Herfstregens in Gaza vergroten ellende van de ontheemde Palestijnen

English below

Door de buitensporige militaire actie van Israel in Libanon zou je haast vergeten dat de genocidale aanval in Gaza doorgaat. Nu al haast een jaar. Er gaat geen dag voorbij zonder dat er burgerslachtoffers vallen. Over een staakt-het-vuren wordt al niet meer gesproken. Voor de 1,9-miljoen ontheemde Palestijnen wordt het leven in de tentenkampen met de dag grimmiger en vooral meer uitzichtloos. Ook in Gaza is de herfst aangebroken en zware regens veroorzaakten nog meer ellende. De vaak aan elkaar genaaide meelzakken, lappen plastic en oude dekens zijn niet bestand tegen de zware herfstregens. Mohammed Abu Afash had uit voorzorg een geultje gegraven rond zijn tent en alle touwen nog eens stevig vastgebonden. Dit voorkwam deze week niet dat de tent vol water liep en de matrassen en kleren nat werden. De tenten zijn niet bestand tegen de regenbuien. “Wat er met ons gebeurt doe je zelfs een beest niet aan,’ schreef Mohammed mij. Hij en zijn vrienden zijn doodmoe en voelen zich hulpeloos. Zonder huis, werk, geld en perspectief.

Ik houd jullie nu al acht maanden op de hoogte van het wel en wee van de familie Abu Afash, die ik blijf steunen. Als je mee wilt helpen: graag! Mohammed op zijn beurt deelt het beetje geld -als hij er over kan beschikken- en eten met zijn buren, vrienden en bekenden in het kamp.

Support: https://gofund.me/afc1cc6e

Israel’s excessive military action in Lebanon makes you forget that the genocidal attack in Gaza continues. For almost a year now. Not a day goes by without civilian casualties. There is no more talk of a ceasefire. For the 1.9 million displaced Palestinians, life in the tent camps is becoming grimmer and more hopeless by the day. Autumn has arrived in Gaza and heavy rains have caused even more misery. The often sewn-together flour sacks, sheets of plastic and old blankets are no match for the heavy autumn rains. Mohammed Abu Afash had dug a small trench around his tent as a precaution and tied all the ropes firmly. This did not prevent the tent from filling up with water this week and the mattresses and clothes from getting wet. The tents are no match for the rain showers. “What is happening to us, you wouldn’t even do to an animal,” Mohammed wrote to me. He and his friends are exhausted and feel helpless. Without a home, work, money and perspective. I have been keeping you informed for eight months now about what happens to my friends in Khan Younis, whom I continue to support. If you want to share supporting them: please do! Mohammed in turn shares the little money (if he has it) and food with his neighbours, friends and acquaintances.

Van Groningen naar Gaza: solidariteit

Beste mensen,

Er is mij een paar dagen geleden iets bijzonders overkomen.

Op de Grote Markt in Groningen was een herdenkingsprotest voor de kinderen van Gaza. 16.000 gedode kinderen werden herdacht met duizenden kinderschoenen. De schoentjes, sandaaltjes en laarsjes waren in lange rijen op het grote plein neergelegd. Vijf uur lang werden namen voorgelezen van kinderen die er niet meer zijn. Er waren een paar korte toespraken waarin werd opgeroepen tot een staakt-het-vuren in Gaza, maar verder waren het vooral de namen van de vermoorde kinderen uit Gaza die over de Grote Markt van Groningen schalden. Het was waardig en indrukwekkend.

Ik was een van de vrijwilligers die gedurende tien minuten namen voorlas. En het toeval wilde dat in mijn lijst de naam van Muhammad Albardaweel was, zoon van Hussein Albardaweel. Ik schrok toen ik de naam van Muhammad zag staan. Eerder had Hussein, die ik ken van het Gaza Center for Media Freedom, mij een foto van zijn in Rafah gedode zoontje opgestuurd.

Mohammad Albardaweel

Hussein, zijn vrouw Maysa en hun kinderen Hala, Mohanad en Jana hebben de afgelopen maanden, zoals zoveel Palestijnen in Gaza, verschillende keren moeten vluchten. Hun laatste verblijfplaats was in Khan Younis, maar ook die moesten ze een paar dagen geleden hals over kop verlaten toen het Israëlische leger daar een grootscheepse aanval inzette. Hun persoonlijke bezittingen zoals matrassen, kleren en eten konden ze niet meenemen op de vlucht. Ze mochten van geluk spreken dat ze nog in leven waren.

Een andere Palestijnse kennis die ook in Khan Younis verblijft stuurde mij een WhatsApp-bericht over de dramatische situatie daar. “Er zijn vannacht aan één stuk door beschietingen van de Israëlische artillerie geweest en bombardementen door de luchtmacht. Er zijn veel doden en gewonden. Het is vreselijk, onverdraaglijk..”

Een donatie aan de GoFundMe-campagne https://gofund.me/535f469b zal mijn vriend Hussein helpen weer wat spullen en eten te kopen voor zijn gezin in deze benarde omstandigheden.

Van harte aanbevolen,

Jan Keulen

Groningen heeft band met Jabalya, maar Jabalya ligt in puin

Is ooit eerder een zusterstad van Groningen met de grond gelijk gemaakt?

De stedenband tussen Groningen en Jabalya in de Gazastrook is weliswaar nooit officieel bekrachtigd, maar de gemeente Groningen bouwde er een prachtig jeugdcentrum. Er was jarenlang contact tussen Groningse en Palestijnse ambtenaren, onder andere over het jongerenbeleid in Jabalya. Daarnaast onderhielden, zo goed en kwaad als dat ging, bestuursleden van de Stichting Groningen-Jabalya contacten met Palestijnse vrienden en kennissen en bezochten ze Jabalya verschillende malen.

De band met Jabalya voelt nu treuriger aan dan ooit. Jabalya ligt namelijk in puin.

Er waren twee dodelijke rondes.

Enkele weken na de Hamas-aanval in het zuiden van Israël op 7 oktober, waarbij 846 Israëlische burgers en meer dan 300 militairen werden gedood, viel het Israëlische leger Gaza binnen. Eerder al was de Israëlische luchtmacht begonnen het noorden van Gaza, inclusief Jabalya, op grote schaal te bombarderen. Wekenlang vonden in Jabalya zware gevechten plaats en pas eind december verklaarde het Israëlische leger Jabalya volledig onder controle te hebben. Israël zei dat Hamas in noord-Gaza verslagen was en dat er duizenden “terroristen” waren gedood.

Vier maanden later werd er echter opnieuw strijd geleverd in het noorden van Gaza. Op 12 mei kondigde het Israëlische leger aan terug te gaan naar Jabalya “om te voorkomen dat Palestijnse strijdgroepen zich er zouden hergroeperen”. Wekenlang werd er hevig gevochten en werd Jabalya genadeloos bestookt met artillerie en luchtbombardementen. De BBC citeerde een Israëlische officier die zei dat de gevechten in Jabalya “de heftigste” waren in zeven maanden Gaza-oorlog. Pas begin juni verklaarden de Israëli’s Jabalya en aanpalende dorpen in het noorden van Gaza weer onder controle te hebben. Waarschijnlijk zo lang als het duurt.

Intussen is Jabalya een rampgebied. Hele buurten zijn veranderd in puinhopen en onherkenbaar geworden, huizenblokken zijn veranderd in ruïnes, van flatgebouwen zijn alleen skeletten over. Het enige ziekenhuis van Jabalya, het al-Awda, is door de Israëli’s ontmanteld, net als alle andere medische faciliteiten in Noord-Gaza. Navi Pillay van de VN-onderzoekscommissie omschreef de ‘enormiteit’ van alle incidenten die als oorlogsmisdaden zouden kunnen worden omschreven als ‘niet eerder gezien in mijn leven’.

Beeld van de vernielingen in het Jabalya vluchtelingenkamp (WAFA)

Ja, er waren hevige gevechtsrondes tussen het Israëlische leger en Palestijnse strijders, maar Israël heeft daarbij willens en wetens voortdurend het internationaal humanitair recht overschreden. In het in juni verschenen explosieve rapport van de VN-onderzoekscommissie worden vier principes genoemd die het Israëlische leger met voeten heeft getreden:

  • Het principe van onderscheid tussen burgers en militairen/strijders en het onderscheid tussen militaire en niet-militaire objecten. Alles moet worden gedaan om vast te stellen of een persoon of een gebouw als een militair object kan worden beschouwd. In geval van twijfel mag het niet als een militair object worden beschouwd.
  • Het verbod van willekeurige aanvallen, dat zijn aanvallen die niet gericht zijn op een specifiek militair doel. Ook mogen er geen strijdmethodes of munitie worden gebruikt die niet gericht of geschikt zijn voor een specifiek militair doel.
  • Het principe van proportionaliteit. Aanvallen van de strijdende partijen moeten proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de schade aan burgers en hun eigendommen gerechtvaardigd kan worden met het militaire voordeel dat met de aanval wordt behaald.
  • Het principe van voorzorgsmaatregelen. Strijdende partijen moeten er bij het uitkiezen van wapens, tactieken, timing en doelen rekening houden met mogelijke doden of gewonden onder burgers. Het risico op burgerslachtoffers moet in ieder geval zo beperkt mogelijk worden gehouden.

Het ‘meest morele leger ter wereld’, zoals premier Netanyahu de Israëlische strijdkrachten omschrijft, heeft zich in Gaza geen barst aangetrokken van bovenstaande principes. De VN-onderzoekscommissie, die de toegang tot Gaza door Israël overigens werd geweigerd, verzamelde meer dan 7.000 incidenten in de eerste maanden van de oorlog waarbij het internationaal recht werd geschonden. De dossiers worden overgedragen aan het Internationaal Strafhof (ICC).

Het Israëlische leger lijkt zich in veel gevallen niet alleen niets aan te trekken van het oorlogsrecht, maar zich te laten leiden door wraak- en vernielzucht. Honger en dorst worden ingezet als oorlogswapens. De dehumanisering van Palestijnse burgers en maatschappij nam bij tijden hysterische trekken aan. De oorlog veranderde van een strijd tegen Hamas in een oorlog tegen kinderen met minstens 15.000 dode en 21.000 vermiste kinderen. Het werd een oorlog tegen Palestijnse onderwijsinstellingen, gezondheidszorg en tegen journalisten en intellectuelen. Het werd een oorlog tegen de burgerbevolking als geheel, die met miljoenen in een nachtmerrie werd gestort van ontheemding, ontbering en onveiligheid.

Het VN-onderzoeksrapport noemt een aantal voorvallen in Jabalya waarbij duidelijk sprake was van oorlogsmisdaden. Op 9 oktober, in het prille begin van de oorlog, vonden zware explosies plaats in Al Trance Straat in het Jabalya vluchtelingenkamp. De straat wordt gebruikt als markt en was op dat moment vol mensen die inkopen kwamen doen. Door het onaangekondigde luchtbombardement kwamen tenminste 42 mensen om het leven, waaronder veel vrouwen en kinderen. Latere berichten spraken van 60 doden. Twee hoge flatgebouwen werden met de grond gelijk gemaakt.

Op 31 oktober werd een woonwijk in het vluchtelingenkamp aangevallen waarbij een terrein van tenminste 2,500 vierkante meter totaal platgebombardeerd werd. Israël beweerde later een Hamas-commandant te hebben gedood, maar de tol aan burgerdoden -99 voornamelijk vrouwen en kinderen- en schade aan gebouwen was buitenproportioneel.

Het zijn maar twee gedocumenteerde gevallen van niets en niemand ontziend geweld in een eindeloze reeks.

Wat voor zin heeft het platgooien van Jabalya?

Het ontvolken?

Een groot deel van de bevolking is inderdaad gevlucht en bivakkeert nu in tenten in onveilige “veilige zones” in centraal Gaza. Maar hebben ze veel andere keus dan terugkeren naar hun kapotte huizen als de oorlog is afgelopen? Er bleven trouwens ook nog, tussen de ruïnes, tienduizenden mensen in Jabalya achter, die niet konden of wilden vluchten.

Uiterst-rechts in Israël droomt van een nieuwe nakba waarbij de Palestijnse vluchtelingen als sneeuw voor de zon verdwijnen. In Noord-Gaza zouden dan joodse nederzettingen moeten komen met villadorpen en vakantieresorts.

De tijd zal leren of de schuldigen van oorlogsmisdaden te zijner tijd verantwoording zullen afleggen en op welke manier. Met het platgooien van Jabalya is de nachtmerrie nog lang niet voorbij, zoveel is wel zeker.

Dit artikel werd geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya (juli 2023) en in verkorte vorm gepubliceerd door het Dagblad van het Noorden op 7 juli 2024.

Voor de zevende keer gevlucht

De familie is afgelopen weekend voor de zevende (!) keer gevlucht. Oorspronkelijk woonden ze in Gaza Stad waar Mohammed een winkeltje in schoolbenodigdheden en speelgoed had. Hun woning en winkel ligt, als gevolg van het oorlogsgeweld, al sinds maanden in puin en het gezin -vader, moeder en drie dochtertjes- zijn van hot naar her gevlucht. Telkens naar een ‘veilige plek’ die niet veilig bleek te zijn. Er zijn immers geen veilige plekken in Gaza. Tot voor kort bivakkeerde de familie in het oosten van Rafah maar sinds het Israëlische leger daar vorige week een militaire operatie begon zijn ze op de vlucht.

Mohammed stuurde me een paar foto’s van hun zevende ‘evacuatie’

Weer alles inpakken, weer verkassen…

Meenemen wat je nodig denkt te hebben…

De schamele bezittingen…

De familie heeft geen tent meer on te slapen. Ze slapen nu bij familie verderop in de Gazastrook: de vrouwen en kinderen bij elkaar en de mannen bij elkaar.

Of via deze link: https://gofund.me/208eb58f

Slachtpartij van journalisten in Gaza moet stoppen

Er vindt een slachtpartij plaats onder de journalisten in Gaza.

Volgens Reporters Without Borders (RSF) staat de macabere teller sinds het begin van de oorlog in oktober inmiddels op 105. In overgrote meerderheid zijn de slachtoffers Palestijnse journalisten, die van binnenuit verslag deden van de luchtbombardementen, beschietingen en grootscheepse verwoestingen.

Ter vergelijking: in Ukraine kwamen sinds 2014 nog geen 20 journalisten om het leven. Conflicten in het Midden-Oosten zijn altijd al levensgevaarlijk geweest voor journalisten. Westerse correspondenten werden ontvoerd en vermoord, Arabische journalisten gevangengezet en erger, maar ‘Gaza’ is exceptioneel. Er is alleen directe berichtgeving van binnenuit. De Palestijnse verslaggevers, de ‘ogen en de oren’ van de wereld, zijn tevens potentiele doelwitten en slachtoffers van het geweld.

Eind maart wijdde NRC een indrukwekkend dossier van meer dan drie pagina’s aan de dood van journalisten in Gaza. Ook organisaties als de International Federation of Journalists, RSF en het Committee for the Protection of Journalistshebben het grote aantal journalistieke slachtoffers uitvoerig gedocumenteerd.

De feiten zijn bekend maar de internationale gemeenschap is angstvallig stil.

Hoe anders was dat toen op 1 april zeven internationale hulpverleners werden gedood bij drie opeenvolgende Israëlische droneaanvallen. Drie Britten, een Australische, een Pool, een Amerikaan en een Palestijn verloren hun leven. De internationale verontwaardiging was groot. Van verschillende kanten werd een onafhankelijk onderzoek geëist. Het Israëlische legeroptreden van eerst schieten en daarna pas vragen stellen werd -terecht- door vriend en vijand scherp bekritiseerd.

Hoe zou de internationale gemeenschap hebben gereageerd als drie Britse, een Australische, Amerikaanse en Poolse journalist op één dag zouden zijn doodgeschoten door het Israëlische leger?

Maar er bevinden zich geen buitenlandse journalisten in Gaza. Israël laat geen media toe tot het gebied, behalve in een paar uitzonderlijke situaties, embedded met het Israëlische leger. Praktisch alle beelden, alle verhalen van de oorlog komen tot ons via Palestijnse journalisten.

In de periode 2011-’14 leerde ik, als directeur van het Doha Center for Media Freedom met een geaffilieerd trainingscentrum in Gaza, veel van hen kennen. Met een arbeidsmarkt die de vaak goed opgeleide jongeren weinig kansen biedt, maar met een overvloed aan nieuws, was journalistiek in Gaza een populair beroep. Ondanks de Israëlisch-Egyptische blokkade konden journalistieke producten -video, foto’s en geschreven tekst- gemakkelijk online geëxporteerd worden naar de Arabische en internationale media. Gaza werd de afgelopen decennia, ondanks en dankzij alle ellende, een onwaarschijnlijke journalistieke hub.

Dat Israël dit ook al voor 7 oktober met lede ogen toezag blijkt onder andere uit de totale verwoesting in mei 2021 van het twaalf verdiepingen tellende Al-Jalaa gebouw in Gaza Stad. In deze torenflat bevonden zich de kantoren van Al Jazeera, het Amerikaanse persbureau AP, de trainingsfaciliteiten van het Doha Center en andere mediaorganisaties. Israëls rechtvaardiging om het gebouw met de grond gelijk te maken was dat de inlichtingendienst van Hamas er zou huizen, maar dit is nooit door onafhankelijke bronnen bevestigd.

Verslag doen uit het oorlogsgebied van Gaza is niet alleen levensgevaarlijk voor de journalisten en hun familieleden, er heerst ook een gevoel van plicht om de wereld te informeren over de verschrikkingen van de oorlog en het vaak slecht begrepen lot van de Palestijnse bevolking in Gaza. “We voelden dat het onze taak was de hele wereld van informatie te voorzien,” zegt Ola Zaanoun, werkzaam voor RSF en een van de weinige journalisten die uit het gebied geëvacueerd kon worden naar Doha.

De offers die voor dat meer dan alleen professionele plichtsgevoel moeten worden gebracht zijn enorm. Ola’s man Adel Zaanoun, correspondent voor AFP en mijn vroegere collega bij het Doha Center, is nog steeds dagelijks aan het werk in Gaza. “Op een dag was er een luchtaanval, heel dichtbij,” vertelde hij. “Verschillende collega’s kwamen daarbij om het leven. Stel je voor dat je je collega’s, je vrienden voor je ogen ziet doodgaan. Stel je voor dat je gewekt wordt door een enorm bombardement, dat je lichaamsdelen alle kanten op ziet vliegen, de tent boven je hoofd instort in en je bedolven wordt door zand en stof..”

Het Israëlische leger heeft mediaorganisaties als AFP geïnformeerd dat de veiligheid van haar journalisten niet kan worden gegarandeerd. Dat is dan nog een vriendelijke versie van de communicatie tussen de Palestijnse journalisten ter plekke en het leger. In november kreeg Al Jazeera journalist Anas Sherif verschillende telefoontjes van Israëlische officieren met de aanzegging dat hij direct moest ophouden met zijn verslaggeving uit het noorden van Gaza. Sherif meldde de dreigementen aan zijn werkgevers aldus het Committee for the Protection of Journalists.  Het kon niet voorkomen dat het ouderlijk huis van Sherif in Jabalia enkele weken later getroffen werd door een luchtbombardement, waarbij zijn vader om het leven kwam.

In sommige gevallen wordt de vrees familieleden te verliezen en de dagelijkse druk van de oorlog sommige journalisten te veel. Een persfotograaf die dringend Gaza uit wilde om op adem te komen en in december een beroep deed op het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken om hem te helpen Gaza te verlaten, kreeg nul op rekest. Dit ondanks het feit dat hij directe familieleden in Nederland heeft en de NVJ het ministerie over zijn zaak uitvoerig informeerde.

Zolang bondgenoten van Israël, zoals Nederland, niet kunnen bewerkstelligen dat Israël zich aan zijn internationale plicht houdt om journalisten te beschermen, zouden in ieder geval collega’s die geëvacueerd willen worden, geholpen moeten worden. Nederland speelt een actieve rol in de Global Media Freedom Coalition, een groep van 50 lidstaten die zeggen op te komen voor persvrijheid, wereldwijd. Na meer dan een half jaar verlies en pijn van de journalisten in Gaza is het tijd dat de goedbetaalde diplomaten en politici wakker worden.

De statistieken zijn schokkend: elke twee dagen gemiddeld minstens één gedode journalist. Terwijl ik dit stukje tik zie ik opnieuw een alarmerend bericht. Journalist Bayan Abusultan, met meer dan 221.000 volgers op Instagram, is spoorloos verdwenen. Meer dan een week is ze niet meer gesignaleerd. Het laatst was ze gezien op 19 maart, gearresteerd door de Israëlische troepen tijdens de belegering van het Al-Shifa ziekenhuis. RSF krijgt geen antwoord op de vraag aan de Israëli’s om licht te werpen op Bayan’s verblijfplaats.

Toen ik dit bericht las was ik eerlijk gezegd bang dat Bayan’s naam toegevoegd zou worden aan de lange lijst van gedode journalisten. Tot 29 maart. Bayan laat van haar horen met een tweet bestaande uit twee woorden: I survived. Ik haal opgelucht adem. Maar de volgende dag lees ik weer een bericht van haar op sociale media. Ze was erbij toen haar ouders haar broer en ‘hun enige zoon in hun armen sloten en toekeken toen hij overleed’.

Goed nieuws uit Gaza laat voorlopig nog wel even op zich wachten, ook voor degenen die het overleven. 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op VillaMedia op 9 april 2024: https://www.villamedia.nl/artikel/opinie-de-slachtpartij-van-journalisten-in-gaza-moet-stoppen

Update1 juli 2025

Bij een Israëlische luchtaanval op een Strandcafé in Gaza Stad kwamen minstens 33 mensen om het leven en vielen zo’n 50 gewonden. Het café is populair bij journalisten, kunstenaars en activisten. De bekende journalist en fotograaf Ismail Abu Hatab (32) kwam om het leven. Journalist en sociale media influencer Bayan Abusultan, met inmiddels 243.000 volgers op Instagram, was ook in het café tijdens de Israëlische luchtaanval. Ze overleefde het bombardement miraculeus en raakte licht gewond. Op internet gingen foto’s viraal van een bebloede, glimlachende Bayan, die verzorgd wordt door een groep vrouwen.

Bayan wordt na het bombardement geholpen door een groep vrouwen. Het is Israël niet gelukt haar te vermoorden.

De schaduw van de andere oorlog achter de huidige

“De afgelopen jaren zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht. Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena (Spaanse burgeroorlog red.) schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kiev en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw”.

Oud-correspondent voor de Volkskrant Jan Keulen neemt ons in zijn boek De Oorlog van gisteren mee naar de tijd van de Libanese burgeroorlog maar ook naar de oorlogen tussen Israël en Palestina en de voortdurende onrust in het Midden-Oosten. Hij zat dicht op de huid van de (wereld) geschiedenis en deed daarvan dagelijks verslag. Journalisten schrijven vaak ‘de eerste versie van de geschiedenis’ en Keulen is een enorme kenner/ insider over deze regio. 

Keulen beschrijft zijn intense journalistieke periodes vanuit een persoonlijke invalshoek. We leren een knappe Libanese vriendin kennen, handelaren in leed, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd, en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Keulen, die als journalist ook de loopgravenoorlog tussen Iran en Irak versloeg, laat ook zien dat de oorlog van toen de oorlogen van nu zijn.

Voor vrede is geen plek in zijn boek. Keulen ontleent de titel van zijn geschrift aan de schrijver Stefan Zweig die bekend raakte met zijn boek De Wereld van gisteren. “De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag”.

Nederland kent in toenemende mate een traditie van journalistieke memoires. Verschillende verslaggevers schreven over hun standplaatsen (Olaf Koens, Lucas Waagmeester, Betsy Udink) of bijvoorbeeld Minka Nijhuis met haar boek Gekkenwerk: de zorgvuldig bewaarde geheimen van een oorlogsjournalist. En ook Jan Keulen schaart zich nu in dit rijtje van oud-correspondenten die hun licht en visie laten schijnen over hun beroep. Hun verhaal moet verteld worden.

In De oorlog van gisteren laat Jan Keulen zich zien als een betrokken en zeer goed geïnformeerde journalist. Hij kijkt in zijn boek terug op zijn persoonlijke en professionele rol als verslaggever en hoe om te gaan met geweld in oorlogen en conflicten.  Schrijf je in spannende situaties over jouw eigen angsten en onzekerheden. Mag je eigen leed uitventen? Zeker, dat mag om het grotere verhaal te vertellen van oorlog, ellende en totale waanzin. Het boek van Keulen is een aanrader om meer te weten over de diepere oorzaken van conflicten in het Midden-Oosten.

Boekbespreking door Lejo Siepe, in Vredesmagazine, jaargang 17, nr. 2, maart 2024

De oorlog van gisteren

Uitgeverij Jurgen Maas

Prijs € 26.95

Dank Dries, vriend en inspirator

Mijn eerste persoonlijke ontmoeting met Dries van Agt dateert van haast twintig jaar geleden. Na een boekpresentatie in Amsterdam door Midden-Oosten journalist Robert Fisk kwam van Agt naar mij toe. Hij pakte mijn hand die hij niet losliet en zei iets in de trant van: ‘Nederland heeft journalisten zoals jij hard nodig. Er zouden er meer moeten zijn die eerlijk over de realiteit in Palestina en Libanon durven schrijven. Ga vooral zo door, mijn vriend.’

Ik heb een vage herinneringen dat hij me daarna een omhelsing gaf. Er hing die avond veel emotie in de lucht, ook al door het vlammende betoog van Robert Fisk.

Mijn vriend, had van Agt gezegd. Maar waren we wel vrienden?

Die vraag kwam elf jaar later op mijn weg toen ik op het punt stond directeur van The Rights Forum te worden. Wilde ik eigenlijk wel bij ‘de club van Van Agt’ horen, zoals de organisatie vaak werd genoemd? Die twijfel had niets te maken met de uitgangspunten van The Rights Forum, die ik van harte ondersteunde. Opkomen voor het internationaal recht en voor de mensenrechten in het Midden-Oosten was de story of my life.

Maar er was iets anders.

Ik ben opgegroeid in Assen. Als kind ben ik vaak in Schattenberg geweest, wat op fietsafstand ligt van Assen. Schattenberg was in de oorlog het sinistere doorgangskamp Westerbork. In 1951 werden gedemobiliseerde Molukse KNIL-militairen en hun families min of meer gedumpt in de barakken van Westerbork, waar enkele jaren eerder meer dan honderdduizend Joden uit heel Nederland hadden gebivakkeerd, voordat ze getransporteerd werden naar concentratie- of vernietigingskampen.

In de eerste klas van de HBS had ik een Ambonese kameraad, Alex Patty. Ik herinner me de geuren van -voor mij exotisch- gekruid eten, de moeders gekleed in sarong, het vrolijke schreeuwen van de kinderen in Schattenberg, het crossen op de fiets door het nabijgelegen bos..

Jaren later, inmiddels student in Groningen, was ik nauw betrokken bij een werkgroep Zuid-Molukken, met veel Molukse leden uit Assen en Boven-Smilde. We waren tegen de dictatuur van Soeharto en voor het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking van Oost-Timor en van de Molukken. Met een aantal Molukkers raakte ik bevriend. Het was een periode van gewelddadige acties, met als dramatische climax de gijzelingsactie in 1977 bij De Punt die beeindigd werd door een commando mariniers. Daarbij kwamen twee gegijzelden en zes Molukse kapers, de jongste was 17 jaar, om het leven.

De gewelddadige afloop van De Punt, waar Van Agt destijds als minister mede-verantwoordelijkheid voor droeg, deed mij twijfelen.

Uiteindelijk ben ik toch gaan werken voor The Rights Forum en ik heb aan die kleine drie jaar dat ik directeur was, een groot aantal heel goede herinneringen aan Dries overgehouden. Het zijn er te veel om hier te memoreren. Ik wil toch één noemen, namelijk het bezoek dat Dries bracht aan de redactie van het NOS-journaal, nu zo’n zes jaar geleden. Zoals gezegd: Dries vond eerlijke en objectieve informatie cruciaal.

We werden met alle egards ontvangen door de hoofdredactie van het NOS-Journaal. Reden van ons bezoek was dat we de NOS-berichtgeving over Gaza eenzijdig en vaak zelfs foutief vonden. Dries vond de afsluiting van Gaza en het opsluiten van miljoenen Palestijnen daar door Israël, een schande. Hij vond de manier van berichtgeving geen recht doen aan de schrijnende realiteit, die ook nog eens in flagrante strijd was met het internationaal recht..

Dries van Agt op de bezette Westelijke Jordaanoever

In de loop van de jaren dat ik bij the Rights Forum werkte is mijn achting voor Dries alleen maar gestegen. Hij was als geen ander geinformeerd en oprecht betrokken. Bij alle schuivende panelen in de politiek, de verrechtsing en verruwing, bleef hij trouw aan zichzelf.

En niet alles was politiek, trouwens. Hij had een scherp oog voor je bij ziekte of als je persoonlijke problemen had. Ik spreek uit ervaring. Het heeft mij vaak verbaasd hoe persoonlijk Dries kon zijn. Waar kwam die intuïtie vandaan? Hij leek door je heen te kijken. Hij wist het. Dries van Agt was een man van woorden, goed uitgekozen woorden, hij was zelfs een woordkunstenaar, maar in dat soort situaties was hij juist karig met woorden.

In die zin is het misschien niet vreemd dat Dries me na afloop van een Rights Forum bijeenkomst in februari 2021 aansprak over de kwestie van de Zuid-Molukken. Hoe hij het wist, weet ik niet, maar hij wist dat die kwestie belangrijk voor mij was. ‘Ik heb een brief aan de koning geschreven,’ vertelde hij. ‘Ik heb er bij de koning op aangedrongen het leed van de Molukkers te erkennen. Het is toch wel heel wrang dat de Molukkers nooit een woord van medeleven hebben gekregen, of een ruimhartige compensatie, terwijl zij juist zo trouw waren aan ons land en aan het koningshuis. Het is een schande. Ze zijn erg onrechtvaardig behandeld.’

Van Molukse vrienden in Assen hoorde ik later dat Van Agt toenadering had gezocht tot hun gemeenschap. Er vonden gesprekken plaats, onder andere met de schrijfster Dinah Marijanan. Dinah gaf Dries haar boek Barak 85 kamer 10, over haar jeugd in Schattenberg. Dries zou het niet alleen in één adem uitlezen, maar ook opsturen aan Willem-Alexander. ‘Dit moet je lezen koning’, raadde hij hem aan, hoewel misschien in iets andere bewoordingen. Dries was, ook in een van zijn laatste grote interviews met de NRC, een pleitbezorger geworden van excuses aan de Molukse gemeenschap.

Dries durfde van mening te veranderen, als hij vond dat de feiten dat geboden. Hij was niet bang zijn nek uit te steken met goed onderbouwde opvattingen, ook als die niet pasten in het benepen straatje van de Hollandse politieke correctheid.

Als het heilige land in doodsnood verkeerde, moest Nederland dat weten. Als het internationaal recht geschonden werd, liet hij een schreeuw om recht horen. Het zijn dan ook de titels van zijn laatste twee boeken: ‘’Schreeuw om recht” en “Palestina in doodsnood”.

Dries zat niet op twitter en dat was maar goed ook. Ik ben altijd blij geweest dat hij de sociale media-accounts van The Rights Forum nooit onder ogen kreeg: bij gebrek aan argumenten waren de haat, de verwensingen en valse beschuldigingen niet van de lucht.  

Zelfs na zijn herseninfarct kreeg hij de nodige hate mail. Dries refereert er zelf aan in zijn NRC-interview. Volgens een briefschrijver was het een straf van Jahweh “omdat u Israel zo hard afvalt”. “Walgelijk natuurlijk. Ik doe namelijk óók aan Jahweh,” reageerde Dries. “Maar de mijne zit echt niet zo kleingeestig in elkaar.”

Als ik Dries zou moeten omschrijven zou ik zeggen: hij was in ieder geval groot-geestig, in alle opzichten van dit misschien wel niet bestaande woord. Maar u weet wat ik bedoel.

Dank voor alles Dries, vriend en inspirator in, zoals jij dat noemde, de goede strijd..

Tekst uitgesproken tijdens de herdenkingsbijeenkomst voor Dries van Agt op 5 maart 2024, georganiseerd door The Rights Forum, in De Vereeniging in Nijmegen.

De hel van Jabalya en de Groningse connectie

Zo ongeveer moet de hel eruitzien. Kapotgeschoten flatgebouwen, uitgebrande autowrakken, een oude man in een rolstoel die wordt vooruitgeduwd door een jongen van een jaar of acht. Ze ploeteren door water dat tot de knieën van de jongen staat en halverwege de wielen van de rolstoel.

Zo ongeveer moet de hel ruiken. Het regenwater stinkt. De riolering is overgestroomd omdat, bij gebrek aan elektriciteit, de gemeentelijke pompen niet meer werken. Het meurt niet alleen overweldigend naar stront en pis maar ook naar verrotte lijken. De doden die langs de kant van de weg lagen zijn inmiddels opgehaald. Maar onder de brokstukken van kapotgebombardeerde gebouwen liggen nog steeds lijken, of delen daarvan, die niet konden worden geborgen.

Groningen heeft iets met die hel, onze stad heeft een gedeelde geschiedenis met Jabalya. In 1999 bezocht de toenmalige burgemeester Jacques Wallage de Palestijnse Gebieden. Hij deed ook Gaza aan en bezocht het vluchtelingenkamp en de aangrenzende stad Jabalya. Het gemeentebestuur van het kinderrijke Jabalya vroeg Groningen hulp bij het opzetten van een jeugdbeleid. De gemeente Groningen reageerde positief op de hulpvraag. Er werden missies naar Jabalya gestuurd en uiteindelijk werd besloten dat Groningen zou meewerken aan de bouw van een jeugdcentrum in Jabalya. Daarnaast zou Groningen Jabalya helpen, onder andere door middel van kennisuitwisseling, om een lokaal jeugdbeleid op te gaan zetten. Jarenlang was het een komen en gaan tussen Groningen en Jabalya van ambtenaren, experts en leden van de Stichting Groningen-Jabalya die zich inzetten voor een goede verstandhouding tussen de Groningse en Gazaanse bevolking.

Het gebouw in Jabalya, ontworpen door het Groningse architectenbureau AAS en gedeeltelijk gefinancierd door de gemeente Groningen, werd in 2005 opgeleverd. Het zou echter amper een paar maanden als jeugdcentrum functioneren. In januari 2006 won Hamas de Palestijnse verkiezingen. De onverwachte overwinning leidde tot spanningen met Fatah, de dominante partij binnen de Palestijnse Autoriteit. In 2007 vond een gewapend treffen plaats tussen Hamas en Fatah. De Palestijnse Autoriteit van Fatah-leider Mahmoud Abbas werd Gaza uitgezet. Gaza kwam onder de exclusieve controle te staan van Hamas dat geen onafhankelijk jeugdcentrum in Jabalya tolereerde, zoals de initiatiefnemers voor ogen had gestaan. Daarbij kwam dat buitenlandse donoren, die nodig waren om het jeugdcentrum verder in te richten en te laten draaien, het na de Hamas-machtsovername lieten afweten.

De teleurstelling over de teloorgang van het jeugdcentruminitiatief was groot, maar dat betekende niet dat we met onze rug naar Gaza gingen staan. De behoefte aan contact was, zeker aan de kant van onze vrienden in het geïsoleerde Jabalya, erg groot. De gemeente Jabalya besloot het “Groningse” gebouw te verhuren aan het Na’ama College. Dat honderden jongeren uit Jabalya een opleiding volgden aan deze MBO-achtige school, was in zekere zin een troost. Leden van de Stichting Groningen-Jabalya bezochten het Na’ama College de afgelopen jaren verschillende keren. We bleven ook contact houden met verschillende NGO’s, onder andere op het gebied van mensenrechten en jeugdtheater, in het noorden van Gaza.

Op dinsdagmiddag 31 oktober bombardeerden Israëlische gevechtsvliegtuigen Blok 6 in het Jabalya vluchtelingenkamp. Volgens Al Jazeera vielen er zes bommen. Ze veroorzaakten een enorme krater en een aantal flatgebouwen stortte als kaartenhuizen in elkaar. Ongeveer honderd mensen werden in deze bomaanval gedood, vierhonderd gewond. Meer dan de helft van de slachtoffers waren kinderen.

De beelden uit het Indonesische Ziekenhuis, dat vlakbij Jabalya ligt en inmiddels is gesloten, waren verschrikkelijk. Kinderen met brandwonden die op de grond behandeld moesten worden. Een schokkend gebrek aan medicijnen. Amputaties die zonder verdoving werden uitgevoerd.

De Israëlische media berichtten niet over de Palestijnse burgerslachtoffers maar meldden dat Hamas-commandant in centraal-Jabalya, Ibrahim Biari, bij de aanval was “geëlimineerd”. Hoeveel onschuldige doden en hoeveel verwoesting waren voor het Israëlische leger gerechtvaardigd om één Hamascommandant uit te schakelen?

Vast staat dat Jabalya sinds begin oktober een van zwaarst getroffen delen van Gaza is. Een aantal wijken van Jabalya is totaal onherkenbaar, of het zou moeten zijn dat we er het kapotgebombardeerde Grozny of Aleppo in herkennen, of Leipzig 1943.

Er waren verschillende reprises van de slachtpartij van 31 oktober. Midden december kwamen de Israëlische bommenwerpers opnieuw in actie boven Jabalya en vielen er minstens 110 doden, wederom voor een groot deel kinderen.

Inmiddels hebben de Israëlische grondtroepen zich teruggetrokken uit het vluchtelingenkamp. Ze zijn nog wel vlakbij: in de aangrenzende Jabalya-stad, onder andere in het gehavende “Groningse gebouw” dat nu als Israëlische militaire basis fungeert. De school is uiteraard, net als alle andere scholen in Gaza, gesloten. Meer dan 350 scholen zijn geheel of gedeeltelijk verwoest, het educatieve systeem in Gaza is totaal ontwricht.

Ondanks dat Israël de bewoners van Noord-Gaza sommeerde naar het zuiden te vluchten, wat de meerderheid deed hoewel het ook zuidwaarts niet veilig bleek, bleven er nog steeds tienduizenden bewoners achter. Sommigen waren te oud of te ziek om te vertrekken. Anderen wilden eenvoudigweg niet weg of geloofden niet in de veiligheidsgaranties van het Israëlische leger.

Jamal (65), de vader van journalist Anas al Sharif, was te ziek om te vertrekken. Op maandag 11 december werd het huis van de familie in Jabalya getroffen door een Israëlisch projectiel. Jamal was op slag dood en werd nog dezelfde dag begraven op de binnenplaats van een VN-school in Jabalya.

Waarschijnlijk was het projectiel bedoeld voor Anas die door collega-journalisten onze ‘oren en ogen’ in Jabalya werd genoemd. Anas was, naar eigen zeggen, verschillende keren door Israëlische officieren gebeld. Ze drongen er bij hem op aan ook naar het zuiden te vertrekken en op te houden met zijn verslaggeving. Ondanks de intimiderende telefoontjes bleef Anas als een van de weinige verslaggevers, onder andere voor Al Jazeera, toch actief in Jabalya. Een van zijn laatste reportages ging over de begrafenis van zijn eigen vader.

Journalist Anas al Sharif in Jabalya. Zijn ouderlijk huis werd gebombardeerd waarbij zijn vader om het leven kwam.

De Palestine Medical Relief Society (PMRS). De PMRS blijft ondanks de dramatische oorlogssituatie en moeilijke omstandigheden medische hulp verlenen in Gaza

Giften onder vermelding van ‘noodhulp’ kunnen worden overgemaakt op NL92 INGB 0006 6876 78 t.n.v. Stichting Groningen-Jabalya

Cynisme en wraak: danse macabre tussen Israël en Hamas

Is Hamas een soort golem, dat legendarisch schepsel uit de joodse folklore, gemaakt van modder of klei? De golem wordt in de fabel heel slim en sterk en ontsnapt uiteindelijk aan zijn meester. Zo zou het ook met Hamas zijn gegaan: in het leven geroepen door de Israëlische veiligheidsdienst in Gaza, maar verworden tot een gevaarlijk monster.

Zeker is dat Israël vanaf het begin van de bezetting in 1967 meer op had met de vanouds in het gebied actieve, conservatieve Moslimbroederschap dan met de Palestijnen van Al Fatah of het linkse Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP). De Broederschap was a-politiek en weigerde zich aan te sluiten bij de alliantie van nationalistische en linkse partijen die zich gewapenderhand verzette tegen de Israëlische bezetting.

Generaal Ariel Sharon sloeg in de periode 1967-’73 het Palestijnse verzet in Gaza met harde hand neer. Honderden mensen werden gedeporteerd naar Jordanië, meer dan 3,700 Palestijnen gearresteerd en duizenden werden dakloos. Israëlische legerbulldozers legden brede wegen door de vluchtelingenkampen aan, zodat Sharons’ militaire voertuigen er gemakkelijk doorheen konden.

Maar de Moslimbroeders werden niet geraakt door de repressie. Zij maakten zich drukker om hun verdorven communistische landgenoten, die whisky dronken en Che Guevara aanbaden, dan om de Israëlische bezetting. Voor de Moslimbroeders waren de Israëli’s in eerste instantie zo slecht nog niet vergeleken met het repressieve Egyptische regime van Gamal Abdel Nasser, dat vóór 1967 de dienst in Gaza had uitgemaakt.

Een populaire sjeik genaamd Ahmad Yassin, lid van de Moslimbroederschap, was ondertussen actief met het opbouwen van een sociaal netwerk, genaamd Al-Mujamma’ al-Islami (Islamitische Unie). De Mujamma bouwde klinieken, zorgde onder andere voor wezen en organiseerde liefdadigheidsactiviteiten. Er werden sportwedstrijden georganiseerd en collectieve trouwpartijen, die de kosten voor de jonge stelletjes drukten.

Sjeik Yassin, geboren in 1936 in de buurt van Asjkelon in het huidige Israël, was in de nakba van 1948 met zijn ouders naar Gaza gevlucht. Hij woonde in het vluchtelingenkamp Shatti. De sjeik viel op. Sinds zijn jeugd was hij gekluisterd aan een rolstoel. Hij had een ernstige rugblessure opgelopen bij het voetballen. Sjeik Yassin was charismatisch maar geen groot theoloog of prediker. Zijn kracht lag meer in het organiseren en met praktische acties opkomen voor de arme bevolking. Veel mensen stelden vertrouwden in hem.

In juni 1984 vond het Israëlische leger tientallen pistolen en machinegeweren in sjeik Yassins’ moskee. De wapens waren bedoeld om seculiere Palestijnen te intimideren, niet om verzet te plegen tegen de Israëli’s. Toch werd de sjeik door een Israëlische rechtbank veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens verboden wapenbezit. Hij zat uiteindelijk minder dan een jaar vast, want hij werd vrijgelaten bij een gevangenenuitruil tussen Israël en een pro-Syrische Palestijnse organisatie.

Die gevangenisstraf was goed voor Yassins’ anti-Israëlische reputatie. In Gaza en de Westelijke Jordaanoever brak in 1987 een opstand uit tegen de bezetting; de eerste Intifada. Veel Moslimbroeders waren terughoudend mee te doen met de opstand en daarmee hun relatief geprivilegieerde positie op te geven. Maar sjeik Yassin, die een goede neus had voor wat er leefde onder de bevolking, besloot zich aan te sluiten bij de breed gedragen rebellie en richtte Hamas op, wat staat voor Harakat al-Muqawama al Islamiya, Islamitische Verzetsbeweging. Het Arabische woord Hamas klonk daarnaast niet alleen energiek en strijdvaardig maar ook spiritueel; het betekent zoiets als geestdrift, geestvervoering, ijver.

Sjeik Yassins’ keuze om de jihad aan te binden met Israël appelleerde aan de gevoelens van veel mensen in Gaza. Hij combineerde de door de islam gesanctioneerde strijd voor Palestina met wat werd gezien als morele puurheid, met doeltreffende sociale actie en de belofte van een hemelse beloning. In tegenstelling tot bij de PLO ging het niet alleen om de bevrijding van Palestina, door Hamas gezien als een moslimplicht; het ging niet alleen om politieke maar ook om persoonlijke bevrijding.

Wat wilde Hamas? In juni 1988 werd het handvest gepubliceerd waarin werd opgeroepen tot de vernietiging van Israël. Hamas propageerde de vestiging van een islamitische maatschappij in Palestina. Het handvest was, integenstelling tot de programma’s van andere Palestijnse organisaties, niet antizionistisch maar anti joods, volgens veel Israeli’s zelfs antisemitisch.

Een paar maanden eerder had een Hamas een voorstel aan de Israëlische minister van Defensie Yitzhak Rabin gedaan. Als Israël vrede wilde moest het zich terugtrekken uit de bezette gebieden en Palestijnse rechten herstellen, inclusief het recht van terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen naar het land dat ze in 1948 hadden moeten verlaten. Rabin verwaardigde zelfs niet te antwoorden. Met name de eis van terugkeer van Palestijnse vluchtelingen was een Israëlische no go.

Vanaf dat moment begint een proces van radicalisering, wraak en tegenwraak dat culmineert in de eerste zelfmoordacties van Hamas in 1993. In hetzelfde jaar sluiten Israël en de PLO de Oslo-akkoorden, die voorzien in Palestijns zelfbestuur in een deel van de bezette gebieden. Hamas keert zich tegen ‘Oslo’. Onderhandelingen met Israël zijn, volgens Hamas, niet legitiem en met een gewelddadige bommencampagne probeert de organisatie het vredesproces te ondermijnen.

Ironisch genoeg spelen de zelfmoordacties en andere gewelddaden van Hamas Israëlische hardliners in de kaart. Ook zij zijn fel tegen ‘Oslo’, wederzijdse erkenning en de graduele vestiging van een Palestijnse staat op de Jordaanoever en in Gaza. Er is Sharon en Netanyahu alles aan gelegen dat het proces van kolonisering van Oost-Jeruzalem en de Westoever, ongestoord door een lastig vredesproces, door kan gaan. Palestijnse en Israëlische maximalisten versterken, gewild of ongewild, elkaars positie.

Hamasleider Yahia Sinwar

In 2006 maakt Hamas een politieke draai. De organisatie besluit mee te doen aan de Palestijnse parlementsverkiezingen. Tot verbijstering van velen wint Hamas en moet, volgens de regels van het democratische spel, regeringsverantwoordelijkheid dragen. Hamasvoorman Ismail Haniyeh laat in een schriftelijke verklaring aan de wereld weten dat zijn organisatie “voor vrede is en een einde te wil maken aan het bloedvergieten”. “Van onze kant hebben we ons meer dan een jaar gehouden aan een unilateraal staakt-het-vuren (…). Onze boodschap aan de wereld is: praat niet meer met ons over Israëls’ bestaansrecht of dat wij moeten ophouden met gewapend verzet, totdat je van de Israëli’s de belofte krijgt dat ze zich terugtrekken uit ons land en onze rechten erkennen”. Haniyeh beloofde dat Hamas zich vreedzaam zal opstellen als de wereld “ons en de Israëli’s als gelijken behandelt”.

Dat gebeurde niet en de wereld, dat wil zeggen de Verenigde Staten en de westerse landen, steunen de afsluiting die Israël Gaza oplegt om te verhinderen dat Hamas zijn militaire macht kan uitbouwen. Ook het aanbod van Hamasleider Khaled Meshal in 2008 om een tienjarig bestand te sluiten in ruil voor een soevereine Palestijnse staat, wordt ogenblikkelijk van de hand gewezen. Hamas wordt gezien als een terroristische organisatie waar niet mee gepraat kan en mag worden.

Dit verandert niet nadat Hamas zijn oorspronkelijke handvest in 2017 vervangt door een nieuw politiek programma, waarbij niet langer wordt gesproken over de bevrijding van heel Palestina. Hamas streeft nu expliciet naar een Palestijnse staat in de in 1967 bezette gebieden. Nog voor de officiële publicatie van het nieuwe handvest verwijst Netanyahu het met een ‘wie denk je dat je voor de gek houdt’ naar de prullenmand.

Voor Israëlisch rechts was de danse macabre van de afgelopen jaren, waarbij Gaza afgesloten werd gehouden van de buitenwereld met zo nu en dan een gewapend treffen waarbij het ‘gras werd gemaaid’ met beschietingen en luchtbombardementen, een cynisch godsgeschenk. Immers deze situatie prolongeerde de interne Palestijnse verdeeldheid, met een geïsoleerd Hamas in Gaza en de officiële maar krachteloze Palestijnse Autoriteit van Machmoud Abbas in Ramallah. De daaruit voortvloeiende politieke stagnatie was essentieel om ongestoord en ongestraft verder te kunnen bouwen aan de nederzettingen in de bezette Westoever en Oost-Jeruzalem. De Palestijnse kwestie leek vergeten.

Het gaat te ver om Hamas als een golem te zien: Israël dat zijn eigen vijand creëert. Maar er was wel degelijk sprake van een opportunistische politiek van ‘favoriete vijand’. Met als dramatisch boemerangeffect het drama van 7 oktober en de daaropvolgende oorlog.

Ook verschenen in het VredesMagazine, jaargang 17, nummer 1, december 2023

De oorlog van gisteren

In De oorlog van gisteren neemt Jan Keulen ons mee naar de tijd dat hij correspondent was in Beiroet, tijdens de Libanese burgeroorlog. We leren een ongelovige priester kennen, een straatvechter die zich verhuurt aan verschillende strijdgroepen, politiek activisten die blijven volhouden, spionnen die worden ontmaskerd en ballingen die steeds opnieuw moeten vluchten. Na vijf jaar Beiroet vertrekt Keulen naar ­Caïro. In de jaren negentig verslaat hij vanuit Amman onder andere het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Al die tijd blijven de demonen van de Libanese burgeroorlog hem achtervolgen.

Jaren later krijgt Keulen in Qatar als directeur van het Doha Centre for ­Media Freedom te maken met een wankelmoedige lakei, een slimme sjeik en een dichter die gevangen wordt gezet. Na bijna drie jaar wordt hem een andere baan aangeboden; veel Qatari vinden het centrum en zijn ­directeur een pain in the ass. ‘Ik val stil, ben perplex en ik stamel dat ik geen ander werk in Qatar ambieer. Het enige wat mij interesseert is de journalistiek en persvrijheid in de Arabische wereld.’

Voor journalistiek die ertoe doet moet altijd een prijs worden betaald. Jan Keulen ervoer dat aan den lijve, vanaf het moment dat hij als beginnend journalist in 1979 door Spanje tot persona non grata werd ­verklaard. Collega-journalisten werden ontvoerd, ontslagen, gevangen­gezet, gemarteld en zelfs gedood. Zelf kampte Keulen met trauma’s en een burn-out, en hij werd beschuldigd van antisemitisme.

Jan Keulen (1950) woonde langdurig in de Arabische wereld. Hij was correspondent in Beiroet en werkte later als journalist in Caïro en Amman voor de Volkskrant, De Standaard en nieuwsrubrieken van de vara-radio, kro en nos. De afgelopen twintig jaar was Keulen vaak in het Midden-Oosten als docent journalistiek en werkzaam voor persvrijheidsorganisaties. Van 2011 tot en met 2014 woonde en werkte hij in Qatar.

‘Elke oorlog is weer anders, en toch lijken ze op elkaar. Er zijn vreselijke dagen die worden overtroffen door nog vreselijker dagen. Als ik de foto’s zie van de oorlogsvluchtelingen en de mannen, vrouwen en kinderen die in de donkere tunnels van Cartagena schuilden, moet ik aan de duizenden denken die in de metrostations van Kyiv en Charkov bivakkeren. En ik moet aan Beiroet in 1982 denken, toen ik zelf geregeld in een schuilkelder zat, diep onder een flatgebouw. Beelden komen terug van huilende kinderen in de grote kelder, met boven onze hoofden een straat die bezaaid lag met gruis, glas en brokstukken van kapotgeschoten huizen.

De afgelopen veertig jaar zocht ik nooit doelbewust een oorlog op. Het was eerder dat de oorlog mij opzocht.’

ISBN 9789083210889 | 379 pag.| € 26,95 | Uitgeverij Jurgen Maas

Een paar reacties op X, voorheen twitter