natuurlijk ook veel burgerslachtoffers bij de bombardementen die Israël bij wijze van represaille uitvoert.’’
Dit slaat zo’n diepe wond bij beide partijen dat de vraag opdoemt of die ooit nog gaat genezen?
,,Bij eerdere geweldsuitbarstingen was het dodental altijd in het nadeel van de Palestijnen. Voor het eerst is dat nu niet zo. Onder Israëlische burgers zijn ontzettend veel doden gevallen. Dat is schokkend. Ik moest denken aan 1929 toen er in Hebron een slachtpartij is geweest onder Joden door Arabieren. Daar zijn 69 mensen bij omgekomen. Dat is haast honderd jaar geleden. Daar wordt nog steeds aan gerefereerd. Het zal heel lang duren voordat de wond die nu is geslagen, zal weggaan, vrees ik.’’
De strijd is nog niet voorbij. Bent u bang dat ook een partij als Hezbollah vanuit Libanon Israël gaat aanvallen?
,,Ik verwacht niet dat Hezbollah zich er op grote schaal mee gaat bemoeien. Hezbollah is tot over z’n oren betrokken bij de oorlog in Syrië. Bovendien is de situatie in Libanon zeer complex. Hezbollah is behalve een militaire groepering ook politiek een belangrijke speler in het land. Tegen die achtergrond lijkt het me uitermate onwaarschijnlijk dat ze zich in de strijd tegen Israël zullen storten.’’
Het kan niet anders of Hamas moet vanuit het buitenland steun hebben ontvangen voor deze grootscheepse aanvallen.
,,Ze zijn op 22 plaatsen de grens overgestoken, ook over zee en met paragliders. Tot nu toe werd dat voor onmogelijk gehouden. Deze operatie moet lang zijn voorbereid. Het is heel goed mogelijk dat Hamas assistentie heeft gehad van Hezbollah of misschien zelfs van Iran. Die duizenden raketten moeten ergens vandaan komen.’’
Kan het van Israëlische kant escaleren?
,,Er zijn in Israël havikken die ook al voor deze aanslagen het liefst Iran zouden aanvallen. Maar vergeet niet dat dit een enorme militaire slag is voor Israël. De eerste prioriteit van Israël is nu, en dat is ook al gezegd door Nethanyahu, het koud maken van Hamas. Dat zal moeilijk genoeg zijn. Ze zullen nu niet ook nog een ander land gaan aanvallen. Als ze dat wel zouden doen, dan heb je pas echt de poppen aan het dansen.’’
Waar moet dit heen? Er wordt nog volop gevochten, terwijl een vredesakkoord onmogelijk lijkt.
,,De vraag is hoe Israël Hamas denkt te bestrijden. Gaan militairen de Gazastrook in? Ik ben er vaak geweest. Het is een ontzettend dichtbevolkt gebied. Er zijn veel kleine straatjes. Straatgevechten van huis tot huis worden heel moeilijk voor Israëlische militairen. Vroeg of laten zullen ze moeten onderhandelen. Alle oorlogen eindigen. De gijzelaars die Hamas in handen heeft kunnen ze uitspelen als troefkaart. Zo kunnen ze Israël dwingen om aan tafel te gaan. Een ding moet voorop staan: het vredesproces moet serieus worden opgepakt, het liefst met steun van buitenaf. En er zal een oplossing moeten komen voor de Palestijnen in Gaza en de bezette gebieden.’’
Interview met Mannus van der Laan, gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 9 oktober 2023
De massale demonstraties tegen de plannen van de regering Netanyahu om de rechterlijke macht te hervormen, brengen als nooit tevoren de diepe verdeeldheid aan het licht in Israël. Voor de honderdduizenden demonstranten staat niets meer of minder op het spel dan de democratie, de rechtstaat en uiteindelijk ook de identiteit van Israël.
De regeringscoalitie, de meest extreemrechtse in de Israëlische geschiedenis, wil het rechtssysteem drastisch hervormen. Het parlement moet in de toekomst de benoeming van rechters controleren en het Hooggerechtshof kan niet langer aangenomen wetten toetsen en afkeuren. Andere, inmiddels aangenomen wetten, maken het afzetten van een zittend premier praktisch onmogelijk en staan politici met een strafblad toe openbare functies te bekleden.
De coalitie, bestaande uit de rechtse Likoed-partij, ultra-orthodoxen en religieus-nationalisten, heeft 64 van de 120 zetels in de Knesset. Israël kent geen Senaat of Eerste Kamer en de door de regering-Netanyahu voorgestelde hervormingen komen inderdaad neer op een soort dictatuur van de (krappe) meerderheid.
Maar er staat meer op het spel. De hoofdzakelijk seculiere oppositie is bang dat de orthodoxe en religieus-nationalistische krachten, die nu de dienst uitmaken in regering en parlement, Israël veranderen in een theocratie, waar de halacha -de joodse religieuze wetgeving- leidend is. Dat zou niet alleen fnuikend zijn voor de tijdens de demonstraties ostentatief aanwezige LGTBQ-gemeenschap, maar voor alle joodse Israëli’s die er een seculier-liberale levensstijl op na houden.
Opvallend is de aanwezigheid van militaire reservisten bij de demonstraties. Piloten van gevechtsvliegtuigen, die tot de elite van het Israëlische leger horen, kondigden aan niet meer te willen trainen zolang de hervormingen niet van de baan zijn. Het zijn dezelfde piloten die met hun bombardementen op Gaza en eerder op Libanon voor onnoemelijk veel ellende zorgden, maar zich nu de Israëlische democratie willen redden.
Ook oppositieleider Benny Gantz, als bevelhebber van het leger een van de hoofdverantwoordelijken voor de aanval op Gaza in 2014, sloot zich aan bij de protestbeweging. In een toespraak in februari verdedigde hij het Hoog Gerechtshof door eraan te herinneren dat hij zich tientallen jaren had ingespannen voor de veiligheid van Israël, en dat het Hoog Gerechtshof op zijn beurt hèm had verdedigd.
Gantz is niet de enige politicus of (ex-) generaal die ervoor waarschuwde dat het ontmantelen van het Israëlische rechtssysteem militairen zou blootstellen aan vervolging door het Internationaal Strafhof (ICC). Een goede reden voor het ICC om in actie te komen om mensenrechtenschendingen of misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken en eventueel te vervolgen, is immers als het eigen nationale rechtssysteem daar niet toe in staat is.
Wellicht heeft de verrassende onthulling in de gelekte Pentagondocumenten eerder dit jaar, dat inlichtingendienst Mossad de protesten tegen Netanyahu’s hervormingen aanmoedigt, met dezelfde angst voor ICC-vervolging te maken. De Mossad wordt van talrijke mensenrechtenschendingen beschuldigd. De Israëlische regering reageerde fel op de ‘leugenachtige’ onthulling’ en ontkende de betrokkenheid van de Mossad bij de protesten. Hoe het zij, de Pentagon-documenten zelf zijn authentieketop secret Amerikaanse inlichtingenrapporten en veel, hoewel niet alles, van de informatie blijkt tot dusver wel degelijk te kloppen.
Praktisch afwezig bij de protesten zijn zowel de Palestijnen uit Israël, als de Palestijnen uit de bezette gebieden. Ook het Israëlische vredeskamp, dat zich verzet tegen de bezettingspolitiek en de discriminatie van Palestijnen, is minimaal vertegenwoordigd. In een klein hoekje van de massademonstraties wordt met wat Palestijnse vlaggen gezwaaid. De groep die borden bij zich heeft met opschriften als ‘democratie en apartheid gaan niet samen’ valt in het niet te midden van de zee van blauw-witte Israëlische vlaggen.
Het Hooggerechtshof is jarenlang een trouwe partner geweest van de Israëlische overheid bij het onderdrukken van Palestijnen. Zo gaf het Hof in 2018 toestemming aan het leger om met scherp op Palestijnse demonstranten te schieten bij het afscheidingshek in Gaza. Het Hof gaf het groene licht om ‘staatsgevaarlijke’ Palestijnen te folteren. Geen enkel verzoek van de overheid om Palestijnen in administratieve detentie te nemen -dus zonder proces vast te zetten- werd ooit afgewezen. Het Hof gaf toestemming Palestijns eigendom te confisqueren in Oost-Jeruzalem, Masafer Yatta en andere plaatsen in bezet gebied. Enzovoorts.
Palestijnen en antibezetting-activisten hebben geen reden om op te komen voor het Hooggerechtshof en zien de protesten tegen de plannen van de ultranationalistische regering eerder als een strijd tussen de oude, witte Ashkenazi elite en de nieuwe, steeds machtiger elite van kolonisten en religieuze zionisten. Beide kampen geloven in een staat met joodse suprematie en zijn verantwoordelijk voor de bezettingspolitiek sinds 1967.
In joodse liberaal-seculiere kringen zijn stemmen opgegaan voor een grondwet. Hoewel Israël een aantal basiswetten heeft die dienen als constitutioneel kader, is het een van de weinige landen ter wereld zonder grondwet. In 1947-’48 werden een aantal pogingen gedaan om tot overeenstemming te komen over een constitutie, maar de eerste generatie politici van de staat Israël kon het niet eens worden.
Ook 75 jaar geleden stond Israël voor de vraag: een seculiere democratie of moest de Torah leidend zijn. Dan was er de vraag wat een ‘joodse staat’ precies inhield? De meeste Joden in de wereld woonden buiten Israël en binnen Israël bevond zich een grote Arabische bevolkingsgroep. Israël ontstond vanuit een gewapend conflict met de Palestijnen en de Arabische buurlanden. Daar kwam bij: wat waren de grenzen van de staat? Tot de dag van vandaag heeft Israël geen wettelijk vastgestelde grenzen. Men was, en is in het geval van Libanon en Syrië, immers in oorlog met de buurlanden en de staat is grotendeels gesticht op bezet gebied.
Israëls eerste premier Ben Gurion besloot dat een grondwet strijdig was met zijn visie van een permanente zionistische revolutie: Israël had helemaal geen grondwet nodig. Volgens Ben Gurion berustte het bestaan van de staat op drie pijlers: veiligheid, aliyah (massa immigratie naar Israël) en kolonisering. Dat zijn inderdaad de drie constante elementen gebleven in Israëls conflictieve bestaan van de afgelopen vijfenzeventig jaar.
In het gebied tussen de Middellandse Zee en de rivier Jordaan, dat gecontroleerd wordt door Israël, wonen in 2023 14,8 miljoen mensen. De joden vormen een minderheid van 48%. De Palestijnen, verspreid over de Palestijnse bevolking in Israël en de bezette gebieden, maken meer dan de helft uit van de bevolking. Nu de agressieve Israëlische kolonisering een tweestatenoplossing onmogelijk heeft gemaakt, tekent zich een toekomst af van een land met een joodse minderheid en een grotendeels rechteloze, steeds groter wordende Palestijnse meerderheid.
Die Palestijnen hebben de afgelopen decennia praktisch alle politieke en militaire confrontaties met Israël verloren. Maar het verlies van hun land heeft de Palestijnen niet beroofd hun collectieve herinnering en hun Arabische identiteit.
Het conflict tussen Israël en de Palestijnen gaat steeds minder over veiligheid en territorium, steeds meer over identiteit. Het Israëlische extreem religieus-nationalistische narratief ruimt voor de Palestijnen in Israël geen enkele plaats in. ‘Dood aan de Arabieren,’ is een geaccepteerde slogan geworden. Tegelijkertijd zorgt dit extreme gedachtengoed bij gematigde joden binnen en buiten Israël voor afschuw en verwarring.
De onlangs overleden TV-producent Harry de Winter bracht de dubbele gevoelens treffend onder woorden in de documentaireserie ‘Het Beloofde Land’. ‘Het feit dat er een plek op aarde is waar – als het erop aankomt – Joden naartoe kunnen, vind ik een reden voor een feest. Hoe ze het huis ingericht hebben en de versieringen aangebracht hebben…’ De Winter schudt zijn hoofd. ‘Daar doe ik niet aan mee. Ik vind het een drama.’
‘De joden leven niet op zichzelf, zelfs niet in hun eigen staat,’ schreef journalist Gideon Levy in een column die gepubliceerd werd op Israëls 75e Onafhankelijkheidsdag. ‘Het is onmogelijk om onze onafhankelijkheid te vieren, zonder te praten over de Nakba. Het is onmogelijk te rouwen voor de doden zonder te vragen waarom ze werden gedood. Het is onmogelijk de andere doden te negeren, onze slachtoffers; we kunnen en moeten de gevoelens te respecteren van de degenen die voor hen rouwen en hen als helden zien’.
Levy is een van de weinigen die probeert de ‘grote verhalen’ van Israël en Palestina aan elkaar te spiegelen en uiteindelijk te verzoenen. Het vooruitzicht van een uitzichtloze identitaire strijd tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan, is immers -om met De Winter te spreken- een groot drama.
Voor Vredesmagazine, juni 2023, Jaargang 16, nr. 3
Het bericht greep mij een jaar geleden bij de keel: de Palestijns-Amerikaanse journalist Shireen Abu Akleh was doodgeschoten. Ze was een sympathieke collega uit Doha met een aanstekelijke lach, een vertrouwd gezicht op nieuwszender Al Jazeera en de meest geliefde en prominente correspondent in de Palestijnse gebieden.
Er stond met grote letters ‘PRESS’ op de voor- en achterkant van haar kogelwerend vest en op haar helm. Maar daar had de scherpschutter geen boodschap aan.
‘In het harnas gestorven’, wordt gezegd als iemand bij de uitoefening van zijn vak overlijdt. Dat klinkt het geval van Shireen extra cynisch. De Israëlische militair wist precies de plek in haar achterhoofd te raken tussen haar helm en scherfvest. Ze was op slag dood.
Het was 11 mei 2022, ’s ochtends vroeg. Het team van Al Jazeera was in het vluchtelingenkamp van Jenin om een inval van het Israëlische leger te verslaan. Er was een schotenwisseling geweest tussen de Israëlische militairen en Palestijnse militanten in een ander deel van het kamp. Plotseling worden de journalisten van Al Jazeera beschoten. Verslaggever Ali Al-Samoudi wordt geraakt in zijn schouder. Het team probeert dekking te zoeken, maar voor Abu Akleh is het te laat. Ze wordt geraakt als een tweede serie schoten wordt afgevuurd.
Weinig incidenten waarbij journalisten omkwamen zijn zo precies onderzocht en gedocumenteerd als de dood van Shireen Abu Akleh. Misschien is dat logisch. Ze was tenslotte in het Midden-Oosten een journalistieke grootheid. Maar het komt ook door de evident lakse en ongeloofwaardige manier waarop de Israëlische autoriteiten met haar gewelddadige dood omgingen.
“Abu Akleh is waarschijnlijk getroffen door Palestijnse terroristen die wild om zich heen schoten”, verklaarde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in eerste instantie op sociale media. Het ministerie voegde een filmpje toe dat, zo bleek later, op een heel andere locatie was opgenomen. Ook premier Naftali Bennett zei direct na Abu Akleh’s dood dat er een ‘aanzienlijke kans’ was dat gewapende Palestijnen verantwoordelijk waren.
Het in de Verenigde Staten gevestigde Committee for the Protection of Journalists dringt in een afgelopen dinsdag verschenen rapport met klem aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Abu Akleh. Ook eerdere dodelijke incidenten, zoals het in 2018 doodschieten van fotojournalisten Ahmed Abu Hussein en Yasser Murtaja tijdens demonstraties bij het afscheidingshek in Gaza, zouden ‘onafhankelijk, transparant en strafrechtelijk’ moeten worden onderzocht.
Kort na de beschieting van het Al Jazeera-team draaide Israël bij. Nadat onderzoek van The New York Times, The Washington Post en onderzoekscollectief Bellingcat haarfijn had aangetoond dat een Israëlische militair het fatale schot had afgevuurd, had ontkennen weinig zin meer. Onderzoek van de CNN en van de in Londen gevestigde Forensic Architecture ging nog een stapje verder en concludeerden dat de schutter met opzet heeft geprobeerd Abu Akleh te doden. Ook Al Jazeera en Shireen’s familieleden en vrienden zijn ervan overtuigd: ze werd het zwijgen opgelegd omdat ze de Palestijnen een stem gaf.
De CPJ constateert in het rapport dat sprake is een ‘dodelijk patroon’. Deadly Patternis ook de titel van het rapport, over de wijze waarop Israël omgaat met gedode verslaggevers. Het gaat om twintig slachtoffers sinds 2001. Niemand is ooit verantwoordelijk gehouden, laat staan gestraft.
Dertien van de twintig journalisten waren, op het moment dat ze werden doodgeschoten, duidelijk te herkennen als journalisten met ‘PRESS’ op hun kleding. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Reuters cameraman Fadel Shana, die ook nog eens naast een auto met ‘TV’ erop geschilderd stond, toen hij in 2008 werd neergeschoten.
Het feit dat niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van journalisten in de bezette gebieden, heeft ertoe geleid dat verslaggevers – lokale zowel als buitenlandse – in een steeds gevaarlijker werkveld actief moeten zijn.
Guillaume Lavallée, voorzitter van de Foreign Press Association in Israël, zegt in het CPJ-rapport dat veel journalisten bang zijn: “Als een journalist met een Amerikaans paspoort gedood kan worden zonder juridische consequenties, dan zou dat hen in de toekomst ook kunnen overkomen. Het gevoel onbeschermd te zijn is vooral sterk bij onze Palestijnse collega’s. Sommigen van hen zijn zelfs bang dat er expres op hen wordt geschoten.”
Dat is geen rare gedachte. Behalve een Brit en een Italiaan waren de resterende achttien dodelijke slachtoffers allen Palestijns. Een aantal van hen werkte wel voor buitenlandse media en persbureaus. Opvallend is dat geen enkele Israëlische journalist onder de slachtoffers is.
Het CPJ-rapport beschrijft in detail hoe Israël omgaat met de dodelijke incidenten. Onderzoeken zijn ondoorzichtig, willekeurig en duren eindeloos. Bewijsmateriaal en getuigenverklaringen worden terzijde geschoven. Betrokken militairen gaan vrijuit terwijl het onderzoek, dat altijd vertrouwelijk wordt gehouden, nog gaande is. Er worden alternatieve versies van de toedracht verspreid. Fake news dus. En soms worden de getroffen journalisten voor terroristen uitgemaakt.
Wat dat betreft was de onverkwikkelijke gang van zaken rond het onderzoek naar de dood van Shireen Abu Akleh geen uitzondering. Er wordt simpelweg geen verantwoording afgelegd.
Het CPJ-rapport eindigt met een aantal aanbevelingen, de meeste aan het adres van Israël. Er is daarnaast een aantal aanbevelingen voor de internationale gemeenschap. Ze zijn ook van toepassing op Nederland.
CPJ roept bevriende regeringen op Israël te herinneren aan hun internationale plichten rondom mediaveiligheid. Ook moeten die regeringen druk uitoefenen op Israël om mee te werken aan internationale onderzoeken naar de dood van journalisten.
Tot dusver weigert Israel – tot grote frustratie van Shireens familie en bewonderaars – mee te werken aan Amerikaans FBI-onderzoek naar haar dood.
Het is een ongebruikelijke mix van biografie, autobiografie en politieke geschiedschrijving. ‘We could have been friends, my father and I,’ is de lange titel die Raja Shehadeh zijn relatief dunne boek heeft gegeven, dat in 2022 werd gepubliceerd: ‘We hadden vrienden kunnen zijn, mijn vader en ik. Een Palestijnse memoires.’
Ik houd van de boeken van Ghada Karmi, Yusif Sayig, Mahmoud Darwish en andere Palestijnse auteurs, omdat ze je binnenlaten in een wereld die nog maar kortgeleden bestond maar nu snel aan het verdwijnen is. Hun memoires beschrijven praktisch altijd een gefragmenteerd leven: vluchten uit de geboorteplaats, ballingschap, bezetting, oorlog en heimwee naar de onbereikbare geuren en kleuren van het verloren land.
Het mooie aan het genre is dat bij de beschrijving van de herinneringen grote gebeurtenissen gekleurd worden door het persoonlijk perspectief: relaties, familieverhoudingen (verbroken) liefdes, angsten en teleurstellingen, tekortkomingen, verlangens en het vermogen turbulente gebeurtenissen in een snel veranderende wereld een plaats te geven.
Bij Raja Shehadeh gaat het om de vader-zoon relatie.
Raja’s vader Aziz was een prominent Palestijns advocaat die in 1948 uit Jaffa moest vluchten toen de stad werd ingenomen door de joodse Haganah-militie. Aziz Shehadeh en familieleden waren bij de 75.000 Palestijnen die de stad ontvluchtten. Slechts 2.000 Palestijnen die niet weg konden of wilden bleven achter en werden door de jonge joodse staat geïnterneerd in een getto; de met prikkeldraad omgeven wijk Ajami.
Aziz Shehadeh was ervan overtuigd dat zijn vlucht van korte duur zou zijn. Volgens het VN-verdelingsplan van 1947 was Jaffa immers toegewezen aan de Arabische staat die naast de joodse staat in het Britse mandaatgebied Palestina zou verrijzen. Jaffa was tot de oorlog van 1948 het Arabische politieke en culturele centrum van Palestina. Aziz kon zich eenvoudigweg niet voorstellen dat het Arabische Jaffa zou ophouden te bestaan. Hij was ervan overtuigd dat het Arabisch Legioen uit Transportatie, het bedoeinenleger geleid door de Britse officier Sir John Glubb, dat in felle gevechten was verwikkeld met de joodse strijdkrachten, net zolang met de strijd door zou gaan totdat in ieder geval het Arabische deel van Palestina niet in handen van de joodse staat zou vallen.
Hij vergiste zich. Aziz Shehadeh zou nooit terugkeren naar zijn woonhuis en kantoor in Jaffa. Hij was in zekere zin een fortuinlijke vluchteling want zijn familie had een zomerhuis in Ramallah waar het gezin in kon trekken, maar de kwestie van de Palestijnse vluchtelingen liet hem niet los. Evenmin liet de kwalijke rol van de koloniale Ingleezi -de Engelsen- bij de stichting van de staat Israël hem los. De Israëli’s erfden een repressieve wetgeving van de Britten die nu werd ingezet tegen de autochtone Palestijnse bevolking.
In mei 1948 vonden felle gevechten plaats om Jeruzalem waarbij het oostelijk deel van de stad veroverd werd door het Arabisch Legioen. Het westelijk deel werd Israëlisch. Na een staakt-het-vuren besloot de regering in Londen dat Glubb z’n bedoeïenen terug moest trekken naar het oosten. Het gevolg was dat het Israëlische leger de steden Lydda en Ramle kon ontvolken en innemen. En Jaffa was definitief verloren.
Twee jaar na deze tragische gebeurtenissen werd in Ramallah -inmiddels onder Jordaans bestuur- zoon Raja geboren. Ook Raja Shehadeh werd jurist en stichtte 1979 de mensenrechtenorganisatie Al Haq. Als journalist bezocht ik in de jaren tachtig en negentig regelmatig het kantoor van Al Haq in Ramallah, en ontmoette Raja en zijn collega’s die hun moedige werk onder de meest zware omstandigheden moesten uitvoeren. Inmiddels is Al Haq, samen met vijf andere Palestijnse NGO’s, door Israël tot een “terreurorganisatie” verklaard. Desondanks wordt het belangrijke werk zo goed en zo kwaad als het kan voortgezet.
De veelzijdige Raja ontpopt zich behalve als advocaat en mensenrechtenactivist ook als een getalenteerd literair schrijver. Zijn tiende boek ‘We could have been friends, my father and I’ beschrijft Raja’s ontdekking, tientallen jaren na de moord op zijn vader in 1985, hoe heldhaftig deze eigenlijk was: een onafhankelijke geest die het zwaar te verduren kreeg van de Britten, de Israëli’s, de Jordaniërs en zijn eigen landgenoten de Palestijnen. Achteraf blijkt dat hij toch vaak gelijk had.
Vader en zoon waren zeker geen vrienden. Raja voelde altijd een zekere afstand tussen hen, soms zelfs rivaliteit. Pas tientallen jaren na zijn dood overwint Raja zijn weerzin om zijn vaders nagelaten archief te gaan uitpluizen. En dan blijkt ‘hoeveel strijd hij heeft geleverd tijdens zijn leven’ en hoe diep zijn droefheid en boosheid was over wat hem en zijn mede-Palestijnen overkomt.
In 1953 wint Aziz een rechtszaak in Londen tegen de Barclays Bank. De Israëlische autoriteiten hadden in 1948 de banktegoeden van Palestijnse vluchtelingen bevroren. Palestijnen in Jordanië, Libanon en elders mochten hun geld niet opnemen. De jarenlange juridische strijd, die uiteindelijk in zijn voordeel wordt beslecht, is een mijlpaal in Aziz’ leven. Maar zijn succes wekt de achterdocht van de Jordaanse autoriteiten, die dan nog onder directe Britse controle staan. Aziz ontloopt een arrestatie in Jordanië door tijdelijk in ballingschap naar Italië en Libanon te gaan.
Aziz Shehadeh tijdens de rechtszitting in Jeruzalem na de moord op de Jordaanse koning Abdallah (1951)
Niet lang na terugkomst in Jordanië komt hij opnieuw in de problemen en wordt alsnog gearresteerd. In juli 1958 vindt in Irak een staatsgreep plaats waarbij koning Faisal, oom van koning Hoessein, wordt afgezet en vermoord. Hoessein is bang dat de onrust overslaat naar Jordanië en laat een groot aantal nationalistische leiders arresteren, waaronder Aziz Shehadeh. Raja’s beschrijving van zijn vaders’ gevangenschap, ver weg in de Jordaanse woestijn, is aangrijpend. Aziz stelt vast dat er niet meer vrijheid van meningsuiting is in de jonge staat Jordanië dan destijds in het Britse mandaatgebied Palestina. Als Palestijns vluchteling voelt hij zich rechteloos en besluit zich te concentreren op zijn familie en advocatenpraktijk.
Maar de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever in 1967 maakt de politieke activist weer in Aziz weer wakker. Dat jaar dient hij, gesteund door 50 prominente Palestijnse leiders uit de Westoever, Jeruzalem en Gaza, een plan in bij de Israëlische autoriteiten. Basis is het oorspronkelijke verdelingsplan waarbij, naast Israël, een Palestijnse staat wordt gesticht met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. De PLO en Jordanië moeten niets van dit voorstel weten. De PLO bepleit op dat moment een ‘democratische, seculiere staat’ in heel Palestina. Yasser Arafat noemt Aziz’ voorstel ‘dwaas’.
Vader en zoon Shehadeh verschillen van mening. Raja verwijt zijn vader dat hij met dit voorstel komt terwijl ‘het Palestijnse volk bezig is met de gewapende strijd’. Vader Aziz gelooft echter niet in militaire oplossingen. Hij is ervan overtuigd dat vrede alleen kan worden bewerkstelligd als Israël en de Palestijnse staat elkaar erkennen en uiteindelijk ook samenwerken. Dat is in het belang van beide volkeren.
In 1985 wordt Aziz vermoord. De dader wordt nooit gepakt, het misdrijf blijft onopgelost. De Israëlische politie sloot het onderzoek 37 jaar geleden maar, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk, een verzoek eind 2021 van Raja om het politierapport te mogen inzien wordt nog steeds niet ingewilligd.
Er zijn nog veel conversaties die Raja met zijn te vroeg overleden vader zou willen voeren. Raja concludeert dat meer dan een halve eeuw na de bezetting van de Westoever er 750.000 kolonisten wonen, in vijfhonderd nederzettingen. De tweestaten-oplossing is onmogelijk geworden, de enige alternatieven zijn: één staat of apartheid. Raja zou zijn vader willen vertellen dat Israëlische kinderen nu op school leren dat heel Groot Israël van hen is en dat de Palestijnen in het land geen rechten hebben.
‘Jij zegt dat Israël gewonnen heeft,’ zou zijn vader antwoorden. ‘Maar besef je niet dat alleen vrede tussen onze twee volken een echte overwinning zou betekenen?’
Dit artikel is geschreven voor de Nieuwsbrief Groningen-Jabalya, mei 2023
In 1998 maakte ik een reportagereis naar Oost-Jeruzalem. Ik interviewde een aantal oudere Palestijnse inwoners om hen te vragen naar hun herinneringen. Het was vijftig jaar na de periode die in Israël wordt aangeduid als de onafhankelijkheidsoorlog. Hoe hadden zij als Palestijnen de geboorte van de staat Israël beleefd?
Eén van de geïnterviewden, Amin Majaj, was 27 jaar in 1948 en was net afgestudeerd als arts. Majaj herinnerde zich de slachtpartij in Deir Yassin nog als de dag van gisteren. Meer dan honderd inwoners van Deir Yassin, een dorpje vlakbij Jeruzalem, werden in koelen bloede afgemaakt door de extremistische joodse Stern-groep, geleid door de latere premier Menachem Begin.
‘Ik wil alleen maar praten over wat ik zelf gezien heb, en dan nog zeg je misschien dat ik gek ben. Ik praat er liever niet over,’ tekende ik op uit de mond van Amin Majaj. Toch vertelt hij dat hij in het American Baby Home als medisch vrijwilliger kinderen behandelde die geslagen waren door leden van de Stern-militie. Ook ontmoette hij vrouwelijke overlevenden van het bloedbad in Deir Yassin.
‘Eén vrouw had geen uitdrukking op haar gezicht, ik zie haar nog voor me. Ze vertelde me hoe de terroristen kinderen gedwongen hadden op straat te gaan liggen. De moeders moesten in een jeep liggen die over hun kinderen heen reed. Veel vrouwen werden verkracht en gedwongen zich helemaal uit te kleden. Ze werden naakt meegenomen op een vrachtwagen dwars door West-Jeruzalem heen. Een enorme vernedering voor die vrouwen, dat was de bedoeling ook natuurlijk.’
Vluchtende Palestijnen in 1948
Amin Majaj en mijn andere Palestijnse gesprekspartners van destijds hadden levendige herinneringen aan die voor hen zo rampzalige episode. De geboorte van de staat Israël ging gepaard ging met grof geweld tegen de autochtone Palestijnse bevolking. De historische feiten waren schokkend:
Tussen 1947 en 1949 vluchtten van een bevolking van 1,9-miljoen zo’n 750.000 Palestijnen naar de omliggende landen.
Israël nam in 1948 78 procent van historisch Palestina in. De resterende 22 procent, bestaande uit de Westelijke Jordaanoever, met Oost-Jeruzalem, en Gaza werd in 1967 bezet.
530 Palestijnse dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en etnisch gezuiverd.
Ongeveer 15.000 Palestijnen werden in 1948 gedood en er vonden meer dan dertig slachtpartijen plaats waarbij Palestijnse burgers om het leven kwamen.
Met de wapenstilstand van 1949 kwam geen einde aan de Palestijnse tragedie. Het werd de Palestijnse vluchtelingen verboden terug te keren naar hun geboorteland. Ze verloren hun huizen en andere bezittingen door de Absentees’ Properties Law. Toppunt van onrechtvaardigheid en absurditeit is de categorie van “aanwezige afwezige personen”. De inwoners van Saffuriyya verlieten in 1948 hun dorp om hun toevlucht te zoeken in het nabijgelegen Nazareth. Ze mogen, als “afwezige eigenaren” hun vernielde land en landerijen niet bezoeken ondanks dat ze Israëlische staatsburgers zijn.
In 1969 verscheen Ghassan Kanafani’s novelle Returning to Haifa. Het verhaal, dat verschillende malen werd verfilmd en bewerkt voor theater en televisie, gaat over de ontmoeting tussen een Israëlische en Palestijnse familie. Het Palestijnse echtpaar Said en Safeyya moest in 1948 hals over kop vluchten uit Haifa. Temidden van de chaos en het geweld van de oorlog vergaten ze hun vijf maanden oude baby Khaldun. Twintig jaar later krijgen ze de kans een bezoek te brengen aan Haifa en zoeken ze hun oude huis op.
Returning to Haifa van Ghassan Kanafani
Daar woont inmiddels een groep Holocaustoverlevers, waaronder de weduwe Miriam. Ze verloor haar vader in Auschwitz en zag met eigen ogen hoe haar tienjarige broertje werd vermoord. Miriam woont in het huis met haar twintigjarige aangenomen zoon Dov. Dov, soldaat in het Israëlische leger, is niemand minder dan hun zoon Khaldun.
Kanafani beschrijft op indringende wijze de ontmoeting van Dov met zijn biologische ouders. Dov weet inmiddels dat hij is geadopteerd, maar hij is in alles Israëliër geworden: hij spreekt Hebreeuws, eet koosjer en kijkt uit naar het moment dat hij in een oorlog zijn land kan verdedigen. Hij minacht het echtpaar, dat hem twintig jaar geleden heeft verlaten.
‘Jullie hadden nooit uit Haifa weg moeten gaan,’ werpt hij zijn biologische ouders voor. ‘Als dat niet mogelijk was hadden jullie nooit een zuigeling in de wieg moeten achterlaten. En als dat ook onmogelijk was, dan hadden jullie altijd moeten proberen terug te komen. Zeggen jullie dat ook dat onmogelijk was? Het is twintig jaar geleden, mijnheer. Twintig jaar! Wat hebben jullie in die twintig jaar uitgevoerd om je zoon terug te krijgen? Als ik jullie was geweest zou ik de wapens hebben opgenomen om je zoon terug te eisen. Wat kan een betere reden zijn dan dat? Jullie zijn slappelingen! Slappelingen! Jullie zijn achterlijk en lijken wel verlamd.. Vertel me nou niet dat jullie twintig jaar hebben zitten huilen. Tranen brengen echt de vermisten en het verloren land niet terug.’
Dov’s tirade laat zich lezen als Kanafani’s pleidooi voor de onvermijdelijke Palestijnse strijd voor terugkeer naar het vaderland. ‘Ontwaak uit je passiviteit,’ lijkt hij tegen de Palestijnse vluchtelingen te willen zeggen, ‘laat niet alle rampen zomaar over je heen komen’.
Interessant genoeg is het woord Nakba, Arabisch voor ‘catastrofe’, nog niet algemeen in zwang als Kanafani dit verhaal schrijft, nog geen twintig jaar na de stichting van de staat Israël. De Syrische schrijver en denker Constantin Zuraiq had de Palestijnse tragedie weliswaar al in 1948 aangeduid als nakba, maar het duurde tot in de jaren negentig dat Palestijnse inwoners van Israël de straat opgingen en in Terugkeer Marsen naar hun verlaten en vernielde dorpen de voor hen catastrofale gebeurtenissen rond 1948 als Nakba herdachten. Het woord nakba sloeg inmiddels niet alleen op de pijnlijke geschiedenis van verlies, ballingschap en trauma, maar ook op herwinnend zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en nationalisme onder de Palestijnse bevolking.
Eind jaren tachtig hadden Israëlische historici als Benny Morris, Avi Shlaim en Ilan Pappé de geschiedenis van Israëls’ geboorte al drastisch herschreven. Israël was niet de underdog die met Gods’ zegen een onwaarschijnlijke overwinning behaalde. De ‘onafhankelijkheidsoorlog’ bleek een stuk minder heldhaftig geweest te zijn dan beschreven in de officiële geschiedschrijving en in de romans van Leon Uris en anderen. Er was bruut geweld gebruikt tegen Palestijnse burgers, misdaden begaan tegen de menselijkheid, er waren slachtpartijen geweest, getto’s voor de overblijvende Palestijnen opgezet, etnische zuiveringen… De Palestijnen bleken in 1948 het land helemaal niet vrijwillig te hebben verlaten of op instignatie van hun laffe leiders. Ze waren geïntimideerd en verjaagd. Het verhaal waar generaties mee waren opgegroeid, over Israël als land zonder volk voor een volk zonder land, begon te kantelen. Het droomland waar overlevenden van de Holocaust de woestijn tot bloei hadden gebracht, bleek eenvoudigweg niet te bestaan.
De lezing van de ‘nieuwe historici’ werd in de decennia daarna gevolgd door tal van nieuwe onthullingen. In 2000 publiceerde de Israëlische krant Maariv bijvoorbeeld een lang artikel over de moordpartij in Tantura. Het ging om het doodschieten van ongewapende Palestijnen nadat de zionistische strijdgroep Haganah de kustplaats in mei 1948 had ingenomen. Het onderzoek was gebaseerd op onderzoek van geschiedenisstudent Teddy Katz die een groot aantal Joodse en Palestijnse getuigen had geïnterviewd. Veteranen van de brigade die Tantura hadden ingenomen spanden een proces aan tegen Katz. De rechter gaf hun gelijk: het was laster.
Katz moest de proceskosten betalen en de universiteit eiste dat hij een nieuwe thesis zou schrijven. Dat deed hij en hij droeg zelfs nieuwe feiten aan voor de slachtpartij. De thesis kreeg een laag cijfer en werd geweerd uit de universiteitsbibliotheek. Katz zelf werd een paria in de kibboets waar hij woonde. Zijn onderzoek werd gezien als ontoelaatbare zelfbevlekking. Veel Israëli’s waren woedend.
Mijn Volkskrant-artikel met de interviews met de oudere inwoners van Jeruzalem wekte bij sommige Israël-sympathisanten in Nederland ook woede. Schrijfster Lisette Lewin schreef een opiniestuk onder de titel ‘Joodse gruwelen gaan er in het Westen nog altijd grif in’. Impliciet beschuldigde ze de Palestijnen en mij als journalist van antisemitisme. Ik refereer aan het incident in mijn boek ‘De oorlog van gisteren’.
Hoewel Lewin niet ontkent dat de slachtpartij in Deir Yassin een oorlogsmisdaad was, voert ze tal van excuses aan. De geluidswagen die de bewoners had moeten waarschuwen was in een greppel gereden. Veel bewoners renden het dorp uit. De rest verdedigde onverwacht hardnekkig hun huizen. De munitie van de joden raakte op en sommige van hun roestige stenguns begaven het. De ongeoefende Joodse strijders waren volgens Lewin ‘hysterisch van paniek’ en schoten tientallen mannen, vrouwen en kinderen dood. In haar artikel beweert Lewin verder dat de Arabieren het vluchtelingenprobleem in stand houden ‘om Israël te treffen’.
In 2011 werd de ‘Nakba-wet’ van kracht waarbij het in Israël verboden werd ‘acties te ondernemen die het bestaan van Israël als een Joodse en democratische staat ontkennen’ en ‘een rouwdag maken van de dag dat de staat werd uitgeroepen’. Op overtreding van de wet staan hoge geldboetes. Maar historische feiten laten zich niet met een wet uit het collectieve geheugen bannen.
De fase van Israëlische woede en Nakba-ontkenning werd gevolgd door een fase van rechtvaardiging. Rechtse Israëlische schrijvers en journalisten ontkenden niet langer de feiten, maar rechtvaardigden het verdrijven van 750.000 Palestijnen uit hun land. Was dat immers geen ‘legitieme en noodzakelijke actie om de stichting van de joodse staat mogelijk te maken’? Uri Misgav, columnist van de krant Haaretz, bekritiseerde de pro-Palestijnse houding van zijn eigen krant, en eindigde een opiniestuk met een sarcastisch ‘sorry, wij hebben gewonnen’.
De meest schokkende ontwikkeling en de schaamte voorbij is het dreigement, vooral van uiterst-rechtse Israëlische politici, van een ‘tweede Nakba’. Minister voor Energie Israël Katz hield als parlementslid in mei 2022 een toespraak een toespraak waarin hij dreigde met een nieuwe Nakba. Katz reageerde in de Knesset woedend op studenten die de Nakba hadden herdacht en met Palestijnse vlaggen hadden gezwaaid. “Herinner wat er in 1948 gebeurde, herinner je onze Onafhankelijkheidsoorlog, jullie Nakba. Vraag de ouderen onder jullie, jullie grootvaders en grootmoeders, en ze zullen uitleggen dat uiteindelijk de Joden wakker zullen worden en zichzelf en het idee van een Joodse staat zullen weten te verdedigen.”
De uitlatingen van Katz, lid van Netanyahu’s Likoed Partij, staan niet op zichzelf. Andere Likoed-politici, zoals minister van Defensie Yoav Galant, lieten zich op dezelfde manier uit. In het Israëlische politieke spectrum vertegenwoordigen Katz en Galant mainstream rechts. Daar weer ter rechterzijde van bevinden zich politici, zoals de ministers Smotrich en Ben Gvir, respectievelijk met de portefeuilles ‘burgerlijk bestuur’ op de bezette Westoever en ‘Nationale Veiligheid’, die nog een paar stapjes verder gaan en van de Nakba hun strijdkreet hebben gemaakt. Extreemrechts wil de Palestijnen voor de keus stellen: je volledige overgeven en nationale aspiraties vergeten of emigreren. De herinnering aan de Nakba wordt door extreemrechts omarmd om te worden ingezet als dreigement: de joodse suprematie in Groot Israël erkennen of vertrekken naar een Arabisch land of waar dan ook in de wereld. Een tweede Nakba, dus.
Extremistische ministers Itamar Ben Gvir (links) en Bezalel Smotrich roepen op tot een nieuwe nakba
Op loopafstand van waar ooit het Palestijnse dorp Deir Yassin lag, symbolische plaats voor de Nakba, ligt het Yad Vashem, het Holocaust-monument. Er is wel gezegd dat vrede in het heilige land mogelijk zou zijn als de Palestijnen het Joodse trauma zouden erkennen en Israëli’s het Palestijnse; wederzijdse erkenning dus van Holocaust en Nakba. Het erkennen van de feiten, waarheidsvinding, zou helend kunnen werken, smeerolie zijn voor een vastgelopen vredesproces.
De Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani brengt in Returning to Haifa Holocaust-slachtoffers en Nakba-slachtoffers tot leven en samen in één verhaal. Hij maakt beslist geen karikaturen van zijn Israëlische en Palestijnse hoofdrolspeler. De joodse Miriam wordt bijvoorbeeld afgeschilderd als een sympathieke, zorgzame vrouw.
Tegelijkertijd biedt Kanafani voor de Palestijnse ontheemden en onterfden geen alternatief dan te vechten voor het recht op terugkeer. Alleen als de Israëlische hegemonie over Palestina wordt gebroken kan recht worden gedaan. Het is geen toeval dat de briljante schrijver Kanafani door Israël gezien werd als een gevaarlijke politieke activist en in 1972 door de Mossad vermoord.
Ja, waarheidsvinding is essentieel voor verzoening en voor het doen van recht, maar Holocaust en Nakba staan in een problematische verhouding tot elkaar. De Holocaust werd door de zionistische beweging als rechtvaardiging gebruikt voor de stichting van de Joodse staat en die leidde op zijn beurt weer linea recta naar de Nakba. Het ‘kleine leed’ van de Palestijnen die in 1948 hun land moesten verlaten, waar ze volgens het discours van de Israëlische opinieleiders ook nog eens goeddeels zelf verantwoordelijk voor waren, leek in het niet te vallen bij het gigantische leed van de moord op zes miljoen Joden. Zonder het vertrek van de Arabische bevolking, die het recht voor altijd werd ontzegd om terug te keren, was het veilige toevluchtsoord voor alle Joden in de wereld er immers nooit gekomen.
Dat was het zionistische riedeltje dat decennia door een groot deel van de westerse wereld werd geslikt. Kritiek op Israël werd en wordt, vanuit deze perverse logica, daarom afgedaan als Jodenhaat en antisemitisch.
De Holocaust was een uiting van haast niet te bevatten kwaad, een massale moordpartij die door de hele mensheid voor altijd herinnerd moet worden als een waarschuwing tegen elke vorm van uitsluiting en etnisch waandenken.
De gebeurtenissen die in 1948 die leidden tot de verdrijving van honderdduizenden mensen van hun geboortegrond en de kolonisering van Palestina, zijn van een andere orde. Maar ze gaan nog steeds door. Het is nog elke dag Nakba in Palestina. De dreigende deportatie van duizend Palestijnen uit Masafir Yatta, het vernielen van Palestijnse huizen, het uitwissen van het Arabisch karakter van Jeruzalem en Hebron, het uitbreiden van de joodse nederzettingen, de geïnstitutionaliseerde apartheid op de Westelijke Jordaanoever…
Op sociale media zijn dagelijks foto’s en video’s te zien van Palestijnse olijfgaarden die worden vernield, huisuitzettingen, invallen in vluchtelingenkampen… De beelden die mij het meest schokten waren van een groep religieuze kolonisten, baarden, keppeltjes, uzi-mitrailleurs over de schouder, die door de Palestijnse wijk Silwan bij Jeruzalem trokken. Ze provoceerden de bevolking door plagerig ‘Nakba, Nakba’ te zingen.
Nakba is een beschamende strijdkreet geworden voor sommigen, een bittere gedachtenis en onverteerbare realiteit voor anderen. En de herinnering aan de Holocaust?
Thuis, op straat en zeker ook in de betrekkingen tussen landen doen woorden ertoe. Als president Poetin het heeft over zijn speciale militaire operatie in Oekraïne is onze reactie in Nederland meestal een meewarige glimlach. We weten wel beter. Sinds februari vorig jaar is immers een grootschalige Russische aanval gaande op Oekraïne.
Hoezo speciale militaire operatie? Als dit geen oorlog is wat is dan een oorlog? Als dit geen agressie is wat dan wel? Het is een schokkende schending van het internationaal recht, van de soevereiniteit van een buurland en van het zelfbeschikkingsrecht van het Oekraïense volk.
Aleksander Dugin, die wel wordt beschouwd als Poetins’ “huisfilosoof”, zegt dat de Russische waarheid niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als de Europese waarheid. Absolute waarheid bestaat volgens hem niet en dat valt moeilijk te weerleggen. Maar de notie dat je, al naar het jou uitkomt, van mening kunt verschillen over de betekenis van universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en soevereiniteit is angstaanjagend.
Toch gebeurt het. De Russische staatspropaganda heeft het over de dekolonisering van Oekraïne, over een strijd tegen de Westerse neoliberale hegemonie en een noodzakelijke stap om een einde te maken aan de unipolaire wereld, waar alleen de Verenigde Staten en bondgenoten het voor het zeggen hebben. Zelfs het bestaan van een Oekraïens volk met een eigen taal en cultuur wordt ontkend. Russische journalisten die het militaire geweld in Oekraïne toch een oorlog durven noemen lopen ze het gevaar hun baan te verliezen of -erger nog- de gevangenis in te draaien. Het droeve officiële Russische refrein is dat in Oekraïne nazi’s aan de macht zijn en dat het land ‘bevrijd’ moet worden.
Sympathisanten van de Palestijnse zaak in Nederland hebben er het afgelopen jaar veelvuldig op gewezen hoe verschillend er wordt gereageerd op de Russische agressie in Oekraïne en de Israëlische bezetting van Palestina. Oekraïne wordt grootscheeps gesteund door de Verenigde Staten en de Europese Unie, waaronder Nederland. Zonder de westerse wapensteun zou het grootste deel van Oekraïne ongetwijfeld al door Rusland zijn bezet.
Er zijn talrijke sancties afgekondigd tegen Rusland. Waarom geen sancties tegen Israël dat al decennia zich geen zier aantrekt van VN-resoluties en onverdroten doorgaat bezet Palestijns gebied te koloniseren?
De president van Oekraïne, Volodomyr Zelinkski, toonde zich -tot verbijstering van veel Palestijnen- bij verschillende gelegenheden een vriend van Israël. “We zijn verschillende landen en de omstandigheden verschillen totaal,” zei de president in een toespraak tot de Knesset in maart. “Maar de dreiging is dezelfde, voor jullie en voor ons: de totale vernietiging van ons volk, onze staat en cultuur.”
De Palestijnse schrijver en politicoloog Asad Ghanem schreef naar aanleiding van deze toespraak een open brief aan Zelinski. “Uw recente toespraak voor Knesset was een schande wat betreft de globale strijd voor vrijheid en bevrijding. U draait de rollen om van bezetter en bezette. U mist een gelegenheid om de rechtvaardigheid van uw zaak te laten zien.”
Dat de Oekraïense zaak een rechtvaardige is daaraan twijfelt Ghanem geen moment. Net als de meeste Palestijnen heeft hij absoluut geen sympathie voor de Russische agressie. “Ik ben kwaad en bedroefd dat Rusland probeert uw land te bezetten en de rechten van het Oekraïense volk op zelfbeschikking en vrijheid te vertrappen,” schrijft hij in zijn brief aan Zelinski. “Ik geloof dat Oekraïne al onze steun nodig heeft om zich te verzetten tegen deze barbaarse agressie.”
Ook filosoof Slavoj Žižek noemt Zelinskis’s vergelijking van de Oekraïne en Israël ‘totaal misplaatst’. Hij vindt dat de situatie van Oekraïners veel meer lijkt op die van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Israël ziet de Palestijnen niet als een natie die recht hebben op een eigen staat, net zoals Rusland ontkent dat Oekraïne het recht heeft zich een aparte natie te noemen. Rusland is, net als Israël, een nucleaire grootmacht, die de facto een kleiner, zwakkere land probeert te koloniseren. De Sloveen Žižek wijst er verder op dat Rusland in de bezette delen van Oekraïne een apartheidsbeleid voert, net als Israël ten aanzien van de Palestijnen.
Het is ironisch dat Israël tot dusver een dubbelzinnige positie inneemt ten aanzien van Oekraïne. Zo weigert Israël luchtafweergeschut en ander technologisch hoogontwikkeld wapentuig aan Oekraïne te leveren en doet het niet mee aan de sancties tegen Rusland. Zelfs nu Oekraïne praktisch dagelijks het slachtoffer is van aanvallen met in Iran vervaardigde drones, lijkt Israël zich op de vlakte te houden.
Israël wil Moskou niet tegen zich in het harnas jagen omdat het met de Russen samenwerkt in het Midden-Oosten. Israëlische en Russische gevechtsvliegtuigen zijn actief in hetzelfde Syrische luchtruim en coördineren hun operaties dagelijks. Israëls vroegere en toekomstige premier Benjamin Netanyahu gaat er prat op een goede persoonlijke band te hebben met Poetin. “Het is geen liefdesrelatie,” zegt hij er zelf over, het is een relatie in het belang van de ‘veiligheid van Israël’. Het valt niet te verwachten dat Netanyahu in de complexe driehoeksverhouding met Rusland en Oekraïne in de toekomst de balans zal laten doorslaan ten gunste van Oekraïne.
Žižek verdenkt de Oekraïense leiders ervan een ideologisch belang te hebben hun strijd voor te stellen als de verdediging van Europa en Europese waarden tegen een ‘barbaars en totalitair oosten’. Het is dezelfde ideologie die, bewust of onbewust, veel Nederlanders doet sympathiseren met de Oekraïense vrijheidsstrijd, terwijl ze onverschillig blijven voor het lot van de Palestijnen.
Woorden doen ertoe. Principes doen ertoe. Een ‘Europese waarheid’ bestaat niet, net zomin als een Russische of Israëlische waarheid. Universele concepten als vrijheid, bezetting, mensenrechten en zelfbeschikking zijn nu eenmaal ondeelbaar.
Voor Nieuwsbrief Groningen – Jabalya, 17 december 2022
Dit is alweer de vijftigste aflevering van onze Jabalya Nieuwsbrief. Er zijn van die mijlpalen waarvan je niet weet wat je er mee moet. Echte vreugde voel ik eerlijk gezegd niet. Wel verdriet, omdat de geschiedenis van Gaza er een is van geweld, onderdrukking en onrecht. We moeten dat verhaal -en welke impact dat heeft op de jongeren in Gaza- blijven vertellen. Maar het is niet altijd gemakkelijk weer een hoofdstuk toe te voegen aan een op het oog never ending story, waarbij een goede afloop niet in zicht komt.
Toch ben ik eigenlijk wel trots. Niet alleen op die vijftig Nieuwsbrieven maar ook op de andere activiteiten van Groningen-Jabalya. Jaar in jaar uit zijn we aandacht blijven besteden aan onze vrienden in Jabalya. De bevolking in Gaza bestaat voor een groot gedeelte uit nakomelingen van vluchtelingen die hun geboorteland Palestina in 1948 moesten verlaten. De dorpen en steden waar ze vandaan kwamen bestaan niet meer of zijn inmiddels onherkenbaar veranderd. De stichting van de staat Israël ging met veel geweld gepaard: geweld dat voor de inwoners van Gaza nooit is opgehouden.
In onze vijftig Nieuwsbrieven en bij onze andere activiteiten zijn wij er altijd aan blijven herinneren dat het verhaal van Gaza eigenlijk het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen is. De Gazanen organiseerden in 2018-’19 de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ om de wereld eraan te herinneren dat het probleem van de Palestijnse vluchtelingen sinds 1948 onopgelost blijft. Het ‘recht op terugkeer’ is niet alleen verankerd in het internationaal recht maar, in het geval van de Palestijnse vluchtelingen, ook nog eens bekrachtigd door VN-resolutie 194.
Tienduizenden Palestijnen trokken naar het grenshek met Israël om te demonstreren voor het recht op terugkeer en opheffing van de blokkade van Gaza, die sinds 2006 van kracht is. De overgrote meerderheid demonstreerde vreedzaam hoewel er ook enkele tientallen jongeren waren die met stenen of Molotovcocktails gooiden. De jongeren zien de Israëlische militairen niet alleen als bezetters van hun land maar ook als gevangenisbewakers. Het van de buitenwereld afgesloten Gaza is immers één grote open lucht gevangenis.
De zwaarbewapende Israëlische soldaten liepen nauwelijks fysiek gevaar door de massa van vreedzame demonstranten of de rellende jongeren. Maar het antwoord was excessief gewelddadig. Er werd gericht geschoten en er vielen, volgens VN-statistieken, 214 doden waarvan 46 kinderen. Meer dan 36.100 mensen raakten gewond, waarvan 8.800 kinderen. Bij meer dan 150 demonstranten, die getroffen werden door Israëlische kogels moest een been worden geamputeerd.
De reactie van Israël op de demonstraties was niet zomaar over de top. Alles wat met het vluchtelingenvraagstuk te maken heeft ligt super gevoelig in Israël. Ook toen Israëli’s en Palestijnen nog rechtstreeks praatten (wat ze sinds 2014 niet meer doen) was de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks of niet bespreekbaar.
Erkenning van het vluchtelingenprobleem raakt de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict. In 1992 verzuchtte de vroegere premier Yitzhak Rabin dat hij graag op een ochtend wakker zou willen worden en ontdekken dat Gaza verzwolgen was door de zee. Veel Israëli’s worden niet graag herinnerd aan de ellendige situatie in Gaza, dat eigenlijk, als het eropaan komt, één groot vluchtelingenkamp is. Maar bij elke oorlog waarbij Israël probeert Hamas uit te schakelen, en we hebben er sinds 2008 vier gehad, komt Gaza terug op de voorpagina’s.
Groningen heeft een informele maar unieke band met Jabalya in het noorden van Gaza. Het gaat vooral om menselijke kontakten, om mee leven met een bevolking in een uiterst moeilijke situatie en om de mensen hier te informeren over de penibele situatie en het onrecht daar. Als we een beetje kunnen helpen, doen we het. Bijvoorbeeld via de Palestinian Medical Relief Society (PMRS) maar er zijn ook een aantal andere projecten. Voor de details lees deze Nieuwsbrief of bekijk de website.
Waarom we al deze jaren solidair zijn gebleven met Jabalya en de Groningers zijn blijven informeren en soms ook mobiliseren? ‘Hebben jullie niets beters te doen?’, wordt ons soms gevraagd?
Nee, eigenlijk niet.
We geloven in de kracht van kontakten tussen mensen, zelfs al wonen ze duizenden kilometers uit elkaar. De veerkracht van veel mensen in Gaza inspireert ons.
Neem het verhaal van Zainab al Qolaq, een jonge vrouw die onlangs in het nieuws kwam doordat haar kunst internationaal de aandacht trok. Haar schilderijen werden ten toon gesteld in het kantoor van Euro-Med Human Rights Monitor in Gaza.
Zainab verloor 22 van haar familieleden toen Israël in mei 2021 een bombardement uitvoerde op Wehde Straat in het centrum van Gaza Stad. Onder hen waren haar moeder, haar enige zus en twee broers. Zelf lag ze uren onder het puin totdat ze uitgegraven werd door reddingswerkers.
Op sommige van haar schilderijen zijn alleen de kleren van dode familieleden te zien, niet hun lichamen. Het zijn indringende beelden van dood en oorlog, maar voor Zainab was het nodig dit werk te maken om met haar verlies en verdriet te leren leven en haar trauma’s te verwerken.
Als je naar Zainabs beelden kijkt, als je de verhalen hoort van de mensen in Jabalya en elders in Gaza, is het onmogelijk om niets te doen, om je schouders op te halen.
Vandaar dat we doorgaan met Groningen-Jabalya: een dun maar essentieel draadje van solidariteit.
Er stond midden januari zo’n vijftig, zestig centimeter water in veel straten en stegen van Gaza. De harde regen viel in januari dagen achtereen, het dagelijkse leven werd totaal ontwricht. Kinderen waadden tot hun knieen door het water om naar school te gaan. Sommige mensen timmerden een vlot om zich voort te kunnen bewegen.
In de winter zijn de nachten koud in Gaza. Veel huizen die tijdens de Israelische beschietingen en bombardementen van mei werden beschadigd zijn nog niet hersteld. Door de scheuren en kieren in de muren is het onmogelijk het binnen warm te krijgen. Inwoners van Gaza slapen onder een extra paar dekens., kinderen kruipen dicht tegen elkaar aan. Maar als het regent wordt de hele boel kleddernat, vooral in vluchtelingenkampen waar veel woningen zwaar beschadigde zijn.
Het lijkt of de overstromingen in Gaza elk jaar erger worden. De schijn bedriegt niet want de gemeentes hebben meestal geen geld om de wegen te repareren. En zelfs daar waar wel reparaties plaatsvonden is het voor de lokale autoriteiten geen doen om, na de nieuwe vernielingen van mei, opnieuw alles voor de winter in orde te hebben. Na vier rondes van geweld is Gaza zwaargehavend. Volgens cijfers van de Verenigde Naties werden in mei 56.000 woningen beschadigd en 2.100 werden compleet verwoest.
Volgens de Palestijnse autoriteiten en de Wereldbank hebben de bewoners van Gaza 479-miljoen dollar nodig voor het herstel van hun woningen en voor reparatie van de infrastructuur. Van dit bedrag is slechts 100-miljoen dollar inmiddels uitgekeerd. Het gaat hierbij vooral om geld uit Qatar en hulp uit Egypte.
Wateroverlast in Jabalya vluchtelingenkamp
Israelische luchtbombardementen en beschietingen doodden in mei 250 Palestijnen, waaronder 66 kinderen. In Israel vielen, als gevolg van de raketbeschietingen door Hamas, 13 doden waaronder 2 kinderen.
De winterellende in Gaza komt op een moment dat de gezondheidszorg in Gaza, die onder de “normale” omstandigheden van oorlog en beleg al onder enorme druk staat, het nog moeilijker heeft gekregen door corona. Volgens het Palestijnse Ministerie van Gezondheid zijn sinds het begin van de pandemie tot eind januari 1.725 mensen in Gaza gestorven aan de gevolgen van corona. Ongeveer een derde van de volwassen bevolking is volledig gevaccineerd, tegen 60% op de bezette Westoever.
Help ons helpen!
De Stichting Groningen-Jabalya steunt de gezondheidszorg in Gaza via de Palestine Medical Relief Society (PMRS). Draag bij aan de medische zorg in Jabalya (Gaza) en doneer op NL92INGB0006687678 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya onder vermelding van ‘noodhulp PMRS’.
Een Groninger hoef je niet uit te leggen waar Wadapartja voor staat. Nee, het is geen Javaans restaurant of winkel met Nepalese nepantiek. Wadapartja is de Groningse benaming voor een uitzonderlijke –aparte– eet- en drinkgelegenheid, waar ook aparte spulletjes kunnen worden gekocht.
In het Groninger dialect heeft apart zijn oorspronkelijke betekenis behouden van origineel, uitzonderlijk. In het aan het Nederlands verwante Afrikaans hebben apart en apartheid een meer sinistere betekenis gekregen. Apartheid in Zuid-Afrika groeide uit tot een perverse vorm van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding. Aan die segregatie tussen zwarten, kleurlingen en blanken lag het waanidee ten grondslag dat de laatsten superieur waren. Het zogenaamde baasskap, ook al zo’n Afrikaans woord wat we in Nederland maar al te goed begrijpen.
Gelukkig werd in 1994 het apartheidssysteem in Zuid-Afrika, na jaren van binnenlandse strijd, mondiale protesten en diplomatieke druk, formeel opgeheven. In 1973 werd het Internationaal Verdrag voor de Bestrijding en Bestraffing van de Misdaad van Apartheid gesloten, de zogenaamde Apartheidsconventie. Dit verdrag, dat in 1976 van kracht werd, maakte apartheid volgens het internationaal recht een misdaad. In 1998 werd in het Statuut van Rome, dat ten grondslag ligt aan de oprichting van het Internationaal Strafhof (ICC), eveneens bepaald dat apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid.
In november publiceerde de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, die gevestigd is in Gaza, een document onder de titel ‘The Gaza Bantustan—Israeli Apartheid in the Gaza Strip’. In het rapport, gebaseerd op het werk van Palestijnse, Israëlische en internationale mensenrechtenexperts, wordt duidelijk in hoeverre Gaza op zo’n Zuid-Afrikaans Bantustan lijkt.
Het gaat om een door het Israëlische leger nu al veertien jaar geïsoleerd gebied, hermetisch afgesloten van Israël en de rest van de bezette Palestijnse gebieden. De tweemiljoen inwoners van Gaza worden blootgesteld aan herhaaldelijk excessief geweld. Duizenden burgers werden gedood, hun huizen verwoest en kinderen, patiënten en vissers werden arbitrair gearresteerd en gevangengezet.
Al Mezan concludeert dat het Israëlisch beleid ten aanzien van Gaza neerkomt op de “onmenselijke daden”, zoals die gedefinieerd zijn in de Apartheidsconventie. Het gaat om moord, het toebrengen van psychisch en lichamelijk letsel, illegale arrestaties, strafmaatregelen en het ontnemen van het recht om vrijelijk het gebied te verlaten en ernaar terug te keren.
Deze onmenselijke politiek van de Staat Israël is er, volgens Al Mezan, op gericht de overheersing van één etnische groep, Israëlische joden, ten opzichte van een andere etnische groep, de Palestijnen, te vestigen en te bestendigen. Een soort Israëlische baasskap dus, onder het voorwendsel van veiligheid maar in feite vanuit een misplaatst idee van superioriteit.
In het rapport wordt eraan herinnerd dat de staat Israël de levens van ongeveer zeven miljoen joodse Israëli’s controleert en van zeven miljoen Palestijnen, in Israël zelf en in de bezette Palestijnse gebieden. De staat Israël maakt gebruik van allerlei wetten en maatregelen die erop gericht zijn de Palestijnse bevolking te onderdrukken en territoriaal te verdelen en te scheiden, om het ‘joodse karakter’ en superioriteit van Israël te waarborgen.
Al Mezan roept de internationale gemeenschap op zijn verplichtingen na te komen en een einde te maken aan Israëls onrechtvaardige apartheidsregime, zoals ook gebeurde met de apartheid in Zuid-Afrika. Herinnerd wordt aan een uitspraak van Nelson Mandela in 1997: “De Verenigde Naties hebben een duidelijk standpunt ingenomen tegen apartheid. Er ontstond een internationale consensus die hielp om een einde te maken aan het onrecht. Maar we weten heel goed dat onze vrijheid onvolledig is zonder de vrijheid van de Palestijnen”.
De muur rond Gaza. Foto: Israëlisch Ministerie van Defensie
Enkele dagen na publicatie van het rapport van Al Mezan leidden de Israëlische minister van defensie Benny Gantz en opperbevelhebber generaal Aviv Kochavi een plechtigheid om de gereedkoming te vieren van de ijzeren afscheidingsmuur. Kosten noch moeite waren gespaard om de muur, volgens de Israëli’s ‘enig in zijn soort in de wereld’, te bouwen en van Gaza definitief een Bantustan te maken. Of erger…
Drie en een half jaar was eraan gewerkt, 140.000 ton ijzer en staal was ervoor verwerkt en de monstermuur had haast een miljard euro gekost. Het bouwwerk is 65 kilometer lang, zes meter hoog en nog enkele meters ondergronds. Overal op de fortificatie werd elektronische apparatuur aangebracht. Antennes, sensoren, radars en camera’s moeten ervoor zorgen dat Gaza rigoureus en tot nader order afgescheiden is van Israël, Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de rest van de wereld.
De rechtvaardiging voor de afscheidingsmuren is onveranderlijk dat ze voor Israëls veiligheid nodig zijn. Zo werd triomfantelijk aangekondigd dat Israël in de naaste toekomst ook langs de grens met Libanon een muur met technologische hoogstandjes wil bouwen. Maar de vraag is of op den duur muren en apartheid echt voor veiligheid zullen zorgen.
Het is een cliché Gaza een openluchtgevangenis te noemen, maar dat is helaas in 2021 meer dan ooit een feit. De Gaza-muur doodt de hoop, maakt dat jongeren geen perspectieven zien en is, deep down, een symbool van arrogantie, ongelijkheid en onrecht.
Wadapartja dat vandaag de dag nog steeds muren worden gebouwd om mensen van elkaar te scheiden…