Een jaar na de dood van Shireen Abu Akleh nog geen gerechtigheid

Het bericht greep mij een jaar geleden bij de keel: de Palestijns-Amerikaanse journalist Shireen Abu Akleh was doodgeschoten. Ze was een sympathieke collega uit Doha met een aanstekelijke lach, een vertrouwd gezicht op nieuwszender Al Jazeera en de meest geliefde en prominente correspondent in de Palestijnse gebieden. 

Er stond met grote letters ‘PRESS’ op de voor- en achterkant van haar kogelwerend vest en op haar helm. Maar daar had de scherpschutter geen boodschap aan.  

‘In het harnas gestorven’, wordt gezegd als iemand bij de uitoefening van zijn vak overlijdt. Dat klinkt het geval van Shireen extra cynisch. De Israëlische militair wist precies de plek in haar achterhoofd te raken tussen haar helm en scherfvest. Ze was op slag dood. 

Het was 11 mei 2022, ’s ochtends vroeg. Het team van Al Jazeera was in het vluchtelingenkamp van Jenin om een inval van het Israëlische leger te verslaan. Er was een schotenwisseling geweest tussen de Israëlische militairen en Palestijnse militanten in een ander deel van het kamp. Plotseling worden de journalisten van Al Jazeera beschoten. Verslaggever Ali Al-Samoudi wordt geraakt in zijn schouder. Het team probeert dekking te zoeken, maar voor Abu Akleh is het te laat. Ze wordt geraakt als een tweede serie schoten wordt afgevuurd. 

Weinig incidenten waarbij journalisten omkwamen zijn zo precies onderzocht en gedocumenteerd als de dood van Shireen Abu Akleh. Misschien is dat logisch. Ze was tenslotte in het Midden-Oosten een journalistieke grootheid. Maar het komt ook door de evident lakse en ongeloofwaardige manier waarop de Israëlische autoriteiten met haar gewelddadige dood omgingen. 

“Abu Akleh is waarschijnlijk getroffen door Palestijnse terroristen die wild om zich heen schoten”, verklaarde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in eerste instantie op sociale media. Het ministerie voegde een filmpje toe dat, zo bleek later, op een heel andere locatie was opgenomen. Ook premier Naftali Bennett zei direct na Abu Akleh’s dood dat er een ‘aanzienlijke kans’ was dat gewapende Palestijnen verantwoordelijk waren.

Het in de Verenigde Staten gevestigde Committee for the Protection of Journalists dringt in een afgelopen dinsdag verschenen rapport met klem aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Abu Akleh. Ook eerdere dodelijke incidenten, zoals het in 2018 doodschieten van fotojournalisten Ahmed Abu Hussein en Yasser Murtaja tijdens demonstraties bij het afscheidingshek in Gaza, zouden ‘onafhankelijk, transparant en strafrechtelijk’ moeten worden onderzocht. 

Kort na de beschieting van het Al Jazeera-team draaide Israël bij. Nadat onderzoek van The New York Times, The Washington Post en onderzoekscollectief Bellingcat haarfijn had aangetoond dat een Israëlische militair het fatale schot had afgevuurd, had ontkennen weinig zin meer. Onderzoek van de CNN en van de in Londen gevestigde Forensic Architecture ging nog een stapje verder en concludeerden dat de schutter met opzet heeft geprobeerd Abu Akleh te doden. Ook Al Jazeera en Shireen’s familieleden en vrienden zijn ervan overtuigd: ze werd het zwijgen opgelegd omdat ze de Palestijnen een stem gaf.  

De CPJ constateert in het rapport dat sprake is een ‘dodelijk patroon’. Deadly Patternis ook de titel van het rapport, over de wijze waarop Israël omgaat met gedode verslaggevers. Het gaat om twintig slachtoffers sinds 2001. Niemand is ooit verantwoordelijk gehouden, laat staan gestraft.

Dertien van de twintig journalisten waren, op het moment dat ze werden doodgeschoten, duidelijk te herkennen als journalisten met ‘PRESS’ op hun kleding. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Reuters cameraman Fadel Shana, die ook nog eens naast een auto met ‘TV’ erop geschilderd stond, toen hij in 2008 werd neergeschoten. 

Het feit dat niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van journalisten in de bezette gebieden, heeft ertoe geleid dat verslaggevers – lokale zowel als buitenlandse – in een steeds gevaarlijker werkveld actief moeten zijn.

Guillaume Lavallée, voorzitter van de Foreign Press Association in Israël, zegt in het CPJ-rapport dat veel journalisten bang zijn: “Als een journalist met een Amerikaans paspoort gedood kan worden zonder juridische consequenties, dan zou dat hen in de toekomst ook kunnen overkomen. Het gevoel onbeschermd te zijn is vooral sterk bij onze Palestijnse collega’s. Sommigen van hen zijn zelfs bang dat er expres op hen wordt geschoten.”

Dat is geen rare gedachte. Behalve een Brit en een Italiaan waren de resterende achttien dodelijke slachtoffers allen Palestijns. Een aantal van hen werkte wel voor buitenlandse media en persbureaus. Opvallend is dat geen enkele Israëlische journalist onder de slachtoffers is.  

Het CPJ-rapport beschrijft in detail hoe Israël omgaat met de dodelijke incidenten. Onderzoeken zijn ondoorzichtig, willekeurig en duren eindeloos. Bewijsmateriaal en getuigenverklaringen worden terzijde geschoven. Betrokken militairen gaan vrijuit terwijl het onderzoek, dat altijd vertrouwelijk wordt gehouden, nog gaande is. Er worden alternatieve versies van de toedracht verspreid. Fake news dus. En soms worden de getroffen journalisten voor terroristen uitgemaakt. 

Wat dat betreft was de onverkwikkelijke gang van zaken rond het onderzoek naar de dood van Shireen Abu Akleh geen uitzondering. Er wordt simpelweg geen verantwoording afgelegd. 

Het CPJ-rapport eindigt met een aantal aanbevelingen, de meeste aan het adres van Israël. Er is daarnaast een aantal aanbevelingen voor de internationale gemeenschap. Ze zijn ook van toepassing op Nederland.

CPJ roept bevriende regeringen op Israël te herinneren aan hun internationale plichten rondom mediaveiligheid. Ook moeten die regeringen druk uitoefenen op Israël om mee te werken aan internationale onderzoeken naar de dood van journalisten.

Tot dusver weigert Israel – tot grote frustratie van Shireens familie en bewonderaars – mee te werken aan Amerikaans FBI-onderzoek naar haar dood.

Committee for the Protection of Journalists: Deadly Pattern

Gepubliceerd op 11 mei 2023 op VillaMedia

https://www.villamedia.nl/artikel/een-jaar-na-de-dood-van-shireen-abu-akleh-nog-geen-gerechtigheid

International Federation of Journalists demands Justice for Shireen

The Arab Reporters for Investigative Journalism (ARIJ): De dood neemt de stem van de waarheid niet weg, kogels kunnen de waarheid niet vermoorden

Muurschildering in Gaza

Geen woord van Hoekstra over de tientallen journalisten die in Marokkaanse cellen zitten

In juli 2019 werd de Global Media Freedom Coalition (GMFC) opgericht, een coalitie van regeringen die beloofden te zullen ijveren voor persvrijheid en de veiligheid van journalisten. “Alle mogelijke middelen” zouden worden ingezet om schendingen van mediavrijheid het hoofd te bieden. 51 landen ondertekenden de global pledge, de plechtige belofte om ook diplomatieke middelen in te zetten voor het nobele doel de persvrijheid overal ter wereld te verdedigen.

Maati Monjib

In 2022 vervulde Nederland, samen met Canada, het voorzitterschap van de coalitie. Op de jaarlijkse conferentie, in februari 2022 in Talinn, hield minister Hoekstra van Buitenlandse Zaken een vlammend betoog. Vrijheid van meningsuiting is een hoeksteen van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, aldus de minister. Hoekstra bepleitte het zoveel mogelijk gebruik maken van ‘de diplomatieke gereedschapskist’ om regeringen verantwoordelijk te stellen als ze persvrijheid schenden.

Op de website van de Global Media Freedom Coalitionkan men lezen wat die diplomatieke activiteiten van de deelnemende landen in 2022 hebben opgeleverd:

  • Op de Filippijnen was de coalitie actief op twitter met een bezorgde tweet over een vermoorde journalist en een positieve tweet over de vrijspraak van Nobelprijswinnaar Maria Ressa. Bij de Britse ambassade vond een receptie plaats met toespraken over persvrijheid.
  • In Bangladesh, waar de persvrijheid ernstig onder druk staat, hield de Zwitserse ambassadeur een exposé over de persvrijheid in Zwitserland tijdens een door de VN georganiseerd rondetafeldiscussie.
  • In Mexico, waar 14 journalisten werden vermoord in 2022, organiseerde de coalitie een seminar over het veranderen van de perswet. De Nederlandse ambassade tweette daarover.
  • In Slowakije hielpen de Canadese en Nederlandse ambassades met het organiseren van een TV-debat over de veiligheid van journalisten.

En dat was dat. Niet echt een overtuigende lijst met successen. Maar wie weet. Je hebt ook nog geheime diplomatie. Misschien dat hier en daar ook nog wat stille diplomatie werd bedreven. We zullen het nooit weten.

Zou de Nederlandse ambassade of een van de diplomatieke vertegenwoordigingen van andere GMFC-lidstaten vorige week in het geweer zijn gekomen voor de Marokkaanse journalist en mensenrechtenactivist Maati Monjib? Of voor een van de

Marokkaanse journalisten die na een schertsproces lange gevangenisstraffen uitzitten?

Monjib kondigde aan in hongerstaking te gaan nadat hij ontslagen werd als docent aan een universiteit in Rabat. Hij is al jarenlang het slachtoffer van politieke repressie, heeft een uitreisverbod en er loopt een proces tegen hem wegens het “witwassen van fondsen”. Het Europees Parlement en verschillende internationale mensenrechtenorganisaties hebben kritiek geleverd op de jarenlange “justitiële intimidatie” van Monjib.

De maatregel om Monjib te ontslaan kwam kort nadat hij en een groep andere Marokkaanse mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten een collectief vormden dat in België een civiele rechtszaak wil aanspannen tegen een aantal Europarlementariërs die ervan worden verdacht Marokkaanse steekpenningen te hebben aangenomen. Daardoor werd telkenmale verhinderd dat de belabberde situatie op het gebied van mensenrechten en persvrijheid in het Europees Parlement zelfs maar ter sprake gebracht kon worden, laat staan veroordeeld.

Pas na de onthullingen van het Qatargate-netwerk, waarbij ook Marokko nauw betrokken bleek, nam het Europarlement op 19 januari een kritische tekst aan over “de situatie van journalisten in Marokko”. De journalisten Maati Monjib, Omar Radi, Taoufic Bouachrine en Sulaiman Raissouni worden met name genoemd. Radi, een onderzoeksjournalist die berichtte over corruptie in de hoogste politieke kringen en Bouachrine en Raissouni, verbonden aan een populair dagblad dat veel kritiek leverde op de regering, zitten beide lange gevangenisstraffen uit. In de verklaring van het Europarlement wordt er fijntjes aan herinnerd dat die straffen werden opgelegd na processen die aan alle kanten rammelden.

De Nijmeegse arabist en Marokko-deskundige Jan Hoogland herinnerde er vorige week aan dat Maati Monjib jarenlang samenwerkte met de Nederlandse NGO Free Press Unlimited (FPU) bij het opleiden van Marokkaanse onderzoeksjournalisten. Hoogland kan het weten want hij was tussen 2009 en 2015 directeur van het NIMAR, het Nederlands Instituut in Marokko. Het programma voor de onderzoeksjournalisten werd uitgevoerd door Press Now, de organisatorische voorganger van FPU, en gefinancierd door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Kan Monjib nu ook rekenen op steun van dat ministerie of van de Nederlandse ambassade in Marokko, vroeg Hoogland zich af.

Het was wellicht een retorische vraag. Nederland en Marokko hebben immers een deal gesloten, in het officiële jargon ‘actieplan’ geheten. In dit Marokkaans-Nederlandse document, dat al in juli 2021 door beide landen werd getekend maar tot eind november 2022 geheimgehouden, staat dat beide landen zich niet zullen mengen in elkaars binnenlandse aangelegenheden. Den Haag zal melden bij de Marokkaanse autoriteiten als een Nederlandse NGO activiteiten in het land wil opzetten.

Voor Nederland zijn de belangrijkste onderdelen van de deal de samenwerking en coördinatie op het gebied van migratie en terrorismebestrijding. Er staan ook paragrafen in over onder andere sociale zekerheid, handel, klimaat en cultuur. Wat opvallend ontbreekt zijn termen als mensenrechten en persvrijheid.

Inmiddels is de Marokkaans-Nederlandse deal van verschillende kanten en op een groot aantal onderdelen bekritiseerd. Bottomline bij dit alles is natuurlijk de vraag of je wel moet willen samenwerken met autocratisch regimes zoals het Marokkaanse. Die vraag is des te meer prangend als we inzoomen op het thema persvrijheid.

Op maandag 19 juli 2021, elf dagen na ondertekening van het actieplan, werd journalist Omar Radi tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld wegen ‘verkrachting en spionage’. Human Rights Watch en andere mensenrechtenorganisaties hebben vernietigende kritiek geleverd op de procesgang en op de bewijsgronden voor deze zware straf. Let wel: Omar Radi, ooit ook deelnemer aan het programma van Press Now voor onderzoekjournalisten, werd ervan beschuldigd een Nederlandse spion te zijn.

Kamerleden Piri (PvdA) en Van der Lee (GroenLinks) stelden in februari Kamervragen over de inspanningen van Buitenlandse Zaken “om de aantijging te ontkrachten dat Radi een spion van Nederland zou zijn”. Hoekstra’s antwoord is ontluisterend. “Nederland heeft de ontwikkelingen in het proces van Omar Radi nauwgezet gevolgd. Voorafgaand aan de veroordeling is meermaals navraag gedaan naar de aanklacht en, na de veroordeling, ook naar het vonnis.”

Die navraag leverde kennelijk niets op. In de Marokkaanse media, die grotendeels door de overheid worden gecontroleerd, werd Radi al maandenlang gedemoniseerd als seksueel delinquent en Nederlands spion. Maar de ambassade hulde zich publiekelijk in stilzwijgen. Als enig wapenfeit kon Hoekstra aan de Kamerleden melden dat haast drie maanden na het vonnis Nederland “inzage kreeg in een werkvertaling van het vonnis”. Inzage. Een werkvertaling. En daarbij gaf Hoekstra aan teleurgesteld te zijn “daar waar het de aanklacht voor spionage voor Nederland betreft”.

Teleurgesteld, het zal, maar geen woord over het schertsproces. Geen woord over de tientallen journalisten en mensenrechtenactivisten die in Marokkaanse cellen zitten. De global pledge om de diplomatieke gereedschapskist in te zetten ten faveure van persvrijheid en journalisten in de verdrukking voor het gemak even vergeten. Hoekstra’s linkerhand weet voor het diplomatieke gemak even niet waar de rechterhand mee bezig is. Aan de ene kant miljoenen uitgeven voor conferenties en cocktailparty’s van het Global Media Freedom Coalition, aan de andere kant geen poot uitsteken voor de journalistiek en persvrijheid in Marokko.

Dit artikel werd op 14 maart 2023 gepubliceerd door VILLAMEDIA

Palingtrekken, coronachaos en ‘betrouwbare bronnen’ 

Op 25 en 26 juli 1886 liep het helemaal uit de hand aan de Lindegracht in Amsterdam. De politie probeerde een einde te maken aan het palingtrekken, een volksvermaak waarbij mannen in wankele bootjes op de gracht, moesten proberen een levende paling van een touw te trekken. Een weliswaar dieronvriendelijk en daarom verboden maar hilarisch en populair schouwspel, vooral bij de arme Amsterdamse stadsbevolking.

Het socialistische blad Recht voor Allen vroeg zich een paar weken later af of het levend koken van garnalen of paardenrennen soms minder dieronvriendelijk was. Bij wedrennen, heel populair bij de elite, werden paarden immers beestachtig afgebeuld. En werden palingen niet levend gestroopt en stuk gesneden “om de tong der rijken te strelen”? Het verbod van palingtrekken was dus al met al behoorlijk hypocriet. 

Het palingoproer leidde in eerste instantie tot geweld tussen “opgeschoten knapen” en politieagenten die werden bekogeld met stenen en vuurwerk. Op een gegeven moment moesten de dienders zich zelfs uit de voeten maken, op de vlucht voor de dreiging van de oproerkraaiers. Hoe bekend komt dit alles ons voor… Op de tweede dag van de onlusten werd het leger ingezet dat met scherp schoot. Er waren 25 doden te betreuren.

De essentie van het palingoproer in de Jordaan werd goed samengevat door de Belgische krant Réforme. De ontevredenheid van de Amsterdamse bevolking had verschillende oorzaken. “Men heeft het de kermis ontnomen; met heeft een zeer strengen wet op de sterken drank en om haar toe te passen een stelsel van geheime verklikkers in de kroegen.”

Al die maatregelen troffen dus “het gewone volk” en vonden plaats in een context van bittere armoede en repressie, waarin arbeiders in het algemeen en socialisten en anarchisten in het bijzonder het moesten ontgelden.

Die kregen trouwens ook direct de schuld van het Palingoproer in de schoenen geschoven door de grote kranten in die tijd. Een vroeg staaltje van fake news dat sindsdien door historici onderuit is gehaald. Ondanks de tendentieuze berichtgeving verbood de burgemeester van Amsterdam op 2 augustus 1886 “den verkoop van nieuwsbladen op de openbare straat omdat zij het volk ophitsen gedurende de laatste oproeren”. De combinatie van volkswoede en media is een giftige, zoals ook bleek na de rellen in Rotterdam en elders in Nederlandse steden in november 2021. 

Er zijn uiteraard veel verschillen met de situatie van 135 jaar geleden, maar toch moest ik denken aan het Palingoproer toen ik de beelden zag van een politieauto in vlammen en etalageruiten die sneuvelden aan de Coolsingel. Was de volkswoede politiek protest? Ja en nee. Het had in ieder geval te maken met boosheid over het coronabeleid, over een overheid die het onmogelijk maakte een avondje als vanouds te stappen. En nu pakten ze het volk met een vuurwerkverbod ook nog z’n laatste lolletje af. 

De vlam sloeg in de pan. Het oproerige Nederland was zelfs een paar dagen wereldnieuws. Covid riots: Fireworks and chaos on the streets in the Netherlands, kopte bijvoorbeeld de BBC. Net als ten tijde van het Palingoproer was de berichtgeving en duiding in de buitenlandse media vaak iets afstandelijker en objectiever dan in de binnenlandse waar, vooral aan de talkshowtafels, moralisten en zedepredikers wel erg sterk vertegenwoordigd waren. 

Ja, de rellen waren erg, maar wat was er precies gebeurd? Op internet was een filmpje te zien waarbij een bloedende man op de Coolsingel lag. “Iemand gaat hier dóód”, klinkt het commentaar. En in de camera zegt de activistische burgerjournalist: “De eerste dode is gevallen door politiekogels, bij het handhaven van dit waanzinnige beleid.”

Volgens het online platform Onrecht TV, dat kritisch is over de mainstream media had de Rotterdams politie een shoot to kill opdracht. Volgens “betrouwbare bronnen” van Onrecht TV waren er drie doden gevallen in Rotterdam. 

De politie en het Openbaar Ministerie ontkenden in alle toonaarden. Er waren echt geen doden gevallen bij het oproer in Rotterdam. Er was weliswaar gericht geschoten en er waren een aantal gewonden, ook onder de politie, maar géén doden. Ook de gehate mainstream media in binnen- en buitenland meldden geen doden. 

Hoofdredacteur Paul van den Bosch van het Algemeen Dagblad schreef onlangs over de “gecompliceerde band” tussen politie en journalisten. “Het korps moet orde en veiligheid handhaven en mag daarvoor geweldsmiddelen inzetten. Tegelijk moeten agenten zich aan regels houden. De politie moet en mag gecontroleerd worden door de media.” Daarnaast zijn journalisten ook weer afhankelijk van politiewoordvoering om te berichten over misdaad, ongelukken en rellen. 

In het Nieuws van den Dag van juli 1886, de mainstream media van de 19e eeuw, wordt uitvoerig en op het oog heel precies verslag gedaan van de tragische gebeurtenissen in Amsterdam. Alle namen en leeftijden van de dodelijke slachtoffers worden bijvoorbeeld genoemd, zelfs met hun adres erbij, en hun begrafenissen worden uitgebreid beschreven. Ook in Recht voor Allen, dat beslist niet tot de mainstream gerekend kon worden, vinden we heel feitelijke verslagen van de gebeurtenissen.

Of journalistiek wordt bedreven door mainstream of alternatieve media is uiteindelijk van ondergeschikt belang, waar het om gaat is dat het vak professioneel wordt uitgeoefend. En dat betekent het hebben van een diep ontzag voor de feiten, doen aan bronvermelding, het raadplegen van liefst meerdere bronnen en hoor en wederhoor plegen. Het betekent ook onafhankelijk en (zelf-)kritisch je vak uitoefenen. Er is niet zoiets als mainstream journalistiek naast alternatieve journalistiek, er is alleen goeie journalistiek. 

Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam: “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing.”

Dat media daarnaast een breed scala van opinies kunnen vertegenwoordigen en dat hun interpretatie en analyse van de feiten en gebeurtenissen vaak diametraal verschillend zijn, is een kwestie van gezonde pluriformiteit. Maar het tast de essentie en geloofwaardigheid van het journalistieke vak niet aan. 

Wat dat betreft is het plan van de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb om mensen die rellen live verslaan via sociale media aan te pakken met een noodverordening of spoedwet, geen goed idee. “Ze doen zich voor als journalist, maar dat is opruiing”, aldus de burgemeester. De irritatie van Aboutaleb over bepaalde sociale media en het nepnieuws dat ze brengen, is begrijpelijk. Maar is het aan de autoriteiten om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele journalisten? Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn, die de persvrijheid in gevaar zou brengen. Nu al trekt de politie, in het heetst van een zware rel, zich vaak weinig aan of een verslaggever of fotograaf een politieperskaart heeft. Daar komt bij dat zo’n noodverordening geen eind zal maken aan het ‘volksgericht per sociale media’ of onsmakelijke opruiing achter de laptop op zolderkamertjes. Dat zijn trouwens activiteiten die niets maar dan ook niets te maken hebben met journalistiek.

Dit stuk werd geschreven voor het Media Trainingscentrum Noord-Nederland: https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen/

(27 november 2021) en op Joop.nl: https://joop.bnnvara.nl/opinies/palingtrekken-coronachaos-en-betrouwbare-bronnen

Ton van Dijk: empathisch en nieuwsgierig tot op het bot

Ik leerde Ton kennen in 1998. Hij werkte als docent journalistieke vaardigheden bij de Opleiding Journalistiek aan de Universiteit van Groningen. Ik kwam dat jaar terug uit het Midden-Oosten en werd een van Tons collega’s. 

We waren beide in de eerste plaats journalist en moesten nog een papiertje halen van de universiteit dat aan zou tonen dat we didactische kwaliteiten hadden. Ik herinner me van die cursus vooral de langdurige lunches met Ton na afloop, in een café om de hoek, met nep-Perzische kleedjes op tafel en goedkope uitsmijters met een pilsje erbij. Hij bezwoer mij de bonnetjes te bewaren want die waren aftrekbaar voor de belastingen. 

Ton zat altijd vol vragen; geïnteresseerd in mijn vroegere werk als correspondent in een gebied waar hij verder niet zoveel mee had. Hij was nieuwsgierig en empathisch tot op het bot, twee eigenschappen die hem waarschijnlijk ook tot zo’n goeie journalist maakten. Tegelijkertijd had hij een gezonde afkeer van autoriteiten en kon, als het nodig was, heerlijk grof zijn. Want journalistiek is ook een hard vak, laat je niets wijs maken.

Ton was voor mij een vriend en gids na jarenlang in het buitenland te hebben gewoond. Ik was na meer dan twintig jaar terug in Groningen en moest de draad weer zien op te pakken. Ton vroeg me hoe ik in mijn onderhoud kon voorzien, want Ik had maar een kleine aanstelling van twee dagen in de week bij de universiteit. Hij hielp mij aan verschillende freelance opdrachten, die me uiteindelijk door een moeilijke periode sleepten.

Mijn laatste onderneming samen met Ton was een studiereis naar Denemarken, zo’n zestien jaar geleden. We gingen kijken hoe de opleidingen journalistiek het daar aanpakten met het praktijkonderwijs en de studenten in het diepe werden gegooid in een newsroom voorzien van de nieuwste snufjes.

Maar voor Ton bleven de fundamenten van journalistiek dezelfde, hoe de media zich verder ook ontwikkelen: dóórvragen, inlevingsvermogen en oog voor het detail. En de lezer aan de hand nemen bij je ontdekkingstocht, in een taal die begrijpelijk is en klinkt als een klok.

Dag Ton. Ook ik heb veel van je geleerd. 

Ton van Dijk (staand, links) bij een redactievergadering van tijdschrift Nieuwe Revu in 1976.Foto Berry Stokvis / Hollandse Hoogte 

Ton van Dijk is overleden op 7 juni 2021, hij is 77 jaar geworden

Activist, journalist of gewoon ‘tuig van de richel’?

De ombudsman van dagblad Trouw brak zich onlangs het hoofd over de juiste benaming van Roman Protesevitsj, de man die de Wit-Russische autoriteiten zó graag wilden arresteren dat ze er een lijnvliegtuig voor dwongen een tussenlanding te maken in Minsk. Moet je hem nu een dissident noemen, een activist of journalist? Of alle drie?

Vast staat dat Protesevitsj actief was als nieuwsfotograaf en, belangrijker nog, hoofdredacteur van Nexta, een kanaal op berichtendienst Telegram en op YouTube. Via Nexta kwam een stroom belangrijke informatie naar buiten over de protestacties na de presidentsverkiezingen van augustus vorig jaar, die dictator Lukashenko valselijk claimde gewonnen te hebben.

Nexta werd in de woelige augustusdagen immens populair in Wit-Rusland. Terwijl de aan de regering gelieerde media het publiek nauwelijks of niet informeerden over wat er aan de hand was, doorbrak Nexta de nieuws blackout met een stroom aan berichten, onthullende foto’s en video’s. En ja inderdaad, Nexta gaf ook aanwijzingen aan actievoerders om een bepaalde straat te mijden omdat de mobiele brigade daar klaar stond, of publiceerde adressen van advocaten die konden helpen in het geval van arrestatie. Van de 9,5 miljoen Wit-Russen namen anderhalf miljoen mensen een abonnement op Nexta.

Deed Nexta aan journalistiek en kan Roman Protesevitsj dus met recht journalist worden genoemd, of gaat het hier om een vorm van activisme dat handig gebruik maakt van de mobiele telefoontechnologie? Werden de berichten wel grondig gecheckt? En hoe staat het met de onafhankelijkheid van Nexta? Was de organisatie niet te veel gelieerd aan de oppositiebeweging tegen Lukashenko?

Het zijn legitieme vragen en Trouw herinnert eraan dat “activist en journalist, een combinatie is die in Nederland snel wantrouwen zou opwekken”. “Een journalist voert geen actie”, stelt de krant vast, “dat gaat ten koste van de objectiviteit”. 

Maar, als Protesevitsj politiegeweld tegen burgers laat zien, dan is dat wel degelijk journalistiek, constateert de krant ook. Het is immers: laten zien wat er gebeurt? Blijft het feit dat Protesevitsj een “journalist met een agenda” is en daar kijken we in Nederland kritisch naar.

Uiteindelijk komt Trouw tot de conclusie dat Protesevitsj het beste “dissident en journalist” genoemd kan worden, in die volgorde. Eventueel is ook de term oppositieblogger bruikbaar maar het blijft, vindt de Trouw-ombudsman ook, onbevredigend. 

Is het echt zo, zoals Trouw stelt, dat activistische journalistiek in een democratisch land als Nederland wantrouwen verdient? Wellicht is het waar als we “activistisch” heel eng definiëren. Zoiets als: puur subjectief gedreven verslaggeving of journalistiek met een strikt (partij-)politieke agenda, met dedain voor waarheidsvinding. Dan klopt de stelling van Trouw. 

Maar ik denk dat ook in een democratie we niet al te wantrouwig moeten zijn naar de activistisch ingestelde journalist. Veel onderzoeksjournalistiek heeft uiteindelijk een flinke activistische inslag. De goed onderbouwde onthullingen van Volkskrant-verslaggevers Frank Hendrickx en Tom Kreling over de miljoenen van Siewert waren uiteraard journalistiek vakwerk, maar waren er nooit gekomen zonder die extra drive om de waarheid te achterhalen en onrecht aan de kaak te stellen.

Journalistiek is er in de eerste plaats om ons zo eerlijk, objectief en duidelijk mogelijk te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Maar soms werkt journalistiek ook mee om de wereld (ietsje) te veranderen. Dat is haast altijd ongemakkelijk en vaak gevaarlijk. Daarom stoppen ze journalisten als Roman Protesevitsj in de gevangenis en worden brave collega’s in Nederland door populistische politici aangeduid als “tuig van de richel”. 

De journalistiek en Ollongren-gate

Persfotograaf Bart Maat, die de notitie van mevrouw Ollongren met telelens vastlegde, zal niet hebben durven dromen van de politieke aardbeving die hij met zijn foto veroorzaakte. Het was een moment van politieke onvoorzichtigheid en journalistieke toevalligheid met grote gevolgen. 

Ollongren verliet gehaast het Binnenhof met een stapel papieren onder haar arm, toen ze positief bleek te hebben getest op corona. Op de notitie onder haar arm waren onder andere de explosieve woorden Omtzigt functie elders duidelijk leesbaar. Ook het zinnetje linkse partijen houden elkaar niet echt vast was nieuwswaardig, na alle eerdere liefdesbuigingen van Jesse aan Lillianne en Lilian en vice versa. 

Het ANP besloot een persalarm rond te zenden, een bericht waarmee het persbureau journalisten wijst op groot nieuws. Zonder uitzondering publiceerden de Nederlandse media over de notitie, die leek te suggereren dat Kamerlid Omtzigt op een zijspoor zou moeten worden gerangeerd. De vragen die de notitie opriep domineerden dagenlang niet alleen de media maar ook het politieke debat. 

Sommige lezers van dagblad Trouw hadden moeite met het citeren uit wat zonder twijfel een vertrouwelijk stuk was, dat per ongeluk aan de openbaarheid was prijsgegeven. Hoofdredacteur Cees van der Laan laat weten dat er bij hem ‘geen spoor van twijfel’ was over de wenselijkheid de notitie te publiceren. ‘De aantekeningen zijn niet uit een tas gevist, onder een kopieermachine vandaan gehaald of op andere wijze aan Ollongren ontfutseld.’ Daar kwam bij dat het kattenbelletje politiek zo belangwekkend was dat ‘niet publiceren een journalistiek misdrijf zou zijn geweest’. 

Van der Laan heeft gelijk: soms is niet publiceren, het achterhouden van informatie, simpelweg een journalistieke zonde. Vooral als het om informatie gaat die van algemeen publiek belang is. In tijden dat de media onder druk staan, te pas en vooral te onpas worden beschuldigd fake nieuws te brengen en zelfs bloot staan aan fysieke bedreigingen, is het goed je te realiseren dat journalistiek een professie is met duidelijk omlijnde do’s en don’ts. Bij journalistiek gaat het fundamenteel om te streven naar waarheidsvinding, je best te doen de waarheid te achterhalen.

Dat maakt journalisten niet altijd populair. 

Het is een misverstand te denken dat journalistiek een soort mechanische bezigheid is; een handigheid in knippen en plakken en babbelen aan ‘de tafels’, ’s avonds op televisie. Door voorlichters en pr-medewerkers voorgekauwde informatie simpelweg reproduceren is geen koosjer journalistiek. Journalisten mogen het pr-materiaal natuurlijk als achtergrond gebruiken, maar het moet altijd worden getoetst. Check en dubbelcheck is een even fundamentele als essentiële grondregel van het vak. 

Nieuws over bijvoorbeeld het witwassen van geld, belastingontduiking, corruptie en, ja, het wegpromoveren van een lastig Kamerlid, komt nooit zomaar aanwaaien. Misschien is er zo nu en dan een toevalstreffer, zoals met de Ollongren-foto het geval was, maar meestal is het verzamelen van informatie hard en langdurig werk. En zelfs in het geval van de foto van de verkenningsnotitie was de drive van persfotograaf Bart Maat om alles op het Binnenhof vast te leggen en de alertheid van de ANP-redactie vereist, om dit grote verhaal boven water te krijgen. 

In veel landen zou het publiceren van een vertrouwelijk bedoelde notitie, met potentieel grote politieke gevolgen, uit den boze zijn. Het zou de fotograaf, hoofdredacteur en journalisten achter tralies kunnen doen belanden en tot de sluiting van media leiden. Denk aan Hongarije, Turkije of tientallen andere landen, waar het slecht gesteld is met de persvrijheid. Gezegend het land waar het in principe wėl mogelijk is de onderste steen boven te krijgen.

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat journalisten in Nederland allemaal heilige boontjes zijn en nooit ‘zondigen’ tegen de ethische regels van het vak. Er zijn de nodige gevallen bekend van plagiaat, van verzonnen citaten en andere staaltjes van onzuivere journalistiek. Soms lokken journalisten een incident uit om een smeuïg verhaal te kunnen maken. Journalisten horen het nieuws te verslaan en natuurlijk niet hun eigen werkelijkheid te creëren. 

De discussie over wat “een misdaad tegen de journalistiek” is, wat daarentegen juist goede journalistiek is en waartoe het dient, moeten we blijven voeren: binnenshuis als collega’s maar ook breder, met de krantenlezers en tv-kijkers, met de sceptici, met de twijfelaars en halve en hele complotdenkers. 

De Ollongren-foto gaf ons een inkijkje in de keuken van de macht. Wat we zagen was zo nu en dan verwarrend, ontluisterend en verre van fraai. Maar het was wel zuiverend. Wat mij betreft heeft de journalistiek met Ollongren-gate Nederland een belangrijke dienst bewezen.

Gepubliceerd 2 april 2021 op https://mediatrainingscentrumnoord-nederland.nl

Hoe dichterbij, hoe hoger de nieuwswaarde

“Media bepalen met hun nieuwskeuze de empathie van kijkers” stelt een kop boven een artikel in Trouw van 12 december. Schrijfster Sahar Noor is verontwaardigd over het feit dat een aanslag op de campus van de Universiteit van Kaboel, waarbij 35 studenten en docenten omkwamen, niet tot grote artikelen leidde in de Nederlandse kranten. Ook werd het nieuws uit Afghanistan niet gemeld in het achtuurjournaal. Daarentegen werd wel aandacht besteed aan een terroristische steekpartij in Frankrijk, drie dagen ervoor, en aan een terreuraanslag in Oostenrijk op dezelfde dag.

“Of het nu gaat om één mensenleven of honderd, slachtoffers zijn slachtoffers. Op humanitaire gronden zou het niet mogen uitmaken waar de slachtoffers zijn geboren, welke kleur, etniciteit, religie of gebruiken zij hebben. De nieuwswaarde van een incident met burgerdoden zou niet afhankelijk moeten zijn van deze gronden (…). Toch is het zo.”

Eigenlijk beweert Sahar Noor hier dat de Nederlandse media discrimineren door minder aandacht te besteden aan een aanslag in Afghanistan dan aan een terreurdaad in Oostenrijk. Voor haar telt het argument niet dat het land ver weg ligt en dat de nieuwsconsumenten zich minder in de Afghaanse slachtoffers herkennen.

Maar klopt de redenering “slachtoffers zijn slachtoffers” wel?

In ieder geval niet in de journalistiek. In het befaamde Basisboek Journalistiek van Kussendrager, Van der Lugt en Rogmans, door generaties Nederlandse studenten-journalistiek gebruikt, wordt uitgelegd dat de vraag waar een gebeurtenis zich afspeelt wel degelijk belangrijk is voor het bepalen van de nieuwswaarde. Volgens het Basisboek hanteren redacteuren buitenland een ongeschreven, cynische formule die ongeveer als volgt luidt: “aantal doden gedeeld door de afstand tot Nederland”. Veel slachtoffers in een ver en onbekend land zijn minder nieuwswaardig dan een slachtoffer om de hoek. Met andere woorden: het ene slachtoffer is het andere niet.

De afstand Amsterdam-Kaboel is meer dan 7.000 kilometer. Er waren daar 35 doden. In Wenen waren “slechts” vier doden te betreuren, plus vijftien gewonden. Maar Wenen ligt zeven keer dichter bij Nederland dan Kaboel, ligt in de Europese Unie en is bekend terrein voor veel Nederlandse toeristen. En inderdaad: de Weense slachtoffers lijken meer op ons dan de Afghaanse slachtoffers. Nederlandse toeristen hadden onder de doden en gewonden kunnen zijn. Inleven met de Weens slachtoffers is relatief simpel, met die in Kaboel is meer gecompliceerd.

De vraag is of het mechanisme van “hogere nabijheid, hogere nieuwswaarde” in wezen wel zo wrang, pijnlijk en cynisch is als Sahar Noor beweert en of die berichtgeving automatisch tot een fout soort selectieve verontwaardiging leidt.

Een geliefd familielid dat overlijdt of het sterven van een goede vriend of buur grijpt meer aan dan het overlijden van een voor jou anonieme persoon verderop in de straat, aan de andere kant van Nederland of aan de andere kant van de wereld. “Het komt wel erg dichtbij”, zeggen we als we een onheilstijding ontvangen, bijvoorbeeld over een coronabesmetting van een bekende. Het nieuws van een naaste die zwaar ziek is boeit meer dan de abstracte statistieken en dagkoersen van doden en besmettingen in het land. We zeggen “het raakt ons” of “ik ben aangedaan”, daarmee nabijheid aangevend, zelfs een zo grote nabijheid dat het ons fysiek en psychisch beroert. 

Dat het nabije nieuws ons meer raakt, soms zelfs bij de keel grijpt, is op zich niet vreemd of afkeurenswaardig. Het leidt ook niet automatisch tot selectieve empathie. Met journalisten die daar professioneel op inspelen is niets mis. Ze doen gewoon hun werk. Een van de kerntaken van de journalist is immers de lezer of kijker betrouwbare, controleerbare, en voor hem/haar relevante informatie verschaffen. Dingen die dichtbij gebeuren zijn vaker relevant.

Het zijn niet de media die de empathie van kijkers bepalen. Het zijn de empathische gevoelens van kijkers die bepalen hoe journalisten hun werk moeten doen. Aan berichtgeving over dichtbij worden daarbij in veel opzichten hogere eisen gesteld dan aan verslaggeving vanuit een ver-van-m’n-bed land. De kijker kent immers de situatie van z’n eigen buurt, stad of vaderland. Details kunnen worden getoetst, feiten gecontroleerd. 

Als buitenlandcorrespondent met vele jaren in het Midden-Oosten ben ik meer dan eens in een wrange situatie geweest, waarbij ik in mijn berichtgeving voorrang moest geven aan de interessesfeer van mijn lezers, ten koste van accuraat over elke gruwelijke oorlogsdaad te berichten. Er was bijvoorbeeld buitenproportioneel veel belangstelling voor “onze jongens” van het Nederlandse UNIFIL-bataljon in Libanon. Sahar Noor constateert eenzelfde soort overdreven aandacht voor “onze jongens” in Uruzgan tussen 2006 en 2010, toen elk waterputje dat door Nederlandse militairen werd geslagen door de media in de schijnwerpers werd gezet.

Dat kan inderdaad gekmakend zijn, dat ben ik eens met Sahar Noor. Vooral als je weet dat er veel heftiger dingen gebeuren waar minder aandacht aan wordt besteed. 

Maar het is niet, zoals zij suggereert, vanwege “financiële winst” dat de Nederlandse media nalaten radicaal inclusief te berichten over crisissituaties, waarbij elk slachtoffer “gelijk” is aan de ander. De media werken niet expres selectieve verontwaardiging in de hand. Oprechte verontwaardiging is trouwens altijd selectief. Het is -menselijk gesproken- onmogelijk over alles even verontwaardigd te zijn. 

Journalisten zijn geen kruideniers die alle ellende gram voor gram moeten afwegen en gelijkelijk verwerken in hun nieuwsgaring en -verwerking. Journalisten en media bedienen een specifiek publiek, om dit te voorzien van voor hen relevant nieuws en informatie. En daar komt onverbiddelijk een selectie aan te pas. 

Dat wil niet zeggen dat goede journalisten “ver nieuws” niet interessant en relevant kunnen en soms moeten maken. Misschien is het dichterbij brengen van dat “verre nieuws”, dat overigens ook uit Amsterdam-Oost of Molenbeek kan worden gehaald, wel een van de grootste uitdagingen van de journalistiek. Maar het kweken van begrip en inclusiviteit zijn niet gediend met alle nieuwsfeiten over één kam te scheren, uit naam van een vaag soort universeel humanisme. 

23 december 2020, geschreven voor Media Trainingscentrum Noord-Nederland

Message to Rural Media Network Pakistan

Safety Training for Pakistani journalists

Dear friends and colleagues

I’m saluting you from The Netherlands. As a long time friend of the Rural Media Network Pakistan my thoughts are with you and the important work you’re doing. On World Press Freedom Day (3d of May) we celebrate the fundamental principles of press freedom. Those principles are universal and based on the right to freedom of opinion and expression. According to the Universal Declaration of Human Rights it is each and everyone’s right “to hold opinions without interference, and to seek, receive and impart information and ideas through any media regardless of frontiers.”

On the 3d of May we assess the situation of press freedom in our village, city and country. And we pay tribute to journalists who were injured or even lost their lives in the line of pursuing a story. 

Independent, trusted journalism matters. This is even more true in times of a health crisis. Journalists can counter fake news and misinformation, spread crucial public health messages and encourage people to do the right thing not to get infected with the corona virus. 

So it is especially in these days that my thoughts are with you: brave journalists in rural Pakistan. Please keep up the fight for transparency, good communication and trusted information.

Jan Keulen

1-5-2020 Message to RMNP: http://ruralmedianetworkpk.org/jan-keulen-underlines-the-need-to-fight-for-transparency-good-communication-and-trusted-information/

Ook tijdens de coronacrisis: continue aanval op de vrije pers door Trump

Na haast tweeënhalf uur naar president Trump te hebben geluisterd, duizelde het de ervaren BBC-correspondent Jon Sopel. De persconferentie op 13 april was, schrijft hij, jaw-dropping, eyeball-popping en head-spinning. Trump was woedend op de journalisten die het lef hadden hem kritisch te bevragen over zijn inspanningen om de corona-epidemie, die op dat moment al aan 23.000 Amerikanen het leven had gekost, in te dammen.

Donald Trump met verslaggevers

“Schandalig, je bent nep” riep Trump tegen een CBS-verslaggeefster die durfde door te vragen nadat hij de aanwezige journalisten een filmpje had laten zien, dat meer weg had van een campagnespot. De bizarre persconferentie, met een bij tijden ongeremd ruziënde en grove Trump, illustreerde eens te meer de uniek problematische verhouding die de Amerikaanse president heeft met de media. 

Volgens het donderdag 16 april verschenen rapport ‘The Trump Administration and the Media’ van het Committee to Protect Journalists (CPJ) brengt Trump met zijn vijandigheid ten opzichte van de journalistiek de Amerikaanse democratie in gevaar. Ook de persvrijheid in de Verenigde Staten en veel andere landen loopt door Trumps optreden grote schade op. Autoritaire leiders in landen als Hongarije, Turkije, China, Egypte en de Filipijnen voelen zich door Trumps agressieve mediadiscours gesteund. De boodschap aan elke autocraat of dictator ter wereld is: het is ok om op te treden tegen journalisten, ze zijn immers “de vijanden van het volk”, persvrijheid is niet langer belangrijk. 

Trump voert voortdurend aanvallen uit op de pers. En op allerlei manieren. Bijvoorbeeld tijdens zijn verkiezingsbijeenkomsten, bij persconferenties en op Twitter. Daarnaast probeert hij de eigenaren van hem onwelgevallige media aan te pakken. Amerikaanse journalisten worden lastiggevallen als ze, komend vanuit het buitenland, de Verenigde Staten binnen reizen. Beroep doen op de Amerikaanse Wet Openbaarheid Bestuur wordt hoe langer hoe lastiger. Kortom: de journalistiek in de Verenigde Staten is in de verdrukking. 

In het oog springend is Trumps activiteit op Twitter. De denktank US Press Freedom Tracker, die een database aanlegde ten behoeve van het rapport, telde vanaf zijn verkiezingscampagne vijf jaar geleden, meer dan tweeduizend tweets met aanvallen op media en journalisten. Meer dan honderd individuele journalisten worden met name genoemd. Ze zijn corrupt, oneerlijk, gek, stom, nep, vuilnis, laag-bij-de-gronds of schandalig. In honderden tweets maakt hij The New York Times, CNN, NBC, MSNBC, The Washington Post en tientallen andere expliciet genoemde media uit voor vijanden van het volk en hun verslaggeving is walgelijk en fake. Zelfs het Trump gunstig gezinde Fox News ontkomt zo nu en dan niet aan de toorn of hoon van de president. 

Uitgekiende strategie om media zwart te maken
Wat is het doel van Trumps onvermoeibare kruistocht tegen de media? Is het ijdelheid, emotie, dommigheid, kan hij niet tegen kritiek? Volgens de schrijver van het CPJ-rapport Leonard Downie, hoogleraar journalistiek en ex-hoofdredacteur van de Washington Post, is er meer aan de hand. Er is wel degelijk sprake van een uitgekiende strategie. 

Downie interviewde voor zijn rapport meer dan 40 vooraanstaande journalisten, hoge ambtenaren, mediajuristen en andere academici. Hun grotendeels gedeelde conclusie is dat Trump opzettelijk en planmatig probeert de media te intimideren en zwart te maken. Downie citeert CBS-correspondent Leslie Stahl die een persoonlijke ontmoeting had met Trump vlak voor de opname van haar programma 60 Minutes, eind 2016. Hoewel zij alleen met Trump in de kamer was en er geen camera’s draaiden begon hij weer eens aan een van zijn scheldkanonnades tegen de media. “Ik zei tegen hem: weet u, dit is zo vermoeiend. Waarom doet u dit? Het verveelt en het is tijd om er mee op te houden. U heeft uiteindelijk de verkiezingen gewonnen. Waarom blijf u steeds zo hameren op de media?” “Weet je waarom ik het doe?” antwoordde Trump. Ik doe het om jullie allemaal in diskrediet te brengen, om de media te vernederen. Als jullie negatieve verhalen over mij schrijven zal niemand jullie meer geloven.”

Leslie Stahl herinnert zich haar verbijstering over hoe gecalculeerd Trump was. Het is, volgens haar, “allemaal een plan”. Ze zegt steeds bezorgder te zijn over de gevolgen van Trumps onophoudelijke tirades tegen de media. “Als je iets telkens maar herhaalt is de impact uiteindelijk enorm.” Die impact bestaat niet alleen uit de vele haatuitingen op sociale media van Trump-aanhangers, maar ook uit fysieke bedreigingen. Vooral tv-journalisten die bekend zijn bij het grote publiek moeten het ontgelden. Het beroep van journalist is verdacht gemaakt.

Voor iemand die zo neerkijkt op de media en zo haatdragend is, is het opmerkelijk dat de president journalisten niet mijdt. Trump wordt zelfs gezien als de meest toegankelijke president in de laatste dertig jaar. Mike Bender van de The Wall Street Journal constateert in het CPJ-rapport dat Trump erop gebrand is om “met de pers om te gaan, hij wil ons dicht bij hem in de buurt hebben”. “Maar dan begin hij met zijn tirades….”

Belang van zichtbaarheid
Als vroegere reality-tv-ster beseft Trump het belang van zichtbaarheid. Het gaat hem vooral om fotomomenten als hij buitenlandse leiders ontmoet, informele ontmoetingen met schreeuwende verslaggevers als hij in zijn ronkende Marine One helikopter stapt en andere “optredens” die leiden tot zendtijd in de belangrijke journaals. Daartoe horen ook zijn woede-uitbarstingen tijdens persconferenties met de “nep-media”. Zijn achterban loves it. 

Ook BBC-journalist Jon Sopel was maandag verbaasd dat de president alle tijd nam om met de journalisten in debat te gaan, zij het op zijn eigen bijzondere manier. “We hebben dus een president die ons kennelijk haat. Maar. Maar. Maar. Hij bleef wel aanwezig en beantwoordde gedurende meer dan anderhalf uur de vragen. Hij was als een muziekgroep op afscheidstournee die steeds een toegift wil spelen. Hij geniet ervan. Hij is in zijn element. En tegelijkertijd haat hij ons.”  

Geloofwaardigheid van media geërodeerd bij Trump-aanhangers
Trumps stelselmatige haat- en delegitimatie-campagne heeft tot gevolg -zo concludeert het CPJ-rapport- dat de geloofwaardigheid van de Amerikaanse media, vooral bij zijn aanhangers, ernstig is geërodeerd. Peiling na peiling toont aan dat met name de Amerikanen die Republikeins stemmen de journalistiek niet meer vertrouwen. Het CPJ-rapport haalt een in maart gedane peiling aan waaruit blijkt dat 62% van de ondervraagden ervan overtuigd was dat de media de risico’s van het COVID-19 virus schromelijk overdreef. 

De Trumpaanhangers geloven alleen de nieuwsbronnen die ze politiek vertrouwen, zo constateert het CPJ-rapport, ongeacht het waarheidsgehalte van de informatie. Het angstaanjagende is dat de polarisatie in de VS zich niet beperkt tot de politiek, ideologie en emotie. Er is ook een polarisatie over de feiten, over wat waar en onwaar is. “Mensen construeren hun eigen realiteit, uit een keuze aan media waarmee ze instemmen”, zegt Mark Lukasiewicz, directeur van een gerenommeerde journalistieke opleiding. 

Volgens het CPJ-rapport wordt het fundamentele “recht om te weten” en de controlerende rol van de media in een democratie, door Trump in gevaar gebracht. “Het is een Orwelliaans spervuur van woorden die het doel van de journalistiek, mensen die journalistiek beoefenen en de organisatie waarvoor ze werken in diskrediet brengt”, constateert de vroegere CNN-nieuwspresentator Frank Sesno. “Het is een continue aanval op een vrije pers.”

Hoe moeten media en journalisten reageren?
De vraag is: hoe moeten de media en journalisten antwoorden op Trumps pogingen hun geloofwaardigheid kapot te maken? In misschien het interessantste gedeelte van het CPJ-rapport wordt duidelijk hoe het niet moet; niet zelf partijdig worden, feiten en opinies door elkaar halen en je laten leiden door afkeer van Trump. Als de media niet langer de rol van waakhond spelen maar van aanvalshond, dan is er iets mis en dragen journalisten zelf bij aan de polarisatie.

De kunst is om verantwoordelijke, transparante journalistiek blijven bedrijven. Het blijft belangrijk de vele leugens van Trump te fact checken, zonder partijdig te worden. Daarnaast moeten de media assertief voor zichzelf opkomen en voor hun rol in een democratie. Dat kan betekenen dat “de normale relaties tussen media en regering worden opgeschort”.

Hoogleraar journalistiek Jay Rosen bepleit dat nieuwsmedia hun berichtgeving over Trump “bijstellen”. Zo zouden de media niet langer zijn toespraken, verkiezingsbijeenkomsten en persconferenties automatisch live moeten verslaan, al is het goed voor de kijkcijfers.

CPJ heeft het rapport voorafgaande aan publicatie aan president Trump gestuurd en gevraagd om een gesprek. In een reeks aanbevelingen wordt de president onder andere gevraagd publiekelijk de rol van een vrije pers in een democratie te erkennen en te benoemen, zeker in tijden van de COVID-19 crisis. Benieuwd wat zijn reactie zal zijn. Mijn voorspelling: dit is een fake rapport, geschreven door een stelletje nitwits. 

Eerder verschenen op Villamedia, 16 april 2020

Het desinformatie-virus in tijden van corona

tekening Joep Bertrams

Lang voordat we geteisterd werden door corona, hadden we te maken met het desinformatie-virus. De combinatie van die twee plagen kan dodelijk zijn, heel soms vermakelijk en het levert wellicht ook nieuwe inzichten op.

Volgens het European Journalism Observatory hebben we te maken met een tsunami van foute informatie, zowel in de traditionele ‘main stream’ media als op sociale media. Factcheckers overal ter wereld maken overuren om mythes over corona te ontzenuwen, waandenkbeelden te bestrijden en geruchten en domweg foute informatie recht te zetten. 

Het Franse persbureau AFP publiceert bijvoorbeeld de blog AFP Fact Checkwaar binnen enkele weken al zo’n 170 foute verhalen werden gerectificeerd. 

Soms is de desinformatie zo ongeloofwaardig dat het lastig is een glimlach te onderdrukken, zoals bij de bewering dat je het coronavirus met een heet bad af zou kunnen schudden of kunt verlichten door te gorgelen met zout water. Ook het bericht dat je corona opspoort  door tien seconden je adem in te houden, lijkt, ook op het eerste gezicht, toch wel erg onwaarschijnlijk. Als het je lukt je adem tien minuten in te houden zou je niet besmet zijn met het coronavirus.

In het Verenigd Koninkrijk bestrijdt de onafhankelijke factchecker Fullfact vooral desinformatie over corona die via sociale media wordt verspreid. Fullfact benadrukt onpartijdig te zijn en niet alleen foute informatie op te sporen maar ook te ijveren voor rectificatie. Het gaat de organisatie puur om de feiten, niet om politieke of ideologische standpunten. Interessant en nuttig is de eenvoudige maar effectieve Fullfact-toolkit met tips en tricks om informatie te verifiëren. De website biedt ook een lijst van organisaties overal ter wereld die zich met fact checking bezighouden.  

In Nederland volgt onder andere nu.nl actief sociale media om te kijken wat er nu wel of niet klopt. Onjuiste corona-adviezen worden door NUcheckt feitelijk en bondig ontkracht. Als het mogelijk is te achterhalen waar het onjuiste bericht vandaan komt, wordt dit vermeld.  

De berichtendienst Whatsapp draagt veel bij aan de geruchtenmolen, samenzweringstheorieën en bakerpraatjes over veronderstelde remedies tegen corona. Hoewel het dus een van de grootste boosdoeners is die nepnieuws de wereld in helpt, is Whatsapp tegelijkertijd voor miljoenen mensen belangrijk om onderling contact te onderhouden. Een ‘leuk’ berichtje over corona, dat toch al viraal rondgaat, is met de druk op een knop verzonden. Het advies van mediadeskundige Jeroen Smit in Jinek van 23 maart om behalve social distancing ook social media distancing te betrachten, en minder met je telefoon en met internet bezig te zijn, is in tijden van verplichte sociale isolatie nogal wereldvreemd. 

Toch is er uiteraard veel kritiek mogelijk op de rol van de internetbedrijven die met hun sociale mediaplatformen en andere producten gigantische winsten maken. Welke rol spelen zij in de strijd tegen het desinformatievirus? 

Google pretendeert zelf aan fact checking bij te dragen, onder andere door Google Fact Check Tools aan te bieden, een handig hulpmiddel voor journalisten en andere geïnteresseerden om zelf als fact checker aan de slag te gaan. Ook de resultaten van een zoekopdracht, bijvoorbeeld als men bij Google ‘corona’ intypt, zijn, aldus Google zelf, zoveel mogelijk gevrijwaard van nepnieuws

Whatsapp, dat een onderdeel is van Facebook, heeft onlangs een donatie gedaan van een miljoen dollar aan het International Fact-Checking Network (IFCN), dat een coalitie van meer dan 100 fact-checkers in 45 landen heeft opgezet om de desinformatie over corona te bestrijden. Volgens Whatsapp is accurate informatie cruciaal voor de bestrijding van het coronavirus. Dat zal niemand ontkennen. Maar er zit bij de gulle gever wellicht ook een addertje onder het gras, omdat een deel van het geld besteed zal worden om journalisten te trainen in het gebruik van Whatsapp applicaties als WhatsAppBusiness App en WhatsApp API.

Het is onrealistisch te veronderstellen dat het publiek in tijden van corona minder gebruik zal maken van Facebook, Instagram, Twitter of Whatsapp. Het ligt voor de hand dat, met een massa al of niet verveelde mensen in thuisquarantaine, het gebruik juist eerder zal toenemen. Dat betekent, ironisch genoeg, dat de verleiding voor sommigen om onjuiste, sensationele en misleidende berichten te plaatsen ook erg groot blijft. Dit soort berichten vormen immers clickbait, vaak een verdienmodel of lekker geil voor influencers die door de vele klikken hun ego gestreeld zien.

Het is dus de heilige plicht van journalisten om met goede, betrouwbare informatie te komen en het virus van de desinformatie, met name die van Whatsapp en andere sociale media, de kop in te drukken. In deze barre tijden hebben we geen influencers nodig maar goede journalistiek.

Soms zijn het de instanties zelf die met rectificaties komen. 

Zo moest de politie enkele dagen geleden het nepnieuws ontkennen dat het leger werd ingezet om vanuit vliegtuigen desinfecterende vloeistof tegen het coronavirus te sproeien. Volgens het bericht moesten alle Nederlanders daarom thuisblijven. De politie verzocht mensen de flauwekul van Twitter te verwijderen. Het is uiteraard belangrijk dat zo’n politiebericht en -advies breed wordt opgepakt door alle serieuze journalistieke platforms.

Het RIVM reageerde fel op een bericht van de uiterst-rechtse YouTuber Tom Zwitser. Zwitser beweerde op zijn YouTube kanaal dat de Nederlandse overheid uit is op 200.000 corona-doden. Zwitser is directeur van het vanuit Groningen opererende Blue Tiger Studio dat pretendeert “het echte nieuws over corona” te brengen, suggererend dat we voor de gek worden gehouden over de pandemie door overheid en main stream media. 

Op 17 maart debiteerde Zwitser in een video een aantal samenzweringstheorieën die inmiddels door meer dan 16.000 mensen bekeken zijn. De meeste reacties onder het filmpje zijn instemmend. Veel gehoorde strekking: eindelijk iemand die het echte verhaal durft te vertellen. In het Dagblad van het Noorden noemt RIVM-woordvoerder Coen Berends het verhaal van Tom Zwitser “volstrekte onzin”. “Zwitser zegt dat de overheid een verborgen agenda heeft. Daar is absoluut geen sprake van. Ik schaar dit onder nepnieuws. Het RIVM probeert juist duidelijkheid te scheppen. Ik en mijn collega’s werken dag en nacht om Nederland te beschermen voor het virus.”

Zwitser en zijn geestverwanten zullen niet onder de indruk zijn van de RIVM. Ze zullen er eerder een bewijs in zien van hun eigen gelijk en dat het RIVM bestaat uit een sinistere club leugenaars.

In zijn essay ‘Mens/Onmens’ constateert Bas Heijne dat de ware functie van nepnieuws niet is om weldenkende burgers op een dwaalspoor te brengen, maar om noties en gevoelens die sommige mensen toch al hadden te bevestigen. Als je er bijvoorbeeld van overtuigd bent dat de opwarming van de aarde een hoax is, dat de overheid je vijand is, dat het de taak van media is om de massa’s te manipuleren, dan weerhoudt niets je ervan de idiote beweringen van bijvoorbeeld Tom Zwitser voor waar aan te nemen en te verspreiden. 

Met ware gelovers is het lastig debatteren. 

“Informatie, informatie, informatie”, riep Jeroen Smit uit bij Jinek, “daar gaat het om”. Hij heeft gelijk dat het de taak van de journalistiek is om het publiek op een betrouwbare en professionele manier te informeren. Daarnaast is het aan ons journalisten dagelijks met een stevig en slim vaccin tegen het desinformatie-virus te komen. Geen gemakkelijke opgave in deze tijden van corona. 

Dit artikel werd gepubliceerd in VillaMedia van 25 maart 2020

Luister naar podcast van The Guardian over hetzelfde onderwerp.

An avalanche of misinformation, fake news and hoaxes are being shared widely online as people seek reliable information on the coronavirus crisis. The Guardian’s media editor, Jim Waterson, examines where the falsehoods are coming from.

https://www.theguardian.com/news/audio/2020/mar/25/going-viral-fake-news-and-covid-19?CMP=share_btn_tw