Veroordeling El Khalidi laat zien dat Marokko lak heeft aan vrije journalistiek

Haar zaak deed veel stof opwaaien. De Speciale VN-Rapporteur voor Vrijheid van Meningsuiting David Kaye en organisaties als Amnesty International, Human Rights Watch en Reporters without Borders kwamen op voor haar recht vrijelijk journalistiek te bedrijven. Haar misdaad? Ze had in december 2018 met haar mobiele telefoon een demonstratie gefilmd in Laayoune, de hoofdstad van de door Marokko bezette Westelijke Sahara.

Op 8 juli werd de 28-jarige Nazha el Khalidi door een Marokkaanse rechtbank in Laayoune veroordeeld tot een boete van 400 euro. Het had veel erger gekund. Ze riskeerde zelfs twee jaar gevangenisstraf omdat ze artikel 381 van het Marokkaanse Wetboek van Strafrecht had overtreden, dat bepaalt dat een beroep alleen kan worden uitgeoefend als “aan wettelijke professionele eisen is voldaan”. Volgens Human Rights Watch wordt deze wet ten onrechte toegepast bij (burger-) journalisten die proberen misstanden aan de kaak te stellen.

Waarschijnlijk heeft de internationale aandacht voor de zaak van Nazha el Khalidi tot gevolg gehad dat haar straf relatief laag uitvalt. Het is duidelijk dat de Marokkaanse autoriteiten van haar geen martelaar voor het vrije woord willen maken. Voorkomen moet immers worden dat de schijnwerpers worden gericht op de situatie in de vroegere Spaanse kolonie die, sinds het einde van de jaren zeventig, voor een groot deel in handen is van Marokko.

De wereldgemeenschap, inclusief Nederland, heeft de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara nooit erkend. Volgens de Verenigde Naties zouden de oorspronkelijke Saharaanse bewoners van het gebied, waarvan er 175.000 in vluchtelingenkampen in Algerije wonen, zich in een referendum moeten uitspreken over aansluiting bij Marokko, autonomie of onafhankelijkheid.  Dit recht op zelfbeschikking hebben de Saharanen tot dusver nooit kunnen uitoefenen.

In een in juni uitgekomen rapport van Reporters without Borders (RSF) wordt het gebied een “woestijn voor journalisten” genoemd. Niet omdat er nooit iets zou gebeuren, maar omdat uit de Westelijke Sahara pottenkijkers systematisch worden geweerd. Het gebied is een ware no-go zone voor journalisten, correspondenten en kritische buitenlandse waarnemers.

Zo werden op 19 mei vijf Spaanse en twee Noorse juristen, die het proces in Laayoune tegen Nazha el Khalidi wilden bijwonen, het land uitgezet. Op 23 juni herhaalde dit scenario zich met drie Spaanse advocaten, die ervan werden beschuldigd “vijandige bedoelingen ten opzichte van Marokko” te hebben.

Volgens RSF is de Westelijke Sahara is een soort zwart gat, een news black hole, waar alleen journalisten van Marokkaanse media die het regeringsverhaal reproduceren, zo nu en dan welkom zijn. “Marokko voert een politiek waarbij systematisch buitenlandse journalisten uit de Westelijke Sahara worden geweerd. Lokale burgerjournalisten, die een niet-officiële versie van het nieuws naar buiten proberen te brengen, onder andere via sociale media, worden zwaar vervolgd en gestraft.

Volgens het RSF-rapport hebben lokale Saharaanse journalisten te maken met “martelingen, arrestaties, fysieke mishandeling, intimidatie, pesten, smaad, technologische sabotage en langdurige gevangenisstraffen”. Drie Saharaanse journalisten/activisten zitten op dit moment straffen uit van respectievelijk 6, 20 en 25 jaar in Marokkaanse gevangenissen.

De tweeledige blokkade -geen buitenlandse media en geen lokale stemmen toelaten- heeft ervoor gezorgd dat er nauwelijks nieuws naar buiten komt.

Het moedige werk van Nazha el Khalidi en van haar collega’s bij het Saharaanse mediacollectief Equipe Média is daarom des te opmerkelijker. Uitdrukkelijk doel van de jonge media-activisten, is de informatieblokkade te doorbreken met teksten, foto’s, video’s en uitingen op sociale media die een alternatief verhaal vertellen. In de Spaanse krant La Vanguardia zegt Nazha el Khalidi ondanks de veroordeling en ondanks alle risico’s door te willen gaan met haar journalistieke werk.

Marokko scoort dit jaar met een 135e plaats (van 180 landen) laag op de World Press Freedom Index van Reporters without Borders. Niet alleen verslag doen van de situatie in de Westelijke Sahara, van de demonstraties in de noordelijke Rif-regio of berichten over het koningshuis wordt beantwoord met criminalisering en repressie. Ook van onafhankelijke onderzoeksjournalistiek zijn de Marokkaanse autoriteiten niet gediend.

Het Committee to Protect Journalists (CPJ) publiceerde op 1 juli een rapport over het klimaat “van voortdurende surveillance, intimidatie en plagerijen” waar Marokkaanse onderzoeksjournalisten mee te maken hebben. De autoriteiten installeren geavanceerde spyware op de laptops of mobiele telefoons van kritische journalisten en correspondenten.

De Marokkaanse journalist Ali Lmarabet reist veel op en neer tussen zijn woonplaats Barcelona en Marokko. Hij schrijft veel over “delicate” onderwerpen, zoals de situatie in de Rif en de Westelijke Sahara. In 2003 werd hij tot 3 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij de koning zou hebben beledigd. In 2004 kreeg hij amnestie en werd uit de gevangenis ontslagen, maar kreeg wel een Marokkaans beroepsverbod opgelegd vanwege zijn artikelen over de Westelijke Sahara. Lmarabet vertelt CPJ dat hij voortdurend wordt geconfronteerd met malware op zijn laptop, elke keer als hij in Marokko is geweest.

Een van de meest effectieve middelen die de autoriteiten hebben om de journalistiek te controleren is de (niet-) verstrekking van perskaarten. Zonder persaccreditatie mag je het journalistieke beroep in Marokko niet uitoefenen en kun je als freelancer ook geen artikelen verkopen aan Marokkaanse media. Deze praktijk druist uiteraard in tegen de elementaire rechten van persvrijheid en vrije meningsuiting. Onder andere Nazha el Khalidi werd er het slachtoffer van. Maar ze is niet van plan zich de mond te laten snoeren. 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd door VillaMedia op 9 juli 2019

Bittere herdenkingen in 2017: rouwen en vieren

Als een conflict maar lang genoeg duurt zijn er genoeg historische hoogte- en dieptepunten om te herdenken. Dat geldt zeker voor het conflict om Palestina.

Ga maar na: 2017 was het jaar dat het honderd jaar geleden was dat de Britse minister Arthur Balfour de zionistische beweging een “joods tehuis” in Palestina beloofde. Het was 70 jaar geleden dat de Verenigde Naties het Britse mandaat over Palestina beëindigde en het “verdelingsplan” aannam, waarbij het land opgedeeld zou worden in een Joodse en een Arabische staat. En 50 jaar geleden, in 1967, bezette het Israëlische leger de laatste stukken Palestina: de Westoever inclusief Oost-Jeruzalem en Gaza.

Er viel dit jaar veel te vieren en veel te rouwen. Ik heb gemengde gevoelens over dit jaar. Het herdenken betrof immers geen afgesloten historische gebeurtenissen maar een nog steeds doorgaand proces van koloniseren en verdringing van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking. Het vieren werd vooral verricht door de Israëlische regering en haar achterban en bondgenoten. Ondertussen rouwde het Palestijnse volk, dat slachtoffer blijft van jarenlange (en voortgaande) verjaging, onteigening, bezetting en apartheid.

Er was nog een mijlpaal die in 2017 herdacht moest worden. Op 9 december 1987 botste een Israëlisch militair voertuig met een auto in het Jabâliyah-vluchtelingenkamp in Gaza. Bij het ongeluk kwamen vier Palestijnse burgers om het leven. Het incident leidde tot wijdverbreide protesten tegen de Israëlische bezetting: stakingen, demonstraties, burgerlijke ongehoorzaamheid, boycot van de Israëlische autoriteiten (“Civil Administration”) en het gooien van stenen naar Israëlische militairen. De eerste intifada was geboren.

De intifada van dertig jaar geleden leidde uiteindelijk naar de conferentie van Madrid in 1991 en naar het “vredesproces”, inclusief de Oslo-akkoorden. Maar het einde van het conflict is nog niet in zicht.

Ik vrees dat we ook de komende jaren nog vele commemoraties op ons bord zullen krijgen. Er was een tweede, veel gewelddadiger, intifada van 2000-2005. Er waren drie dodelijke, verwoestende Gaza-oorlogen. De bouw van illegale nederzettingen op de Westoever en in Oost-Jeruzalem ging onverminderd door. Voor het Israëlische koloniseringsproject was 2017 een waar kroonjaar met Netanyahu’s beste maat Trump in het Witte Huis en Jeruzalem erkend door de Verenigde Staten als hoofdstad van Israël. Genoeg om te vieren of om te rouwen de komende jaren.

Welke mening je ook toegedaan bent over de kwestie Israël/Palestina, één ding is duidelijk: het internationaal recht en de mensenrechten worden in het conflict op grote schaal geschonden. Nu het vredesproces op een dood spoor is beland en van de “ultimate deal” van de regering-Trump weinig te verwachten valt, zou het wellicht hoop geven op z’n minst die schendingen te benoemen en er iets tegen te doen.

Neem Gaza. Dit jaar kon de bittere verjaardag worden herdacht van tien jaar blokkade. Het gebied is vanuit zee, lucht en land afgesloten met desastreuse humanitaire gevolgen. Mensen en goederen kunnen Gaza niet vrijelijk in en uit. Een van de gevolgen is het gebrek aan elektriciteit: in sommige delen van Gaza beperkt tot vier tot zes uur per dag. Wat dat betekent voor de economie, de landbouw, de gezondheidszorg en het dagelijks leven laat zich raden. De situatie is des te nijpender omdat Gaza nog steeds kampt met de gevolgen van Israëls militaire offensief in 2014. Duizenden zijn drie jaar later nog steeds ontheemd in een klein gebied dat toch al een enorm tekort aan woningen en bouwmaterialen heeft.

De regering-Netanyahu reageert altijd zeer afwijzend op de constatering dat Israël het internationaal recht schendt. De Verenigde Naties, de VN-Veiligheidsraad, de VN-Mensenrechtenraad en UNESCO worden beschuldigd “bevooroordeeld te zijn ten opzichte van Israël” of erger: “antisemitisch” of “aanzettend tot terrorisme”. Terwijl er geen twijfel over kan bestaan dat Israël voortdurend en op grote schaal de internationale normen en legaliteit aan zijn laars lapt, gedraagt het land zich alsof het een “status aparte” heeft en zich niets hoeft aan te trekken van het internationaal recht, VN-Veiligheidsraadresoluties of de universele mensenrechten.

Het collectief straffen van twee miljoen mensen is duidelijk in strijd met het internationaal recht, evenals het gebrek aan bewegingsvrijheid voor de Gazanen en beperking van het recht je land te verlaten en er terug te keren. Om over het recht om te leven en tal van andere fundamentele rechten nog maar te zwijgen.

Waarom wordt de cynische cyclus van herdenkingen van de overwinnaars en verliezers niet doorbroken door een internationale campagne om een einde te maken aan de illegale Israëlische praktijken? Wat stelt de internationale rechtsorde voor als de internationale gemeenschap de andere kant opkijkt bij consistente schendingen door een van de VN-lidstaten? Voor de goede orde: Israël is lang niet het enige land dat in strijd handelt met het internationaal recht. Alleen: Israël is een bevriende natie van Nederland en de EU, een belangrijke handelspartner en geniet bij delen van de publieke opinie en media nog altijd veel sympathie.

Dat is reden genoeg om er bij de Nederlandse en Europese politiek op aan te dringen Israël niet voortdurend weg te laten komen met illegale bezetting, afsluiting, huisvernielingen, nederzettingen en agressie tegen de burgerbevolking.

Wat zou het heerlijk zijn om over een aantal jaren een herdenking te hebben -niet van Balfour, mislukte vredesplannen, intifadas en een bezetting- maar van effectieve sancties tegen partijen die het internationaal recht schenden. Wat zou het fijn zijn als er eindelijk verantwoording moet worden afgelegd; dat we op een dag feestelijk kunnen herdenken dat het gedaan is met de straffeloosheid.

 

Geschreven voor de Nieuwsbrief van Groningen-Jabalya, nr. 40, december 2017

door Jan Keulen

 

Niets is waar, alles is waar en de rest is propaganda

In een achtergrondverhaal probeerde NRC-correspondent Guus Valk onlangs de vraag te beantwoorden hoe het profiel eruit ziet van de Donald Trump-achterban. Trump-aanhangers, zo blijkt, hebben geen hoge pet op van de journalistiek, geloven de gevestigde media voor geen cent en zijn niet afkerig van samenzweringstheorieën.

trump

Valk voert een man op die zegt in Trump geïnteresseerd te zijn geraakt toen deze Obama’s geboorteland ter discussie stelde. Hoewel Obama’s geboortebewijs aangeeft dat hij in de VS is geboren, zou dat volgens de Trump-aanhanger, wel vervalst zijn. Ook is hij – net als Trump – ervan overtuigd dat Obama eigenlijk moslim is. Opperrechter Antonin Scalia, die in februari op 79-jarige leeftijd overleed, was vermoord. ‘Ze vonden een kussen op zijn gezicht, aldus Trump. Dat dit door geen enkele serieuze nieuwsbron wordt gestaafd is niet het probleem van presidentskandidaat Donald J. Trump.

Trump zelf liet meermalen weten niets op te hebben met de journalistiek en het journaille. Sinds hij kritisch werd geïnterviewd door Fox-journaliste Megyn Kelly wordt ook deze conservatieve zender door hem geboycot. Volgens Guus Valk speelt Trump voortdurend met de waarheid omdat we, zoals hij zegt, niet meer weten wat waar is en wat niet. Daarom moet Amerika het zekere voor het onzekere nemen en een muur bouwen om de illegale immigranten buiten te houden en moslims verbieden naar de VS te komen.

Trumps’ houding ten opzichte van de journalistiek lijkt curieus veel op die van een man die hij grenzeloos zegt te bewonderen: president Vladimir Poetin. Poetin’s belangrijkste propaganda orgaan in het Westen is Russia Today. In een interessante analyse van Russia Today’s directeur Pavel Koshkin wordt met zoveel woorden gezegd dat echte objectiviteit niet bestaat en dat bij een geopolitieke confrontatie journalisten natuurlijk existentiële keuzes maken en de ‘eigen’ kant kiezen.

Informatieoorlogen horen nu eenmaal bij de èchte oorlog die op de grond wordt uitgevochten. Vanuit die perceptie is alle journalistiek propaganda en onpartijdigheid een mythe. Koshkin schildert een situatie waarbij Westerse experts het hebben over ‘het cynisme, het gevaar en de agressiviteit van de Kremlin propaganda’, terwijl Russische experts geobsedeerd zijn door de ‘Westerse hegemonie’ in de internationale berichtgeving en een tegengeluid willen laten horen.

Koshkins’ artikel verscheen als reactie op de zorgen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) over de rol van propaganda, vooral in het conflict in de Ukraine. De OVSE-vertegenwoordigster voor Persvrijheid,  Dunja Mijatović, probeerde een dialoog op gang te brengen tussen Ukraïnse en Russische journalisten en organiseerde trainingen journalistieke ethiek voor jonge journalisten uit beide landen. Op haar initiatief werd in februari de bijeenkomst gehouden in Wenen over ‘Propaganda voor Oorlog en Haat en Persvrijheid’.

Een van de conclusies van die bijeenkomst was dat het bloedgevaarlijk is als het publieke domein wordt beheerst door propaganda. Het wordt dan moeilijker aan betrouwbare informatie te komen en mensen kunnen niet langer hun meningen en ideeën vrijelijk uitdragen. Een effectief antwoord op propaganda is daadwerkelijke persvrijheid, media pluralisme en kwalitatieve journalistiek.

Propaganda die rechtstreeks oproept tot haat, geweld, vijandschap, onverdraagzaamheid en discriminatie moet, volgens het internationaal recht, strafbaar gesteld worden. Maar in werkelijkheid neemt de afgelopen jaren de stortvloed aan misleidende informatie, stereotyperingen en leugenachtige berichten over complottheorieën, gemartelde kinderen, massagraven en aanrandingen alleen maar toe. Dat geldt zeker voor de berichtgeving over conflicten aan de rand van Europa; in de Ukraine, Turkije en het Midden-Oosten.

Het feit dat iedereen voor journalist kan spelen via sociale media heeft het probleem verergerd. Volgens Dunja Mijatović maken het globale open medialandschap en de sociale netwerken het onzinnig propaganda met anti-propaganda te beantwoorden of bepaalde TV-zenders of websites te blokkeren. Als je eenmaal met censuur begint, is het einde zoek.

Sommigen hebben Trumps’ succesformule samengevat als: social media + reality TV: korte, kernachtige boodschappen en het vasthouden aan een (autoritair) personage dat kennelijk bij velen tot de verbeelding spreekt. In de wereld van Donald Trump en Vladimir Poetin is de grens tussen werkelijkheid en fictie vervaagd.  Het is een geraffineerd en opportunistisch spelen met de werkelijkheid, waarbij waarheidsvinding of ethische waarden van ondergeschikt belang zijn. Het is: propaganda.

Het beste antwoord op propaganda is moedige, professionele en onderzoekende journalistiek. Wat dat betreft rust er een grote verantwoordelijkheid op de schouders van het ‘journalistieke gilde’; individuele journalisten en journalistieke beroepsorganisaties. Journalistiek is tenslotte de discipline die pretendeert te achterhalen wat er werkelijk gebeurde, gebeurt en mogelijk zal gebeuren.

 

Eerder gepubliceerd op: http://www.nvj.nl (7 maart)